Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap [...] enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, Pretoria, 11-10-1999

Geldend van 01-03-2016 t/m heden

Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds

Authentiek : NL

Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds

Het Koninkrijk België,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

Ierland,

de Italiaanse Republiek,

het Groothertogdom Luxemburg,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Portugese Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

hierna „lidstaten” te noemen, en

de Europese Gemeenschap, hierna „Gemeenschap” te noemen, enerzijds, en

de Republiek Zuid-Afrika, hierna „Zuid-Afrika” te noemen, anderzijds,

hierna „partijen” te noemen,

Gelet op het belang van de bestaande vriendschaps- en samenwerkingsbanden tussen de Gemeenschap, de lidstaten en Zuid-Afrika en de gemeenschappelijke waarden van de partijen;

Overwegende dat de Gemeenschap, de lidstaten en Zuid-Afrika deze banden wensen te versterken en nauwe en duurzame betrekkingen tot stand wensen te brengen, gebaseerd op wederkerigheid, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling;

Gelet op de historische verrichtingen van het Zuid-Afrikaanse volk, met name de afschaffing van het apartheidsstelsel en de opbouw van een nieuwe politieke orde, gebaseerd op de rechtsstaat, de mensenrechten en de democratie;

Zich bewust van de politieke en financiële steun van de Gemeenschap en de lidstaten voor dit proces van politieke verandering en overgang in Zuid-Afrika;

Herinnerende aan de sterke gehechtheid van de partijen aan de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en aan de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten, als omschreven in de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

Verwijzende naar de op 10 oktober 1994 ondertekende Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika;

Herinnerende aan de wens van de partijen zo nauw mogelijke betrekkingen tot stand te brengen tussen Zuid-Afrika en de landen die partij zijn bij de ACS-EG-Overeenkomst van Lomé, ten blijke waarvan op 24 april 1997 het Protocol betreffende de toetreding van Zuid-Afrika tot de Vierde ACS-EG-Overeenkomst van Lomé, zoals gewijzigd bij de op 4 november 1995 te Mauritius ondertekende Overeenkomst, werd ondertekend;

Rekening houdende met de rechten en verplichtingen van de partijen in het kader van hun lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie, de noodzaak bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de resultaten van de Uruguay-ronde, en de eerdere inspanningen van beide partijen in dit verband;

Herinnerende aan de gehechtheid van de partijen aan de beginselen en regels van het internationale handelsverkeer en aan hun streven deze op transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen;

Bevestigende de steun en inspanningen van de Gemeenschap en de lidstaten ten gunste van het proces van handelsliberalisering en economische herstructurering in Zuid-Afrika;

Zich bewust van de inspanningen van de regering van Zuid-Afrika om zorg te dragen voor de economische en sociale ontwikkeling van de bevolking van Zuid-Afrika;

Met klem wijzende op het belang dat de Europese Unie en Zuid-Afrika hechten aan de succesvolle tenuitvoerlegging van het Zuid-Afrikaanse programma voor wederopbouw en ontwikkeling;

Bevestigende de verbintenis van beide partijen de regionale samenwerking en economische integratie tussen de landen in zuidelijk Afrika, alsmede de liberalisering van de handel tussen deze landen onderling te bevorderen;

Overwegende dat de partijen ervoor zorg dragen dat hun wederzijdse afspraken geen beletsel vormen voor het proces van herstructurering van de douane-unie van zuidelijk Afrika (SACU), in het kader waarvan Zuid-Afrika samenwerkt met vier ACS-landen;

Wijzende op het belang dat beide partijen hechten aan de waarden en beginselen die zijn opgenomen in de slotverklaringen van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling in 1994 in Cairo, de Wereldtop voor sociale ontwikkeling in maart 1995 in Kopenhagen, en de Vierde Wereldvrouwenconferentie in 1995 in Peking;

Opnieuw bevestigende dat de partijen zich verbinden tot economische en sociale ontwikkeling en eerbiediging van de fundamentele rechten van werknemers, met name door toepassing van de IAO-verdragen over onderwerpen als de vrijheid van vakvereniging, het recht collectief te onderhandelen, non-discriminatie, afschaffing van dwangarbeid en kinderarbeid;

Herinnerende aan het belang van het tot stand brengen van een regelmatige politieke dialoog in bilateraal en multilateraal verband over zaken van wederzijds belang,

Zijn als volgt overeengekomen1:

TITEL I. ALGEMENE DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1. Doelstellingen

De doelstellingen van deze Overeenkomst zijn:

  • a. het tot stand brengen van een passend kader voor de dialoog tussen de partijen, ter bevordering van de ontwikkeling van nauwe betrekkingen op alle onder deze Overeenkomst vallende terreinen;

  • b. het ondersteunen van de inspanningen van Zuid-Afrika ter consolidering van de economische en sociale fundamenten van het overgangsproces;

  • c. het bevorderen van de regionale samenwerking en economische integratie in zuidelijk Afrika, teneinde bij te dragen tot harmonieuze en duurzame economische en sociale ontwikkeling;

  • d. het bevorderen van de groei en wederzijdse liberalisering van de onderlinge handel in goederen, diensten en kapitaal;

  • e. het bevorderen van de soepele en geleidelijke integratie van Zuid-Afrika in de wereldeconomie;

  • f. het bevorderen van de samenwerking tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika, binnen de begrenzingen van de bevoegdheden van beide partijen en in wederzijds belang.

Artikel 2. Essentieel onderdeel

De eerbiediging van de democratische beginselen en fundamentele mensenrechten die zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en de eerbiediging van de rechtsstaat vormen de grondslag van het binnen- en buitenlands beleid van de Gemeenschap en Zuid-Afrika en zijn een essentieel onderdeel van deze Overeenkomst.

De partijen bevestigen tevens hun gehechtheid aan de beginselen van behoorlijk bestuur.

Artikel 3. Niet-uitvoering

  • 1 Indien een van de partijen van mening is dat de andere partij haar verplichtingen in het kader van deze Overeenkomst niet is nagekomen, kan deze partij passende maatregelen nemen.

  • 2 Alvorens dit te doen verstrekt zij de andere partij binnen dertig dagen alle ter zake dienende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

  • 3 In bijzonder dringende gevallen kunnen zonder voorafgaand overleg passende maatregelen worden genomen. Deze maatregelen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de andere partij. Op verzoek van deze partij kan overleg worden gepleegd. Dit overleg vindt plaats binnen dertig dagen na de kennisgeving van de maatregelen. Indien er geen bevredigende oplossing wordt gevonden, kan de betrokken partij gebruik maken van de procedure voor de beslechting van geschillen.

  • 4 De partijen komen voor de juiste interpretatie en de praktische toepassing van deze Overeenkomst overeen dat onder de in lid 3 bedoelde „bijzonder dringende gevallen" worden verstaan gevallen van wezenlijke inbreuk op de Overeenkomst door een der partijen. Als wezenlijke inbreuk op de Overeenkomst worden beschouwd:

    • i. afwijzing van de Overeenkomst in strijd met de algemene regels van het internationale recht, of

    • ii. schending van de in artikel 2 genoemde essentiële onderdelen van de Overeenkomst.

  • 5 De partijen komen overeen dat zij onder de in lid 1 van dit artikel genoemde passende maatregelen verstaan maatregelen die in overeenstemming met het internationale recht zijn genomen. Bij het nemen van de maatregelen dient voorrang te worden gegeven aan die maatregelen die de werking van de Overeenkomst het minst verstoren.

Artikel 4. Politieke dialoog

  • 1 Er wordt een regelmatige politieke dialoog ingesteld tussen de partijen. Deze dialoog verloopt parallel met de samenwerking en draagt ertoe bij deze te consolideren. Tevens moet de dialoog bijdragen tot de totstandkoming van duurzame solidariteit en nieuwe vormen van samenwerking.

  • 2 De doelstellingen van de politieke dialoog en samenwerking zijn met name:

    • a. het bevorderen van het wederzijds begrip en de convergentie van de standpunten van de partijen:

    • b. het de partijen mogelijk maken elkaars standpunten en belangen in overweging te nemen;

    • c. het bevorderen van de steun voor de democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten;

    • d. het bevorderen van de sociale rechtvaardigheid en het helpen creëren van de voorwaarden voor de bestrijding van armoede en alle vormen van discriminatie.

  • 3 De politieke dialoog heeft betrekking op alle onderwerpen van wederzijds belang.

  • 4 De politieke dialoog wordt regelmatig en telkens wanneer nodig gehouden:

    • a. op ministerieel niveau;

    • b. op het niveau van hoge ambtenaren die enerzijds Zuid-Afrika en anderzijds het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigen;

    • c. met optimale gebruikmaking van alle diplomatieke kanalen, met inbegrip van regelmatige briefings, overleg tijdens internationale bijeenkomsten en contacten tussen diplomatieke vertegenwoordigers in derde landen;

    • d. met gebruikmaking van alle andere middelen of op alle andere niveaus waarover de partijen overeenstemming hebben bereikt en die een nuttige bijdrage kunnen leveren tot de consolidering van de dialoog en de verhoging van het effect daarvan.

  • 5 Behalve de in de voorgaande leden bedoelde bilaterale politieke dialoog, maken de partijen ook optimaal gebruik van en leveren zij een actieve bijdrage aan de regionale politieke dialoog tussen de Europese Unie en de landen van zuidelijk Afrika, met name met het oog op de bevordering van duurzame vrede en stabiliteit in de regio.

    De partijen nemen tevens deel aan de politieke dialoog in breder ACS/EU-verband, als voorzien bij en vastgelegd in de desbetreffende ACS/EG-overeenkomsten.

TITEL II. HANDEL

AFDELING A. ALGEMEEN

Artikel 5. Vrijhandelszone

  • 1 De Gemeenschap en Zuid-Afrika komen overeen een vrijhandelszone tot stand te brengen overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en met inachtneming van de voorschriften van de WTO.

  • 2 De vrijhandelszone wordt tijdens een overgangsperiode tot stand gebracht die van de kant van Zuid-Afrika ten hoogste twaalf jaar en van de kant van de Gemeenschap ten hoogste tien jaar zal duren vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst.

  • 3 De vrijhandelszone omvat het vrije verkeer van goederen in alle sectoren. Deze Overeenkomst heeft eveneens betrekking op de liberalisering van de handel in diensten en het vrije verkeer van kapitaal.

Artikel 6. Goederenindeling

De Gemeenschap past de gecombineerde nomenclatuur toe bij de invoer van goederen uit Zuid-Afrika. Zuid-Afrika past het geharmoniseerd systeem toe bij de invoer van goederen uit de Gemeenschap.

Artikel 7. Basisrecht

  • 1 Voor elk product is het basisrecht waarop de in de Overeenkomst vermelde achtereenvolgende verminderingen worden toegepast, het recht dat op de dag van inwerkingtreding van de Overeenkomst daadwerkelijk van toepassing is.

  • 2 De Gemeenschap en Zuid-Afrika delen elkaar hun basisrechten mede overeenkomstig de tussen partijen overeengekomen „standstill"- en „rollback"-verbintenis en de in bijlage I vermelde overeengekomen afwijkingen op deze beginselen.

  • 3 Wanneer de geleidelijke afschaffing van de douanerechten niet bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst aanvangt (met name voor de in bijlage II, lijsten 3, 4 en 5; bijlage III, lijsten 2, 3, 4 en 6; bijlage IV, lijsten 3, 4, 7 en 8; bijlage V; bijlage VI, lijsten 2, 3 en 5; en bijlage VII vermelde producten) is het recht waarop de in de Overeenkomst vermelde achtereenvolgende verminderingen van toepassing zijn het in lid 1 genoemde basisrecht of, indien dit lager is, het recht dat „erga omnes" van toepassing is op de dag waarop de geleidelijke afschaffing van de desbetreffende douanerechten een aanvang neemt.

Artikel 8. Douanerechten van fiscale aard

De bepalingen inzake de afschaffing van douanerechten bij invoer zijn ook van toepassing op douanerechten van fiscale aard, met uitzondering van niet-discriminerende accijnzen die overeenkomstig artikel 21 van deze Overeenkomst zowel op ingevoerde als van plaatselijk geproduceerde goederen worden geheven.

Artikel 9. Heffingen van gelijke werking als invoerrechten

Bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst schaffen de Gemeenschap en Zuid-Afrika de heffingen van gelijke werking als douanerechten bij invoer af.

AFDELING B. INDUSTRIEPRODUCTEN

Artikel 10. Definitie

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Zuid-Afrika, met uitzondering van producten die volgens de in deze Overeenkomst opgenomen definitie landbouwproducten zijn.

Artikel 11. Afschaffing van de douanerechten door de Gemeenschap

  • 1 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op andere dan de in bijlage II vermelde industrieproducten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

  • 2 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage II, lijst 1, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 3 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage II, lijst 2, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 86% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 72% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 57% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 43% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 28% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 14% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 4 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage II, lijst 3, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

    Voor enkele in deze lijst vermelde producten vangt de afschaffing van de douanerechten vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst aan. De afschaffing geschiedt in drie gelijke jaarlijkse verminderingen, zodat deze rechten zes jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst geheel zullen zijn afgeschaft.

    Voor enkele in de lijst vermelde ijzer- en staalproducten worden de rechten op meestbegunstigingsbasis verlaagd tot in 2004 het nulrecht zal zijn bereikt.

  • 5 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage II, lijst 4, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden uiterlijk binnen tien jaar na inwerkingtreding van de Overeenkomst afgeschaft.

    Voor de in deze lijst vermelde auto-onderdelen worden de rechten bij inwerkingtreding van de Overeenkomst met 50% verlaagd.

    Een nauwkeurige opgave van de basisrechten en een tijdschema voor de afschaffing van de rechten van de Gemeenschap voor de in deze lijst vermelde producten zal in de tweede helft van 2000 worden vastgesteld, nadat beide partijen de vooruitzichten op een verdere liberalisering van de invoer in Zuid-Afrika van de in bijlage III, lijsten 5 en 6 vermelde automobielen uit de Gemeenschap hebben onderzocht, onder meer in het licht van de resultaten van de beoordeling van het Zuid-Afrikaanse ontwikkelingsprogramma voor de auto-industrie.

  • 6 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage II, lijst 5, vermelde producten zullen in het vijfde jaar van deze Overeenkomst worden onderzocht teneinde deze eventueel af te schaffen.

Artikel 12. Afschaffing van de douanerechten door Zuid-Afrika

  • 1 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op andere dan de in bijlage III vermelde industrieproducten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

  • 2 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 1, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 3 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 2, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden overeenkomstig het onderstaande tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 67% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 33% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 4 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 3, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden overeenkomstig het onderstaande tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 90% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 80% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 70% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 60% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 40% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 30% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 20% van het basisrecht;

    • elf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 10% van het basisrecht;

    • twaalf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 5 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 4, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft.

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 88% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 63% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 38% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • elf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 13% van het basisrecht;

    • twaalf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 6 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 5, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het in die bijlage opgenomen tijdschema geleidelijk verlaagd.

  • 7 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage III, lijst 6, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden tijdens de geldigheidsduur van de Overeenkomst regelmatig herzien om tot een verdere liberalisering van de handel te komen.

    Zuid-Afrika zal de Gemeenschap in kennis stellen van de resultaten van de herziening van het Zuid-Afrikaanse ontwikkelingsprogramma voor de auto-industrie. Zuid-Afrika zal voorstellen doen voor een verdere liberalisering van de invoer in Zuid-Afrika van de in bijlage III, lijsten 5 en 6 genoemde automobielproducten. De partijen zullen deze voorstellen in de tweede helft van 2000 gezamenlijk onderzoeken.

AFDELING C. LANDBOUWPRODUCTEN

Artikel 13. Definitie

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika die onder de WTO-definitie van landbouwproducten vallen en op vis en visserijproducten (hoofdstuk 3, 1604, 1605 en producten 05119110, 05119190, 19022010 en 23012000).

Artikel 14. Afschaffing van de douanerechten door de Gemeenschap

  • 1 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op andere dan de in bijlage IV vermelde landbouwproducten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

  • 2 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage IV, lijst 1, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 3 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage IV, lijst 2, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 91% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 82% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 73% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 64% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 55% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 45% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 36% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 27% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 18% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 9% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 4 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage IV, lijst 3, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 87% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 62% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 37% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 12% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

    Voor enkele in deze bijlage vermelde producten geldt vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst tot de volledige afschaffing van de rechten een rechtenvrij contingent, overeenkomstig de in de bijlage vermelde voorwaarden.

  • 5 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage IV, lijst 4, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 83% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 67% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 33% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 17% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

    Voor enkele in deze bijlage vermelde producten geldt vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst tot de volledige afschaffing van de rechten een rechtenvrij contingent, overeenkomstig de in de bijlage vermelde voorwaarden.

  • 6 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Zuid-Afrika zijn in bijlage IV, lijst 5, vermeld, en zullen overeenkomstig de daarin omschreven voorwaarden worden toegepast.

    De Samenwerkingsraad kan besluiten tot

    • a. de uitbreiding van de in bijlage IV, lijst 5, opgenomen lijst van verwerkte landbouwproducten, en

    • b. de verlaging van de rechten op verwerkte landbouwproducten. Deze verlaging van rechten kan plaatsvinden wanneer de rechten op basisproducten in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika worden verlaagd of, in het kader van wederzijdse concessies op het gebied van verwerkte landbouwproducten.

  • 7 Voor enkele landbouwproducten van oorsprong uit Zuid-Afrika gelden vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst bij invoer in de Gemeenschap de in bijlage IV, lijst 6, vermelde verlaagde douanerechten, die overeenkomstig de in die bijlage omschreven voorwaarden zullen worden toegepast.

  • 8 De douanerechten die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage IV, lijst 7, vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, worden tijdens de looptijd van de Overeenkomst regelmatig herzien, afhankelijk van de ontwikkeling van het gemeenschappelijke landbouwbeleid.

  • 9 Op de in bijlage IV, lijst 8, vermelde producten kunnen geen tariefconcessies worden toegepast, daar deze producten door EU-benamingen zijn beschermd.

  • 10 Tariefconcessies die bij invoer in de Gemeenschap van toepassing zijn op de in bijlage V vermelde producten van oorsprong uit Zuid-Afrika, zullen overeenkomstig de daarin omschreven voorwaarden worden toegepast.

Artikel 15. Afschaffing van de douanerechten door Zuid-Afrika

  • 1 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op andere dan de in bijlage VI vermelde landbouwproducten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

  • 2 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage VI, lijst 1, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • - bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • een jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • twee jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 3 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage VI, lijst 2, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het onderstaande tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 67% van het basisrecht;

    • vier jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 33% van het basisrecht;

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

  • 4 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage VI, lijst 3, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden overeenkomstig het onderstaande tijdschema geleidelijk afgeschaft:

    • vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 88% van het basisrecht;

    • zes jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 75% van het basisrecht;

    • zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 63% van het basisrecht;

    • acht jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 50% van het basisrecht;

    • negen jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 38% van het basisrecht;

    • tien jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 25% van het basisrecht;

    • elf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten verlaagd tot 13% van het basisrecht;

    • twaalf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst worden alle rechten afgeschaft.

