Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het [...] en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, 's-Gravenhage, 26-11-2001

Geldend van 01-01-2003 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Republiek Oostenrijk,

Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN HET VERDRAG

Artikel 1. Nalatenschappen, verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen waarop het Verdrag van toepassing is

Dit Verdrag is van toepassing:

  • a. op nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht van personen die ten tijde van hun overlijden inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten, en

  • b. op schenkingen gedaan door personen die ten tijde van de schenking inwoner waren van een of van beide Verdragsluitende Staten.

Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

  • 1 Dit Verdrag is van toepassing op belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en van schenkingen, die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een Verdragsluitende Staat of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

  • 2 Als belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht worden beschouwd alle belastingen die ter zake van overlijden worden geheven in de vorm van belastingen over de nalatenschap in haar geheel, van belastingen over verkrijgingen krachtens erfrecht, van rechten van overgang of van belastingen over schenkingen in verband met overlijden. Als belastingen van schenkingen worden beschouwd alle belastingen die over overgangen onder de levenden worden geheven, uitsluitend omdat die overgangen geheel of gedeeltelijk om niet plaatsvinden.

  • 3 De bestaande belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, zijn:

    • a. voor Nederland:

      het recht van successie, het recht van overgang en het recht van schenking

      (hierna te noemen Nederlandse belasting);

    • b. voor Oostenrijk:

      die Erbschafts- und Schenkungssteuer (successie- en schenkingsbelasting)

      (hierna te noemen Oostenrijkse belasting).

  • 4 Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen mede, die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

    • a. betekent de uitdrukking „Verdragsluitende Staat” Nederland of Oostenrijk, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Verdragsluitende Staten” Nederland en Oostenrijk;

    • b. betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden, dat in Europa is gelegen;

    • c. betekent de uitdrukking „Oostenrijk” de Republiek Oostenrijk;

    • d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

    • e. omvat de uitdrukking „vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat” alle vermogensbestanddelen waarvan de overdracht of overgang, ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Staat, is onderworpen aan een belasting waarop het Verdrag van toepassing is;

    • f. betekent de uitdrukking „onderdaan”

      • i. iedere natuurlijke persoon die de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat bezit;

      • ii. iedere rechtspersoon, vennootschap en andere vereniging die zijn of haar rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in een Verdragsluitende Staat van kracht is;

    • g. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”

      • i. in Nederland: de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • ii. in Oostenrijk: de Bondsminister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

  • 2 Voor de toepassing van het Verdrag door een Verdragsluitende Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

Artikel 4. Fiscale woonplaats

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „inwoner van een Verdragsluitende Staat” iedere persoon wiens nalatenschap of wiens schenking, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid. Deze uitdrukking omvat echter niet personen wier nalatenschap of wier schenking in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van in die Staat gelegen vermogensbestanddelen.

  • 2 Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, wordt zijn positie als volgt bepaald:

    • a. hij wordt geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had; indien hij in beide Verdragsluitende Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst waren (middelpunt van de levensbelangen);

    • b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen had, of indien hij in geen van beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar hij gewoonlijk verbleef;

    • c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verbleef, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waarvan hij onderdaan was;

    • d. indien hij onderdaan was van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

  • 3 Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel op het tijdstip waarop zijn woonplaats moet worden vastgesteld inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, en

    • a. op dat tijdstip onderdaan was van een Verdragsluitende Staat zonder onderdaan te zijn van de andere Verdragsluitende Staat, en

    • b. inwoner van die andere Staat was maar aldaar gedurende de tien jaren onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip minder dan zeven jaren inwoner is geweest, en

    • c. niet de bedoeling had voor onbepaalde tijd in die andere Staat te blijven, wordt hij, niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, geacht op dat tijdstip inwoner te zijn geweest van de Staat waarvan hij onderdaan was.

  • 4 Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Verdragsluitende Staten was, wordt hij geacht inwoner te zijn geweest van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding was gelegen.

HOOFDSTUK III. REGELS VOOR DE BELASTINGHEFFING

Artikel 5. Onroerende vermogensbestanddelen

  • 1 Onroerende vermogensbestanddelen die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die in de andere Verdragsluitende Staat zijn gelegen, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 De uitdrukking „onroerende vermogensbestanddelen” heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van de Verdragsluitende Staat waar de desbetreffende vermogensbestanddelen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de vermogensbestanddelen die bij de onroerende vermogensbestanddelen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende vermogensbestanddelen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende vermogensbestanddelen beschouwd.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op onroerende vermogensbestanddelen van een onderneming en op onroerende vermogensbestanddelen gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

Artikel 6. Bedrijfsvermogen van een vaste inrichting en bezittingen behorend tot een vast middelpunt en gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid

  • 1 Bezittingen, met uitzondering van de bezittingen, bedoeld in artikel 5, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die behoren tot een in de andere Verdragsluitende Staat gevestigde vaste inrichting, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

  • 3 De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

    • a. een plaats waar leiding wordt gegeven;

    • b. een filiaal;

    • c. een kantoor;

    • d. een fabriek;

    • e. een werkplaats, en

    • f. een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

  • 4 De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.

