Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie, 's-Gravenhage, 01-10-1997

Geldend van 08-04-1998 t/m heden

Verdrag inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie

Authentiek : NL

Verdrag inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Russische Federatie

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Russische Federatie, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen;

overwegende het feit dat het Koninkrijk der Nederlanden en de Russische Federatie partijen zijn bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld;

geleid door de wens een verdrag te sluiten met het doel luchtdiensten in te stellen tussen en via de respectieve grondgebieden van hun twee Staten;

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag betekenen de onderstaande begrippen het volgende:

  • a. onder het „Verdrag van Chicago” wordt verstaan: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen en alle wijzigingen van de Bijlagen, voor zover deze van toepassing zijn op de Verdragsluitende Partijen, en alle overeenkomstig artikel 94 van het Verdrag van Chicago aangenomen wijzigingen van het Verdrag van Chicago die door de Russische Federatie onderscheidenlijk het Koninkrijk der Nederlanden zijn bekrachtigd;

  • b. onder „luchtvaartautoriteiten” wordt verstaan: wat de Russische Federatie betreft, de Russische Federale Luchtvaartautoriteiten of elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door genoemde autoriteiten en, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de Minister van Verkeer en Waterstaat of elke persoon of instantie die bevoegd is elke functie te vervullen die thans wordt vervuld door genoemde minister;

  • c. onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” wordt verstaan: een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 4 van dit Verdrag;

  • d. onder „grondgebied” wordt met betrekking tot een Staat verstaan: de landgebieden, de territoriale wateren en de binnenwateren, alsmede het luchtruim daarboven, die onder de soevereiniteit van de Staat vallen;

  • e. de begrippen „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” hebben de betekenis die daaraan in artikel 96 van het Verdrag van Chicago onderscheidenlijk wordt toegekend;

  • f. onder „overeengekomen dienst” en „omschreven route” wordt verstaan: een internationale luchtdienst ingevolge artikel 2 van dit Verdrag onderscheidenlijk de in het desbetreffende gedeelte van de Bijlage bij dit Verdrag omschreven route;

  • g. onder „boordproviand” wordt verstaan: consumptiegoederen bestemd voor gebruik of verkoop aan boord van een luchtvaartuig tijdens de vlucht, met inbegrip van verstrekte etenswaren en dranken;

  • h. onder „Verdrag” wordt verstaan: dit Verdrag, de in toepassing daarvan opgestelde Bijlage, en alle wijzigingen van het Verdrag of van de Bijlage;

  • i. onder „tarief” wordt verstaan: elk bedrag dat door de luchtvaartmaatschappijen, rechtstreeks of via hun agenten, in rekening wordt gebracht of zal worden gebracht aan alle natuurlijke personen of rechtspersonen voor het vervoer door de lucht van passagiers (en hun bagage) en vracht (post uitgezonderd), daarbij inbegrepen:

    • I. de voorwaarden betreffende het beschikbaar zijn en het van toepassing zijn van een tarief, en

    • II. de heffingen en voorwaarden voor alle bij zulk vervoer bijkomende diensten die door de luchtvaartmaatschappijen worden aangeboden.

Artikel 2. Verlening van rechten

Elke Verdragsluitende Partij verleent de andere Verdragsluitende Partij de in dit Verdrag genoemde rechten met het oog op de instelling van internationale luchtdiensten op de overeengekomen diensten en omschreven routes.

Artikel 3. Rechten

  • 1 Een door elke Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij heeft bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende rechten:

    • a. het recht om zonder te landen over het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij te vliegen;

    • b. het recht om op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij te landen, anders dan voor verkeersdoeleinden, op de in de Bijlage bij dit Verdrag genoemde punten;

    • c. het recht om op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij te landen op de in de Bijlage bij dit Verdrag voor die route genoemde punten voor het opnemen en/of afzetten in internationaal verkeer van lading in de vorm van passagiers, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd.

  • 2 Geen van de bepalingen van dit artikel wordt geacht de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de ene Verdragsluitende Partij het recht te geven tot het opnemen van passagiers, vracht en post, vervoerd tegen betaling of vergoeding, tussen de punten gelegen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 3 De vluchtroutes van luchtvaartuigen op de overeengekomen diensten en de punten voor overschrijding van de landsgrenzen worden door elke Verdragsluitende Partij vastgesteld wat het grondgebied van haar Staat betreft.