    Voor enkele in deze bijlage vermelde producten geldt vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst tot de volledige afschaffing van de rechten een rechtenvrij contingent, overeenkomstig de in de bijlage vermelde voorwaarden.

  • 5 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage VI, lijst 4, vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap, worden tijdens de looptijd van de Overeenkomst regelmatig herzien.

  • 6 De douanerechten die bij invoer in Zuid-Afrika van toepassing zijn op de in bijlage VII vermelde visserijproducten van oorsprong uit de Gemeenschap worden geleidelijk afgeschaft, parallel met de afschaffing van de douanerechten van de overeenkomstige tariefposten door de Gemeenschap.

Artikel 16. Vrijwaringsclausule landbouwproducten

Onverminderd de andere bepalingen van deze Overeenkomst en met name artikel 24, pleegt de Samenwerkingsraad, gezien de bijzondere gevoeligheid van de landbouwmarkten, terstond overleg om een passende oplossing te vinden indien de invoer van producten van oorsprong uit een partij de markten van de andere partij ernstig verstoort of ernstig dreigt te verstoren. In afwachting van een besluit van de Samenwerkingsraad kan de getroffen partij, indien buitengewone omstandigheden een onmiddellijk handelen noodzakelijk maken, voorlopige maatregelen nemen om de verstoring te beperken of te herstellen. Bij het nemen van deze voorlopige maatregelen zal de getroffen partij de belangen van beide partijen in aanmerking nemen.

Artikel 17. Versnelde afschaffing van de douanerechten door Zuid-Afrika

  • 1 Indien Zuid-Afrika hierom verzoekt zal de Gemeenschap voorstellen in overweging nemen over een versneld tijdschema voor de afschaffing van de douanerechten op de invoer van landbouwproducten in Zuid-Afrika, gekoppeld aan de afschaffing van alle restituties bij uitvoer naar Zuid-Afrika van dezelfde producten die uit de Europese Gemeenschap van oorsprong zijn.

  • 2 Indien de Gemeenschap een gunstig gevolg geeft aan dit verzoek, zullen de nieuwe tijdschema's voor de afschaffing van de douanerechten en van de uitvoerrestituties gelijktijdig van toepassing zijn vanaf een door de partijen overeen te komen datum.

  • 3 Indien de Gemeenschap geen gunstig gevolg geeft aan dit verzoek, zullen de bepalingen van deze Overeenkomst over de afschaffing van de douanerechten van toepassing blijven.

Artikel 18. Herzieningsclausule

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zullen de Gemeenschap en Zuid-Afrika zich beraden over verdere stappen om hun wederzijdse handel te liberaliseren. Te dien einde zullen met name, doch niet uitsluitend, de douanerechten worden onderzocht die van toepassing zijn op de producten die zijn vermeld in bijlage II, lijst 5, bijlage III, lijsten 5 en 6, bijlage IV, lijsten 5, 6 en 7, bijlage V, lijsten 1, 2, 3 en 4, bijlage VI, lijsten 4 en 5 en bijlage VII.

TITEL III. MET DE HANDEL VERBAND HOUDENDE KWESTIES

AFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 19. Grensmaatregelen

  • 1 Kwantitatieve in- of uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen Zuid-Afrika en de Gemeenschap worden bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst afgeschaft.

  • 2 In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika worden geen nieuwe kwantitatieve in- of uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking ingesteld.

  • 3 In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika worden vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst geen nieuwe in- of uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking ingevoerd.

Artikel 20. Landbouwbeleid

  • 1 De partijen kunnen in het kader van de Samenwerkingsraad regelmatig overleg plegen over de strategie en praktische uitwerking van hun landbouwbeleid.

  • 2 Indien een der partijen het in verband met de doelstellingen van haar eigen landbouwbeleid noodzakelijk acht de in deze Overeenkomst omschreven regelingen te wijzigen, deelt zij dit aan de Samenwerkingsraad mede, die over de gevraagde wijziging een besluit neemt.

  • 3 Indien de Gemeenschap of Zuid-Afrika de regelingen voor landbouwproducten van deze Overeenkomst in toepassing van lid 2 wijzigt, past deze partij door de Samenwerkingsraad goed te keuren aanpassingen toe om de concessies ten aanzien van de invoer uit de andere partij op een niveau te handhaven dat gelijkwaardig is met het niveau waarin deze Overeenkomst voorziet.

Artikel 21. Fiscale maatregelen

  • 1 De partijen onthouden zich van alle binnenlandse maatregelen of praktijken van fiscale aard die, rechtstreeks of onrechtstreeks, discrimineren tussen de producten van de ene partij en de producten van oorsprong uit het grondgebied van de andere partij.

  • 2 Het bedrag van de indirecte binnenlandse belastingen dat wordt terugbetaald bij de uitvoer van producten naar het grondgebied van een van de partijen mag niet hoger zijn dan het bedrag aan indirecte belastingen dat rechtstreeks of onrechtstreeks op deze producten was geheven.

Artikel 22. Douane-unies en vrijhandelszones

  • 1 Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor de handhaving of oprichting van douane-unies, vrijhandelszones of andere regelingen tussen een van de partijen en een derde land, mits zij geen afbreuk doen aan de rechten en plichten waarin deze Overeenkomst voorziet.

  • 2 De Gemeenschap en Zuid-Afrika plegen in de Samenwerkingsraad overleg over overeenkomsten tot instelling of wijziging van douane-unies of vrijhandelszones en, desgewenst, over andere belangrijke onderwerpen in verband met hun handelsbeleid ten aanzien van derde landen. Een dergelijk overleg vindt met name plaats bij de toetreding van een derde land tot de Europese Unie zodat rekening kan worden gehouden met de onderlinge belangen van de Gemeenschap en Zuid-Afrika.

Artikel 23. Antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen

Artikel 24. Vrijwaringsclausule

  • 1 Wanneer een product in zulke toegenomen hoeveelheden en onder zulke omstandigheden wordt ingevoerd dat de binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende partijen daardoor schade lijden of dreigen te lijden, kan de Gemeenschap of Zuid-Afrika, al naar gelang van het geval, passende maatregelen nemen overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in de WTO-Overeenkomst inzake Vrijwaringsmaatregelen of de Overeenkomst inzake de Landbouw die een bijlage vormen bij de Overeenkomst van Marrakesh tot instelling van de WTO en overeenkomstig de in artikel 26 omschreven procedures.

  • 2 Wanneer een product in zulke toegenomen hoeveelheden en onder zulke omstandigheden wordt ingevoerd dat de economische situatie van de ultraperifere gebieden van de Europese Unie daardoor ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de Europese Unie, bij wijze van uitzondering en nadat andere oplossingen zijn onderzocht, speciaal voor dat gebied of die gebieden toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen overeenkomstig de in artikel 26 omschreven procedures.

  • 3 Wanneer een product in zulke hoeveelheden en onder zulke omstandigheden wordt ingevoerd dat de economische situatie van een of meer leden van de Zuidelijk-Afrikaanse Douane-unie daardoor ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan Zuid-Afrika op verzoek van het betrokken land of de betrokken landen, bij wijze van uitzondering en na andere oplossingen te hebben onderzocht, toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen overeenkomstig de in artikel 26 omschreven procedures.

Artikel 25. Vrijwaringsmaatregelen voor de overgangsperiode

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 24 kunnen buitengewone maatregelen van beperkte duur die afwijken van het bepaalde in de artikelen 12 en 15 door Zuid-Afrika worden genomen in de vorm van verhoging of wederinstelling van douanerechten.

  • 2 Deze maatregelen mogen echter slechts betrekking hebben op pas gevestigde industrieën of sectoren die ten gevolge van de bij de artikelen 12 en 15 vastgestelde verlaging van de rechten door de toegenomen invoer uit de Gemeenschap met ernstige moeilijkheden hebben te kampen, met name wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale problemen veroorzaken.

  • 3 De bij deze maatregelen ingestelde douanerechten die in Zuid-Afrika van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap mogen niet hoger zijn dan het laagste van de volgende drie rechten, namelijk het basisrecht, het toepasselijke meestbegunstigingsrecht of 20% ad valorem, en moeten een preferentie-element blijven bevatten voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap. De totale waarde van alle producten waarop deze maatregelen van toepassing zijn mag niet hoger zijn dan 10% van de waarde van de gehele invoer van industrieproducten uit de Gemeenschap in het laatste jaar waarvoor statistieken beschikbaar zijn.

  • 4 Deze maatregelen mogen voor een periode van ten hoogste vier jaar worden toegepast. Uiterlijk bij afloop van de maximale overgangsperiode van twaalf jaar houden zij op van toepassing te zijn. Deze termijnen mogen bij wijze van uitzondering bij besluit van de Samenwerkingsraad worden verlengd.

  • 5 Deze maatregelen kunnen ten aanzien van een bepaald product niet meer worden genomen, indien meer dan drie jaar zijn verstreken sinds alle rechten en kwantitatieve beperkingen of heffingen of maatregelen van gelijke werking voor dat product zijn afgeschaft.

  • 6 Zuid-Afrika stelt de Samenwerkingsraad in kennis van de buitengewone maatregelen die zij voornemens is te nemen; op verzoek van de Gemeenschap wordt over deze maatregelen overleg gepleegd voordat zij worden toegepast, teneinde een bevredigende oplossing te bereiken. De kennisgeving van Zuid-Afrika bevat een indicatief tijdschema voor de invoering en daaropvolgende afschaffing van de in te stellen douanerechten.

  • 7 Indien binnen 30 dagen na kennisgeving geen overeenstemming is bereikt over de in lid 6 bedoelde voorgenomen maatregelen, kan Zuid-Afrika passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen, en legt het de Samenwerkingsraad het definitieve tijdschema voor voor de afschaffing van de op grond van dat artikel ingestelde douanerechten. Volgens dit tijdschema worden de rechten uiterlijk een jaar na instelling geleidelijk in gelijke jaarfasen afgeschaft. De Samenwerkingsraad kan besluiten dat een ander tijdschema moet worden gevolgd.

Artikel 26. Vrijwaringsprocedures

  • 1 Wanneer de Gemeenschap of Zuid-Afrika naar aanleiding van de in artikel 24 bedoelde problemen toezicht instelt teneinde snel gegevens te verkrijgen over de ontwikkeling van de handelsstromen, stelt deze partij de andere partij daarvan in kennis en pleegt met de andere partij overleg indien deze hierom verzoekt.

  • 2 In de in artikel 24 bedoelde gevallen verstrekt de Gemeenschap of Zuid-Afrika, al naar gelang van het geval, voordat de daarin bedoelde maatregelen worden genomen, of in de gevallen waarop lid 5, onder b), van toepassing is, de Samenwerkingsraad zo spoedig mogelijk alle relevante inlichtingen zodat een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kan worden gevonden.

  • 3 Bij de keuze van de te nemen maatregelen wordt voorrang gegeven aan die maatregelen die de werking van deze Overeenkomst het minst verstoren. Deze maatregelen gaan niet verder dan nodig is om een einde te maken aan ernstige schade of deze te voorkomen en om aanpassing te vergemakkelijken.

  • 4 De vrijwaringsmaatregelen worden terstond aan de Samenwerkingsraad medegedeeld. Over deze maatregelen zal binnen de Samenwerkingsraad regelmatig overleg worden gepleegd, met name om een tijdschema voor afschaffing te kunnen vaststellen zodra de omstandigheden dit toelaten.

  • 5 Voor de tenuitvoerlegging van de voorgaande leden zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a. De moeilijkheden die uit de in het artikel 24 bedoelde situatie kunnen voortvloeien, worden voor onderzoek aan de Samenwerkingsraad voorgelegd, die een besluit kan nemen om aan die moeilijkheden een einde te maken. Indien de Samenwerkingsraad of de partij van uitvoer geen besluit heeft genomen om aan de moeilijkheden een einde te maken of indien binnen 30 dagen na voorlegging van de kwestie geen bevredigende oplossing is gevonden, kan de partij van invoer passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen. Deze maatregelen zijn ten hoogste drie jaar van toepassing en bevatten elementen die, uiterlijk aan het eind van de gestelde termijn, tot hun geleidelijke afschaffing leiden.

    • b. Indien het in buitengewone omstandigheden noodzakelijk is onmiddellijk maatregelen te nemen waardoor voorafgaande kennisgeving of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de Gemeenschap of Zuid-Afrika, al naar gelang het geval, in de in artikel 24 vermelde omstandigheden terstond de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, waarvan de andere partij terstond in kennis wordt gesteld.

Artikel 27. Uitzonderingen

Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, uitvoer of doorvoer of de handel in gebruikte goederen uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch erfgoed, de intellectuele, industriële en commerciële eigendom of op grond van de voorschriften betreffende goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie in gelijkaardige situatie zijn of een verkapte beperking van het handelsverkeer tussen partijen.

Artikel 28. Regels van oorsprong

De voor de toepassing van tariefpreferenties geldende regels van oorsprong waarin deze Overeenkomst voorziet zijn opgenomen in Protocol 1.

AFDELING B. RECHT VAN VESTIGING EN VAN DIENSTVERLENING

Artikel 29. Herbevestiging van de verplichtingen uit hoofde van de GATS

  • 1 Daar zij erkennen dat de dienstensector van steeds groter belang is voor de ontwikkeling van hun economieën, onderstrepen de partijen, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, het belang van strikte naleving van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (General Agreement on Trade in Services – GATS), en met name het beginsel van de meestbegunstigingsbehandeling en met inbegrip van de toepasselijke protocollen met de daaraan gehechte verbintenissen.

  • 2 Overeenkomstig de GATS is deze behandeling niet van toepassing op:

    • a. door een partij toegekende voordelen overeenkomstig de bepalingen van een Overeenkomst zoals gedefinieerd in artikel V van de GATS of maatregelen die op grond van een dergelijke Overeenkomst zijn getroffen;

    • b. andere voordelen die zijn toegekend uit hoofde van de lijst van de uitzonderingen op de meestbegunstigingsclausule die door een partij aan de GATS is gehecht.

  • 3 De partijen herbevestigen hun respectieve verbintenissen die als bijlage aan het vierde protocol bij de GATS zijn gehecht betreffende basistelecommunicatiediensten en het vijfde protocol betreffende financiële diensten.

Artikel 30. Verdere liberalisering van de dienstverlening

  • 1 Binnen de begrenzingen van hun respectieve bevoegdheden streven de partijen naar uitbreiding van het toepassingsgebied van de Overeenkomst teneinde hun onderlinge handel in diensten verder te liberaliseren. Bij een dergelijke uitbreiding voorziet het liberaliseringsproces in de afschaffing van nagenoeg alle discriminatie tussen de partijen in de betrokken dienstensectoren. Dit proces dient betrekking te hebben op alle wijzen van levering, met inbegrip van de levering van een dienst:

    • a. vanuit het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij;

    • b. op het grondgebied van een partij aan de gebruiker van de dienst van de andere partij;

    • c. door een dienstverlener van een partij, via de commerciële aanwezigheid op het grondgebied van de andere partij;

    • d. door een dienstverlener van een partij, via de aanwezigheid van natuurlijke personen van die partij op het grondgebied van de andere partij.

  • 2 De Samenwerkingsraad doet de nodige aanbevelingen voor de tenuitvoerlegging van de in lid 1 omschreven doelstelling.

  • 3 Bij het formuleren van deze aanbevelingen houdt de Samenwerkingsraad rekening met de ervaringen die bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen van elke partij uit hoofde van de GATS is opgedaan, waarbij met name wordt verwezen naar artikel V in het algemeen en naar lid 3, onder a), van dat artikel in het bijzonder, dat betrekking heeft op de deelneming van ontwikkelingslanden aan liberaliseringsovereenkomsten.

  • 4 De in lid 1 omschreven doelstelling wordt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst voor de eerste maal door de Samenwerkingsraad onderzocht.

Artikel 31. Vervoer over zee

  • 1 De partijen streven ernaar het beginsel toe te passen van onbeperkte toegang tot de internationale zeevaartmarkt en zeevaart op basis van eerlijke concurrentie op commerciële grondslag.

  • 2 De partijen komen overeen elkaars onderdanen en de schepen die op het grondgebied van een van de partijen zijn geregistreerd geen minder gunstige behandeling te geven dan die welke aan de meest begunstigde natie wordt toegekend op het gebied van het vervoer over zee van goederen, personen of beide, toegang tot havens, het gebruik van de infrastructuur en hulpdiensten voor de zeevaart van die havens en de daaraan verbonden kosten, douanefaciliteiten en de toewijzing van ligplaatsen en faciliteiten voor het laden en lossen, op basis van eerlijke concurrentie en op commerciële voorwaarden.

  • 3 De partijen komen overeen het vervoer over zee, met inbegrip van het intermodale vervoer, in het kader van artikel 30 te bezien, onverminderd de dan geldende beperkingen op grond van nationaliteit of de door een van de partijen aangegane overeenkomsten die verenigbaar zijn met de rechten en plichten van de partijen uit hoofde van de GATS.

AFDELING C. LOPENDE BETALINGEN EN KAPITAALVERKEER

Artikel 32. Lopende betalingen

  • 1 Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 34 staan de partijen toe dat betalingen voor lopende transacties tussen inwoners van de Gemeenschap en van Zuid-Afrika in vrij converteerbare valuta geschieden.

  • 2 Zuid-Afrika kan de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het bepaalde in lid 1, waarbij de lopende betalingen worden geliberaliseerd, door zijn inwoners niet op zodanige wijze wordt gebruikt dat een kapitaalvlucht plaatsvindt.

Artikel 33. Kapitaalverkeer

  • 1 Met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening van de betalingsbalans garanderen de Gemeenschap en Zuid-Afrika vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal ten behoeve van directe investeringen in Zuid-Afrika in ondernemingen die overeenkomstig de geldende wetgeving zijn opgericht en dat deze investeringen en de daaruit voortvloeiende winsten geliquideerd en gerepatrieerd kunnen worden.

  • 2 De partijen plegen overleg om het kapitaalverkeer tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika te vergemakkelijken en uiteindelijk volledig te liberaliseren.

Artikel 34. Betalingsbalansproblemen

Indien een of meer lidstaten van de Gemeenschap of Zuid-Afrika ernstige betalingsbalansproblemen ondervindt of dreigt te ondervinden, kan de Gemeenschap respectievelijk Zuid-Afrika, in overeenstemming met de voorwaarden van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en met de artikelen VIII en XIV van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds de lopende transacties voor kortere duur beperken, welke beperkingen slechts zover mogen gaan als tot hetgeen noodzakelijk is om de betalingsbalans te herstellen. De Gemeenschap of Zuid-Afrika, al naar gelang van het geval, deelt dit terstond mede aan de andere partij en doet deze partij zo spoedig mogelijk een tijdschema toekomen voor de opheffing van deze maatregelen.