  • 5 Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:

    • a. gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

    • b. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

    • c. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

    • d. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

    • e. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheden heeft;

    • f. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor een combinatie van de in de onderdelen a) tot en met e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheden heeft.

  • 6 Bezittingen, met uitzondering van de bezittingen, bedoeld in artikel 5, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, die behoren tot een in de andere Verdragsluitende Staat gevestigd vast middelpunt en die worden gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid, mogen in die andere Staat worden belast.

Artikel 7. Overige vermogensbestanddelen

Onverminderd de bepalingen van artikel 8, zijn vermogensbestanddelen, waar ook gelegen, die deel uitmaken van de nalatenschap van, of van een schenking gedaan door, een persoon die inwoner was van een Verdragsluitende Staat, en die niet werden behandeld in de artikelen 5 en 6, slechts belastbaar in die Staat.

Artikel 8. Subsidiaire heffingsrechten

  • 1 Indien de overledene of de schenker ten tijde van zijn overlijden, respectievelijk ten tijde van de schenking inwoner was van een Verdragsluitende Staat en op dat tijdstip onderdaan was van de andere Verdragsluitende Staat en op enig tijdstip gedurende de tien jaren onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden of de schenking inwoner was geweest van die andere Staat, mag die andere Staat de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 7, ook belasten, overeenkomstig zijn nationale wetgeving.

  • 2 Indien de schenker ten tijde van de schenking inwoner was van een Verdragsluitende Staat en op enig tijdstip gedurende het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de schenking inwoner was geweest van de andere Verdragsluitende Staat, mag die andere Staat de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 7, onverminderd de bepalingen van het eerste lid, ook belasten, overeenkomstig zijn nationale wetgeving.

Artikel 9. Aftrek van schulden

  • 1 Schulden waarvoor vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 5 uitdrukkelijk zijn verbonden, worden op de waarde van die vermogensbestanddelen in mindering gebracht. Schulden waarvoor vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 5 niet uitdrukkelijk zijn verbonden, doch die verband houden met de verkrijging, de omzetting, het herstel of het onderhoud van zulke vermogensbestanddelen, worden op de waarde van die vermogensbestanddelen in mindering gebracht.

  • 2 Onder voorbehoud van de bepalingen van het eerste lid worden schulden die betrekking hebben op een vaste inrichting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of op een vast middelpunt als bedoeld in artikel 6, zesde lid, in mindering gebracht op de waarde van de vaste inrichting, respectievelijk het vaste middelpunt.

  • 3 Andere schulden worden in mindering gebracht op de waarde van de vermogensbestanddelen waarop de bepalingen van artikel 7, respectievelijk artikel 8 van toepassing zijn.

  • 4 Indien een schuld de waarde van de vermogensbestanddelen waarvan zij overeenkomstig de bepalingen van het eerste en het tweede lid in een Verdragsluitende Staat aftrekbaar is, overschrijdt, wordt het overschot in mindering gebracht op de waarde van de andere in die Staat belastbare vermogensbestanddelen.

  • 5 Indien, na toepassing van de verminderingen, bedoeld in het derde en het vierde lid, nog een bedrag in een Verdragsluitende Staat overblijft, wordt dit overschot in mindering gebracht op de waarde van de vermogensbestanddelen die in de andere Verdragsluitende Staat aan belasting zijn onderworpen.

  • 6 Ingeval de bepalingen van het eerste tot en met het vijfde lid een Verdragsluitende Staat zouden verplichten schulden in mindering te brengen tot een groter bedrag dan het bedrag waarin zijn wetgeving voorziet, zijn die bepalingen alleen van toepassing voor zover de andere Verdragsluitende Staat krachtens zijn eigen wetgeving niet verplicht is dezelfde schulden in mindering te brengen.

Artikel 10. Vrijstellingen en verminderingen

  • 1 De vrijstellingen en verminderingen van belasting waarin de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voor belastbare gebeurtenissen waarop dit Verdrag van toepassing is, voorziet ten gunste van die Staat of van de staatkundige onderdelen of de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, zijn van toepassing op de andere Verdragsluitende Staat en de staatkundige onderdelen en de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen van die andere Staat.

