Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van [...] en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen, Bergen (Duitsland), 06-10-1997

Geldend van 01-09-2000 t/m heden

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen

Authentiek : NL

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,

Zich bewust van hun verplichtingen krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949 en het Verdrag van Brussel van 17 maart 1948 als gewijzigd door het Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel, van 23 oktober 1954;

Gelet op de Gemeenschappelijke Verklaring van de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsminister van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de oprichting van een multinationaal legerkorps met initiële Duitse en Nederlandse deelname van 30 maart 1993;

Op grond van het Verdrag inzake de aanwezigheid van buitenlandse strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland van 23 oktober 1954 en het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997;

Overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag tussen de Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (NAVO-Status Verdrag) van 19 juni 1951, de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten ten aanzien van buitenlandse krijgsmachten gestationeerd in de Bondsrepubliek Duitsland (Aanvullende Overeenkomst Duitsland) van 3 augustus 1959, als gewijzigd op 18 maart 1993, en de Aanvullende Overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten (Aanvullende Overeenkomst Nederland) van 6 oktober 1997 en de daarbij behorende Protocollen;

Overeenkomstig de Briefwisseling van 25 september 1990, als gewijzigd op 12 september 1994, bij het NAVO-Status Verdrag, de Aanvullende Overeenkomst Duitsland en de daarbij behorende akkoorden;

Zich bewust van de oprichting van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps op 30 augustus 1995 door de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsminister van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland;

Gelet op de oprichting van het Air Operations Coordination Center;

Geleid door de wens de uitgangspunten vast te stellen voor verdere samenwerking en integratie in het Korps;

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Doel van het Verdrag

Dit Verdrag heeft tot doel de verantwoordelijkheden van de Verdragsluitende Partijen en de uitgangspunten voor samenwerking en verhoogde integratie in het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps – hierna te noemen „het Korps" – en de aan het Korps verbonden eenheden en instellingen vast te stellen.

Artikel 2. Verantwoordelijkheden van de Verdragsluitende Partijen

  • 1 Het oppergezag en het toezicht over het personeel, het materieel, de eenheden, de installaties en de kantoren die aan het Korps zijn bijgedragen blijven een nationale verantwoordelijkheid.

  • 2 Het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden bepalen in onderling overleg de structuur van de organisatie van het Korps.

  • 3 De Verdragsluitende Partijen stellen aan het Korps het personeel, het materieel en de financiële middelen ter beschikking zoals wordt bepaald tussen het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 3. Taken

  • 1 Binnen de grenzen van de nationale grondwetten en overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, en ingevolge de besluiten genomen door de bevoegde organen van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden, vervult het Korps taken in het kader van:

    • de gemeenschappelijke verdediging krachtens artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag of artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel;

    • multinationaal crisismanagement met inbegrip van vredesafdwingende en vredeshandhavende operaties in het kader van de Verenigde Naties, de Westeuropese Unie, de Noordatlantische Verdrags-organisatie of regionale overeenkomsten krachtens hoofdstuk VIII van het Handvest van de Verenigde Naties waartoe de twee Staten behoren, uit te voeren met strijdkrachten die voor deze doeleinden aan het Korps zijn ondergeschikt of toegevoegd;

    • humanitaire en reddingsoperaties.

  • 2 Nationale bijdragen aan het Korps zijn tevens beschikbaar voor nationale doeleinden.

Artikel 4. Stationering van strijdkrachten van het Korps

  • 1 De stationering van Nederlandse strijdkrachten van het Korps op Duits grondgebied is gebaseerd op het Verdrag inzake de aanwezigheid van buitenlandse strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland van 23 oktober 1954.

  • 2 De stationering van Duitse strijdkrachten van het Korps op Nederlands grondgebied is gebaseerd op het Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997.