AFDELING D. MEDEDINGINGSBELEID

Artikel 35. Definitie

Onverenigbaar met de goede werking van deze Overeenkomst, voorzover de handel tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, zijn:

  • a. alle overeenkomsten en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die horizontale banden hebben, besluiten van associaties van ondernemingen, en overeenkomsten tussen ondernemingen die verticale banden hebben die ten gevolge hebben dat de mededinging op het grondgebied van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika in aanzienlijke mate wordt verhinderd of beperkt, tenzij deze ondernemingen kunnen aantonen dat de gevolgen die de concurrentie beperken minder zwaar wegen dan de gevolgen die de concurrentie bevorderen;

  • b. misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika, of op een wezenlijk deel daarvan.

Artikel 36. Tenuitvoerlegging

Indien een partij bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst nog niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen heeft vastgesteld om artikel 35 in haar rechtsgebied ten uitvoer te kunnen leggen, zal zij dit binnen drie jaar doen.

Artikel 37. Passende maatregelen

Indien de Gemeenschap of Zuid-Afrika van oordeel is dat een bepaalde praktijk op haar of zijn binnenlandse markt in strijd is met de artikel 35, en:

  • a. deze praktijk niet op afdoende wijze kan worden tegengegaan met de in artikel 35 bedoelde uitvoeringsbepalingen, of

  • b. wanneer dergelijke bepalingen ontbreken, deze praktijk de belangen van de andere partij of een binnenlandse bedrijfstak, met inbegrip van binnenlandse dienstverleners, ernstig schaadt of dreigt te schaden,

kan de betrokken partij overeenkomstig haar eigen wetgeving passende maatregelen nemen, na overleg in de Samenwerkingsraad, of na afloop van een termijn van 30 werkdagen nadat de kwestie voor overleg aan de Samenwerkingsraad is voorgelegd. Bij het nemen van passende maatregelen worden de bevoegdheden van de betrokken Mededingingsautoriteit in acht genomen.

Artikel 38. Wederzijds respect

  • 1 De partijen komen overeen dat, wanneer de Commissie of de Zuid-Afrikaanse Mededingingsautoriteit redenen heeft om aan te nemen dat op het grondgebied van de andere autoriteit praktijken plaatsvinden die strijdig zijn met een eerlijke concurrentie in de zin van artikel 35 en die de wezenlijke belangen van de partijen ernstig schaden, zij de mededingingsautoriteit van de andere partij kan verzoeken passende maatregelen te nemen om aan deze praktijken een einde te maken volgens de mededingingsregels van die autoriteit.

  • 2 Een dergelijk verzoek doet geen afbreuk aan maatregelen die op grond van de mededingingswetgeving van de verzoekende autoriteit eventueel genomen kunnen worden en aan de bevoegdheden en onafhankelijkheid van de aangezochte autoriteit.

  • 3 Zonder afbreuk te doen aan de taken, rechten, plichten en onafhankelijkheid van de aangezochte mededingingsautoriteit, onderzoekt deze de opmerkingen van de verzoekende autoriteit en de door deze autoriteit voorgelegde bewijsstukken zorgvuldig en besteedt zij met name aandacht aan de aard van de activiteiten die met de eerlijke mededinging strijdig zouden zijn, de daarbij betrokken onderneming(en) en de schadelijke gevolgen die deze activiteiten voor de wezenlijke belangen van de klagende partij zouden hebben.

  • 4 Wanneer de Commissie of de Zuid-Afrikaanse Mededingingsautoriteit besluit een onderzoek in te stellen of een actie te ondernemen die een aanmerkelijke invloed kan uitoefenen op de belangen van de andere partij, moeten de partijen op verzoek van een van hen overleg plegen, waarbij zij zullen trachten een voor hen beide aanvaardbare oplossing te vinden in het licht van hun wederzijdse aanmerkelijke belangen en waarbij de wetgeving en de soevereiniteit van beide partijen en de onafhankelijkheid van hun mededingingsautoriteiten en het wederzijds respect in aanmerking worden genomen.

Artikel 39. Technische bijstand

De Gemeenschap verschaft Zuid-Afrika technische bijstand bij de herstructurering van de mededingingswetgeving en het mededingingsbeleid, die onder meer het volgende kan inhouden:

  • a. uitwisseling van deskundigen;

  • b. organisatie van seminars;

  • c. opleidingsactivititeiten.

Artikel 40. Uitwisseling van gegevens

De partijen wisselen gegevens uit, rekening houdend met de beperkingen uit hoofde van het zaken- en beroepsgeheim.

AFDELING E. OVERHEIDSSTEUN

Artikel 41. Overheidssteun

  • 1 Voor zover deze van nadelige invloed kan zijn op het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika, is overheidssteun die bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen bevoordeelt, waardoor de concurrentie wordt vervalst of kan worden vervalst, en die geen ondersteuning vormt van een beleidsdoelstelling van een partij, strijdig met de goede werking van deze Overeenkomst.

  • 2 De partijen komen overeen dat het in hun belang is ervoor te zorgen dat overheidssteun op een billijke en doorzichtige wijze wordt toegekend.

Artikel 42. Herstelmaatregelen

  • 1 Indien de Gemeenschap of Zuid-Afrika van oordeel is dat een bepaalde praktijk in strijd is met artikel 41 en dat de belangen van de andere partij of een binnenlandse bedrijfstak door deze praktijk ernstige schade lijden of dreigen te lijden, komen de partijen overeen, wanneer dit probleem op grond van de bestaande voorschriften en procedures niet op bevredigende wijze kan worden behandeld, overleg te plegen teneinde een voor hen beide bevredigende oplossing te vinden. Dit overleg doet geen afbreuk aan de rechten en plichten van de partijen in het kader van hun eigen wetgeving en internationale verplichtingen.

  • 2 Elke partij kan de Samenwerkingsraad, in het kader van een dergelijk overleg, vragen te onderzoeken of de beleidsdoelstellingen van een partij de in artikel 41 bedoelde toekenning van overheidssteun rechtvaardigen.

Artikel 43. Transparantie

Elke partij draagt zorg voor transparantie op het gebied van overheidssteun. Met name verstrekt een partij op verzoek van de andere partij gegevens over steunregelingen, over bepaalde afzonderlijke gevallen waarin overheidssteun is verleend of over het totale bedrag en de verdeling van de verleende steun. Bij de uitwisseling van gegevens tussen de partijen wordt rekening gehouden met de wettelijke vereisten van elke partij ter bescherming van het zaken- en beroepsgeheim.

Artikel 44. Onderzoek

  • 2 De Samenwerkingsraad stelt regelmatig een onderzoek in naar de vorderingen die op dit gebied zijn gemaakt. Met name zal hij samenwerking en begrip blijven ontwikkelen ten aanzien van de maatregelen die elke partij neemt ten aanzien van de werking van artikel 41.

AFDELING F. ANDERE MET DE HANDEL VERBAND HOUDENDE BEPALINGEN

Artikel 45. Overheidsopdrachten

  • 1 De partijen komen overeen samen te werken om te garanderen dat de toegang tot overheidsopdrachten van de partijen op billijke en transparante wijze wordt geregeld.

  • 2 De Samenwerkingsraad stelt regelmatig een onderzoek in naar de vorderingen die op dit gebied zijn gemaakt.

Artikel 46. Intellectuele eigendom

  • 1 De partijen zien toe op een adequate en effectieve bescherming van de intellectuele eigendomsrechten die aan de strengste internationale normen voldoet. De partijen passen de WTO-Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs) vanaf 1 januari 1996 toe en verbinden zich ertoe de bescherming die op grond van die Overeenkomst wordt verleend zo nodig te verbeteren.

  • 2 Indien zich op het gebied van de intellectuele eigendom problemen voordoen die van nadelige invloed zijn op het handelsverkeer, wordt op verzoek van een partij spoedoverleg gepleegd teneinde een voor beide partijen bevredigende oplossing te bereiken.

  • 4 Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst betreffende TRIPs neemt Zuid-Afrika toetreding tot de in lid 3 genoemde multilaterale overeenkomsten in welwillende overweging.

  • 6 Ter vereenvoudiging van de toepassing van dit artikel kan de Gemeenschap, op verzoek en op onderling overeengekomen voorwaarden, Zuid-Afrika technische bijstand verlenen bij, onder andere, de opstelling van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, het tegengaan van misbruik van deze rechten, alsmede de oprichting en versterking van nationale instanties die bij de bescherming van deze rechten zijn betrokken, met inbegrip van de opleiding van personeel.

  • 7 De partijen komen overeen dat intellectuele eigendom, voor de toepassing van deze Overeenkomst, met name het volgende inhoudt: auteursrechten, met inbegrip van auteursrechten op computerprogramma's en naburige rechten, gebruiksmodellen, octrooien, met inbegrip van biotechnologische uitvindingen, industriële ontwerpen, geografische aanduidingen, met inbegrip van oorsprongsbenamingen, handels- en dienstenmerken, topografieën van geïntegreerde schakelingen, alsmede de wettelijke bescherming van gegevensbanken en de bescherming tegen oneerlijke concurrentie als bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs inzake de bescherming van de industriële eigendom en de eigendom van niet openbaar gemaakte informatie over knowhow.

Artikel 47. Normalisering en conformiteitsbeoordeling

De partijen werken samen op het gebied van normalisering, metrologie, certificatie en kwaliteitsborging teneinde de verschillen tussen hen op deze gebieden te verminderen, technische belemmeringen op te heffen en de bilaterale handel te vergemakkelijken. Deze samenwerking houdt onder meer het volgende in:

  • a. maatregelen, overeenkomstig de bepalingen van de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, ter bevordering van het gebruik van internationale technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, met inbegrip van maatregelen voor bijzondere sectoren;

  • b. de ontwikkeling van overeenkomsten over de wederzijdse erkenning van de conformiteitsbeoordeling in sectoren van wederzijds economisch belang;

  • c. samenwerking op het gebied van kwaliteitsbewaking en -borging in bepaalde sectoren die voor Zuid-Afrika van belang zijn;

  • d. vergemakkelijking van de technische bijstand voor Zuid-Afrikaanse capaciteitsopbouwinitiatieven op het gebied van erkenning, metrologie en normalisering;

  • e. de ontwikkeling van praktische banden tussen Zuid-Afrikaanse en Europese normaliserings-, erkennings- en certificatie-instellingen.

Artikel 48. Douane

  • 1 De partijen bevorderen en vergemakkelijken de samenwerking tussen hun douanediensten om te bewerkstelligen dat de bepalingen inzake de handel worden nageleefd en dat eerlijke handelspraktijken worden toegepast. Deze samenwerking leidt onder meer tot de uitwisseling van gegevens en het organiseren van opleidingsprogramma's.

  • 2 Onverminderd de andere samenwerkingsvormen waarin deze Overeenkomst voorziet, met name op grond van artikel 90, geven de administratieve instanties van de Overeenkomstsluitende partijen elkaar bijstand overeenkomstig de bepalingen van Protocol 2 bij deze Overeenkomst.

Artikel 49. Statistieken

De partijen komen overeen op dit gebied samen te werken. De samenwerking is vooral gericht op harmonisering van de statistische methoden en praktijken zodat gegevens over de handel in goederen en diensten en, meer in het algemeen over alle gebieden waarop deze Overeenkomst betrekking heeft en die zich tot statistische verwerking lenen, op een in onderling overleg overeengekomen basis kunnen worden verwerkt.

TITEL IV. ECONOMISCHE SAMENWERKING

Artikel 50. Inleiding

Binnen de begrenzingen van hun respectieve bevoegdheden komen de partijen overeen de samenwerking op economisch en industrieel gebied te ontwikkelen en bevorderen, tot wederzijds voordeel en in het belang van geheel zuidelijk Afrika, door hun economische banden te diversifiëren en versterken, duurzame ontwikkeling in hun economieën te stimuleren, structuren voor regionale samenwerking te ondersteunen, de samenwerking in het midden- en kleinbedrijf te bevorderen, het milieu te beschermen en verbeteren, de economische positie van voorheen achtergestelde bevolkingsgroepen, waaronder vrouwen, te verbeteren, en de rechten van werknemers, alsmede vakbondsrechten, te beschermen en te bevorderen.

Artikel 51. Industrie

De samenwerking op dit terrein beoogt de herstructurering en modernisering van de Zuid-Afrikaanse industrie te vergemakkelijken en tezelfdertijd haar concurrentievermogen en groei te stimuleren, alsmede de voorwaarden te scheppen voor wederzijds voordelige vormen van samenwerking tussen de industrie van Zuid-Afrika en die van de Europese Unie.

De samenwerking is onder meer gericht op:

  • a. het bevorderen van de samenwerking tussen de economische subjecten van de partijen (ondernemingen, zelfstandige beroepsbeoefenaren, sectorale en andere bedrijfsorganisaties, georganiseerde arbeid enzovoort);

  • b. het ondersteunen van de openbare en de particuliere sector van Zuid-Afrika bij het herstructureren en moderniseren van de industrie, daarbij zorg dragende voor bescherming van het milieu, duurzame ontwikkeling en verbetering van de economische positie van kansarme bevolkingsgroepen;

  • c. het bevorderen van de ontwikkeling van een gunstig klimaat voor particulier initiatief teneinde de voor lokale en exportmarkten bestemde productie te stimuleren en te diversifiëren;

  • d. het stimuleren van betere benutting van het menselijk en industrieel potentieel van Zuid-Afrika, onder meer door het vergemakkelijken van de toegang tot kredietfaciliteiten en investeringen en het ondersteunen van industriële innovatie, overdracht van technologie, opleiding, onderzoek en technologische ontwikkeling.

Artikel 52. Stimulering en bescherming van investeringen

Doel van de samenwerking tussen de partijen is, binnen de begrenzingen van hun respectieve bevoegdheden, het vestigen van een klimaat dat gunstig en bevorderlijk is voor binnenlandse en buitenlandse investeringen tot wederzijds voordeel, met name door verbetering van de voorwaarden voor de bescherming van investeringen, de stimulering van investeringen, de overdracht van kapitaal en de uitwisseling van informatie over investeringsmogelijkheden.

De samenwerking is onder meer gericht op het vergemakkelijken en aanmoedigen van:

  • a. de sluiting, waar nuttig, van overeenkomsten ter stimulering en bescherming van investeringen tussen de lidstaten en Zuid-Afrika;

  • b. de sluiting, waar nuttig, van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen de lidstaten en Zuid-Afrika;

  • c. de uitwisseling van informatie over investeringsmogelijkheden;

  • d. de harmonisering en vereenvoudiging van procedures en administratieve praktijken op het gebied van investeringen;

  • e. ondersteuning voor investeringen in Zuid-Afrika en de regio zuidelijk Afrika.

Artikel 53. Ontwikkeling van het handelsverkeer

  • 1 De partijen komen overeen hun onderlinge handelsverkeer te ontwikkelen, te diversifiëren en te intensiveren, en de concurrentiepositie van Zuid-Afrikaanse producten op de binnenlandse, regionale en internationale markt te versterken.

  • 2 De samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van het handelsverkeer concentreert zich op:

    • a. de uitwerking van passende strategieën voor de ontwikkeling van het handelsverkeer en de totstandbrenging van een handelsklimaat dat gunstig is voor het concurrentievermogen;

    • b. capaciteitsopbouw en ontwikkeling van het menselijk potentieel en professionele vaardigheden ten aanzien van het handelsverkeer en ondersteunende diensten in de openbare en de particuliere sector, waaronder arbeid;

    • c. uitwisseling van informatie over markteisen;

    • d. overdracht van kennis en technologie door middel van investeringen en gezamenlijke ondernemingen;

    • e. ontwikkeling van de particuliere sector, met name kleine en middelgrote ondernemingen in de handelssector;

    • f. de oprichting, aanpassing en versterking van organisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van het handelsverkeer en ondersteunende diensten;

    • g. regionale samenwerking ten behoeve van de ontwikkeling van het handelsverkeer en met de handel verband houdende infrastructuur en diensten in zuidelijk Afrika.

Artikel 54. Microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen

De partijen streven naar ontwikkeling en versterking van microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen in Zuid-Afrika en naar stimulering van de samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen in de Gemeenschap en in Zuid-Afrika en de regio, daarbij toeziend op de gelijkheid van vrouwen en mannen. De partijen komen overeen onder meer:

  • a. waar passend samen te werken bij het opzetten van een juridisch, administratief, institutioneel, technisch, fiscaal en financieel kader voor de oprichting en uitbreiding van microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen;

  • b. de bijstand te verlenen waaraan microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen behoefte hebben, ongeacht hun juridische status, op gebieden als financiering, opleiding, technologie en marketing;

  • c. bijstand te verlenen aan ondernemingen, organisaties, beleidsmakers en instanties die diensten verlenen als bedoeld onder punt b), door middel van passende technische ondersteuning, uitwisseling van informatie en capaciteitsopbouw;

  • d. passende banden tot stand te brengen en te stimuleren tussen marktdeelnemers in de particuliere sector van Zuid-Afrika, zuidelijk Afrika en de Gemeenschap, teneinde de doorstroom van informatie te verbeteren (met betrekking tot de formulering en implementatie van strategieën, zakelijke ontwikkelingen en mogelijkheden, netwerkvorming, gezamenlijke ondernemingen en de overdracht van vaardigheden).

Artikel 55. Informatiemaatschappij – telecommunicatie- en informatietechnologie

  • 1 De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, een sector die zij voor de moderne samenleving van het grootste belang achten en die cruciaal is voor de economische en sociale ontwikkeling en de ontwikkeling van een informatiemaatschappij. Communicatie in dit verband omvat de posterijen, de omroep, telecommunicatie en informatietechnologieën. Doel van de samenwerking is:

    • a. verbetering van de toegang voor Zuid-Afrikaanse openbare en particuliere entiteiten tot communicatiemiddelen, elektronica en informatietechnologie, door middel van steun voor de ontwikkeling van infrastructuurnetwerken, het menselijk potentieel en passend beleid voor de informatiemaatschappij in Zuid-Afrika;

    • b. ondersteuning van de samenwerking op dit gebied tussen landen in de regio zuidelijk Afrika, met name wat satelliettechnologie betreft;

    • c. het opnemen van de uitdagingen die worden gesteld door globalisering, nieuwe technologieën, institutionele en sectorale herstructurering en de groeiende kloof op het gebied van basisinformatiediensten en geavanceerde diensten.