  • 4 Aspecten betreffende de exploitatie van de overeengekomen diensten worden – in de door de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen op grond van de nationale wetten en voorschriften vastgestelde mate – geregeld tussen de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen en, indien nodig, ter goedkeuring voorgelegd aan bovengenoemde autoriteiten.

Artikel 4. Aanwijzing en vergunning

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht schriftelijk aan de andere Verdragsluitende Partij een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van overeengekomen luchtdiensten op de omschreven routes en een eerder aangewezen luchtvaartmaatschappij te vervangen door een andere luchtvaartmaatschappij.

  • 2 Na ontvangst van bedoelde kennisgeving verleent de andere Verdragsluitende Partij onverwijld aan elke aangewezen luchtvaartmaatschappij, met inachtneming van de bepalingen van het derde en vierde lid van dit artikel, de vereiste exploitatievergunning.

  • 3 De luchtvaartautoriteiten van een Verdragsluitende Partij die de exploitatievergunning verleent, kan van een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij verlangen dat deze te hunnen genoegen aantoont dat zij in staat is om te voldoen aan de krachtens de wetten en voorschriften voorgeschreven voorwaarden die door die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijs worden toegepast op de exploitatie van internationale luchtdiensten.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning te weigeren of deze vergunning te verlenen onder noodzakelijk geachte voorwaarden voor de uitoefening van de in artikel 3 van dit Verdrag omschreven rechten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij, indien niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijke toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen.

  • 5 Zodra een luchtvaartmaatschappij is aangewezen en haar de vergunning is verleend, kan zij een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen nieuwe diensten waarvoor zij is aangewezen, mits ten aanzien van die dienst een in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10 van dit Verdrag vastgesteld tarief van kracht is.

Artikel 5. Intrekking en opschorting van een exploitatievergunning

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning van een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij in te trekken of de uitoefening van de in artikel 3 van dit Verdrag genoemde rechten op te schorten of daaraan de voor de uitoefening van die rechten noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden:

    • a. indien niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van, en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en/of bij haar onderdanen; of

    • b. indien die luchtvaartmaatschappij nalaat de van kracht zijnde wetten of voorschriften na te leven van de Verdragsluitende Partij die deze rechten verleent; of

    • c. indien die luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie te verrichten overeenkomstig de krachtens dit Verdrag voorgeschreven voorwaarden.

  • 2 Tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting of het opleggen van voorwaarden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op wetten of voorschriften, worden deze rechten slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. Zulk overleg vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van het verzoek ter zake.

Artikel 6. Toepassing van wetten, voorschriften en procedures

  • 1 De wetten, voorschriften en procedures van een Staat van een Verdragsluitende Partij betreffende de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van in internationale luchtdiensten gebruikte luchtvaartuigen of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zodanige luchtvaartuigen dienen op haar grondgebied te worden toegepast op luchtvaartuigen van een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij.

  • 2 De wetten, voorschriften en procedures van een Staat van een Verdragsluitende Partij betreffende de toelating tot, het verblijf op of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanningsleden, vracht of post, zoals voorschriften betreffende paspoorten, douane, valuta's en sanitaire maatregelen, dienen te worden toegepast op passagiers, bemanningsleden, vracht of post van luchtvaartuigen van een door de andere Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij gedurende het verblijf op genoemd grondgebied.

  • 3 Geen van beide Verdragsluitende Partijen begunstigt een andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij bij de toepassing van de voorschriften van haar Staat inzake douane, immigratie, quarantaine en soortgelijke voorschriften, of bij het gebruik van luchthavens, luchtwegen, luchtverkeersdiensten en aanverwante voorzieningen waarover zij zeggenschap heeft.

Artikel 7. Kosten

  • 1 Kosten en heffingen voor het gebruik van elke luchthaven, waaronder begrepen installaties, technische en andere voorzieningen en diensten daarvan, alsmede kosten voor het gebruik van luchtvaartvoorzieningen, communicatievoorzieningen en -diensten worden in rekening gebracht in overeenstemming met de op het grondgebied van de Staat van elke Verdragsluitende Partij vastgestelde prijzen en tarieven.