  • 2 De vrijstellingen en verminderingen van belasting waarin de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voor belastbare gebeurtenissen waarop dit Verdrag van toepassing is, voorziet ten gunste van instellingen van die Verdragsluitende Staat waarvan de activiteiten enkel worden uitgeoefend voor doeleinden van kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele of wetenschappelijke aard of voor algemeen nut beogende doeleinden, zijn ook van toepassing op dergelijke instellingen van de andere Verdragsluitende Staat.

HOOFDSTUK IV. VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel 11. Vermijding van dubbele belasting

  • 1 Indien de overledene of de schenker ten tijde van het overlijden, respectievelijk ten tijde van de schenking inwoner van Nederland was, verleent Nederland voor vermogensbestanddelen die overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 in Oostenrijk mogen worden belast, een vermindering van de overeenkomstig zijn nationale wetgeving berekende belasting, met inachtneming van de bepalingen van artikel 9, eerste, tweede en vierde lid.

  • 2 Indien Nederland belasting heft overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, verleent het voor vermogensbestanddelen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 in Oostenrijk mogen worden belast, een vermindering van die belasting, met inachtneming van de bepalingen van artikel 9, derde lid.

  • 3 Het bedrag van de in het eerste en het tweede lid bedoelde vermindering is het laagste van de volgende bedragen:

    • a. het bedrag van de belasting die in Oostenrijk wordt geheven overeenkomstig de bepalingen van het eerste, respectievelijk het tweede lid;

    • b. het bedrag van de Nederlandse belasting dat tot het bedrag van de overeenkomstig de Nederlandse nationale wetgeving berekende belasting in dezelfde verhouding staat als de waarde van de desbetreffende vermogensbestanddelen bepaald overeenkomstig de bepalingen van het eerste, respectievelijk het tweede lid staat tot de waarde van de totale vermogensbestanddelen.

  • 4 Voor de toepassing van de bepalingen van het eerste en het tweede lid houdt Nederland rekening met alle belastingen die in Oostenrijk zijn geheven overeenkomstig het Verdrag ter zake van een schenking die door de overledene is gedaan binnen 180 dagen voorafgaande aan zijn overlijden, en die betrekking heeft op een vermogensbestanddeel dat deel uitmaakt van de in Nederland belastbare nalatenschap, voor zover met deze belastingen geen rekening is gehouden ten tijde van de schenking.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt belasting geheven in Oostenrijk, indien deze ingevolge de wetgeving van Oostenrijk is verschuldigd en wordt betaald.

  • 6 De door Nederland te verlenen vermindering wordt afzonderlijk voor elke erfgenaam, legataris, respectievelijk begiftigde berekend.

  • 7 Indien de overledene ten tijde van zijn overlijden of de schenker ten tijde van de schenking inwoner van Oostenrijk was, stelt Oostenrijk vrij van belasting de vermogensbestanddelen die naar aanleiding van dezelfde gebeurtenis en overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in Nederland mogen worden belast.

  • 8 Oostenrijk stelt ook vrij van belasting de vermogensbestanddelen die ter zake van een eerdere schenking en overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag in Nederland mochten worden belast. Oostenrijk stelt echter geen vermogensbestanddelen vrij van belasting, die in Oostenrijk mochten worden belast overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 of 6 van het Verdrag.

  • 9 In elk geval mag Oostenrijk rekening houden met de vrijgestelde vermogensbestanddelen bij de berekening van het bedrag van de belasting over de overige vermogensbestanddelen.

  • 10 Verzoeken om vermindering, gegrond op de bepalingen van dit artikel, moeten worden ingediend binnen zeven jaren te rekenen van de gebeurtenis op grond waarvan de belasting waarvoor een vermindering wordt verzocht, is geheven.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 12. Non-discriminatie

  • 1 Onderdanen van een Verdragsluitende Staat alsmede nalatenschappen van, schenkingen gedaan door, en nalatenschappen of schenkingen verkregen door, zulke onderdanen worden in de andere Verdragsluitende Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat, nalatenschappen van, schenkingen gedaan door, of nalatenschappen of schenkingen verkregen door, die onderdanen, onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande de bepalingen van artikel 1, ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten, alsmede op nalatenschappen van, schenkingen gedaan door, en nalatenschappen of schenkingen verkregen door, zulke personen.

  • 2 De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij een Verdragsluitende Staat verplicht aan inwoners van de andere Verdragsluitende Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die deze aan zijn eigen inwoners verleent.