  • 2 De samenwerking houdt onder meer in:

    • a. een dialoog over diverse aspecten van de informatiemaatschappij, waaronder regelgeving en communicatiebeleid;

    • b. uitwisseling van informatie en eventueel technische bijstand op het gebied van regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling en certificering van informatie- en communicatietechnologieën en het gebruik van frequenties;

    • c. verspreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en ontwikkeling van nieuwe faciliteiten, in het bijzonder met betrekking tot de koppeling van netwerken en de interoperabiliteit van toepassingen;

    • d. stimulering en uitvoering van gezamenlijk onderzoek, technologische ontwikkeling met betrekking tot projecten op het gebied van nieuwe technologieën die verband houden met de informatiemaatschappij;

    • e. toegang voor Zuid-Afrikaanse organisaties tot projecten en programma's van de Gemeenschap op basis van regelingen voor de diverse betrokken terreinen, alsmede, onder dezelfde voorwaarden, toegang voor organisaties uit de Europese Unie tot door Zuid-Afrika geïnitieerde activiteiten.

Artikel 56. Samenwerking op het gebied van de post

Binnen de begrenzingen van de respectieve bevoegdheden van de partijen omvat de samenwerking op dit gebied onder meer:

  • a. uitwisseling van informatie en dialoog over postale aangelegenheden betreffende onder meer regionale en internationale activiteiten, regelgevingsaspecten en beleid;

  • b. technische bijstand op het gebied van regelgeving, exploitatienormen en ontwikkeling van het menselijk potentieel;

  • c. stimulering en implementatie van gezamenlijke projecten, waaronder onderzoeksprojecten, met betrekking tot de technologische ontwikkeling in deze sector.

Artikel 57. Energie

  • 1 Binnen de begrenzingen van de respectieve bevoegdheden van de partijen beoogt de samenwerking op dit gebied onder meer:

    • a. verbetering van de toegang voor de Zuid-Afrikaanse bevolking tot betaalbare, betrouwbare en duurzame energiebronnen;

    • b. reorganisatie en modernisering van de energieproductie, -distributie en -consumptie met het oog op optimaal efficiënte dienstverlening, sociale ontwikkeling en milieuvriendelijkheid;

    • c. steun voor de samenwerking tussen landen in de regio zuidelijk Afrika met het oog op efficiënte en milieuvriendelijke exploitatie van de plaatselijk aanwezige energiebronnen.

  • 2 Specifiek richt de samenwerking zich op:

    • a. steun voor de formulering van een passend energiebeleid en het opzetten van energieinfrastructuur in Zuid-Afrika;

    • b. diversifiëring van de energievoorziening in Zuid-Afrika;

    • c. verbetering van de technische, economische en financiële prestaties van energiebedrijven, met name in de sectoren elektriciteit en vloeibare brandstoffen;

    • d. stimulering van capaciteitsopbouw met gebruikmaking van lokale expertise, met name door middel van algemene en technische scholing;

    • e. ontwikkeling van nieuwe, duurzame vormen van energie, met inbegrip van de ondersteunende infrastructuur, met name ten behoeve van de energievoorziening op het platteland;

    • f. bevordering van het rationele gebruik van energie, in het bijzonder door het bevorderen van de doelmatigheid van energiesystemen;

    • g. bevordering van de overdracht en het gebruik van milieuvriendelijke technologieën;

    • h. stimulering van de regionale samenwerking op energiegebied in zuidelijk Afrika.

Artikel 58. Mijnbouw en winning van delfstoffen

  • 1 Doel van de samenwerking op dit terrein is onder meer:

    • a. ondersteuning en bevordering van beleidsmaatregelen ter verbetering van gezondheids- en veiligheidsnormen en arbeidsvoorwaarden in de mijnbouw;

    • b. het toegankelijk maken van informatie over delfstoffen en aardwetenschappen voor investeringen in exploratie en ontginning. De samenwerking moet ook bijdragen tot een voor beide zijden gunstig klimaat voor het aantrekken van investeringen in de sector, ook wat het midden- en kleinbedrijf en voorheen achtergestelde gemeenschappen betreft;

    • c. steun voor beleid dat garandeert dat bij mijnbouwactiviteiten milieuoverwegingen en de noodzaak van duurzame ontwikkeling in aanmerking worden genomen, rekening houdende met de specifieke omstandigheden in het land en de aard van de mijnbouw;

    • d. samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling op het gebied van mijnbouw- en delfstoffentechnologie.

  • 2 De samenwerking strekt zich uit tot Zuid-Afrikaanse activiteiten in het kader van de Mining Co-ordination Unit (Eenheid Mijnbouwcoördinatie) van de Southern African Development Community.

Artikel 59. Vervoer

  • 1 Doel van de samenwerking op dit terrein is:

    • a. verbetering van de toegang voor Zuid-Afrikanen tot betaalbare, veilige en betrouwbare vervoersmethoden en stroomlijning van het goederenverkeer in het land, door middel van steun voor de ontwikkeling van economisch en ecologisch duurzame intermodale infrastructuurnetwerken en vervoerssystemen.

    • b. ondersteuning van de samenwerking tussen de landen in zuidelijk Afrika om een duurzaam vervoersnetwerk op te zetten dat aan de behoeften van de regio beantwoordt.

  • 2 Specifiek richt de samenwerking zich op:

    • a. bevordering van de herstructurering en modernisering van de weg-, spoorweg-, haven- en luchthaveninfrastructuur;

    • b. geleidelijke verbetering van de condities van het luchtvervoer en het transitoverkeer over het spoor, over de weg en door de lucht, alsmede verbetering van het beheer van wegen, spoorwegen, havens en luchthavens en het zee- en luchtverkeer;

    • c. verhoging van de veiligheid van het lucht- en zeeverkeer door verbetering van navigatiehulpmiddelen en het mogelijk maken van de invoering van doeltreffende programma's door scholing.

Artikel 60. Toerisme

  • 1 Binnen de begrenzingen van hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen om de ontwikkeling van een concurrerende toeristische bedrijfstak te bevorderen. In dit verband komen de partijen in het bijzonder overeen:

    • a. de ontwikkeling van de toeristische bedrijfstak te stimuleren, omdat die gunstig is voor economische groei en het verbeteren van de economische positie van achtergestelde bevolkingsgroepen, voor de werkgelegenheid en de deviezensituatie;

    • b. te streven naar een strategische alliantie met inachtneming van de belangen van de overheid, van individuen en van de gemeenschap, teneinde de duurzame ontwikkeling van de toeristische bedrijfstak te waarborgen;

    • c. gezamenlijke activiteiten uit te voeren op terreinen als de ontwikkeling van producten en markten, het menselijk potentieel en institutionele structuren;

    • d. samen te werken bij opleidingen en capaciteitsopbouw op het gebied van toerisme, teneinde de dienstverlening te verbeteren;

    • e. samen te werken bij het stimuleren en ontwikkelen van toerisme met een basis in de plaatselijke gemeenschappen, door middel van modelprojecten in plattelandsgebieden;

    • f. het vergemakkelijken van het vrije verkeer van toeristen.

  • 2 De partijen komen overeen dat bij de samenwerking op het gebied van het toerisme onder meer de volgende uitgangspunten worden toegepast:

    • a. respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden;

    • b. aandacht voor het belang van het cultureel erfgoed;

    • c. stimulering van opleiding, overdracht van kennis en bewustmaking in de gemeenschap in de bredere zin;

    • d. positieve wisselwerking tussen het toerisme en het behoud van het milieu;

    • e. stimulering van de regionale samenwerking in zuidelijk Afrika.

Artikel 61. Landbouw

  • 1 De samenwerking op dit terrein is gericht op de stimulering van geïntegreerde, harmonieuze en duurzame ontwikkeling van het platteland in Zuid-Afrika. De samenwerking concentreert zich op:

    • a. modernisering en waar nodig herstructurering van de landbouwsector, onder meer door modernisering van infrastructuur en uitrusting en ontwikkeling van technieken voor verpakking en opslag, alsmede verbetering van particuliere distributie- en afzetketens;

    • b. stimulering van de ontwikkeling en de versterking van het concurrentievermogen van landbouwers uit voorheen achtergestelde gemeenschappen, en verlening van geschikte ondersteunende diensten op landbouwgebied in deze context;

    • c. diversificatie en ontwikkeling van productie en externe markten;

    • d. ontwikkeling van de samenwerking op zoösanitair en fytosanitair gebied en op het gebied van landbouwproductietechnieken;

    • e. onderzoek naar maatregelen ter harmonisatie van normen en voorschriften op zoösanitair en fytosanitair gebied teneinde het handelsverkeer te vergemakkelijken, met inachtneming van de geldende wetgeving van de partijen en de voorschriften van de WTO.

  • 2 De samenwerking krijgt onder meer gestalte door de overdracht van kennis, de oprichting van gezamenlijke ondernemingen en het opzetten van programma's voor capaciteitsopbouw.

Artikel 62. Visserij

Doel van de samenwerking op dit gebied is de bevordering van het duurzaam beheer en gebruik van de visbestanden, zulks in het belang van beide partijen op de lange termijn. Dit doel dient te worden bereikt door de uitwisseling van informatie en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van overeenkomsten waarin aan de economische, wetenschappelijke, technische, handels- en ontwikkelingsdoelstellingen van beide partijen recht wordt gedaan. Deze overeenkomsten worden gesloten in het kader van een afzonderlijke, tot voordeel van beide partijen strekkende visserijovereenkomst, die de partijen zo spoedig mogelijk trachten te sluiten.

Artikel 63. Diensten

De partijen komen overeen de samenwerking in de dienstensector in het algemeen en in de banksector, het verzekeringswezen en bepaalde andere sectoren van de financiële dienstverlening in het bijzonder te stimuleren, onder meer door:

  • a. het bevorderen van de handel in diensten;

  • b. het uitwisselen, waar nuttig, van gegevens over de wet- en regelgeving van de partijen op het gebied van de dienstensector;

  • c. het verbeteren van de boekhouding, de financiële controle, het toezicht en de regulering van de financiële dienstverlening en het financieel toezicht, bijvoorbeeld door het ondersteunen van opleidingsprogramma's.

Artikel 64. Consumentenbeleid en bescherming van de gezondheid van de consument

De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van het consumentenbeleid en de bescherming van de gezondheid van de consument, onder meer met het oog op:

  • a. het tot stand komen van systemen om elkaar in te lichten over verboden en gevaarlijke producten;

  • b. het uitwisselen van informatie en ervaringen over de totstandkoming en het functioneren van het toezicht na de verkoop op producten en productveiligheid;

  • c. het verbeteren van de voorlichting aan de consument, met name over prijzen en kenmerken van producten en diensten;

  • d. het bevorderen van contacten tussen vertegenwoordigers van consumentenbelangen;

  • e. het verbeteren van de compatibiliteit van consumentenbeleid en -systemen;

  • f. het uitwisselen van informatie over consumentenvoorlichting en -educatie;

  • g. het aanmelden van rechtshandhaving en het samenwerken bij onderzoek naar schadelijke of oneerlijke bedrijfspraktijken;

  • h. het uitwisselen van informatie over doeltreffende methoden voor de schadeloosstelling van consumenten die slachtoffer zijn geworden van illegale activiteiten.

TITEL V. ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

AFDELING A. ALGEMEEN

Artikel 65. Doelstellingen

  • 1 De ontwikkelingssamenwerking tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika heeft plaats in een context van beleidsdialoog en partnerschap, en is gericht op ondersteuning van de door de nationale autoriteiten uitgevoerde beleidsmaatregelen en hervormingen.

  • 2 De ontwikkelingssamenwerking draagt in het bijzonder bij tot een harmonische en duurzame economische en sociale ontwikkeling in Zuid-Afrika, tot de integratie van Zuid-Afrika in de wereldeconomie en tot de consolidatie van de grondslagen voor een democratische samenleving en een rechtsstaat waar de mensenrechten, in zowel politiek en sociaal als cultureel opzicht, evenals de fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd.

  • 3 In deze context wordt voorrang gegeven aan steun voor projecten die armoede helpen bestrijden.

Artikel 66. Prioriteiten

  • 1 De ontwikkelingssamenwerking heeft in hoofdzaak betrekking op de volgende gebieden:

    • a. steun voor beleidsmaatregelen en instrumenten gericht op een gestadige integratie van de Zuid-Afrikaanse economie in de wereldeconomie en de wereldhandel, uitbreiding van de werkgelegenheid, het opzetten van levensvatbare particuliere ondernemingen, en het tot stand brengen van regionale samenwerking en integratie; in deze context gaat speciale aandacht naar het ondersteunen van aanpassingsmaatregelen welke in de regio en met name in de SACU worden genomen naar aanleiding van de in het kader van deze Overeenkomst beoogde totstandbrenging van een vrijhandelszone;

    • b. het verbeteren van de levensomstandigheden en het voorzien in elementaire sociale voorzieningen;

    • c. steun voor de democratisering, de bescherming van de mensenrechten, een degelijk openbaar bestuur, de versterking van de burgermaatschappij en de integratie ervan in het ontwikkelingsproces.

  • 2 Dialoog en partnerschap tussen overheidsinstanties en niet-gouvernementele ontwikkelingspartners en -actoren worden gestimuleerd.

  • 3 De programma's worden in hoofdzaak afgestemd op de basisbehoeften van de in het voormalige stelsel benadeelde gemeenschappen en omvatten tevens de gender- en milieuaspecten van de ontwikkeling.

Artikel 67. Begunstigden

De voor financiële en technische bijstand in aanmerking komende samenwerkingspartners zijn nationale, provinciale en lokale overheden en overheidsinstanties, niet-gouvernementele organisaties en organisaties van de lokale gemeenschappen, regionale en internationale organisaties, instellingen en publieke of particuliere bedrijven. Andere instanties kunnen in aanmerking komen, indien zij door beide partijen als geschikt worden aangewezen.

Artikel 68. Middelen en methodiek

  • 1 De middelen die in het kader van de in artikel 66 bedoelde samenwerking kunnen worden gebruikt, omvatten met name studies, technische bijstand, opleiding of andere dienstverlening, leveranties en werken, alsmede financiële controles en evaluatie- en controlemissies.

  • 2 De communautaire financiering, in deviezen of plaatselijke valuta, kan naar gelang van de aard of de behoeften in het kader van de projecten, betrekking hebben op:

    • a. budgettaire uitgaven van de overheid ter ondersteuning van hervormingen en de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen in de in het kader van een beleidsdialoog aangewezen prioritaire sectoren;

    • b. uitgaven voor investeringen (met uitzondering van de aankoop van onroerend goed) en uitrusting;

    • c. in bepaalde gevallen, met name wanneer een programma ten uitvoer wordt gelegd door een niet-gouvernementele partner, lopende uitgaven.

  • 3 In principe is voor elke samenwerkingsactie een bijdrage van de in artikel 67 bedoelde partners vereist. Aard en omvang van deze bijdrage worden bepaald in overeenstemming met de mogelijkheden van de betrokken partners en naar gelang van de aard van elke actie.

  • 4 Er kan worden gestreefd naar samenhang en complementariteit met de maatregelen van andere geldverschaffers, met name de lidstaten van de Europese Unie.

  • 5 Beide partijen nemen passende maatregelen om algemene bekendheid te geven aan de communautaire aspecten van de in het kader van deze Overeenkomst tot stand komende ontwikkelingssamenwerking.

Artikel 69. Programmering

  • 1 De meerjarige indicatieve programmering op basis van specifieke doelstellingen gekozen in overeenstemming met de in artikel 66 aangegeven prioriteiten, waarbij voor een referentieperiode de voorwaarden worden vastgesteld met betrekking tot de opzet, de tenuitvoerlegging en de follow-up van de ontwikkelingssamenwerking en de in het kader daarvan gevoerde acties, heeft plaats in intensief overleg tussen de Gemeenschap en de regering van Zuid-Afrika en met de medewerking van de Europese Investeringsbank. De resultaten van de programmeringsgesprekken worden opgenomen in een door beide partijen ondertekend meerjarig indicatief programma.

  • 2 Aan het meerjarig indicatief programma worden een gedetailleerde omschrijving van procedures en bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van en het toezicht op de ontwikkelingssamenwerking gehecht.

Artikel 70. Selectie, voorbereiding en beoordeling van projecten

  • 1 De verantwoordelijkheid voor het selecteren en voorbereiden van ontwikkelingsprojecten berust bij de regering van Zuid-Afrika (nationale ordonnateur als bedoeld in artikel 80) of bij een andere in artikel 67 vermelde begunstigde instantie.

  • 2 De voor financiering door de Gemeenschap ingediende project- of programmadossiers dienen alle voor de beoordeling ervan nodige gegevens te bevatten. Genoemde dossiers worden officieel bij het hoofd van de delegatie ingediend door de nationale ordonnateur of de andere in aanmerking komende instanties.

  • 3 De ontwikkelingsprojecten worden door de nationale ordonnateur en/of de andere in aanmerking komende instanties en de Gemeenschap gezamenlijk beoordeeld.

Artikel 71. Financieringsvoorstel en besluit

  • 1 De conclusies van de beoordeling worden door het hoofd van de delegatie samengevat in een in nauwe samenwerking met de nationale ordonnateur en/of de kandidaat-partner opgesteld financieringsvoorstel.

  • 2 De Commissie geeft het financieringsvoorstel zijn definitieve vorm en doet het toekomen aan het met de besluitvorming belaste orgaan van de Gemeenschap.

Artikel 72. Financieringsovereenkomsten

  • 1 Met betrekking tot alle door de Gemeenschap goedgekeurde projecten of programma's wordt:

    • a. ofwel een financieringsovereenkomst opgesteld tussen de Commissie namens de Gemeenschap enerzijds en de nationale ordonnateur namens de regering van Zuid-Afrika of de begunstigde instantie anderzijds,

    • b. of een contract opgemaakt met internationale organisaties of rechtspersonen, natuurlijke personen of een andere in artikel 67 omschreven instantie verantwoordelijk voor de uitvoering van het project of programma.

  • 2 Alle financieringsovereenkomsten of contracten voorzien in controles ter plaatse door de Commissie en de Europese Rekenkamer.

AFDELING B. TENUITVOERLEGGING

Artikel 73. Ontvankelijkheid van inschrijvingen en leveringen

  • 1 De deelneming aan aanbestedingen en opdrachten staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen van de lidstaten van de Europese Unie, Zuid-Afrika en de ACS-Staten. Zij kan in naar behoren gemotiveerde gevallen en om de beste kosten/baten-verhouding tot stand te brengen, worden uitgebreid tot andere ontwikkelingslanden.

  • 2 Leveringen moeten van oorsprong zijn uit de lidstaten, Zuid-Afrika, of de ACS-Staten. In naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen kunnen zij van oorsprong zijn uit andere landen.

Artikel 74. Aanbestedende instantie

  • 1 Contracten voor werken, leveranties en diensten worden uitgewerkt, via onderhandelingen gespecificeerd en afgesloten door de begunstigde in overleg en in samenwerking met de Commissie.

  • 2 De begunstigde kan de Commissie verzoeken, zelf of via de door haar daartoe aangewezen instantie, namens hem dienstverleningscontracten uit te werken, via onderhandelingen definitieve vorm te geven en af te sluiten.

Artikel 75. Procedures voor aankopen

De procedures voor door de Gemeenschap gefinancierde aankopen of contracten worden in de aan de financieringsovereenkomsten gehechte algemene bepalingen vastgelegd.