  • 2 Kosten en heffingen die op het grondgebied van de Staat van een Verdragsluitende Partij met betrekking tot vluchten van een luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij in rekening worden gebracht voor het gebruik van luchthavens en andere luchtvaartvoorzieningen op het grondgebied van de Staat van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij, mogen niet hoger zijn dan die welke in rekening worden gebracht met betrekking tot de vluchten van een andere luchtvaartmaatschappij die soortgelijke vluchten uitvoert.

Artikel 8. Rechtstreekse doorreis

Passagiers, bagage en vracht die op doorreis zijn via het grondgebied van de Staat van een Verdragsluitende Partij en die de daarvoor gereserveerde zone van de luchthaven niet verlaten, worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Bagage en vracht op rechtstreekse doorreis zijn vrijgesteld van de heffing van douanerechten en andere belastingen. Wat betreft handbagage van passagiers die op rechtstreekse doorreis zijn in Nederland en andere EU-lidstaten als eindbestemming hebben, zijn de interne wetten en voorschriften van Nederland van toepassing.

Kosten voor verleende diensten, opslag en de vervulling van douaneformaliteiten worden berekend overeenkomstig de interne wetten en voorschriften van de respectieve Staten van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 9. Eerlijke concurrentie

  • 1 De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de Verdragsluitende Partijen worden op eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld de overeengekomen diensten op de omschreven routes tussen de grondgebieden van hun respectieve Staten te exploiteren.

  • 2 Elke Verdragsluitende Partij treft alle passende maatregelen binnen haar rechtsmacht ter bestrijding van alle vormen van discriminatie of oneerlijke concurrentiepraktijken die de concurrentiepositie van de luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij nadelig beïnvloeden.

Artikel 10. Tarieven

  • 1 De tarieven voor vervoer tussen de respectieve grondgebieden van de Staten van de Verdragsluitende Partijen dienen te zijn vastgesteld op een redelijk niveau, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle relevante factoren, waaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, kenmerken van de luchtvaartmaatschappij(en) (zoals het niveau van snelheid en dienstverlening) en de tarieven van andere luchtvaartmaatschappijen die een deel van de omschreven route exploiteren. Deze tarieven worden vastgesteld in overeenstemming met de onderstaande bepalingen van dit artikel.

  • 2 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde tarieven worden, zo veel mogelijk, overeengekomen door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen door middel van toepassing van de procedures van de Internationale Luchtvervoersvereniging („International Air Transport Association”) voor de vaststelling van tarieven. Wanneer zulks niet mogelijk is, worden de tarieven onderling overeengekomen door de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen. In elk geval is voor de tarieven de goedkeuring van de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen vereist.

  • 3 Indien de betrokken aangewezen luchtvaartmaatschappijen geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent een van deze tarieven of indien een tarief om enige andere reden niet kan worden overeengekomen in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen het tarief in onderlinge overeenstemming vast te stellen.

  • 4 Indien de luchtvaartautoriteiten geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent een overeenkomstig het tweede lid van dit artikel aan hen voorgelegd tarief, of omtrent de vaststelling van een tarief krachtens het derde lid van dit artikel, wordt het geschil geregeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag.

  • 5 Alle aldus overeengekomen tarieven worden ten minste zestig (60) dagen voor de voorgestelde datum van invoering ter goedkeuring voorgelegd aan de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen, tenzij de bedoelde autoriteiten overeenkomen deze termijn in bijzondere gevallen te bekorten.

  • 6 Een tarief wordt niet van kracht indien de luchtvaartautoriteiten van één van de Verdragsluitende Partijen het niet heeft goedgekeurd. De tarieven kunnen uitdrukkelijk worden goedgekeurd of worden, indien geen van beide luchtvaartautoriteiten binnen dertig (30) dagen na de datum van voorlegging overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel te kennen heeft gegeven de tarieven niet goed te keuren, geacht te zijn goedgekeurd.

    Ingeval de termijn van voorlegging wordt bekort, zoals bepaald in het vijfde lid van dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten overeenkomen dat de termijn waarbinnen kennisgeving van afkeuring moet geschieden, dienovereenkomstig wordt bekort.