  • 3 Ondernemingen van een Verdragsluitende Staat, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Verdragsluitende Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

Artikel 13. Regeling voor onderling overleg

  • 1 Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide Verdragsluitende Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belasting-heffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat waarvan hij inwoner is, of, indien zijn geval valt onder artikel 12, eerste lid, aan de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat waarvan hij onderdaan is.

    Het geval moet worden voorgelegd binnen drie jaren nadat de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van het Verdrag, voor het eerst te zijner kennis is gebracht.

  • 2 De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Staat te regelen teneinde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met het Verdrag, te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen in het nationale recht van de Verdragsluitende Staten.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van het Verdrag in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen teneinde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in het Verdrag geen voorziening is getroffen.

  • 4 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen teneinde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 14. Uitwisseling van inlichtingen

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten wisselen de inlichtingen uit, die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag of die van de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Staten met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen in overeenstemming is met het Verdrag. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1. Alle door een Verdragsluitende Staat ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die volgens de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen, en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de inlichtingen bekendmaken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen.

  • 2 In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid aldus uitgelegd dat zij een Verdragsluitende Staat de verplichting opleggen:

    • a. administratieve maatregelen te nemen, die in strijd zijn met de wetgeving of de administratieve praktijk van die of van de andere Verdragsluitende Staat;

    • b. inlichtingen te verstrekken, die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Verdragsluitende Staat;

    • c. inlichtingen te verstrekken, die een handels-, bedrijfs-, nijverheids-, of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 15. Bijstand bij invordering

  • 1 De Verdragsluitende Staten komen overeen elkaar hulp en bijstand te verlenen, in overeenstemming met hun onderscheiden wetgeving of administratieve praktijk, bij de invordering van de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, en de op genoemde belastingen betrekking hebbende verhogingen, boetes, betalingen wegens termijnoverschrijdingen, interest en kosten.

  • 2 Op verzoek van de verzoekende Staat vordert de aangezochte Staat belastingvorderingen van de eerstgenoemde Staat in overeenkomstig het recht en de administratieve praktijk met betrekking tot de invordering van zijn eigen belastingvorderingen. Deze vorderingen genieten echter geen voorrang in de aangezochte Staat, en kunnen niet worden ingevorderd door middel van het in hechtenis nemen wegens schuld van de schuldenaar. De aangezochte Staat is niet verplicht invorderingsmaatregelen te nemen waarin de wetgeving van de verzoekende Staat niet voorziet.

  • 3 De bepalingen van het tweede lid zijn slechts van toepassing op belastingvorderingen die onderwerp zijn van een executoriale titel in de verzoekende Staat en die niet worden bestreden.

  • 4 De verplichting om bijstand te verlenen bij het invorderen van belastingvorderingen betreffende een overledene of zijn nalatenschap is beperkt tot de waarde van de nalatenschap of van het deel van de vermogensbestanddelen verkregen door iedere begunstigde van de nalatenschap, afhankelijk van de vraag of de belastingvordering dient te worden ingevorderd uit de nalatenschap of bij de begunstigden daarvan.

  • 5 De aangezochte Staat is niet verplicht het verzoek in te willigen:

    • a. indien de verzoekende Staat niet alle op zijn eigen grondgebied beschikbare middelen heeft aangewend, tenzij aanwending van die middelen zou leiden tot onevenredige moeilijkheden;

    • b. indien en voor zover hij de belastingvordering in strijd acht met dit Verdrag of met enig ander verdrag waarbij beide Verdragsluitende Staten partij zijn.

  • 6 Het verzoek om administratieve bijstand bij invordering van een belastingvordering gaat vergezeld van:

    • a. een verklaring dat de belastingvordering een belasting betreft waarop het Verdrag van toepassing is, en niet wordt bestreden;

    • b. een officieel afschrift van de executoriale titel in de verzoekende Staat;

    • c. ieder ander document dat vereist is voor invordering;

    • d. indien van toepassing, een gewaarmerkt afschrift van een op de belastingvordering betrekking hebbende beslissing genomen door een administratiefrechtelijk lichaam of een openbare rechterlijke instantie.

  • 7 Op verzoek van de verzoekende Staat neemt de aangezochte Staat met het oog op de invordering van een belastingbedrag conservatoire maatregelen, zelfs indien de vordering wordt bestreden of nog niet invorderbaar is, voor zover dit is toegestaan volgens de wetgeving en de administratieve praktijk van de aangezochte Staat.