Artikel 76. Algemene bepalingen en voorwaarden

Met betrekking tot de gunning en uitvoering van de door de Gemeenschap gefinancierde contracten inzake werken, leveranties en diensten zijn de bepalingen van deze Overeenkomst evenals de respectieve bij besluit van de samenwerkingsraad vastgestelde algemene voorschriften voor contracten inzake werken, leveranties en diensten, en algemene voorwaarden van toepassing.

Artikel 77. Beslechting van geschillen

Geschillen die bij de uitvoering van een door de Gemeenschap gefinancierd contract rijzen tussen Zuid-Afrika en een aannemer, leverancier of dienstverstrekker, worden beslecht via arbitrage overeenkomstig de door de samenwerkingsraad bij besluit vastgestelde procedurele voorschriften inzake bemiddeling en arbitrage met betrekking tot contracten.

Artikel 78. Fiscale aangelegenheden en douaneregelingen

  • 1 De Zuid-Afrikaanse regering verleent met betrekking tot alle door de Gemeenschap gefinancierde contracten volledige vrijstelling van belastingen en douanerechten en/of -heffingen dan wel lasten van gelijke werking.

  • 2 De bijzonderheden betreffende de in lid 1 bedoelde regeling worden vastgelegd in de vorm van een briefwisseling tussen de Zuid-Afrikaanse regering en de Commissie.

Artikel 79. Hoofdordonnateur

De Commissie wijst een hoofdordonnateur aan, die belast wordt met het beheer van de door de Gemeenschap voor ontwikkelingssamenwerking met Zuid-Afrika ter beschikking gestelde middelen.

Artikel 80. Nationale ordonnateur en betalingsgemachtigde

  • 1 De Zuid-Afrikaanse regering wijst een nationale ordonnateur aan, die haar vertegenwoordigt bij alle verrichtingen betreffende door de Commissie gefinancierde projecten waarvoor Zuid-Afrika en de Gemeenschap een financieringsovereenkomst hebben gesloten. Er wordt tevens een betalingsgemachtigde aangewezen.

  • 2 De plichten en taken van de hoofdordonnateur, van de nationale ordonnateur en van de betalingsgemachtigde worden vastgelegd in een uitwisseling van nota's tussen de Zuid-Afrikaanse regering en de Commissie overeenkomstig de bepalingen van de op preferentiële overeenkomsten toepasselijke financiële regelingen van de Commissie.

Artikel 81. Hoofd van de delegatie

  • 1 De Commissie wordt in Zuid-Afrika vertegenwoordigd door het hoofd van de delegatie, die tezamen met de nationale ordonnateur erop toeziet dat tenuitvoerlegging, controleverrichtingen en follow-up betreffende de financiële en technische samenwerking plaatshebben in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer en de bepalingen van deze Overeenkomst. Aan het hoofd van de delegatie worden met name bevoegdheden verleend voor het bevorderen van een vlot verloop van de voorbereiding, het onderzoek en de uitvoering van de projecten en programma's.

  • 2 De regering van Zuid-Afrika verleent het hoofd van de delegatie en de in Zuid-Afrika aangestelde ambtenaren van de Commissie privileges en immuniteiten overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961.

  • 3 Bij het omschrijven van de taken en plichten van de nationale ordonnateur en van het hoofd van de delegatie streven de partijen naar een zo groot mogelijke lokale betrokkenheid bij het beheer van de projecten en programma's, evenals naar compatibiliteit en samenhang met de in de andere ACS-Staten gebruikelijke handelwijzen.

Artikel 82. Controle en evaluatie

  • 1 Controle en evaluatie hebben tot doel de ontwikkelingsactiviteiten (voorbereiding, uitvoering en daaropvolgende activiteiten) op onafhankelijke wijze te evalueren, teneinde de doeltreffendheid van lopende en toekomstige ontwikkelingsactiviteiten te verbeteren. De daarop betrekking hebbende werkzaamheden worden door Zuid-Afrika en de Gemeenschap gezamenlijk verricht.

  • 2 De controle op en evaluatie van de samenwerking worden gezamenlijk door Zuid-Afrika en de Gemeenschap uitgevoerd. In het kader van jaarlijks overleg kan de voortgang worden beoordeeld, kunnen maatregelen ter aanpassing en verbetering van de tenuitvoerlegging van het meerjarig indicatief programma worden genomen en kunnen toekomstige projecten worden voorbereid.

TITEL VI. SAMENWERKING OP ANDERE GEBIEDEN

Artikel 83. Wetenschap en Technologie

De partijen verbinden zich ertoe de wetenschappelijke en technologische samenwerking te versterken. Gedetailleerde regelingen voor de tenuitvoerlegging van deze doelstelling zijn uiteengezet in een afzonderlijke overeenkomst die in november 1997 in werking is getreden.

Artikel 84. Milieu

  • 1 De partijen werken samen bij het streven naar duurzame ontwikkeling aan de hand van een rationeel gebruik van niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen en het duurzaam gebruik van hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen en bevorderen op deze wijze de milieubescherming, de preventie van milieubeschadiging en de bestrijding van milieuvervuiling. De partijen streven ernaar de kwaliteit van het milieu op een hoger peil te brengen en samen te werken bij de aanpak van mondiale milieuproblemen.

  • 2 De partijen besteden in het bijzonder aandacht aan de ontwikkeling van de capaciteit op het gebied van milieubeheer. Milieuprioriteiten worden in overleg bepaald. De gevolgen van het Zuid-Afrikaans milieubeleid in het verleden zullen worden onderzocht en daar waar mogelijk zal naar oplossingen worden gezocht.

  • 3 De samenwerking zal onder meer betrekking hebben op kwesties in verband met stadsontwikkeling en landbenutting al dan niet voor landbouwdoeleinden; woestijnvorming, afvalbeheer, met inbegrip van gevaarlijk afval en kernafval; beheer van gevaarlijke chemische stoffen; instandhouding en duurzaam gebruik van biologische diversiteit; duurzame bosbouw; waterkwaliteitscontrole; bestrijding van verontreiniging door onder meer de industrie; bestrijding van de verontreiniging van kust- en zeewater en het beheer van de rijkdommen van de zee; geïntegreerd beheer van stroomgebieden met inbegrip van het beheer van internationale rivierbekkens; beheer van de watervraag en vraagstukken rond de vermindering van broeikasgasemissies.

Artikel 85. Cultuur

  • 1 De partijen werken samen op cultuurgebied om een grondige kennis en een beter begrip van de culturele diversiteit binnen Zuid-Afrika en de Europese Unie te bevorderen. De partijen elimineren belemmeringen voor de interculturele communicatie en samenwerking en bevorderen het besef voor de onderlinge afhankelijkheid van volkeren met verschillende culturen. Zij moedigen de bevolking van Zuid-Afrika en de Europese Unie aan deel te nemen aan het proces van wederzijdse culturele verrijking.

  • 2 Culturele contacten worden gericht op instandhouding en verrijking van het cultureel erfgoed en het produceren en verspreiden van cultuurgoederen en -diensten. Nationale, regionale en interregionale communicatiemedia en infrastructuur worden in zo ruim mogelijke mate benut om culturele contacten te stimuleren, waarbij de naleving van auteursrechten en naburige rechten wordt bevorderd.

  • 3 De partijen werken samen aan culturele evenementen en uitwisselingen tussen instellingen en verenigingen uit Zuid-Afrika en de Europese Unie.

Artikel 86. Sociale vraagstukken

  • 1 De partijen gaan een dialoog aan over sociale samenwerking. Deze dialoog betreft onder meer vraagstukken met betrekking tot sociale problemen in verband met de samenleving na het apartheidtijdperk, armoedebestrijding, werkloosheid, gelijkheid van vrouwen en mannen, geweld tegen vrouwen, rechten van kinderen, arbeidsbetrekkingen, gezondheidszorg, veiligheid op het werk en bevolking.

  • 2 De partijen zijn van oordeel dat economische ontwikkeling gepaard moet gaan met sociale vooruitgang. Zij erkennen de noodzaak de sociale basisrechten te waarborgen die specifiek gericht zijn op de vrijheid van vereniging van werknemers, het recht op collectieve onderhandelingen, de afschaffing van dwangarbeid, de afschaffing van discriminatie op het gebied van de werkgelegenheid en beroepsbezigheid en de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid. De relevante normen van de IAO zijn het uitgangspunt voor de ontwikkeling van deze rechten.

Artikel 87. Voorlichting

De partijen nemen passende maatregelen om een doelmatige wederzijdse uitwisseling van informatie te bevorderen en aan te moedigen. Prioriteit zal onder meer worden verleend aan de verspreiding van informatie over samenwerking tussen Zuid-Afrika en de Gemeenschap. Voorts streven de partijen ernaar het grote publiek basisinformatie te verstrekken over Zuid-Afrika en de EU, en specifieke doelgroepen in Zuid-Afrika en de Europese Unie op hen toegespitste informatie te verschaffen over respectievelijk het EU-beleid en het beleid van Zuid-Afrika.

Artikel 88. Pers en audiovisuele media

De partijen bevorderen samenwerking op het gebied van pers en audiovisuele media om de verdere ontwikkeling van de media te steunen en een onafhankelijke opstelling van en pluralisme in de media aan te moedigen. Gestreefd wordt naar totstandbrenging van samenwerking door onder meer:

  • a. de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen te bevorderen, met name door middel van opleidings- en uitwisselingsprogramma's voor journalisten en mediadeskundigen;

  • b. de toegang tot informatiebronnen voor de media te verbreden;

  • c. de uitwisseling van technische knowhow en informatie;

  • d. de productie van audiovisuele programma's.

Artikel 89. Menselijke hulpbronnen

  • 1 De partijen werken samen om de menselijke hulpbronnen in Zuid-Afrika op alle door de Overeenkomst bestreken gebieden te ontwikkelen. De samenwerking zal er op gericht zijn de institutionele capaciteit van de overheid op de voornaamste gebieden van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen te versterken en bijzondere aandacht te besteden aan de minst bevoorrechte bevolkingsgroepen.

  • 2 Om de deskundigheid van hoger personeel in overheidsinstellingen en in de particuliere sector te verbeteren, intensiveren de partijen hun samenwerking op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding en de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan het creëren van permanente contacten tussen gespecialiseerde instanties in de Europese Unie en Zuid-Afrika om de bundeling en uitwisseling van ervaring en technische hulpbronnen aan te moedigen.

  • 3 De partijen bevorderen de uitwisseling van informatie ter stimulering van de samenwerking op het gebied van de erkenning van diploma's door de desbetreffende instanties.

  • 4 De partijen stimuleren de totstandkoming van banden en samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs, bijvoorbeeld universiteiten.

Artikel 90. Bestrijding van drugs en het witwassen van geld

Binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden verbinden de partijen zich ertoe samen te werken bij het bestrijden van drugs en het witwassen van geld door:

  • a. het Zuid-Afrikaanse beleidsplan voor de drugsbestrijding te steunen en de effectiviteit te versterken van Zuid-Afrikaanse en Zuidelijk-Afrikaanse regionale programma's voor de bestrijding van het illegaal gebruik van drugs en psychotrope stoffen en van de productie, levering en illegale handel in deze stoffen, uitgaande van de relevante internationale VN-verdragen inzake verdovende middelen;

  • b. te voorkomen dat de financiële systemen van de twee partijen worden gebruikt voor het witwassen van kapitaal dat is verkregen door criminele activiteiten in het algemeen en door drugshandel in het bijzonder op grond van de normen die door internationale instanties zijn vastgesteld, met name door de Financial Action Task Force (FATF), en door

  • c. de preventie van de verspreiding van precursoren en andere stoffen die worden gebruikt voor de illegale productie van drugs en psychotrope stoffen op grond van de normen die door de desbetreffende internationale autoriteiten zijn vastgesteld, met name door de Chemical Action Task Force (CATF).

Artikel 91. Gegevensbescherming

  • 1 De partijen werken samen aan de verbetering van de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de internationale normen.

  • 2 Samenwerking op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens kan technische bijstand omvatten in de vorm van uitwisselingen van gegevens en deskundigen en het opzetten van gezamenlijke programma's en projecten.

  • 3 De Samenwerkingsraad zal de vorderingen hierbij periodiek onderzoeken.

Artikel 92. Gezondheidszorg

  • 1 De partijen werken samen aan de verbetering van de geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg van de bevolking door de gezondheidszorg te bevorderen en zich te richten op de preventie van ziekten.

  • 2 Op het gebied van de nationale gezondheidszorg werken de partijen samen door kennis en ervaring uit te wisselen inzake programma's die onder meer informatie verspreiden, het onderwijs en de opleiding in de gezondheidszorg verbeteren, de ontwikkeling van ziekten volgen en informatiesystemen op het gebied van de gezondheidszorg ontwikkelen, de risico's verminderen van ziekten die gerelateerd zijn aan de leefwijze, HIV/aids en andere overdraagbare ziekten voorkomen en bestrijden.

  • 3 Samenwerking op het gebied van de veiligheid en gezondheid op het werk omvat onder meer de uitwisseling van informatie over wetgevende en niet-wetgevende maatregelen om ongevallen te voorkomen alsmede beroepsziekten en -risico's voor de gezondheid.

  • 4 Samenwerking op farmaceutisch gebied kan steun omvatten voor de evaluatie en registratie van geneesmiddelen.

TITEL VII. FINANCIËLE ASPECTEN VAN DE SAMENWERKING

Artikel 93. Doel

Om de doelstellingen van deze Overeenkomst te bereiken, ontvangt Zuid-Afrika financiële en technische bijstand van de Gemeenschap in de vorm van schenkingen en leningen ter ondersteuning van zijn sociaal-economische ontwikkelingsbehoeften.

Artikel 94. Schenkingen

De financiële bijstand in de vorm van schenkingen wordt gedekt door:

  • a. een in het kader van de Gemeenschapsbegroting in het leven geroepen speciale financiële faciliteit ter ondersteuning van de ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten genoemd in de artikelen 65 en 66;

  • b. financiële middelen uit andere posten van de begroting van de Gemeenschap voor onder het toepassingsgebied van deze begrotingslijnen vallende ontwikkelings- en internationale samenwerkingsactiviteiten. Voor de indiening en goedkeuring van aanvragen, de uitvoering en de controle en evaluatie geldt de procedure overeenkomstig de algemene voorwaarden voor de desbetreffende begrotingslijn.

Artikel 95. Leningen

Wat de financiële bijstand in de vorm van leningen betreft kan de Europese Investeringsbank, op verzoek van de Raad van de Europese Unie, uitbreiding overwegen van haar financiering van investeringsprojecten in Zuid-Afrika door middel van langlopende leningen, met inachtneming van de ter uitvoering van de desbetreffende bepalingen van het EG-Verdrag vast te stellen maximale bedragen en geldigheidsperioden.

Artikel 96. Regionale samenwerking

De in de voorgaande artikelen bedoelde financiële bijstand van de Gemeenschap kan worden benut voor de financiering van projecten of programma's van nationaal of lokaal belang in Zuid-Afrika en deelneming van Zuid-Afrika aan regionale samenwerkingsactiviteiten die het land tezamen met andere ontwikkelingslanden onderneemt.

TITEL VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 97. Institutionele structuur

  • 1 De partijen komen overeen een Samenwerkingsraad in te stellen, die de volgende taken zal vervullen:

    • a. toezien op de goede werking en tenuitvoerlegging van de Overeenkomst en de dialoog tussen de partijen;

    • b. onderzoeken van de ontwikkeling van de handel en samenwerking tussen de partijen;

    • c. onderzoek naar passende methoden ter voorkoming van problemen op onder de Overeenkomst vallende terreinen;

    • d. het uitwisselen van ideeën en het doen van voorstellen over alle kwesties van wederzijds belang betrekking hebbende op handel en samenwerking, inclusief over toekomstige activiteiten en de daarvoor beschikbare middelen.

  • 2 Via overleg tussen de partijen zal overeenstemming worden bereikt over de samenstelling, de frequentie, de agenda en de plaats van bijeenkomsten van de Samenwerkingsraad.

  • 3 De Samenwerkingsraad heeft de bevoegdheid om besluiten te nemen over alle onder deze Overeenkomst vallende zaken.

  • 4 De partijen komen overeen contacten tussen hun respectieve parlementen over de verschillende onder de Overeenkomst vallende samenwerkingsterreinen aan te moedigen en te vergemakkelijken.

  • 5 De partijen stimuleren tevens contacten tussen andere soortgelijke en relevante instellingen in Zuid-Afrika en de Europese Unie, zoals het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschap en de Nationale Economische Ontwikkelings- en Arbeidsraad (National Economic Development and Labour Council – NEDLAC) van Zuid-Afrika.

Artikel 98. Clausule inzake belastingen

  • 1 De meestbegunstigingsbehandeling die overeenkomstig het bepaalde in deze Overeenkomst of in in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen wordt toegekend, is niet van toepassing op belastingvoordelen die Zuid-Afrika en de lidstaten van de Europese Unie verlenen of in de toekomst kunnen verlenen op basis van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen, of de interne belastingwetgeving.

  • 2 Niets in deze Overeenkomst of in in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag worden geïnterpreteerd als een beletsel voor het treffen of doen nakomen van maatregelen ter voorkoming van belastingontduiking overeenkomstig de fiscale bepalingen van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingregelingen, of de interne belastingwetgeving.

  • 3 Niets in deze Overeenkomst of in in het kader van deze Overeenkomst getroffen regelingen mag worden geïnterpreteerd als een beletsel voor de lidstaten van de Europese Unie of Zuid-Afrika om bij de toepassing van de relevante bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die in een verschillende situatie verkeren, in het bijzonder ten aanzien van hun woonplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

Artikel 99. Looptijd

Deze Overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Elk van beide partijen kan deze Overeenkomst opzeggen door de andere partij hiervan schriftelijk kennis te geven. De Overeenkomst houdt op van toepassing te zijn zes maanden na de datum van die kennisgeving.

Artikel 100. Non-discriminatie

Op de onder deze Overeenkomst vallende terreinen en onverminderd daarin vervatte bijzondere bepalingen:

  • a. mogen de door Zuid-Afrika jegens de Gemeenschap toegepaste regelingen niet leiden tot discriminatie tussen de lidstaten, hun onderdanen of hun bedrijven,

  • b. mogen de door de Gemeenschap jegens Zuid-Afrika toegepaste regelingen niet leiden tot discriminatie tussen Zuid-Afrikaanse onderdanen of Zuid-Afrikaanse bedrijven.

Artikel 101. Territoriale toepassing

Deze Overeenkomst is van toepassing op het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, enerzijds, en, wat Zuid-Afrika betreft, op de grondgebieden zoals deze in de Zuid-Afrikaanse grondwet worden omschreven, anderzijds.

Artikel 102. Toekomstige ontwikkelingen

De partijen kunnen de Overeenkomst met wederzijdse instemming en binnen hun respectieve bevoegdheidsterreinen uitbreiden om het niveau van samenwerking te verhogen en hieraan elementen toevoegen door middel van overeenkomsten inzake specifieke sectoren of activiteiten.