  • 7 Overeenkomstig de bepalingen van dit artikel vastgestelde tarieven blijven van kracht totdat nieuwe tarieven zijn vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.

  • 8 De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Verdragsluitende Partijen mogen geen tarieven in rekening brengen die afwijken van die welke in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel zijn goedgekeurd.

Artikel 11. Douanerechten, heffingen en kosten

  • 1 Luchtvaartuigen die voor overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Verdragsluitende Partij worden gebruikt, alsmede hun normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen, voorraden brandstof en smeermiddelen, proviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen), alsmede reclame- en promotie-materiaal dat zich aan boord van deze luchtvaartuigen bevindt, zijn vrijgesteld van alle douanerechten en andere heffingen bij aankomst op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij, mits deze uitrustingsstukken en voorraden aan boord van de luchtvaartuigen blijven totdat zij opnieuw worden uitgevoerd.

  • 2 Eveneens vrijgesteld van douanerechten en andere heffingen zijn:

    • a. proviand die aan boord wordt genomen op het grondgebied van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij, binnen de beperkingen die door de autoriteiten van die Verdragsluitende Partij worden vastgesteld, en is bestemd voor gebruik aan boord van luchtvaartuigen die voor de overeengekomen diensten worden gebruikt door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij;

    • b. reserveonderdelen die op het grondgebied van de Staat van de ene Verdragsluitende Partij worden gebracht ten behoeve van het onderhoud of het herstel van luchtvaartuigen gebruikt bij de exploitatie van overeengekomen diensten door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij;

    • c. brandstoffen en smeermiddelen bestemd voor gebruik bij de exploitatie van de overeengekomen diensten door luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Verdragsluitende Partij, zelfs wanneer deze voorraden zullen worden gebruikt op het gedeelte van de route dat wordt afgelegd op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij waar zij aan boord zijn genomen.

    Kosten voor verleende diensten, opslag en de vervulling van douaneformaliteiten worden berekend overeenkomstig de interne wetten en voorschriften van de Staten van de Verdragsluitende Partijen.

  • 3 Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde goederen kan worden verlangd dat deze onder het toezicht of beheer van de douane blijven.

  • 4 Normale uitrustingsstukken, alsmede goederen, voorraden, proviand en reserveonderdelen aan boord van luchtvaartuigen die worden geëxploiteerd door een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Verdragsluitende Partij kunnen op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van die Verdragsluitende Partij. In dergelijke gevallen kunnen deze onder het toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst totdat zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

Artikel 12. Overmaking

  • 1 Het staat de luchtvaartmaatschappijen van de Verdragsluitende Partijen vrij luchtvervoerdiensten met hun eigen vervoersbewijzen te verkopen op het grondgebied van de Staten van beide Verdragsluitende Partijen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een agent, in iedere vrij inwisselbare valuta, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de desbetreffende Staat van de Verdragsluitende Partij.

  • 2 Elke Verdragsluitende Partij verleent een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij het recht het batig saldo van de ontvangsten en uitgaven, door genoemde aangewezen luchtvaartmaatschappij verkregen in verband met de exploitatie van de overeengekomen diensten, vrijelijk over te maken.

    In deze netto-overmaking zijn begrepen de baten uit verkopen, rechtstreeks of via agenten, van luchtvervoerdiensten en bijkomende of aanvullende diensten.

  • 3 Bedoelde overmaking geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van de overeenkomst waarin de financiële aangelegenheden van de Staten van de Verdragsluitende Partijen zijn geregeld. Bij gebreke van bedoelde overeenkomst of de desbetreffende bepalingen, geschiedt de overmaking in vrij inwisselbare valuta tegen de officiële wisselkoers in overeenstemming met de deviezenbepalingen van de Staten van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 13. Vertegenwoordigingen

De luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij wordt het recht verleend om op het grondgebied van de Staat van de andere Verdragsluitende Partij hun vertegenwoordigingen te vestigen met het noodzakelijke leidinggevende, administratieve, commerciële en technische personeel.

