Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen, Wellington, 20-12-2001

Geldend van 22-08-2004 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Nieuw-Zeeland

Geleid door de wens dat door beide Staten een verdrag wordt gesloten inzake wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingvorderingen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Reikwijdte van het Verdrag

  • 1 De Verdragsluitende Staten verlenen elkaar bijstand bij de invordering van belastingvorderingen.

  • 2 Een Verdragsluitende Staat verleent deze bijstand ongeacht of de betrokken persoon een inwoner of een onderdaan van een van de Verdragsluitende Staten is of niet.

Artikel 2. Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

  • 1 Dit Verdrag is van toepassing op belastingen naar het inkomen die, ongeacht de wijze van heffing, ten behoeve van een Verdragsluitende Staat worden geheven.

  • 2 Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, of naar bestanddelen van het inkomen, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende of roerende zaken en belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen.

  • 3 De bestaande belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, zijn:

    • a. in Nederland:

      • de inkomstenbelasting,

      • de loonbelasting,

      • de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet 1810 met betrekking tot concessies uitgegeven vanaf 1967, of geheven krachtens de Mijnwet continentaal plat 1965,

      • de dividendbelasting;

    • b. in Nieuw-Zeeland:

      • de inkomstenbelasting (the income tax).

  • 4 Het Verdrag is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van het Verdrag naast, of in plaats van, de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij de context anders vereist:

    • a. betekent de uitdrukking „een Verdragsluitende Staat" het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) of Nieuw-Zeeland, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „de Verdragsluitende Staten” het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) en Nieuw-Zeeland;

    • b. betekent de uitdrukking „Nederland” het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waarbinnen Nederland, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsbevoegdheid heeft of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan en de daarboven gelegen wateren, en hun natuurlijke rijkdommen;

    • c. betekent de uitdrukking „Nieuw-Zeeland” het grondgebied van Nieuw-Zeeland, maar zij omvat niet Tokelau of de Geassocieerde Zelfbesturende Staten van de Cook Eilanden en Niue; zij omvat tevens elk gebied buiten de territoriale zee dat krachtens de wetgeving van Nieuw-Zeeland en in overeenstemming met het internationale recht is of zal worden aangemerkt als een gebied waarbinnen Nieuw-Zeeland zijn rechten kan uitoefenen met betrekking tot natuurlijke rijkdommen;

    • d. betekenen de uitdrukkingen „verzoekende Staat” en „aangezochte Staat” respectievelijk de Verdragsluitende Staat die om bijstand verzoekt bij de invordering van belastingvorderingen en de Verdragsluitende Staat die wordt verzocht om dergelijke bijstand te verlenen;

    • e. betekent de uitdrukking „belastingvordering” elk belastingbedrag waarop dit Verdrag van toepassing is alsmede de op voormelde belastingen betrekking hebbende verhogingen, boetes, achterstallige betalingen, rente en kosten die verschuldigd zijn en nog niet zijn voldaan;

    • f. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

    • g. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een lichaam of als een rechtspersoon wordt behandeld;

    • h. betekent de uitdrukking „onderdaan”:

      • i. in het geval van Nederland, iedere natuurlijke persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit en elke rechtspersoon, vennootschap en vereniging die zijn rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Nederland van kracht is;

      • ii. in het geval van Nieuw-Zeeland, elke natuurlijke persoon die het staatsburgerschap van Nieuw-Zeeland bezit en elke rechtspersoon, vennootschap en vereniging die zijn rechtspositie als zodanig ontleent aan de wetgeving die in Nieuw-Zeeland van kracht is;

    • i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

      • i. in het geval van Nederland, de Minister van Financiën of een bevoegde vertegenwoordiger;

      • ii. in het geval van Nieuw-Zeeland, de „Commissioner of Inland Revenue” of een bevoegde vertegenwoordiger.

  • 2 Voor de toepassing van het Verdrag door een Verdragsluitende Staat heeft, tenzij de context anders vereist, elke in het Verdrag niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de, op dat moment van kracht zijnde, wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

Artikel 4. Bijstand bij invordering

  • 1 Op verzoek van de verzoekende Staat vordert de aangezochte Staat belastingvorderingen van de eerstgenoemde Staat in overeenkomstig de wetgeving en de administratieve praktijk met betrekking tot de invordering van zijn eigen belastingvorderingen. Die vorderingen genieten echter geen voorrang in de aangezochte Staat en kunnen niet worden ingevorderd door middel van in hechtenis nemen wegens schuld van de schuldenaar. De aangezochte Staat is niet verplicht invorderingsmaatregelen te nemen waarin de wetgeving van de verzoekende Staat niet voorziet.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing op belastingvorderingen die onderwerp zijn van een executoriale titel in de verzoekende Staat en die, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, niet worden bestreden.

    Indien de vordering echter een belastingverplichting betreft van een persoon die geen inwoner van de verzoekende Staat is, is het eerste lid slechts van toepassing indien de vordering niet langer kan worden bestreden, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten.

  • 3 De verplichting om bijstand te verlenen bij het invorderen van belastingvorderingen betreffende een overledene of de nalatenschap van die persoon is beperkt tot de waarde van de nalatenschap of van de zaken verkregen door iedere begunstigde van de nalatenschap, afhankelijk van de vraag of de vordering dient te worden ingevorderd uit de nalatenschap of bij de begunstigden daarvan.