Elk van beide partijen mag binnen het kader van deze Overeenkomst voorstellen doen voor uitbreiding van het toepassingsgebied van de samenwerking met inachtneming van de bij de toepassing van de Overeenkomst opgedane ervaring.

Artikel 103. Herziening

De partijen zullen deze Overeenkomst binnen vijf jaar na haar vankrachtwording opnieuw bezien in verband met de mogelijke implicaties van andere regelingen die op deze Overeenkomst van invloed kunnen zijn. Met wederzijdse instemming kan worden besloten tot verdere herzieningen.

Artikel 104. Beslechting van geschillen

  • 1 Elke partij kan ieder geschil betreffende de toepassing of interpretatie van deze Overeenkomst aan de Samenwerkingsraad voorleggen.

  • 2 De Samenwerkingsraad kan elk geschil via een besluit beslechten.

  • 3 Elke partij is gebonden de maatregelen verbonden aan de uitvoering van het in lid 2 genoemde besluit te treffen.

  • 4 Indien het niet mogelijk is het geschil overeenkomstig lid 2 te beslechten, kan een van beide partijen de andere partij in kennis stellen van het aanstellen van een arbiter; de andere partij moet dan binnen twee maanden na de aanstelling van de eerste arbiter een tweede arbiter aanstellen.

  • 5 De Samenwerkingsraad stelt binnen zes maanden na de aanstelling van de tweede arbiter een derde arbiter aan.

  • 6 De besluiten van de arbiters worden binnen twaalf maanden met meerderheid van stemmen genomen.

  • 7 Elke partij bij het geschil moet de vereiste maatregelen nemen om het besluit van de arbiters ten uitvoer te leggen.

  • 8 De Samenwerkingsraad stelt de arbitrageprocedure vast.

  • 9 Bij geschillen in het kader van de Titels II en III van deze Overeenkomst zijn de volgende procedures van toepassing:

    • a. De aanstelling van een tweede arbiter moet binnen dertig dagen geschieden.

    • b. De Samenwerkingsraad stelt binnen zestig dagen na de aanstelling van de tweede arbiter een derde arbiter aan.

    • c. De algemene regel is dat de arbiters hun bevindingen en besluiten uiterlijk zes maanden na de datum van de samenstelling van het arbitragepanel aan de partijen en de Samenwerkingsraad voorleggen. In urgente gevallen, onder meer in gevallen waarbij aan bederf onderhevige goederen betrokken zijn, streven de arbiters ernaar hun verslag binnen drie maanden aan de partijen voor te leggen.

    • d. De betrokken partij stelt de andere partij en de Samenwerkingsraad binnen zestig dagen op de hoogte van haar voornemens ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de bevindingen en besluiten van, al naargelang het geval, de Samenwerkingsraad of de arbiters.

    • e. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is onmiddellijk aan de bevindingen en besluiten van de Samenwerkingsraad of de arbiters te voldoen, wordt daartoe aan de betrokken partij een redelijke termijn verleend. Deze redelijke termijn mag niet langer zijn dan vijftien maanden vanaf het tijdstip van de voorlegging van de bevindingen en besluiten aan de partijen. Bedoelde termijn kan evenwel met wederzijdse instemming van de partijen, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden, worden verkort of verlengd.

  • 10 Onverminderd hun recht een beroep te doen op de geschillenbeslechtingsprocedures van de WTO streven de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika ernaar geschillen met betrekking tot specifieke verplichtingen voortvloeiende uit de Titels II en III van deze Overeenkomst te beslechten door een beroep te doen op de specifieke geschillenbeslechtingsbepalingen van deze Overeenkomst. In het kader van krachtens deze Overeenkomst vastgestelde arbitrageprocedures zullen geen kwesties betreffende de WTO-rechten en -plichten van elke partij aan de orde worden gesteld, tenzij de partijen overeenkomen dergelijke kwesties aan arbitrage te onderwerpen.

Artikel 105. Clausule betreffende bilaterale overeenkomsten

Behalve wanneer zij soortgelijke of grotere rechten voor de betrokken partijen in het leven roept, doet deze Overeenkomst geen afbreuk aan de rechten vervat in bestaande overeenkomsten die een of meerdere lidstaten enerzijds en Zuid-Afrika anderzijds binden.

Artikel 106. Amenderingsclausule

  • 1 Een partij die deze Overeenkomst wenst te amenderen, kan haar voorstel voor amendering tezamen met haar motivering ter overweging en goedkeuring voorleggen aan de Samenwerkingsraad.

  • 2 Indien de andere partij meent dat de voorgestelde amendering afbreuk doet aan haar rechten uit hoofde van de Overeenkomst, kan zij een voorstel voor compenserende aanpassingen van de Overeenkomst ter overweging en goedkeuring voorleggen aan de Samenwerkingsraad.

Artikel 107. Bijlagen

De protocollen en bijlagen vormen een integrerend deel van de Overeenkomst.

Artikel 108

Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal en in de officiële talen van Zuid-Afrika andere dan het Engels, namelijk het Sepedi, het Sesotho, het Setswana, het siSwati, het Tshivenda, het Xitsonga, het Afrikaans, het isiNdebele, het isiXhosa en het isiZulu, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Artikel 109. Inwerkingtreding

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de noodzakelijke procedures.

GEDAAN te Pretoria de elfde oktober negentienhonderd negenennegentig.

Protocol 1. betreffende de definitie van het begrip „product van oorsprong” en administratieve samenwerking

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

  • a. „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;

  • b. „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;

  • c. „product”: het vervaardigde product, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

  • d. „goederen”: zowel materialen als producten;

  • e. „douanewaarde”: de waarde zoals bepaald bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 1994 (Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);

  • f. „prijs af fabriek”: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voorzover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het vervaardigde product wordt uitgevoerd;

  • g. „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Gemeenschap of Zuid-Afrika is betaald;

  • h. „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen als omschreven onder g), welke omschrijving van dienovereenkomstige toepassing is;

  • i. „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek min de douanewaarde van de in het product opgenomen materialen die van oorsprong zijn uit de andere in artikel 3 bedoelde landen of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor het product in de Gemeenschap of Zuid-Afrika is betaald;

  • j. „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit Protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd;

  • k. „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;

  • l „zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;

  • m „gebieden”: omvat ook de territoriale wateren;

  • n „ACS-staten”: de Afrikaanse en Caraïbische landen en de landen in de Stille Zuidzee die partij zijn bij de Overeenkomst van Lomé;

  • o „SACU”: de douane-unie van Zuidelijk Afrika.

TITEL II. DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCT VAN OORSPRONG"

Artikel 2. Algemene voorwaarden

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de Gemeenschap:

    • a. geheel en al in de Gemeenschap verkregen producten in de zin van artikel 4 van dit Protocol;

    • b. in de Gemeenschap verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de Gemeenschap een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5 van dit Protocol.

  • 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit Zuid-Afrika:

    • a. geheel en al in Zuid-Afrika verkregen producten, in de zin van artikel 4 van dit Protocol;

    • b. in Zuid-Afrika verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Zuid-Afrika een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5 van dit Protocol.

Artikel 3. Cumulatie van de oorsprong

Bilaterale cumulatie

  • 1 Materialen van oorsprong uit de Gemeenschap worden beschouwd materialen van oorsprong uit Zuid-Afrika te zijn indien ze in een aldaar verkregen product zijn opgenomen. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 6 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.

  • 2 Materialen van oorsprong uit Zuid-Afrika worden beschouwd materialen van oorsprong uit de Gemeenschap te zijn wanneer ze in een aldaar verkregen product zijn opgenomen. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan, mits ze evenwel een be- of verwerking hebben ondergaan die meer omvat dan de in artikel 6 van dit Protocol genoemde be- of verwerkingen.

Cumulatie met ACS-landen

  • 3 Onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 5 en 6 worden materialen van oorsprong uit een ACS-land beschouwd van oorsprong uit de Gemeenschap of Zuid-Afrika te zijn indien zij in een aldaar verkregen product zijn opgenomen. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan.

  • 4 Binnen de SACU verrichte be- en verwerkingen worden geacht in Zuid-Afrika te zijn verricht indien de betrokken goederen daar verder worden be- of verwerkt.

  • 5 Producten die door toepassing van lid 3 de oorsprong hebben verkregen, worden uitsluitend als producten van oorsprong uit de Gemeenschap of Zuid-Afrika beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde hoger is dan de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de ACS-landen. Indien dit niet het geval is worden de betrokken producten beschouwd als van oorsprong uit het ACS-land dat goed is voor de hoogste waarde van de gebruikte materialen van oorsprong. Bij het toekennen van de oorsprong wordt geen rekening gehouden met materialen van oorsprong uit de ACS-landen die in de Gemeenschap of Zuid-Afrika een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan.

  • 6 De in lid 3 bedoelde cumulatieregel kan uitsluitend worden toegepast wanneer de gebruikte ACS-materialen het karakter van product van oorsprong hebben verkregen door toepassing van de in de Overeenkomst van Lomé opgenomen oorsprongsregels. De Gemeenschap en Zuid-Afrika delen elkaar, via de Europese Commissie, de gegevens mede over de overeenkomsten die zij met de ACS-landen hebben afgesloten en de daarin opgenomen oorsprongsregels.

  • 7 Zodra aan de voorwaarden in lid 6 is voldaan en overeenstemming is bereikt over de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen, neemt elke partij de nodige maatregelen om aan haar verplichtingen inzake kennisgeving en informatie te voldoen.

Artikel 4. Geheel en al verkregen producten

  • 1 Als geheel en al in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika verkregen worden beschouwd:

    • a. aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen producten;

    • b. aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

    • c. aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

    • d. producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren;

    • e. voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

    • f. producten van de zeevisserij en andere buiten de territoriale wateren van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika door hun schepen uit de zee gewonnen producten;

    • g. producten uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;

    • h. aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;

    • i. afval afkomstig van aldaar verrichte be- of verwerkingen;

    • j. producten, gewonnen van of vanonder de zeebodem buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;

    • k. goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.

  • 2 De termen „hun schepen" en „hun fabrieksschepen" in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

    • a. die in een lidstaat van de Gemeenschap of Zuid-Afrika zijn ingeschreven of geregistreerd;

    • b. die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika voeren;

    • c. die voor ten minste 50 procent toebehoren aan onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in een van deze staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van een lidstaat van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan deze staten of aan openbare lichamen of onderdanen daarvan;

    • d. waarvan de kapitein en de officieren onderdanen zijn van lidstaten van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika; en

    • e. waarvan de bemanning voor ten minste 75 procent uit onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika bestaat.

    Bij de inwerkingtreding van de tariefconcessies voor visserijproducten wordt lid 2, onder d) en e), vervangen door:

    • d. waarvan de bemanning, kapitein en officieren inbegrepen, voor ten minste 50 procent uit onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika bestaat.

Artikel 5. Toereikende bewerking of verwerking

  • 1 Niet geheel en al verkregen producten worden geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan in de zin van artikel 2, indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

    In deze lijst is voor alle onder deze Overeenkomst vallende producten aangegeven welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om het karakter van product van oorsprong te verkrijgen en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst voor dat product heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

  • 2 In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:

    • a. wanneer de totale waarde ervan niet hoger is dan 15 procent van de prijs af fabriek van het product en niet hoger dan 10 procent van de prijs af fabriek voor producten die onder de hoofdstukken 3 en 24 en de GS-posten 1604, 1605, 2207 en 2208 zijn ingedeeld;

    • b. wanneer de in de lijst vermelde maximumpercentages voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet worden overschreden.

    Dit lid is niet van toepassing op de producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.

  • 3 De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 6.

Artikel 6. Ontoereikende bewerking of verwerking

  • 1 Behoudens het bepaalde in lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 5 is voldaan:

    • a. behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitspreiden, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere producten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke behandelingen);

    • b. eenvoudige behandelingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen), wassen, verven en snijden;

    • c.

      • i. veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli;

      • ii. eenvoudig verpakken in flessen, zakken, etuis, dozen of blikken, bevestigen op kaartjes of plankjes, enz., en alle andere handelingen in verband met de opmaak;

    • d. het aanbrengen van merken, etiketten of soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op hun verpakkingen;

    • e. eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet voldoen aan de voorwaarden van dit Protocol om als producten van oorsprong uit de Gemeenschap of Zuid-Afrika te worden beschouwd;

    • f. eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig product;

    • g. twee of meer van de onder a tot en met f vermelde behandelingen tezamen;

    • h. het slachten van dieren.

  • 2 Alle be- of verwerkingen die een product in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika heeft ondergaan worden tezamen genomen om te bepalen of de be- of verwerkingen die het heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1.

Artikel 7. Determinerende eenheid

  • 1 De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol is het product dat volgens de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

    Hieruit volgt dat:

    • a. wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerde systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;

    • b. wanneer een zending uit een aantal eendere producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van dit Protocol afzonderlijk moet worden genomen.

  • 2 Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 8. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 9. Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 procent van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 10. Neutrale elementen

Om te bepalen of een product van oorsprong is, is het niet noodzakelijk de oorsprong na te gaan van de volgende zaken die bij de vervaardiging gebruikt kunnen zijn:

  • a. energie en brandstof;

  • b. fabrieksuitrusting;

  • c. machines en werktuigen;

  • d. goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

TITEL III. TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 11. Territorialiteitsbeginsel

  • 1 Behoudens het bepaalde in artikel 3, moet aan de in titel II genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprong zonder onderbreking in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika zijn voldaan.

  • 2 Producten van oorsprong die uit de Gemeenschap of Zuid-Afrika naar een ander land worden uitgevoerd en daarna weer worden ingevoerd, worden, behoudens het bepaalde in artikel 3, niet langer als producten van oorsprong beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

    • a. de wederingevoerde goederen dezelfde goederen zijn als de eerder uitgevoerde goederen; en

    • b. dat zij tijdens de periode dat ze waren uitgevoerd geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren.

Artikel 12. Rechtstreeks vervoer

  • 1 De bij deze Overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit Protocol voldoen en die rechtstreeks tussen de Gemeenschap en Zuid-Afrika, of via het grondgebied van de andere in artikel 3 bedoelde landen zijn vervoerd. Producten die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voorzover ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

    Het vervoer per pijpleiding van producten van oorsprong mag via een ander grondgebied dan dat van de Gemeenschap of van Zuid-Afrika geschieden.

  • 2 Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

    • a. een enkel vervoersdocument dat in het land van uitvoer is opgesteld ter dekking van het vervoer door het land van doorvoer, of

    • b. een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat, waarin:

      • i. de producten nauwkeurig zijn omschreven,

      • ii. de data zijn vermeld waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder opgave van de naam van de gebruikte schepen, of van de andere gebruikte vervoermiddelen; en

      • iii. waarin wordt verklaard op welke voorwaarden de producten in het land van doorvoer verbleven;

    • c. hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 13. Tentoonstellingen

  • 1 De Overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong die naar een tentoonstelling in een ander dan een van de in artikel 3 bedoeld landen zijn verzonden en die na de tentoonstelling in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika worden ingevoerd, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

    • a. een exporteur deze producten vanuit de Gemeenschap of Zuid-Afrika naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;

    • b. deze exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een geadresseerde in de Gemeenschap of Zuid-Afrika;

    • c. de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, zijn verzonden; en

    • d. de producten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

  • 2 Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel IV afgegeven of opgesteld en op de gebruikelijke wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen deze douaneautoriteiten aanvullende bewijsstukken opvragen ten aanzien van de aard van de producten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld.

  • 3 Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

TITEL IV. BEWIJS VAN DE OORSPRONG

Artikel 14. Algemene voorwaarden

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Zuid-Afrika worden ingevoerd en producten van oorsprong uit Zuid-Afrika die in de Gemeenschap worden ingevoerd, op vertoon van:

    • a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III is opgenomen; of

    • b. in de in artikel 19, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur, waarvan de tekst in bijlage IV is opgenomen, op een factuur, pakbon of een ander handelsdocument en waarin de producten duidelijk genoeg zijn omschreven om geïdentificeerd te kunnen worden (hierna „factuurverklaring" genoemd).

  • 2 In afwijking van lid 1 vallen producten van oorsprong in de zin van dit Protocol in de in artikel 24 bedoelde gevallen onder de toepassing van deze Overeenkomst zonder dat een van de hierboven genoemde documenten behoeft te worden overgelegd.

Artikel 15. Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

  • 1 Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 (hierna „EUR.1-certificaat" genoemd) wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

  • 2 Te dien einde vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het EUR.1-certificaat als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in bijlage III opgenomen. Deze formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin de Overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en het niet ingevulde gedeelte doorgekruist.

  • 3 De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, dient op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar dit certificaat wordt afgegeven, steeds bereid te zijn de nodige documenten te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

  • 4 Het EUR.1-certificaat wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van Zuid-Afrika indien de uit te voeren goederen kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, uit Zuid-Afrika of uit een van de andere in artikel 3 bedoelde landen en indien aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

  • 5 De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de producten inderdaad van oorsprong zijn en of aan alle andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boekhouding van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Deze douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

  • 6 De datum van afgifte van het EUR.1-certificaat wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

  • 7 Een EUR.1-certificaat wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

Artikel 16. Afgifte achteraf van een EUR.1-certificaat

  • 1 In afwijking van artikel 15, lid 7, kan een EUR.1-certificaat bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, indien

    • a. dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;

    • b. ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het EUR.1-certificaat wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.

  • 2 Met het oog op de toepassing van lid 1 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de producten waarop het EUR.1-certificaat betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

  • 3 De douaneautoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een EUR.1-certificaat overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

  • 4 Op achteraf afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 moet een van de volgende vermeldingen worden aangebracht:

    BG

    „ИЗДАДЕН ВПОСЛЕДСТВИЕ”

    ES

    „EXPEDIDO A POSTERIORI”

    CS

    „VYSTAVENO DODATEČNĚ”

    DA

    „UDSTEDT EFTERFØLGENDE”

    DE

    „NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT”

    ET

    „TAGANTJÄRELE VÄLJA ANTUD”

    EL

    „ΕΚΔΟΘΕΝ ΕΚ ΤΩΝ ΥΣΤΕΡΩΝ”

    EN

    „ISSUED RETROSPECTIVELY”

    FR

    „DÉLIVRÉ A POSTERIORI”

    HR

    „IZDANO NAKNADNO”

    IT

    „RILASCIATO A POSTERIORI”

    LV

    „IZSNIEGTS RETROSPEKTĪVI”

    LT

    „RETROSPEKTYVUSIS IŠDAVIMAS”

    HU

    „KIADVA VISSZAMENŐLEGES HATÁLLYAL”

    MT

    „MAĦRUĠ RETROSPETTIVAMENT”

    NL

    „AFGEGEVEN A POSTERIORI”

    PL

    „WYSTAWIONE RETROSPEKTYWNIE”

    PT

    „EMITIDO A POSTERIORI”

    RO

    „EMIS A POSTERIORI”

    SL

    „IZDANO NAKNADNO”

    SK

    „VYDANÉ DODATOČNE”

    FI

    „ANNETTU JÄLKIKÄTEEN”

    SV

    „UTFÄRDAT I EFTERHAND”.