  • 3 De locatie van de binationale onderdelen van de strijdkrachten van het Korps wordt in onderling overleg bepaald door het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 5. Rechtspositie van de strijdkrachten, de civiele component, de leden daarvan en hun gezinsleden

De bepalingen van

  • het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (NAVO-Status Verdrag) van 19 juni 1951,

  • de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten (Aanvullende Overeenkomst Duitsland), als gewijzigd op 18 maart 1993,

  • de Briefwisseling van 25 september 1990, als gewijzigd op 12 september 1994, bij het NAVO-Status Verdrag, de Aanvullende Overeenkomst Duitsland en de daarbij behorende akkoorden,

  • de Aanvullende Overeenkomst bij het NAVO-Status Verdrag met betrekking tot Duitse strijdkrachten gestationeerd in het Koninkrijk der Nederlanden (Aanvullende Overeenkomst Nederland) van 6 oktober 1997, en het daarbij behorende Protocol,

  • en dit Verdrag

zijn van toepassing op de strijdkrachten, de civiele component, de leden daarvan en hun gezinsleden.

Artikel 6. Geïntegreerde leidinggevende en toezichthoudende bevoegdheid

  • 1 De Commandant van het Korps krijgt de geïntegreerde leidinggevende en toezichthoudende bevoegdheid met betrekking tot de uitvoering van de aan het Korps opgedragen taken. Deze bevoegdheid omvat het recht instructies te geven aan de soldaten en burgerpersoneelsleden van het Korps onder zijn geïntegreerd bevel, alsmede de planning, de voorbereiding en de uitvoering van de taken en missies van het Korps, met inbegrip van de opleiding, oefeningen en logistieke competenties.

  • 2 Nationale rechten en verplichtingen van het personeel, in het bijzonder met betrekking tot disciplinaire kwesties en klachten, vallen niet binnen de reikwijdte van de geïntegreerde leidinggevende en toezichthoudende bevoegdheid.

  • 3 Bijzonderheden worden overeengekomen tussen de Verdragsluitende Partijen.

  • 4 De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de terzake bevoegde NAVO/WEU-bevelhebber blijven ongewijzigd.

Artikel 7. Binationaal budget

  • 1 Het Korps krijgt een binationaal budget. De omvang en de financiering van het binationale budget worden bepaald door het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden met inachtneming van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

  • 2 Een binationale Commissie van Accountants draagt zorg voor het toezicht op en de controle van het binationale budget in beginsel op basis van de controleprocedures van de NAVO.

  • 3 Onafhankelijk van de controle door de binationale Commissie van Accountants hebben nationale accountants het recht alle inlichtingen te vragen en alle dossiers in te zien van de binationale onderdelen van het Korps die zij nodig achten voor de controle van de nationale onderdelen en voor het verstrekken van informatie aan hun respectieve regeringen en parlementen. Deze verzoeken worden gedaan via de Commandant van het Korps.

Artikel 8. Bevoegdheid tot het sluiten van contracten

  • 1 Contracten voor binationale doeleinden ten laste van het binationale budget van het Korps zijn bindend voor de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. De bevoegde Duitse en Nederlandse diensten werken samen op basis van de door de Commandant van het Korps gestelde behoeften.

  • 2 Alle uit het binationale budget bekostigde activa zijn gezamenlijk eigendom van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. Regelingen en procedures voor de overdracht van gezamenlijke eigendommen worden uitgewerkt in nadere overeenkomsten.

  • 3 In gerechtelijke procedures die voortvloeien uit de contracten als genoemd in het eerste lid draagt de ontvangende Staat zorg voor de vertegenwoordiging in rechte. In derde landen wordt deze verantwoordelijkheid gedragen door de Staat waarvan de functionaris die het contract heeft gesloten de nationaliteit bezit. De kosten van de gerechtelijke procedures komen hierbij ten laste van het binationale budget van het Korps.

  • 4 Alle vorderingen voortvloeiend uit of in samenhang met de contracten als genoemd in het eerste lid komen ten laste van het binationale budget.

Artikel 9. Betaling van vorderingen

  • 1 Artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag is van toepassing.

