Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas, Antwerpen, 17-01-1995

Geldend van 01-07-1996 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Vlaams Gewest,

hierna te noemen de Partijen,

Wensend een nadere regeling te treffen voor:

De wateraftappingen uit de Maas via de Zuid-Willemsvaart te Maastricht;

De vermindering van de waterverliezen van de Maas in geval van lage afvoeren;

De samenwerking bij het onderzoek en de ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas;

en

De compensatie van de zoetwaterverliezen van de Kreekraksluizen;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a. „bevoegde overheden”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister die bevoegd is voor de Waterstaat, en wat het Vlaams Gewest betreft, de minister die bevoegd is voor de Openbare Werken;

  • b. „afvoer”: gemiddelde afvoer per etmaal;

  • c. „Maasafvoer”: de som van de afvoer van de Maas te Maastricht/St.-Pieter en het debiet in het Albertkanaal te Kanne;

  • d. „Gemeenschappelijke Maas”: de rivier de Maas tussen Borgharen/Smeermaas (grenspaal 106) en Stevensweert/Kessenich (grenspaal 126);

  • e. „Nederlands gebruik”: de voeding van de Zuid-Willemsvaart via Lozen en van het Julianakanaal; en

  • f. „Vlaams gebruik”: de voeding van het gedeelte van het Albertkanaal gelegen in het Vlaams Gewest en van de Kempense kanalen.

HOOFDSTUK II. DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS

Artikel 2. Wateraftappingen uit de Maas

  • 1 Ten behoeve van het Vlaams Gewest leidt het Koninkrijk der Nederlanden een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied naar het Vlaams Gewest. Deze hoeveelheid bedraagt ten minste 8 m3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en dient om de Kempense kanalen van water te voorzien.

  • 2 Ten behoeve van het Koninkrijk der Nederlanden voert het Vlaams Gewest een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied door. Deze hoeveelheid bedraagt ten hoogste 10 m3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en door het Vlaams Gewest door middel van duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen naar Nederland geleid.

  • 3 Het gestelde in het eerste en tweede lid is van toepassing behoudens de beperkingen voortvloeiende uit artikel 3.

  • 4 Het Vlaams Gewest zal de duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen in beginsel vóór 1 januari 1996, in overleg met en voor rekening van het Koninkrijk der Nederlanden, geschikt maken om de in het tweede lid bedoelde hoeveelheid te kunnen doorvoeren. Het Vlaams Gewest verbindt zich ertoe de aldus verbeterde of vernieuwde duikers voor zijn rekening te handhaven en te onderhouden.

Artikel 3. Vermindering van de waterverliezen van de Maas

  • 1 Partijen beperken zoveel mogelijk de waterverliezen van de hoofdstroom van de Maas, speciaal in geval van lage afvoeren. Uitgangspunt bij lage afvoeren is een gelijke verdeling tussen het Nederlandse en het Vlaamse gebruik en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het debiet van de Gemeenschappelijke Maas. Partijen volgen daarbij het in bijlage A opgenomen besparingsscenario.

  • 2 Indien een Partij kan aantonen dat beheersmaatregelen of handelingen van een ander land of gewest verhinderen dat het in dit artikel bedoelde besparingsscenario wordt gevolgd, is deze Partij slechts aan haar verplichtingen gehouden voor zover zij deze kan nakomen met maatregelen op haar eigen grondgebied.

  • 3 Ten behoeve van de afvoerregulering in tijden van lage Maasafvoeren onderhouden Partijen het in bijlage B opgenomen meetprogramma.

Artikel 4. Onderzoek en ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas

  • 1 Partijen werken samen bij het rivierkundig en hydrologisch onderzoek van, en bij de hoogwatervoorspelling voor, de Gemeenschappelijke Maas.

  • 2 Partijen werken samen bij het onderzoek van ontwikkelingsmogelijkheden voor de Gemeenschappelijke Maas, daarbij vooral rekening houdend met de grote huidige en potentiële ecologische waarde van dit deel van de Maas.

  • 3 Partijen zullen slechts met wederzijdse instemming het stroomvoerende of waterbergende bed van de Gemeenschappelijke Maas zodanig verruimen of vernauwen dat daardoor op het grondgebied van de andere Partij de waterstanden wezenlijk verhoogd of verlaagd worden. Zonodig zal het effect van deze werken in of aan de rivier door maatregelen elders worden gecompenseerd.

Artikel 5. Werkgroep Afvoerregulering Maas

  • 1 Partijen stellen ten behoeve van de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 2 en 3 een Nederlands–Vlaamse Werkgroep Afvoerregulering Maas in.

  • 2 De bevoegde overheden benoemen elk binnen één maand na het in werking treden van dit Verdrag ten hoogste drie leden in de Werkgroep, onder wie een delegatieleider. De Werkgroep vergadert wanneer zij dit nodig oordeelt, of op verzoek van één van de delegatieleiders, en beslist met eenparigheid van stemmen. De delegaties kunnen zich ter vergadering laten bijstaan door deskundigen.

HOOFDSTUK III. BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 6. Beslechting van geschillen

  • 1 Indien er tussen de Partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, zullen de Partijen dit in de eerste plaats regelen door middel van onderhandeling.

  • 2 Indien de Partijen er niet in slagen het geschil te regelen door middel van onderhandeling, kan het op verzoek van één der Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een gerecht van drie scheidsmannen. De bepalingen betreffende de samenstelling en procedure van het gerecht zijn opgenomen in bijlage C bij dit Verdrag.

  • 3 De beslissingen van het gerecht zijn bindend voor de Partijen.