Artikel 14. Veiligheid van de luchtvaart

  • 1 Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht bevestigen de Verdragsluitende Partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een wezenlijk deel van dit Verdrag uitmaakt. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken, handelen de Verdragsluitende Partijen in het bijzonder in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te 's-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971, het Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988, en de bepalingen van tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijnde bilaterale overeenkomsten, alsmede hun later te ondertekenen overeenkomsten.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en de bemanning daarvan, luchthavens en voorzieningen voor de luchtvaart, alsmede elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

  • 3 De Verdragsluitende Partijen handelen in overeenstemming met de bepalingen en technische eisen inzake beveiliging van de burgerluchtvaart, vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, voor zover deze veiligheidsbepalingen en -eisen van toepassing zijn op de Verdragsluitende Partijen; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die hun hoofdzetel of domicilie op het grondgebied van hun Staat hebben, handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij stemt ermee in dat van deze exploitanten kan worden verlangd dat deze de in het derde lid bedoelde bepalingen en eisen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere Verdragsluitende Partij zijn voorgeschreven voor de binnenkomst op, het vertrek uit en het verblijf op het grondgebied van die andere Verdragsluitende Partij.

    Elke Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat op doeltreffende wijze passende maatregelen op haar grondgebied worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht en boordproviand aan een onderzoek te onderwerpen vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden. Elke Verdragsluitende Partij neemt tevens een verzoek van de andere Verdragsluitende Partij om binnen redelijke grenzen bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een bepaalde dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.

  • 5 Wanneer zich een voorval voordoet van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of van andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van burgerluchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen, of dreigt zich voor te doen, verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar bijstand door de verbindingen en andere passende maatregelen die zijn bedoeld om op snelle en veilige wijze een einde te maken aan zulk een voorval of de dreiging daarvan, te vergemakkelijken.

Artikel 15. Overleg

Van tijd tot tijd vindt overleg plaats tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen om te zorgen voor nauwe samenwerking betreffende alle aangelegenheden die van invloed zijn op de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 16. Regeling van geschillen

  • 1 Indien tussen de Verdragsluitende Partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de Verdragsluitende Partijen dit in eerste instantie te regelen door middel van onderhandelingen tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

  • 2 Indien genoemde luchtvaartautoriteiten er niet in slagen tot overeenstemming te komen, wordt het geschil langs diplomatieke weg geregeld.

  • 3 Indien op bovengenoemde wijzen geen regeling tot stand kan worden gebracht, wordt het geschil op verzoek van één van beide Verdragsluitende Partijen ter beslissing onderworpen aan arbitrage. Arbitrage geschiedt door een scheidsgerecht bestaande uit drie scheidsmannen.

  • 4 Elk van de Verdragsluitende Partijen wijst een scheidsman aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum waarop één van beide Verdragsluitende Partijen van de andere Verdragsluitende Partij langs diplomatieke weg een kennisgeving heeft ontvangen waarin wordt verzocht om regeling van het geschil door middel van arbitrage. De derde scheidsman wordt door de twee andere scheidsmannen benoemd binnen een volgende termijn van zestig (60) dagen. Indien één van beide Verdragsluitende Partijen binnen de genoemde termijn geen scheidsman benoemt of indien de derde scheidsman niet binnen de genoemde termijn is benoemd, kan de Voorzitter van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie door één van beide Verdragsluitende Partijen worden verzocht zo spoedig mogelijk een scheidsman of scheidsmannen te benoemen, naar gelang het geval.

  • 5 De ingevolge het vierde lid van dit artikel benoemde derde scheidsman dient onderdaan van een derde Staat te zijn en treedt op als voorzitter van het scheidsgerecht.

    Indien de Voorzitter van de Raad van de Burgerluchtvaartorganisatie onderdaan van de Staat van één van beide Verdragsluitende Partijen is, of indien hij anderszins is verhinderd om zijn in het vierde lid van dit artikel genoemde taak te verrichten, dient de Vice-Voorzitter die hem vervangt de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 6 Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Bedoelde beslissing is bindend voor beide Verdragsluitende Partijen.

    Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van de door haarzelf benoemde scheidsman of de namens haar door de Voorzitter van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie benoemde scheidsman, alsmede van haar vertegenwoordiging in de arbitrageprocedure; de kosten van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle andere kosten worden in gelijke delen door de Verdragsluitende Partijen gedragen.

    In alle overige opzichten stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedure vast.