  • 2 Vorderingen van derden, anders dan contractuele, die voortvloeien uit het handelen of nalaten van leden van de binationale onderdelen van het Korps gedaan tijdens de uitoefening van hun officiële binationale functie of voortvloeiend uit het gebruik uit hoofde van hun functie van materieel dat bij deze onderdelen voor binationale doeleinden in gebruik is en waarbij schade wordt aangericht, worden behandeld overeenkomstig Artikel VIII, vijfde lid, onder e (ii), van het NAVO-Status Verdrag; deze vorderingen worden volledig voldaan uit het binationale budget.

Artikel 10. Bewakingstaak

  • 1 De voor binationale doeleinden gebruikte faciliteiten of gebouwen kunnen worden bewaakt door een binationale wacht, indien het bewakingspersoneel van de zendstaat dezelfde bevoegdheden heeft als het bewakingspersoneel van de ontvangende Staat.

  • 2 Voor de uitvoering van hun bewakingstaken valt de binationale wacht uitsluitend onder het gezag van de bevoegde wachtsuperieur van de ontvangende Staat.

  • 3 Voor binationale bewakingstaken buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen zullen bijzondere overeenkomsten van toepassing zijn.

Artikel 11. Beveiliging

Gerubriceerde gegevens die ontstaan of worden uitgewisseld als gevolg van de uitvoering van dit Verdrag worden behandeld overeenkomstig multilaterale of bilaterale overeenkomsten, regelingen en procedures inzake de bescherming van gerubriceerde gegevens.

Artikel 12. Toetreding van andere Geallieerde Staten

Andere Staten partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag of het Verdrag van Brussel kunnen, op uitnodiging van de Partijen bij dit Verdrag, tot dit Verdrag toetreden onder nader overeen te komen voorwaarden.

Artikel 13. Uitvoeringsovereenkomsten

Bij dit Verdrag worden uitvoeringsovereenkomsten gesloten.

Artikel 14. Geschillenbeslechting

Alle geschillen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag worden beslecht door middel van onderhandelingen tussen de Verdragsluitende Partijen zonder beroep op derden.

Artikel 15. Slotbepalingen

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving dat aan de nationale vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.

  • 2 Dit Verdrag wordt met ingang van 1 december 1997 voorlopig toegepast overeenkomstig het nationale recht van de Verdragsluitende Partijen.

  • 3 Dit Verdrag kan worden aangevuld of gewijzigd met wederzijdse instemming van de Verdragsluitende Partijen. Aanvullingen of wijzigingen worden op schrift gesteld.

  • 4 Dit Verdrag kan door één van beide Verdragsluitende Partijen worden beëindigd door schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partij met een opzegtermijn van twaalf maanden. De Verdragsluitende Partijen voeren overleg om overeenstemming te bereiken over de wederzijds aanvaardbare voorwaarden van beëindiging.

  • 5 Dit Verdrag wordt iedere vijf jaar na de inwerkingtreding opnieuw in ogenschouw genomen.

  • 6 Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.

GEDAAN te Bergen, op 6 oktober 1997, in tweevoud, elk in de Nederlandse, de Duitse en de Engelse taal, waarbij de drie teksten authentiek zijn. In geval van verschil in interpretaties van de Nederlandse en de Duitse tekst, is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) A. P. VAN WALSUM

(w.g.) J. J. C. VOORHOEVE

Voor de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland

(w.g.) P. HARTMANN

(w.g.) V. RÜHE

Protocol

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,

bij gelegenheid van de ondertekening op 6 oktober 1997 te Bergen van de navolgende Verdragen en Akkoorden:

  • het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en de aan het Korps verbonden eenheden en instellingen,

  • het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de organisatie en activiteien van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en het Air Operations Coordination Center,

  • het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake het ter beschikking stellen van onroerend goed en het medegebruiken van oefenvoorzieningen,

  • het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de door het Koninkrijk der Nederlanden te verlenen ondersteuning bij het beheer van onroerend goed te Budel,

  • het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de door de Bondsrepubliek Duitsland te verlenen ondersteuning bij het beheer van onroerend goed te Seedorf,

  • het Akkoord tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake het medegebruiken van oefenvoorzieningen,

  • het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden,

  • de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten, met inbegrip van het daarbij behorende Protocol,

zijn het volgende overeengekomen:

1

Het Verdrag tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en de aan het Korps verbonden eenheden en instellingen, alsmede het Akkoord tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake de organisatie en activiteiten van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en het Air Operations Coordination Center worden, in afwachting van de inwerkingtreding van beide overeenkomsten conform artikel 15 van het Verdrag en artikel 40 van het Akkoord, met ingang van 1 december 1997 voorlopig toegepast overeenkomstig het nationale recht, met uitzondering van artikel 9, tweede lid, en artikel 10 van het Verdrag.