  • 4 De aangezochte Staat is niet verplicht gevolg te geven aan een verzoek:

    • a. indien de verzoekende Staat niet alle op zijn eigen grondgebied beschikbare middelen heeft aangewend, tenzij aanwending van die middelen zou leiden tot onevenredige moeilijkheden; of

    • b. indien en voor zover hij de belastingvordering in strijd acht met de bepalingen van dit Verdrag of met enig ander verdrag waarbij beide Verdragsluitende Staten partij zijn.

  • 5 Het verzoek om administratieve bijstand bij de invordering van een belastingvordering gaat vergezeld van:

    • a. een verklaring dat de belastingvordering een belasting betreft waarop het Verdrag van toepassing is en dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan;

    • b. een officieel afschrift van de executoriale titel in de verzoekende Staat;

    • c. ieder ander document dat vereist is voor invordering;

    • d. indien van toepassing, een gewaarmerkt afschrift van een op de belastingvordering betrekking hebbende beslissing genomen door een rechterlijke instantie of een administratief lichaam.

  • 6 De verzoekende Staat vermeldt het bedrag van de belastingvordering die moet worden ingevorderd, zowel in de munteenheid van de verzoekende Staat als in de munteenheid van de aangezochte Staat. De wisselkoers die voor dit doel moet worden gebruikt, is de laatste verkoopprijs vastgesteld op de meest representatieve wisselmarkt of -markten van de verzoekende Staat. Ieder bedrag dat door de aangezochte Staat wordt ingevorderd, wordt naar de verzoekende Staat overgemaakt in de munteenheid van de aangezochte Staat. De overmaking geschiedt binnen een termijn van een maand na de datum van de invordering.

  • 7 Met de instemming van de bevoegde autoriteiten, neemt de aangezochte Staat met het oog op de invordering van een belastingbedrag conservatoire maatregelen, zelfs indien de vordering wordt bestreden of nog niet invorderbaar is, voor zover dit is toegestaan volgens de wetgeving en de administratieve praktijk van de aangezochte Staat.

  • 8 De executoriale titel in de verzoekende Staat wordt, waar nodig en in overeenstemming met de in de aangezochte Staat van kracht zijnde bepalingen, zo spoedig mogelijk na de datum van ontvangst van het verzoek om bijstand aanvaard, erkend of aangevuld, dan wel vervangen door een executoriale titel in de aangezochte Staat.

  • 9 Vragen betreffende het tijdvak waarbuiten een belastingvordering niet langer kan worden ingevorderd worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende Staat. Het verzoek om bijstand bij invordering van een belastingvordering geeft bijzonderheden aangaande dat tijdvak.

  • 10 Handelingen betreffende invordering, die ingevolge een verzoek om bijstand worden verricht door de aangezochte Staat en die overeenkomstig de wetgeving van die Staat een schorsing of onderbreking van het in het negende lid bedoelde tijdvak tot gevolg zouden hebben, worden geacht hetzelfde gevolg te hebben voor de toepassing van de wetgeving van de verzoekende Staat. De aangezochte Staat doet de verzoekende Staat mededeling van zodanige handelingen.

  • 11 De aangezochte Staat kan uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan indien zijn wetgeving of zijn administratieve praktijk dit toestaat in soortgelijke omstandigheden; hij doet echter eerst de verzoekende Staat hiervan mededeling.

  • 12 De Verdragsluitende Staten zien wederzijds af van de terugbetaling van kosten die voortvloeien uit de onderscheiden hulp en bijstand die zij elkaar verlenen bij de toepassing van dit Verdrag. De verzoekende Staat zal in ieder geval verantwoordelijk blijven jegens de aangezochte Staat voor de geldelijke gevolgen van invorderingshandelingen die onterecht zijn gebleken ten aanzien van de realiteit van de desbetreffende belastingvordering of van de rechtsgeldigheid van de executoriale titel in de verzoekende Staat.

Artikel 5. Beperkingen van artikel 4

In geen geval worden de bepalingen van artikel 4 aldus uitgelegd dat zij een Verdragsluitende Staat de verplichting opleggen:

  • a. administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving en de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

  • b. inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

  • c. inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public).

Artikel 6. Tenuitvoerlegging van het Verdrag

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten regelen in onderling overleg de wijze van toepassing van dit Verdrag. Deze wijze van toepassing omvat ook een bepaling met betrekking tot het minimumbedrag van de belastingvordering waarvoor om bijstand kan worden verzocht. De bevoegde autoriteiten kunnen formulieren vaststellen voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag.

  • 2 Indien de aangezochte Staat van mening is dat de toepassing van dit Verdrag in een bepaald geval ernstige en onwenselijke gevolgen zou hebben, raadplegen de bevoegde autoriteiten elkaar en trachten zij de kwestie in onderling overleg op te lossen.

  • 3 Indien moeilijkheden of twijfels mochten rijzen aangaande de tenuitvoerlegging of uitlegging van het Verdrag, trachten de bevoegde autoriteiten de aangelegenheid in onderling overleg op te lossen.

Artikel 7. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag na de laatste der beide data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden Staten grondwettelijk vereiste formaliteiten is voldaan, en de bepalingen ervan vinden toepassing met betrekking tot alle belastingvorderingen die op of na de datum waarop het Verdrag in werking treedt invorderbaar zijn.

Artikel 8. Beëindiging

Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een van de Verdragsluitende Staten wordt beëindigd. Elk van de Staten kan het Verdrag langs diplomatieke weg beëindigen door kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn met betrekking tot alle belastingvorderingen die invorderbaar worden na de datum waarop de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Wellington, de 20ste december 2001 in tweevoud, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) A. E. DE BIJLL NACHENIUS

Voor de Regering van Nieuw-Zeeland

(w.g.) PHIL. GOFF