Artikel 17. Wijziging

Indien één van beide Verdragsluitende Partijen het wenselijk acht de bepalingen van dit Verdrag en de Bijlage hierbij te wijzigen, kan zij verzoeken om overleg tussen de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de voorgestelde wijziging. Het overleg dient aan te vangen binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van het verzoek, tenzij de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen besluiten tot verlenging van die termijn. Een door de Verdragsluitende Partijen overeengekomen wijziging van het Verdrag wordt van kracht op een in een diplomatieke-notawisseling vast te stellen datum, op voorwaarde dat de nationaal vereiste wettelijke procedures zijn voltooid. Wijziging van de Bijlage kan geschieden door middel van een overeenkomst tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 18. Registratie bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

Dit Verdrag en alle latere wijzigingen daarop worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 19. Beëindiging

Elk van de Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde de andere Verdragsluitende Partij langs diplomatieke weg schriftelijk kennisgeving doen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. In dit geval treedt het Verdrag twaalf (12) maanden na de datum waarop de kennisgeving door de andere Verdragsluitende Partij is ontvangen buiten werking, tenzij de kennisgeving van beëindiging vóór het verstrijken van deze termijn wordt ingetrokken. Indien de andere Verdragsluitende Partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 20. Toepasselijkheid

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag slechts van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel 21. Inwerkingtreding

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking op de datum van de laatste schriftelijke kennisgeving waarmee wordt bevestigd dat de Verdragsluitende Partijen aan al hun vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag hebben voldaan.

  • 2 Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag worden de Overeenkomst tussen de Regering van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden betreffende luchtdiensten van 17 juni 1958, zoals gewijzigd, alsmede alle bijlagen daarbij beëindigd ten aanzien van de betrekkingen tussen de Russische Federatie en het Koninkrijk der Nederlanden.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 1 oktober 1997, in twee originele exemplaren in de Nederlandse, de Russische en de Engelse taal, zijnde alle versies gelijkelijk authentiek. In geval van eventuele verschillen is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) A. JORRITSMA-LEBBINK

Voor de Regering van de Russische Federatie

(w.g.) G. ZAITSEV

Bijlage

TABEL I: Routes die mogen worden geëxploiteerd door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de Russische Federatie, in beide richtingen, met elk type subsonisch luchtvaartuig.

  • 1. Punt(en) in de Russische Federatie - tussenliggend(e) punt(en) in Europa - Amsterdam en/of Maastricht en twee nader te bepalen andere punten in Nederland1.

  • 2. Punt(en) in de Russische Federatie - tussenliggend(e) punt(en) in Europa - Amsterdam (met en zonder landing) - punt(en) in Europa en/of Afrika en/of Noord-Amerika en/of Midden-Amerika en/of Zuid-Amerika.

  • 3. Amsterdam - Moskou - Tokio.

  • 4. Amsterdam - Moskou - Osaka.

  • 5. Amsterdam - Moskou - Nagoya.

  • 6. Amsterdam - Moskou - Peking en/of Shanghai.

  • 7. Amsterdam - punt(en) in de Russische Federatie (met of zonder landing) - Seoul.

  • 8. Amsterdam - Moskou - Hongkong.

Noten:

  • A. Bij de exploitatie van de overeengekomen routes mag (mogen) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de Russische Federatie elk tussenliggend punt of alle tussenliggende punten op de routes 1 en 2 geheel of gedeeltelijk overslaan.

  • B. Bij de exploitatie van de overeengekomen routes 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 heeft (hebben) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de Russische Federatie het recht passagiers, bagage, post en vracht te vervoeren tussen het grondgebied van Nederland en alle punten op bovengenoemde routes, met uitzondering van cabotagerechten op dat grondgebied.

  • C. Verzoeken van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de Russische Federatie tot overvliegen op hun niet-geregelde vluchten zonder landing of met een technische landing op Nederlands grondgebied op route 2, worden door de desbetreffende autoriteiten in welwillende overweging genomen.

  • D. Voor chartervluchten, extra en niet-geregelde vluchten van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) is een voorafgaande aanvrage van die luchtvaartmaatschappij(en) vereist; deze aanvrage dient ten minste 48 uur voor vertrek te worden ingediend, behalve in weekeinden en op feestdagen.

  • E. Voor de exploitatie van de routes 3, 4, 5, 6, 7 en 8 is een bijzondere overeenkomst tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen vereist.