  • 5 De in lid 4 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het EUR.1-certificaat.

Artikel 17. Afgifte van een duplicaat van een EUR.1-certificaat

  • 1 In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een EUR.1-certificaat, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

  • 2 Op het aldus afgegeven duplicaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:

    BG

    „ДУБЛИКАТ”

    ES

    „DUPLICADO”

    CS

    „DUPLIKÁT”

    DA

    „DUPLIKAT”

    DE

    „DUPLIKAT”

    ET

    „DUPLIKAAT”

    EL

    „ΑΝΤΙΓΡΑΦΟ”

    EN

    „DUPLICATE”

    FR

    „DUPLICATA”

    HR

    „DUPLIKAT”

    IT

    „DUPLICATO”

    LV

    „DUBLIKĀTS”

    LT

    „DUBLIKATAS”

    HU

    „MÁSODLAT”

    MT

    „DUPLIKAT”

    NL

    „DUPLICAAT”

    PL

    „DUPLIKAT”

    PT

    „SEGUNDA VIA”

    RO

    „DUPLICAT”

    SL

    „DVOJNIK”

    SK

    „DUPLIKÁT”

    FI

    „KAKSOISKAPPALE”

    SV

    „DUPLIKAT”.

  • 3 De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het duplicaat van het EUR.1-certificaat.

  • 4 Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke EUR.1-certificaat geldt vanaf die datum.

Artikel 18. Afgifte van een EUR.1-certificaat aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in de Gemeenschap of Zuid-Afrika onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong door een of meer EUR.1-certificaten worden vervangen bij verzending van deze producten of een gedeelte daarvan naar een andere plaats in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika. Dit certificaat of deze certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat op de producten toezicht houdt.

Artikel 19. Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring

  • 1 De in artikel 14, lid 1, onder b), genoemde factuurverklaring kan worden opgesteld door:

    • a. een toegelaten exporteur in de zin van artikel 20;

    • b. elke andere exporteur, voor zendingen bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan 6000 euro bedraagt.

  • 2 Een factuurverklaring kan worden opgesteld indien de producten als van oorsprong uit de Gemeenschap, Zuid-Afrika of een van de andere in lid 3 bedoelde landen kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen.

  • 3 De exporteur die de factuurverklaring opstelt moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds bereid zijn de nodige documenten te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

  • 4 Deze factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage IV is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in die bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de factuurverklaring met de hand wordt opgesteld, geschiedt dit met inkt en in blokletters.

  • 5 De factuurverklaring wordt door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 20 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.

  • 6 Een factuurverklaring kan door de exporteur worden opgesteld bij de uitvoer van de producten waarop zij betrekking heeft of later, maar moet uiterlijk twee jaar na de invoer van de producten waarop ze betrekking heeft in het land van invoer worden aangeboden.

Artikel 20. Toegelaten exporteur

  • 1 De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur die veelvuldig producten verzendt waarop de Overeenkomst van toepassing is, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten. Om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen, moet de exporteur naar het oordeel van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen bieden met betrekking tot de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van alle andere voorwaarden van dit Protocol.

  • 2 De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van door hen noodzakelijk geachte voorwaarden.

  • 3 De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een nummer toe, dat in de factuurverklaringen wordt vermeld.

  • 4 De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

  • 5 De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet langer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning niet op de juiste wijze gebruikt.

Artikel 21. Geldigheid van het bewijs van de oorsprong

  • 1 Een bewijs van oorsprong is vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

  • 2 Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

  • 3 In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 22. Overlegging van het bewijs van de oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze Overeenkomst voldoen.

Artikel 23. Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 24. Vrijstelling van bewijs van de oorsprong

  • 1 Producten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat het nodig is een formeel bewijs van oorsprong over te leggen, voorzover aan zulke producten ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Protocol voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier C2/CP3 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

  • 2 Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van zijn gezin, voorzover noch de aard noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijzen.

  • 3 Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 euro voor kleine zendingen of 1200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 25. Leveranciersverklaring

  • 1 Bij het opstellen van een bewijs van de oorsprong in Zuid-Afrika voor producten van oorsprong, bij de vervaardiging waarvan goederen uit de SACU zijn gebruikt en die daar be- of verwerkingen hebben ondergaan zonder het karakter van preferentiële oorsprong te hebben verkregen, wordt rekening gehouden met de leveranciersverklaringen die in overeenstemming met dit artikel voor deze goederen zijn afgegeven.

  • 2 De in lid 1 bedoelde leveranciersverklaring dient als bewijs van de be- of verwerkingen van de betrokken goederen in de SACU wanneer moet worden vastgesteld of de producten, bij de vervaardiging waarvan deze goederen zijn gebruikt, als van oorsprong uit Zuid-Afrika kunnen worden beschouwd en aan de andere eisen van dit Protocol voldoen.

  • 3 De leverancier stelt voor elke zending goederen, op een blad papier, een verklaring op, in de in Bijlage V weergegeven vorm, die aan de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument wordt gehecht en waarin de goederen voldoende nauwkeurig zijn omschreven om geïdentificeerd te kunnen worden. De verklaring wordt opgesteld volgens het nationale recht van het land waar zij wordt opgesteld en wordt door de leverancier eigenhandig ondertekend.

  • 4 Zuid-Afrika verzoekt de bevoegde autoriteiten in de SACU de leveranciersverklaringen door middel van steekproeven te2controleren en wanneer zij redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid of juistheid van de verstrekte gegevens.

  • 5 Zuid-Afrika treft de nodige administratieve regelingen met de bevoegde autoriteiten in de SACU om te waarborgen dat het bepaalde in artikel 4 volledig wordt nageleefd.

Artikel 26. Bewijsstukken

De in artikel 15, lid 3, en artikel 19, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een EUR.1-certificaat of een factuurverklaring worden gedekt producten van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, uit Zuid-Afrika of uit een van de andere in lid 3 bedoelde landen en aan de andere voorwaarden van dit Protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a. een rechtstreeks bewijs van de be- of verwerkingen die de exporteur of leverancier heeft verricht om de betrokken producten te verkrijgen, bij voorbeeld aan de hand van diens boekhouding of interne administratie;

  • b. documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt en die in de Gemeenschap, in Zuid-Afrika of in een van de andere in artikel 3 bedoelde landen zijn afgegeven of opgesteld en daar volgens het nationale recht worden gebruikt;

  • c. documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika blijkt en die in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika zijn afgegeven of opgesteld en daar volgens het nationale recht worden gebruikt;

  • d. EUR.1-certificaten of factuurverklaringen waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt en die overeenkomstig dit Protocol in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika zijn afgegeven of opgesteld, of die overeenkomstig artikel 3 in een van de andere in dat artikel bedoelde landen zijn afgegeven of opgesteld;

  • e. leveranciersverklaringen waaruit de be- of verwerkingen blijken die de gebruikte materialen in de SACU hebben ondergaan overeenkomstig artikel 3.

Artikel 27. Bewaring van oorsprongsbewijzen, leveranciersverklaringen en andere bewijsstukken

  • 1 De exporteur die om de afgifte van een EUR.1-certificaat verzoekt, bewaart de in artikel 15, lid 3, bedoelde bewijsstukken gedurende ten minste drie jaar.

  • 2 De exporteur die een factuurverklaring heeft opgesteld, bewaart een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 19, lid 3, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar.

  • 3 De leverancier die een leveranciersverklaring opstelt bewaart kopieën van zijn verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan zijn verklaring was gehecht en alle andere documenten waaruit blijkt dat de verstrekte gegevens juist zijn gedurende ten minste drie jaar.

  • 4 De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een EUR.1-certificaat afgeven bewaren het in artikel 15, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende ten minste drie jaar.

  • 5 De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de EUR.1-certificaten en factuurverklaringen die bij hen werden ingediend gedurende ten minste drie jaar.

Artikel 28. Verschillen en vormfouten

  • 1 Worden geringe verschillen vastgesteld tussen de gegevens in het bewijs van oorsprong en de gegevens in de documenten die in verband met de formaliteiten bij invoer bij het douanekantoor worden ingediend, dan is het bewijs van oorsprong daardoor niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het wel degelijk met de aangebrachte producten overeenstemt.

  • 2 Kennelijke vormfouten zoals typefouten op het bewijs van oorsprong maken dit document niet ongeldig, indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de in daarin vermelde gegevens.

Artikel 29. In euro uitgedrukte bedragen

  • 1 Het land van uitvoer stelt de tegenwaarde vast in zijn nationale valuta van de in euro uitgedrukte bedragen en deelt deze via de Europese Commissie aan de landen van invoer mede.

  • 2 Indien deze bedragen hoger zijn dan de overeenkomstige door het land van invoer vastgestelde bedragen, worden ze door laatstgenoemd land aanvaard indien de producten gefactureerd zijn in de valuta van het land van uitvoer. Indien de producten gefactureerd zijn in de valuta van een andere lidstaat van de Gemeenschap, aanvaardt het land van invoer het door het betrokken land medegedeelde bedrag.

  • 3 De tegenwaarde van de euro in een nationale valuta is gelijk aan de tegenwaarde van de euro in die nationale valuta op de eerste werkdag van oktober 1999.

  • 4 De in euro uitgedrukte bedragen en de tegenwaarde daarvan in de nationale valuta van de lidstaten van de Gemeenschap en Zuid-Afrika worden op verzoek van de Gemeenschap of Zuid-Afrika door de Samenwerkingsraad herzien. Bij deze herziening ziet de Samenwerkingsraad erop toe dat geen enkel in nationale valuta uitgedrukt bedrag lager wordt. Voorts onderzoekt het Gemengd Comité of het wenselijk is de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan in dit verband besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.

TITEL V. ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 30. Wederzijdse bijstand

  • 1 De douaneautoriteiten van de lidstaten van de Gemeenschap en van Zuid-Afrika doen elkaar, via de Europese Commissie, afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van EUR.1-certificaten, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen.

  • 2 Met het oog op de correcte toepassing van dit Protocol verlenen de Gemeenschap en Zuid-Afrika elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten en de factuurverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 31. Controle van oorsprongsbewijzen

  • 1 Bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd, alsmede wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit Protocol.

  • 2 Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat, de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

  • 3 De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Deze zijn in dit verband gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.

  • 4 Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doen zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

  • 5 De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Zuid-Afrika beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit Protocol is voldaan.

  • 6 Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen, of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

Artikel 32. Regeling van geschillen

  • 1 Geschillen ten aanzien van de in artikel 31 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden tussen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit Protocol, worden aan de Samenwerkingsraad voorgelegd.

  • 2 In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 33. Sancties

Tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel producten onder de preferentiële regeling te doen vallen, worden sancties getroffen.

Artikel 34. Vrije zones

  • 1 De Gemeenschap en Zuid-Afrika nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van de oorsprong worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

  • 2 Wanneer producten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Zuid-Afrika die onder dekking van een bewijs van de oorsprong in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, geven de autoriteiten, in afwijking van lid 1, op verzoek van de exporteur, een nieuw EUR.1-certificaat af mits deze be- of verwerking met de bepalingen van dit Protocol overeenstemt.

TITEL VI. CEUTA EN MELILLA

Artikel 35. Toepassing van het Protocol

  • 1 De in artikel 2 gebruikte term „Gemeenschap" heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla.

  • 2 Producten van oorsprong uit Zuid-Afrika die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd vallen in elk opzicht onder dezelfde douaneregeling als de regeling die op grond van Protocol 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Gemeenschappen van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Gemeenschap. Zuid-Afrika past op onder de Overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla dezelfde regeling toe als op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die uit de Gemeenschap worden ingevoerd.

  • 3 Bij toepassing van lid 2 op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, is dit Protocol van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de bijzondere voorwaarden van artikel 36.

Artikel 36. Bijzondere voorwaarden

  • 1 Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, worden beschouwd als:

    • 1) producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:

      • a. geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen producten;

      • b. in Ceuta en Melilla verkregen producten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a bedoelde producten zijn gebruikt, voorzover:

        • i. deze producten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 5 van dit Protocol, of voorzover

        • ii. deze producten van oorsprong zijn uit Zuid-Afrika of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol en zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde ontoereikende be- of verwerkingen;

    • 2) producten van oorsprong uit Zuid-Afrika:

      • a. geheel en al in Zuid-Afrika verkregen producten;

      • b. in Zuid-Afrika verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, voorzover:

        • i. deze producten een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5 van dit Protocol, of voorzover

        • ii. deze producten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de Gemeenschap in de zin van dit Protocol en zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer omvatten dan de in artikel 6, lid 1, omschreven ontoereikende be- of verwerkingen.

  • 2 Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.

  • 3 De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „Zuid-Afrika" en „Ceuta en Melilla" in vak 2 van het EUR.1-certificaat of op de factuurverklaring. Voor producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt dit bovendien vermeld in vak 4 van het EUR.1-certificaat of op de factuurverklaring.

  • 4 De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit Protocol in Ceuta en Melilla.

TITEL VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 37. Wijziging van het Protocol

Het Gemengd Comité kan besluiten de bepalingen van dit Protocol te wijzigen.

Artikel 38. Tenuitvoerlegging van het Protocol

De Gemeenschap en Zuid-Afrika nemen, ieder voor zich, de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol.

Artikel 39. Goederen in doorvoer of in opslag

De Overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit Protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst onderweg zijn of die in de Gemeenschap of in Zuid-Afrika tijdelijk zijn opgeslagen of zich daar in een douane-entrepot of vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na die datum een EUR.1-certificaat bij de douaneautoriteiten van de Staat van invoer wordt ingediend dat achteraf door de bevoegde instanties van de Staat van uitvoer is opgesteld, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd.

Gemeenschappelijke Verklaring over bijlage II bij het Protocol inzake de oorsprongsregels

Beide partijen stemmen in met de in bijlage II vervatte eisen inzake de be- of verwerkingen van goederen, onder voorbehoud van een beperkt aantal, door Zuid-Afrika aangevraagde wijzigingen die door partijen behandeld zullen worden voordat de Overeenkomst in werking treedt.

Gemeenschappelijke Verklaring over het Protocol inzake de oorsprongsregels

Voor de toepassing van artikel 37 van dit Protocol is de Commissie bereid na de ondertekening van de Overeenkomst alle verzoeken van Zuid-Afrika om van de oorsprongsregels te mogen afwijken, te onderzoeken.

Gemeenschappelijke Verklaring over de Republiek San Marino

  • 1 Producten van oorsprong uit de Republiek San Marino worden door Zuid-Afrika aanvaard als producten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van deze Overeenkomst.

  • 2 Protocol 4 is van overeenkomstige toepassing voor het bepalen van de oorsprong van bovengenoemde producten.

Gemeenschappelijke Verklaring over het Prinsdom Andorra

  • 1 Producten van oorsprong uit het Prinsdom Andorra die onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld, worden door Zuid-Afrika aanvaard als producten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van deze Overeenkomst.

  • 2 Protocol 4 is van overeenkomstige toepassing voor de bepaling van de oorsprong van bovengenoemde producten.

Verklaring van de Commissie over cumulatie met Zuid-Afrika op grond van de Overeenkomst van Lomé

Op grond van de cumulatiebepalingen in het Protocol betreffende de omschrijving van het begrip „producten van oorsprong" en methoden van administratieve samenwerking van de Handels-, Ontwikkelings- en Samenwerkingovereenkomst tussen Zuid-Afrika en de Europese Unie, zal de Europese Commissie passende bepalingen aan de lidstaten van de Europese Unie en de ACS-Staten voorstellen op grond van artikel 34 van Protocol nr. 1 bij de Overeenkomst van Lomé betreffende de cumulatie met Zuid-Afrikaanse materialen en goederen.

Protocol 2. betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving": de door de Gemeenschap of Zuid-Afrika aangenomen wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder een andere douaneregeling of -procedure, met inbegrip van verbodsmaatregelen, beperkende maatregelen en controlemaatregelen;

  • b. „verzoekende autoriteit": een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen is en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;

  • c. „aangezochte autoriteit": een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een Overeenkomstsluitende Partij aangewezen is en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;

  • d. „persoonsgegevens": alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

  • e. „met de douanewetgeving strijdige handeling": elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.

Artikel 2. Draagwijdte

  • 1 De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen, op de wijze en onder de voorwaarden vastgesteld in dit protocol, teneinde de correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, inzonderheid met het oog op het voorkomen, opsporen en bestrijden van met de douanewetgeving strijdige handelingen.

  • 2 De bijstand in douanezaken waarin dit protocol voorziet, geldt voor elke administratieve autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partijen die bevoegd is voor de toepassing van dit protocol. De bijstand in douanezaken doet geen afbreuk aan de regels betreffende de wederzijdse bijstand in strafzaken. Hij geldt ook niet voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke autoriteit worden uitgeoefend, tenzij deze autoriteit instemt met de mededeling van dergelijke informatie.

  • 3 De bijstand inzake het innen van heffingen, belastingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3. Bijstand op verzoek

  • 1 Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verschaft de aangezochte autoriteit haar alle ter zake dienende informatie die zij nodig kan hebben om te waarborgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende geconstateerde of voorgenomen daden die met de douanewetgeving strijdige handelingen vormen of zouden kunnen vormen.

  • 2 Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mee of:

    • a. goederen die uit het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze op het grondgebied van de andere Partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst;

    • b. goederen die op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het grondgebied van de andere Partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de op deze goederen toegepaste douaneregeling.

  • 3 Op aanvraag van de verzoekende autoriteit treft de aangezochte autoriteit in het kader van haar wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat toezicht wordt uitgeoefend op:

    • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;

    • b. plaatsen waar voorraden goederen op zodanige wijze zijn gevormd of kunnen worden gevormd dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

    • c. goederen die op zodanige wijze worden vervoerd of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

    • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden gebruikt of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 4. Bijstand op eigen initiatief

De Overeenkomstsluitende Partijen staan elkaar op eigen initiatief, overeenkomstig hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, bij indien zij zulks noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder door het verschaffen van informatie die zij verkrijgen omtrent:

  • daden die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of hen hiermee strijdig lijken, en die van belang kunnen zijn voor de andere Overeenkomstsluitende Partij;

  • nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij betrokken zijn of zijn geweest bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor het verrichten van met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn gebruikt, worden gebruikt of kunnen worden gebruikt.

Artikel 5. Afgifte van documenten/Kennisgeving van besluiten

Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig de voor haar geldende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, alle nodige maatregelen voor:

  • de afgifte van alle documenten of

  • de kennisgeving van alle besluiten

die van de verzoekende autoriteit uitgaan en waarop het bepaalde in dit protocol van toepassing is, aan een geadresseerde die op het grondgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is.