  • 8 De executoriale titel in de verzoekende Staat wordt, indien passend en in overeenstemming met de in de aangezochte Staat van kracht zijnde bepalingen, zo spoedig mogelijk na de datum van ontvangst van het verzoek om bijstand aanvaard, erkend of aangevuld, dan wel vervangen door een executoriale titel in de aangezochte Staat.

  • 9 Vragen betreffende het tijdvak waarbuiten niet langer kan worden ingevorderd, worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende Staat. Het verzoek om bijstand bij invordering geeft bijzonderheden aangaande dat tijdvak.

  • 10 Invorderingsdaden verricht door de aangezochte Staat ingevolge een verzoek om bijstand die overeenkomstig de wetgeving van die Staat een schorsing of onderbreking van het in het negende lid bedoelde tijdvak tot gevolg zouden hebben, worden geacht hetzelfde gevolg te hebben voor de toepassing van de wetgeving van de verzoekende Staat. De aangezochte Staat doet de verzoekende Staat mededeling van zodanige daden.

  • 11 De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat in soortgelijke omstandigheden; de aangezochte Staat doet de verzoekende Staat daarvan mededeling.

  • 12 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten stellen in onderlinge overeenstemming regels vast betreffende het minimumbedrag van belastingvorderingen waarop een verzoek om bijstand betrekking kan hebben.

  • 13 De Verdragsluitende Staten zien wederzijds af van de terugbetaling van kosten die voortvloeien uit de onderscheiden hulp en bijstand die zij elkaar verlenen bij de toepassing van dit Verdrag. De verzoekende Staat zal in ieder geval verantwoordelijk blijven jegens de aangezochte Staat voor de geldelijke gevolgen van de invorderingsdaden die onterecht zijn gebleken ten aanzien van de realiteit van de betrokken belastingvordering of van de rechtsgeldigheid van de executoriale titel in de verzoekende Staat.

  • 14 Met betrekking tot de voorgaande bepalingen van dit artikel kunnen de bevoegde autoriteiten van de Staten in onderlinge overeenstemming de wijze regelen waarop bijstand wordt verleend, en alle daarmede verband houdende aangelegenheden.

Artikel 16. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

  • 1 De bepalingen van dit Verdrag tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

  • 2 Niettegenstaande de bepalingen van artikel 4 wordt iedere natuurlijke persoon die lid is van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een Verdragsluitende Staat in de andere Verdragsluitende Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, voor de toepassing van het Verdrag geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien zijn totale nalatenschap of schenking in de zendstaat op dezelfde wijze aan belasting is onderworpen als nalatenschappen of schenkingen van inwoners van die Staat.

  • 3 Het Verdrag is niet van toepassing:

    • a. op schenkingen gedaan door internationale organisaties, organen of functionarissen daarvan, of door personen die lid zijn van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, en evenmin

    • b. op nalatenschappen van deze functionarissen of personen, indien deze organisaties, organen, functionarissen of personen zich op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat bevinden en in geen van beide Staten geacht worden inwoner te zijn voor de toepassing van belastingen van nalatenschappen, verkrijgingen krachtens erfrecht of schenkingen.

Artikel 17. Uitbreiding tot andere gebieden

  • 1 Dit Verdrag kan, hetzij in zijn geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot elk van de landen of beide landen van de Nederlandse Antillen of Aruba, indien het desbetreffende land belastingen heft, die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van de wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

  • 2 Tenzij anders is overeengekomen, brengt de beëindiging van het Verdrag niet met zich mede dat tevens de uitbreiding van het Verdrag tot enig land waartoe het ingevolge dit artikel is uitgebreid, wordt beëindigd.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 18. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de laatste der beide data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat de in hun onderscheiden Staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld, en de bepalingen ervan vinden toepassing op nalatenschappen van personen overleden op of na die dag en op gebeurtenissen andere dan overlijden, die plaatsvinden op of na die dag en die leiden tot belastingplicht ingevolge de wetgeving van een van beide Staten.

Artikel 19. Beëindiging

Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een van de Verdragsluitende Staten wordt beëindigd. Elk van de Verdragsluitende Staten kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden vóór het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag kennis te geven van beëindiging. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn aan het begin van het kalenderjaar volgend op dat waarin kennisgeving van de beëindiging is gedaan, maar blijft het van toepassing op nalatenschappen van personen overleden vóór dat tijdstip en op gebeurtenissen andere dan overlijden, die plaatsvinden vóór dat tijdstip en die leiden tot belastingplicht ingevolge de wetgeving van een van beide Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 26e november 2001 in tweevoud in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) J. J. VAN AARTSEN

Voor de Republiek Oostenrijk

(w.g.) B. M. FERRERO-WALDNER