  • F. De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van de Russische Federatie heeft (hebben) het recht over het Nederlandse grondgebied te vliegen (zonder landing of met een technische landing in Amsterdam) op route 2 op een onbeperkt aantal geregelde vluchten.

  • G. Wat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag betreft, mag ten hoogste één Russische passagiers/combinatie-luchtvaartmaatschappij en één Russische luchtvrachtmaatschappij vluchten uitvoeren op een stedenpaar op de omschreven routes.

TABEL II: Routes die mogen worden geëxploiteerd door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van het Koninkrijk der Nederlanden, in beide richtingen, met elke type subsonisch luchtvaartuig.

  • 1. Punt(en) in Nederland - tussenliggend(e) punt(en) in Europa - Moskou en/of St. Petersburg en twee andere later overeen te komen punten in de Russische Federatie 2.

  • 2. Punten(en) in Nederland - tussenliggend(e) punt(en) in Europa - Tasjkent-route (zonder landing of met technische landing) - punt(en) in Zuid-Azië en/of Zuidoost-Azië en/of Australië en/of Nieuw-Zeeland en/of Hongkong.

  • 3. Punt(en) in Nederland - tussenliggend(e) punt(en) in Europa - Moskou - verder gelegen punt(en), voor zover deze niet onder route 2 vallen 3.

  • 4. Punt(en) in Nederland - Moskou (met en zonder landing) - Tokio.

  • 5. Punt(en) in Nederland - Moskou (met en zonder landing) - Osaka.

  • 6. Punt(en) in Nederland - Moskou - (met en zonder landing) - Nagoya.

  • 7. Punt(en) in Nederland - Moskou (met en zonder landing) - Peking en/of Shanghai.

  • 8. Punt(en) in Nederland - tussenliggend(e) punt(en) in Europa4 - punt(en) in de Russische Federatie5 - Seoul.

  • 9. Punt(en) in Nederland - Moskou (met en zonder landing) - Hongkong.

Noten:

  • A. Bij de exploitatie van de overeengekomen routes mag (mogen) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Nederland elk tussenliggend punt of alle tussenliggende punten op de routes 1, 2 en 3 geheel of gedeeltelijk overslaan.

  • B. Bij de exploitatie van de overeengekomen routes 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 heeft (hebben) de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Nederland het recht passagiers, bagage, post en vracht te vervoeren tussen het grondgebied van de Russische Federatie en alle punten op bovengenoemde routes, met uitzondering van cabotagerechten op dat grondgebied.

  • C. Verzoeken van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Nederland tot overvliegen op hun niet-geregelde vluchten zonder landing of met technische landing op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij op de routes 2 en 3, worden door de desbetreffende autoriteiten in welwillende overweging genomen.

  • D. Voor chartervluchten, extra en niet-geregelde vluchten van de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) is een voorafgaande aanvrage van die luchtvaartmaatschappij(en) vereist; deze aanvrage dient ten minste 48 uur voor vertrek te worden ingediend, behalve in weekeinden en op feestdagen.

  • E. Voor de exploitatie van de routes 4, 5, 6, 7, 8 en 9 is een bijzondere overeenkomst tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen vereist.

  • F. De aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Nederland heeft (hebben) het recht over het grondgebied van de Russische Federatie te vliegen (zonder landing of met technische landing in Moskou) op de routes 2 en 3 op een onbeperkt aantal geregelde vluchten.

  • G. Wat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag betreft, mag ten hoogste één Nederlandse passagiers/combinatie-luchtvaartmaatschappij en één Nederlandse luchtvrachtmaatschappij vluchten uitvoeren op een stedenpaar op de omschreven routes.

  • ^ [1]

    Twee van deze punten in Nederland kunnen in dezelfde dienst(en) worden gecombineerd.

  • ^ [2]

    Twee van deze punten in de Russische Federatie kunnen in dezelfde dienst(en) worden gecombineerd.

  • ^ [3]

    Deze punten kunnen door de aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) van Nederland naar eigen inzicht worden gekozen in: Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan, Kirgizië, Tadzjikistan, Armenië, Azerbajdzjan en Georgië.

  • ^ [4]

    Optionele technische landingen.

  • ^ [5]

    Optionele technische landingen.