De verzoeken om afgifte van documenten en om kennisgeving van besluiten moeten schriftelijk worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

  • 1 Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan dienstig worden geacht. In spoedeisende gevallen kunnen mondelinge verzoeken worden aanvaard, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

  • 2 De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de hierna volgende gegevens:

    • a. de naam van de verzoekende autoriteit;

    • b. de gevraagde maatregel;

    • c. het voorwerp en de reden van het verzoek;

    • d. de relevante wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en andere rechtsvoorschriften;

    • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft;

    • f. een overzicht van de relevante feiten en het reeds verrichte onderzoek.

  • 3 De verzoeken worden gesteld in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Dit vereiste is niet van toepassing op documenten die het in lid 1 bedoelde verzoek vergezellen.

  • 4 Indien een verzoek niet in de hierboven omschreven juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht; inmiddels kunnen reeds conservatoire maatregelen worden genomen.

Artikel 7. Behandeling van verzoeken

  • 1 De aangezochte autoriteit beantwoordt het verzoek om bijstand, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en van haar middelen, als handelde zij voor eigen rekening of op verzoek van een andere autoriteit van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij, door de informatie die haar reeds ter beschikking staat mee te delen en door het nodige onderzoek te verrichten of te doen verrichten. Deze bepaling is ook van toepassing op elke andere autoriteit tot welke de aangezochte autoriteit krachtens dit protocol het verzoek richt indien zij niet zelfstandig kan handelen.

  • 2 Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij.

  • 3 Naar behoren gemachtigde ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen, met instemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij en onder de voorwaarden die laatstgenoemde stelt, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere overeenkomstig lid 1 betrokken autoriteit aanwezig zijn en informatie verkrijgen die de verzoekende autoriteit ter uitvoering van het bepaalde in dit protocol nodig heeft met betrekking tot daden die met de douanewetgeving strijdige handelingen vormen dan wel kunnen vormen.

  • 4 Naar behoren gemachtigde ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen, met instemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij en onder de voorwaarden die laatstgenoemde stelt, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt

  • 1 De aangezochte autoriteit deelt de resultaten van het onderzoek schriftelijk mee aan de verzoekende autoriteit, samen met documenten, gewaarmerkte afschriften of andere ter zake dienende voorwerpen.

  • 2 Deze informatie kan worden meegedeeld met gebruikmaking van systemen voor automatische gegevensverwerking.

  • 3 De originelen van documenten worden slechts op verzoek toegezonden wanneer gewaarmerkte afschriften ontoereikend blijken. Deze originelen worden zo spoedig mogelijk geretourneerd.

Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

  • 1 De bijstand kan worden geweigerd of van het voldoen aan bepaalde voorwaarden of vereisten afhankelijk worden gesteld wanneer een Overeenkomstsluitende Partij van mening is dat het verlenen van bijstand in het kader van deze overeenkomst:

    • a. afbreuk kan doen aan de soevereiniteit van Zuid-Afrika of van een lidstaat die op grond van dit protocol om bijstand is verzocht; of

    • b. de openbare orde, de staatsveiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar kan brengen, met name in de gevallen bedoeld in artikel 10, lid 2; of

    • c. de schending inhoudt van een industrieel, een handels- of een beroepsgeheim.

  • 2 De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen op grond van het feit dat deze een onderzoek, een gerechtelijke vervolging of een lopende procedure zou storen. In dat geval raadpleegt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend onder voorbehoud van regelingen of voorwaarden die de aangezochte autoriteit kan eisen.

  • 3 Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. Het is dan aan de aangezochte autoriteit om te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek zal reageren.

  • 4 In de in lid 1 en 2 bedoelde gevallen dienen het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen die het besluit ervoor verklaren, onverwijld aan de verzoekende autoriteit te worden meegedeeld.

Artikel 10. Uitwisseling van informatie en vertrouwelijkheid

  • 1 Alle informatie die in welke vorm dan ook op grond van dit protocol wordt verstrekt, is vertrouwelijk of bestemd voor beperkte verspreiding, overeenkomstig de regels die bij elk van de Overeenkomstsluitende Partijen gelden. Zij valt onder de geheimhoudingsplicht en geniet de bescherming waarin wordt voorzien door de wetgeving terzake van de Overeenkomstsluitende Partij die de informatie heeft ontvangen, alsmede door de overeenkomstige bepalingen die op de communautaire instanties van toepassing zijn.

  • 2 Persoonsgegevens kunnen slechts worden uitgewisseld indien de Overeenkomstsluitende Partij die ze zou ontvangen, zich ertoe verbindt aan die gegevens een ten minste gelijkwaardige bescherming te verlenen als die welke toepasselijk is in de Overeenkomstsluitende Partij die ze zou verstrekken. Met het oog daarop verstrekken de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar informatie over de door hen toegepaste normen, zo nodig met inbegrip van de rechtsnormen van de lidstaten van de Gemeenschap.

  • 3 Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie bij gerechtelijke of administratieve procedures die worden ingesteld ingevolge de vaststelling van handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving, wordt geacht plaats te vinden ter uitvoering van dit protocol. De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen dan ook de overeenkomstig het bepaalde in dit protocol verkregen informatie en geraadpleegde bescheiden als bewijsmateriaal gebruiken in hun processen-verbaal, rapporten en getuigenverklaringen alsmede in gerechtelijke procedures en tenlasteleggingen. De bevoegde autoriteit die deze informatie heeft verstrekt of toegang tot de documenten heeft verschaft, wordt van dit gebruik in kennis gesteld.

  • 4 De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de in dit protocol omschreven doeleinden gebruikt. Wanneer een Overeenkomstsluitende Partij dergelijke gegevens voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij de voorafgaande schriftelijke instemming te krijgen van de autoriteit die de informatie heeft verstrekt. Het gebruik van die informatie is dan onderworpen aan de door deze autoriteit opgelegde beperkingen.

Artikel 11. Deskundigen en getuigen

Een ambtenaar van een aangezochte autoriteit kan worden gemachtigd, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is, en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of gewaarmerkte afschriften van bescheiden voor te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke gerechtelijke of administratieve instantie de betrokken ambtenaar moet verschijnen en over welk onderwerp en in welke functie of hoedanigheid de ambtenaar zal worden gehoord.

Artikel 12. Kosten van de bijstand

De Overeenkomstsluitende Partijen eisen van elkaar geen terugbetaling voor uitgaven die bij de toepassing van het bepaalde in dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van uitgaven voor deskundigen en getuigen, en uitgaven voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13. Uitvoering

  • 1 De uitvoering van dit protocol wordt toevertrouwd aan enerzijds de douaneautoriteiten van Zuid-Afrika, en anderzijds aan de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, zo nodig, aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Deze instanties stellen alle praktische maatregelen en regelingen vast voor de toepassing van dit protocol, met inachtneming van de vigerende voorschriften op met name het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen aan de bevoegde instanties wijzigingen voorstellen die volgens hen in dit protocol moeten worden aangebracht.

  • 2 De Overeenkomstsluitende Partijen plegen onderling overleg en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die overeenkomstig dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14. Andere overeenkomsten

  • 1 Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol dat zij:

    • geen gevolgen hebben voor de verplichtingen van de Overeenkomstsluitende Partijen op grond van andere internationale overeenkomsten of verdragen;

    • worden geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die zijn of kunnen worden gesloten tussen afzonderlijke lidstaten Zuid-Afrika;

    • geen gevolgen hebben voor de communautaire bepalingen betreffende de uitwisseling, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van eventueel voor de Gemeenschap van belang zijnde gegevens die verkregen zijn op de onder dit protocol vallende gebieden.

  • 2 Niettegenstaande de bepalingen van lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen van bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die zijn of kunnen worden gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en Zuid-Afrika voorzover de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten onverenigbaar zijn met die van dit protocol.

  • 3 Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de Overeenkomstsluitende Partijen overleg met elkaar om deze op te lossen in het kader van het krachtens artikel 97 van de overeenkomst opgerichte Samenwerkingsraad.

Slotakte

Slotakte

De gevolmachtigden van

het Koninkrijk België,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

Ierland,

de Italiaanse Republiek,

het Groothertogdom Luxemburg,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Portugese Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

hierna „lidstaten” te noemen, en

de Europese Gemeenschap, hierna „Gemeenschap” te noemen, enerzijds,

en de gevolmachtigde van

de Republiek Zuid-Afrika, hierna „Zuid-Afrika” te noemen, anderzijds,

bijeengekomen te Pretoria op de elfde oktober negentienhonderdnegenennegentig voor de ondertekening van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, hebben de volgende teksten aangenomen:

de Overeenkomst, alsmede de daarbij behorende bijlagen en de volgende protocollen:

Protocol 1 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking,

Protocol 2 betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken.

De gevolmachtigden van de Gemeenschap en haar lidstaten en de gevolmachtigde van Zuid-Afrika hebben de teksten van de volgende gemeenschappelijke verklaringen aangenomen die aan deze slotakte zijn gehecht:

Gemeenschappelijke verklaring betreffende niet-uitvoering

Gemeenschappelijke verklaring betreffende uitvoerrestituties

Gemeenschappelijke verklaring betreffende versnelde afschaffing van de douanerechten door Zuid-Afrika

Gemeenschappelijke verklaring betreffende landbouwquota

Gemeenschappelijke verklaring betreffende overheidssteun

Gemeenschappelijke verklaring betreffende visserij

Gemeenschappelijke verklaring betreffende bilaterale overeenkomsten

Gemeenschappelijke verklaring betreffende illegale immigratie

De gevolmachtigde van Zuid-Afrika heeft kennis genomen van de volgende verklaringen die aan deze slotakte zijn gehecht:

Verklaring van de Gemeenschap betreffende het essentiële onderdeel

Verklaring van de Gemeenschap betreffende de financiële aspecten van de samenwerking

Verklaring van de Europese Investeringsbank betreffende de financiële aspecten van de samenwerking

De gevolmachtigden van de Gemeenschap en haar lidstaten hebben kennis genomen van de volgende verklaringen die aan deze slotakte zijn gehecht:

Verklaring van Zuid-Afrika betreffende het essentiële onderdeel

Verklaring van Zuid-Afrika betreffende sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Verklaring van Zuid-Afrika betreffende de financiële aspecten van de samenwerking.

Voorts hebben de gevolmachtigden van de lidstaten en de gevolmachtigde van Zuid-Afrika hun instemming betuigd met het aan deze Slotakte gehecht Proces-Verbaal van Overeenkomst van de onderhandelingen.

GEDAAN te Pretoria de elfde oktober negentienhonderd negenennegentig.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende niet-uitvoering

De partijen komen overeen dat van schending van de essentiële onderdelen van de overeenkomst, als bedoeld in artikel 3, lid 3, van deze overeenkomst, uitsluitend sprake is ingeval van een ernstige schending van de democratische beginselen of fundamentele mensenrechten, of een ernstige opschorting van de rechtsstaat, waardoor een klimaat ontstaat dat niet bevorderlijk is voor overleg of waarin uitstel schadelijk is voor de doelstellingen of belangen van de partijen bij deze overeenkomst.

De partijen komen tevens overeen dat de passende maatregelen, als bedoeld in artikel 3, leden 1, 3 en 5, in verhouding dienen te staan tot de schending. Bij het nemen en ten uitvoer leggen van deze maatregelen dienen de partijen bijzondere aandacht te besteden aan de levensomstandigheden van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen en dienen zij erop toe te zien dat deze niet onbedoeld het slachtoffer worden van de maatregelen.

Gemeenschappelijke Verklaring inzake uitvoerrestituties

  • 1 Bij het opstellen van de bepalingen van de overeenkomst die betrekking hebben op de handel hebben de partijen per geval de mogelijke gevolgen van uitvoerrestituties voor de liberalisering van de handel onderzocht.

  • 2 De Gemeenschap verklaart van haar kant dat verdere bestudering van de toekomstige uitvoerrestituties in verband met de handel met Zuid-Afrika zal plaatsvinden wanneer de huidige besprekingen over landbouwhervorming zijn voltooid.

Gemeenschappelijke Verklaring over een versnelde afschaffing van de douanerechten door Zuid-Afrika

De partijen komen overeen vooruit te lopen op de toepassing van de in artikel 17 omschreven procedures in de overgangsperiode voor de inwerkingtreding van de overeenkomst zodat bij inwerkingtreding van de overeenkomst eventueel een versneld tijdschema voor de afschaffing van douanerechten en uitvoerrestituties kan worden toegepast

Gemeenschappelijke Verklaring over landbouwquota

  • 1 De jaarlijkse groeifactoren die zijn opgenomen in bijlage IV, lijst 6, en bijlage VI, lijsten 3 en 4, bij de huidige overeenkomst worden periodiek herzien bestudeerd en opnieuw bevestigd; de eerste herziening vindt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst plaats.

  • 2 Met betrekking tot met name bereide vruchten (perziken, peren en abrikozen) zal Zuid-Afrika zijn uitvoer naar de Europese Unie op evenwichtige wijze beheren.

Gemeenschappelijke Verklaring over overheidssteun

De partijen komen overeen dat de Zuid-Afrikaanse economie en haar interactie met de economieën in de Zuidelijk-Afrikaanse Ontwikkelingsgemeenschap een aanzienlijke herstructurering ondergaan die door de staat zal worden gesteund.

Gemeenschappelijke Verklaring over de visserij

De partijen stellen alles in het werk de in artikel 62 van deze overeenkomst bedoelde visserijovereenkomst uiterlijk eind 2000 via onderhandelingen tot stand te brengen en te sluiten.

Gemeenschappelijke Verklaring met betrekking tot bilaterale overeenkomsten

Tenzij in deze overeenkomst anders wordt vermeld, worden dergelijke rechten van een of meerdere lidstaten van de Europese Unie vervat in zulke bestaande overeenkomsten niet uitgelegd als zich ook uitstrekkend tot de overige lidstaten.

Gemeenschappelijke Verklaring over illegale immigratie

De partijen, die zich bewust zijn van het belang van samenwerking ter voorkoming en beperking van illegale immigratie, verklaren bereid te zijn deze zaken bij hun werkzaamheden in de Samenwerkingsraad na te streven met het oog op het zoeken naar oplossingen voor problemen die in deze sector kunnen rijzen.

Verklaring van de Gemeenschap betreffende het essentiële onderdeel

In de context van een politiek en institutioneel klimaat waarin de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat gerespecteerd worden, verstaat de Gemeenschap onder behoorlijk bestuur het transparant en verantwoordelijk beheer van alle menselijke, natuurlijke, interne en externe, economische en financiële hulpbronnen van een land met het oog op eerlijke en duurzame ontwikkeling.

Verklaring van de Gemeenschap betreffende de financiële aspecten van de samenwerking

In het verleden werd een speciale financiële faciliteit in het leven geroepen krachtens Verordening (EG) nr. 2259/96 van de Raad, het Europees programma voor de wederopbouw en ontwikkeling (EPWO). De Gemeenschap bestemde in de periode 1996–1999 ongeveer 500 miljoen ecu voor deze faciliteit ter ondersteuning van het beleid van de regering van Zuid-Afrika en op deze basis werden er overeenkomsten ondertekend. Dit bedrag omvat vier jaarlijkse kredieten die door de begrotingsautoriteit van de Gemeenschap moeten worden goedgekeurd. De Gemeenschap verklaart zich bereid haar financiële samenwerking met Zuid-Afrika op een substantieel niveau te continueren en zal op basis van een voorstel van de Commissie de nodige daartoe strekkende besluiten nemen.

Nadat deze overeenkomst in werking is getreden, kunnen andere passende financiële instrumenten (bijvoorbeeld in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst EG/ACS) ter beschikking worden gesteld. In deze context zou de Gemeenschap bereid zijn de mogelijkheid te bezien van de terbeschikkingstelling van een deel van haar toekomstige bijstand voor bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld voor beginnende ondernemers) in de vorm van risicodragend kapitaal of rentesubsidies op leningen uit de eigen middelen van de EIB.

Verklaring van de Europese Investeringsbank

Zoals in de tussen Zuid-Afrika en de EIB op 12 september 1995 gesloten Kaderovereenkomst uiteengezet, werd de EIB op 19 juni 1995 door haar Raad van Gouverneurs gemachtigd tot het in de periode van twee jaar lopende van 19 juni 1995 tot 19 juni 1997 verstrekken van leningen in Zuid-Afrika tot een totaalbedrag van 300 miljoen ecu uit haar eigen middelen. In het kader van een tweede machtiging van de Raad van Gouverneurs van de bank van 12 juni 1997 en een op 6 maart 1998 tussen Zuid-Afrika en de EIB gesloten aanvullende Kaderovereenkomst werd voor de periode juni 1997 tot december 1999 machtiging verleend voor een verder bedrag van 375 miljoen ecu.

In het artikel is sprake van de eventuele verlenging van deze activiteiten van de bank aan het einde van deze periode.

De EIB zou binnen haar mandaat bereid zijn om leningen te overwegen aan Zuid-Afrikaanse leningnemers voor projecten in Zuid-Afrika en, op basis van beoordeling per geval, voor projecten in de SADC-regio.

Verklaring van Zuid-Afrika betreffende het essentiële onderdeel

Zuid-Afrika verstaat onder behoorlijk bestuur de eerbiediging van de Zuid-Afrikaanse grondwet (wet nr. 108 van 1996), met name de bepalingen inzake een transparant, eerlijk en verantwoordelijk beheer van de menselijke , natuurlijke, economische en financiële hulpbronnen met het oog op economische groei en duurzame ontwikkeling.

Verklaring van Zuid-Afrika over sanitaire en fytosanitaire maatregelen

De Zuid-Afrikaanse regering wenst er met klem op te wijzen dat het soepel en efficiënt functioneren van het mechanisme voor de tenuitvoerlegging van sanitaire en fytosanitaire maatregelen van wezenlijk belang is voor de succesvolle en efficiënte tenuitvoerlegging van deze overeenkomst. Derhalve verzoekt Zuid-Afrika de Gemeenschap dringend Zuid-Afrika, als preferentiële handelspartner, op sanitair en fytosanitair gebied prioritair te behandelen.

Verklaring van Zuid-Afrika betreffende de financiële aspecten van de samenwerking

De regering van Zuid-Afrika verwacht dat het huidige niveau van niet-terugvorderbare financiële samenwerking wat de financiering na 1999 betreft op zijn minst op dezelfde niveaus wordt gecontinueerd.

Proces-verbaal van Overeenkomst

De partijen zijn overeengekomen dat:

Ad artikel 4

een regelmatige politieke dialoog tussen de partijen zal beginnen zodra de voorlopige toepassing van die overeenkomst van kracht wordt.

  • ^ [1]

    [Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Protocollen liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn gepubliceerd in PbEG 1999, L 311, PbEU 2005, L 68 en PbEU 2008, L 22.]

  • ^ [2]

    [Red: In het orgineel staat hier „de".]