Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van [...] op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad, 's-Gravenhage, 02-11-1998

Geldend van 01-08-1999 t/m heden

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad

Authentiek : NL

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Republiek Hongarije, hierna te noemen: de Partijen;

Geleid door het streven om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen;

Overtuigd van het wezenlijk belang van samenwerking bij het voorkomen van en de bestrijding van internationale misdaad, in het bijzonder van de georganiseerde misdaad;

Gedreven door de wens om de samenwerking tussen opsporingsdiensten van beide landen te versterken door het wederzijds uitwisselen van inlichtingen in bepaalde gevallen alsmede door het aan elkaar verlenen van technische assistentie in het algemeen;

Zich bewust zijnde van hun verplichtingen onder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome op 4 november 1950, en de protocollen daarbij;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

  • 1 Partijen verplichten zich te zorgen voor samenwerking tussen de opsporingsdiensten van beide landen met het doel om internationale misdaad te bestrijden en te voorkomen, in het bijzonder de georganiseerde misdaad, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

  • 2 Bij het ondertekenen van dit Verdrag zullen de Partijen in een gemeenschappelijke verklaring vastleggen welke instanties zij voor het doel van dit Verdrag als opsporingsdiensten beschouwen. Deze verklaring vormt een onderdeel van dit Verdrag.

Artikel 2

  • 1 Partijen verbinden zich ertoe dat hun opsporingsdiensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte Partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte opsporingsdiensten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door.

  • 2 De schriftelijke inlichtingen die volgens het eerste lid van dit artikel worden verschaft door de Partij die het verzoek ontvangt, mogen niet door de verzoekende Partij gebruikt worden voor andere doeleinden dan voor die welke in het verzoek worden gespecificeerd. De inlichtingen mogen niet als bewijsmateriaal worden gebruikt behalve met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde justitiële autoriteit van de aangezochte Partij. Deze toestemming dient verzocht te worden in overeenstemming met de bepalingen van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, getekend te Straatsburg op 20 april 1959.

Artikel 3

In bijzondere gevallen mogen opsporingsdiensten, met inachtneming van hun eigen nationale wetgeving, zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen, de opsporingsdiensten van het andere land inlichtingen doen toekomen, die nuttig kunnen zijn voor dat land om een toekomstig misdrijf te voorkomen of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid.

Artikel 4

  • 1 Verzoeken om assistentie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en de antwoorden op dergelijke verzoeken alsmede het verschaffen van inlichtingen volgens artikel 3 dienen schriftelijk gedaan te worden en mogen uitgewisseld worden via alle communicatiemiddelen tussen de centrale instanties van beide landen.

  • 2 De centrale instanties bedoeld in het eerste lid van dit artikel zijn:

    • voor de Republiek Hongarije:

      • Országos Rendőr-főkapitányság (Nationaal hoofdcommissariaat van politie),

      • Vám-és Pénzügyőrség Országos Parancsnoksága (Nationaal hoofdbureau douane en accijnzen),

      • Határőrség Országos Parancsnoksága (Nationaal hoofdbureau grensbewaking);

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      Divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politiediensten.

  • 3 De Hongaarse Partij spant zich in om zo spoedig mogelijk één centrale instantie aan te wijzen ter vervanging van de drie instanties genoemd in het tweede lid van dit artikel.

  • 4 De in het derde lid van dit artikel bedoelde wijziging alsmede andere wijzigingen met betrekking tot de centrale instanties worden door de initiërende Partij per diplomatieke nota aan de andere Partij medegedeeld. Deze mededeling vindt niet plaats dan nadat tussen Partijen overeenstemming over de voorgenomen wijziging is bereikt.

Artikel 5

Opsporingsdiensten van beide landen kunnen elkaar technische assistentie verlenen met het oogmerk om ernstige misdrijven te voorkomen of te bestrijden, in het bijzonder die welke een internationaal karakter hebben, door het uitwisselen van inlichtingen, onder andere betreffende ervaringen met onderzoeken en de toepassing van werkwijzen, het gebruik van technische apparatuur en de ontwikkeling van criminalistische technieken, resultaten van hun criminalistische en criminologisch onderzoekswerk.

Artikel 6

Daar waar de uitwisseling van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het doorgeven van persoonsgegevens betreft, dienen de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, getekend te Straatsburg op 28 januari 1981, en de grondbeginselen neergelegd in de aanbeveling nr. R (87) 15, die het gebruik van persoonsgegevens in het politieapparaat regelt en is aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 17 september 1987, ten volle te worden gerespecteerd.

Artikel 7

Verzoeken en assistentie op grond van dit Verdrag kunnen worden geweigerd indien naar de mening van de Partij die het verzoek ontvangt, de uitvoering van het verzoek haar soevereiniteit, veiligheid of soortgelijke wezenlijke openbare belangen, met inbegrip van het rechtssysteem, zou schaden.

Artikel 8

De bepalingen van dit Verdrag laten de toepassing van verdragen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken en wederzijdse bijstand in douane- en belastingzaken of van enig ander tussen hen geldend verdrag dat bepalingen betreffende een dergelijke samenwerking bevat, onverlet.

Artikel 9

De taal die gebruikt wordt in de contacten die tot uitvoering van dit Verdrag dienen, zal de Engelse taal zijn.

Artikel 10

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.

Artikel 11

  • 1 Dit Verdrag wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop beide Partijen elkaar via diplomatieke kanalen schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan hun wettelijke voorwaarden is voldaan.

  • 2 Elke Partij kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door deze schriftelijk via diplomatieke kanalen op te zeggen en de beëindiging zal van kracht worden drie maanden na de dag waarop een dergelijke opzegging wordt ontvangen.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 2 november 1998, in tweevoud in de Nederlandse en in de Hongaarse taal, waarbij beide talen gelijkelijk rechtsgeldig zijn.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. J. VAN AARTSEN

Voor de Regering van de Republiek Hongarije,

(w.g.) S. PINTÉR

VERKLARING bij het Verdrag betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad, gesloten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije.

Onder verwijzing naar artikel 1, tweede lid, verklaren Partijen dat zij voor het doel van dit Verdrag de volgende instanties als opsporingsdiensten beschouwen:

  • 1. voor de Republiek Hongarije:

    • a rendőrséget (politie),

    • a vám-és pénzügyőrséget (douane),

    • a határőrséget (grenspolitie);

  • 2. voor het Koninkrijk der Nederlanden:

    • Politie,

    • Belastingdienst/Douane,

    • Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,

    • Koninklijke Marechaussee.