HOOFDSTUK IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 7. Buitenwerkingtreding van de eerdere regeling van de wateraftappingen uit de Maas

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag wordt de werking opgeschort van de artikelen 3, 4 en 5 van het Tractaat van 12 mei 1863 tot regeling der wateraftappingen uit de Maas, alsmede van de Verklaring, gehecht aan de Overeenkomst van 11 januari 1873 tot wijziging van dit Tractaat.

Artikel 8. Compensatie van de zoetwaterverliezen van de Kreekraksluizen

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag worden de bepalingen vervat in het tweede, derde en vierde lid van artikel 16 van het Verdrag van 13 mei 1963 betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn geacht te zijn vervangen door de in hoofdstuk II van dit Verdrag overeengekomen regelingen.

Artikel 9. Status van de bijlagen

De bijlagen vormen een geïntegreerd onderdeel van dit Verdrag.

Artikel 10. Wijziging

Door Partijen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van dit Verdrag treden in werking op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de vertegenwoordigers van de Regeringen der Partijen, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

OPGEMAAKT in Antwerpen, op 17 januari 1995, in twee originele exemplaren.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. A. F. M. O. VAN MIERLO

(w.g.) A. JORRITSMA-LEBBINK

Voor het Vlaams Gewest,

(w.g.) L. VAN DEN BRANDE

(w.g.) TH. KELCHTERMANS

Bijlage A. Besparingsscenario bedoeld in artikel 3

1

Bij een Maasafvoer tussen 100 m3/s en 60 m3/s (aanloopfase) is het Nederlandse en het Vlaamse gebruik elk ten hoogste 25 m3/s.

2

Bij een Maasafvoer tussen 60 m3/s en 30 m3/s (alarmfase) verzekeren Partijen een minimale afvoer van 10 m3/s over de stuw te Borgharen. Partijen voeren in deze fase gelijkopgaande besparingen door op het in punt 1 bedoelde Nederlandse en Vlaamse gebruik.

3

Bij een Maasafvoer beneden 30 m3/s (crisisfase) verdelen Partijen deze afvoer door verdergaande gelijkopgaande besparingen op het Nederlandse en het Vlaamse gebruik gelijkelijk over het Nederlandse gebruik, het Vlaamse gebruik en de Gemeenschappelijke Maas. Ingeval op het grondgebied van één der Partijen een noodsituatie met betrekking tot de watervoorziening van of uit de Maas dreigt te ontstaan, vindt in de in artikel 5 bedoelde Werkgroep onverwijld overleg plaats over operationele maatregelen om de situatie te verbeteren.

4

Partijen brengen elkaar binnen één jaar na het inwerkingtreden van dit Verdrag hun draaiboek met de besparingsmaatregelen voor de alarmfase en de crisisfase ter kennis. Deze besparingsmaatregelen kunnen onder meer bestaan uit zuinig schutten, het afdichten van lekken in kunstwerken, het terugpompen van schutwater bij sluizen en het verminderen van de watertoevoer naar de land-, tuin- en bosbouw, naar de industrie en naar de waterleidingbedrijven door vermeerderd gebruik van spaarbekkens. Partijen brengen elkaar wijzigingen in het draaiboek zo spoedig mogelijk ter kennis.

Bijlage B. Meetprogramma bedoeld in artikel 3

Partijen meten de afvoer ten minste ter hoogte van Kanne (Albertkanaal), Maastricht (Maas te St.-Pieter), Maastricht (Zuid-Willemsvaart aan de grens), Maastricht (Maas te Borgharen), Lommel (Kanaal Bocholt–Herentals), Lozen (Zuid-Willemsvaart aan de grens) en Bunde (Julianakanaal) continu met automatische apparatuur, die on-line informatie verschaft aan informatiecentra in Nederland en in het Vlaams Gewest. Voor zover niet anders bepaald, draagt elk der Partijen de kosten van de metingen die op haar grondgebied worden verricht. De bevoegde overheden kunnen het meetprogramma aan de voortschrijdende behoefte aanpassen.

Bijlage C. Samenstelling en procedure van het gerecht bedoeld in artikel 6

1

Het in artikel 6 van dit Verdrag genoemde gerecht bestaat uit drie scheidsmannen, van wie elke Partij er één benoemt. De twee aldus gekozen scheidsmannen bereiken overeenstemming over de derde scheidsman. Deze derde scheidsman mag geen onderdaan zijn van, niet in dienst zijn van en niet zijn gewone verblijfplaats hebben in het Koninkrijk der Nederlanden of het Koninkrijk België. Elk van de Partijen wijst een scheidsman aan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de datum waarop één der Partijen van de andere Partij een diplomatieke nota heeft ontvangen waarin om een scheidsrechterlijke beslissing wordt verzocht. Over de derde scheidsman wordt binnen een volgende termijn van dertig dagen overeenstemming bereikt. Indien één der Partijen haar eigen scheidsman niet aanwijst binnen de termijn van dertig dagen of indien over de derde scheidsman niet binnen de genoemde termijn overeenstemming is bereikt, kan de President van het Internationale Gerechtshof door één der Partijen worden verzocht een scheidsman of scheidsmannen te benoemen.

2

Het gerecht regelt zijn eigen werkwijze.

3

Het gerecht beslist bij meerderheid van stemmen.

4

De kosten van het gerecht worden door beide Partijen, elk voor de helft, gedragen. Elke Partij draagt de kosten van zijn vertegenwoordiging in het geding.

5

Het gerecht kan in elke stand van het geding, na Partijen te hebben gehoord, de conservatoire maatregelen voorschrijven die het noodzakelijk acht, of reeds voorgeschreven conservatoire maatregelen intrekken. Zodanige maatregelen lopen niet vooruit op beslissingen in het geding zelf.