Met betrekking tot de Overeenkomst van 22 april 1994 tussen de Bondsminister van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de tenuitvoerlegging van de Gemeenschappelijke Verklaring van 30 maart 1993 inzake de oprichting van een multinationaal legerkorps met initiële deelname van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden, de Uitvoeringsovereenkomst van 22 april 1994 tussen de Chef van de Landmachtstaf van de Bondsrepubliek Duitsland en de Bevelhebber der Landstrijdkrachten van het Koninkrijk der Nederlanden, het Verdrag tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Algemene Voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en de aan het Korps verbonden eenheden en instellingen, alsmede het Akkoord tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake de organisatie en de activiteiten van het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps en het Air Operations Coordination Center is overeengekomen dat de eerdere overeenkomsten ongeacht hun buitenwerkingtreding blijven worden toegepast totdat de verdragen waardoor zij worden opgevolgd voorlopig kunnen worden toegepast.

2

Het Akkoord tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake het medegebruiken van oefenvoorzieningen wordt met ingang van 6 oktober 1997 voorlopig toegepast overeenkomstig het nationale recht, in afwachting van de inwerkingtreding conform artikel 10 van het Verdrag tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het ter beschikking stellen van onroerend goed en het medegebruiken van oefenvoorzieningen, in samenhang met nummer 12 van het Akkoord tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden inzake het medegebruiken van oefenvoorzieningen.

Aan enkele delen van het onroerend goed in Budel heeft de Bundeswehr geen behoefte meer. De tot nu toe geldende Budel–Seedorf-Overeenkomst van 2 juli 1963 voorziet niet in teruggave van delen van gebouwen. De teruggave is pas geregeld in artikel 33, vierde lid, van de Aanvullende Overeenkomst NL. De Nederlandse zijde zal reeds vóór de inwerkingtreding van de Aanvullende Overeenkomst NL voorstellen met betrekking tot de teruggave van delen van onroerend goed in welwillende overweging nemen. Bij de inwerkingtreding van het Akkoord Budel wordt Bijlage 1 vervangen door een door de Bundeswehr op te stellen nieuwe plattegrond, waarin de tussentijds teruggegeven en de eventuele andere delen van onroerend goed waarvan op dat tijdstip vaststaat dat ze niet meer nodig zijn, staan aangegeven. Deze delen van onroerend goed zullen geen deel uitmaken van het nieuwe Akkoord.

3

Alle Verdragen en Akkoorden genoemd in de aanhef van dit Protocol zullen, onmiddellijk na hun inwerkingtreding, door de Bondsrepubliek Duitsland worden geregistreerd bij het Secretariaat van de Verenigde Naties, in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties. De Bondsrepubliek Duitsland zal het Koninkrijk der Nederlanden op de hoogte stellen van de registratie en van het VN-registratienummer, zodra dit is bevestigd door het Secretariaat.

4

De Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden zijn het er over eens dat de samenwerking overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de Aanvullende Overeenkomst D en artikel 3, derde lid, van de Aanvullende Overeenkomst NL de samenwerking binnen het korps en het gemeenschappelijke optreden in derde landen omvat.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder de Nederlandse en Duitse tekst van dit Protocol hebben geplaatst.

GEDAAN te Bergen, 6 oktober 1997.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) A. P. VAN WALSUM

(w.g.) J. J. C. VOORHOEVE

Voor de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland

(w.g.) P. HARTMANN

(w.g.) V. RÜHE