Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China inzake de burgerluchtvaart, Beijing, 23-05-1996

Geldend van 01-05-2001 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China inzake de burgerluchtvaart

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Volksrepubliek China inzake de burgerluchtvaart

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China;

Geleid door de wens vriendschappelijke contacten tussen hun beide volken te vergemakkelijken en wederzijdse betrekkingen tot stand te brengen op het gebied van de burgerluchtvaart door een verdrag te sluiten tussen hun Staten (hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen");

Partij zijnde bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld;

Zijn het volgende overeengekomen betreffende de totstandkoming en exploitatie van luchtdiensten tussen en via hun respectieve grondgebieden:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Tenzij het zinsverband anders vereist, wordt in dit Verdrag verstaan onder:

  • 1. „luchtvaartautoriteiten": in het geval van het Koninkrijk der Nederlanden, de Minister van Verkeer en Waterstaat, of elke persoon of instantie die bevoegd is de thans door genoemde autoriteit uitgeoefende functies te vervullen, en in het geval van de Volksrepubliek China, de Algemene Dienst Burgerluchtvaart van China, of elke persoon of instantie die bevoegd is de thans door genoemde dienst uitgeoefende functies te vervullen;

  • 2. „luchtvaartmaatschappij": een luchtvervoersonderneming die internationale luchtdiensten exploiteert of de gelegenheid biedt van internationale luchtdiensten gebruik te maken;

  • 3. „aangewezen luchtvaartmaatschappij": een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag;

  • 4. „luchtdienst": een geregelde luchtdienst, uitgevoerd door luchtvaartuigen, bestemd voor het openbaar vervoer van passagiers, bagage, vracht of post;

  • 5. „internationale luchtdienst": een luchtdienst die door het luchtruim boven het grondgebied van meer dan een Staat voert;

  • 6. „landing, anders dan voor verkeersdoeleinden": een landing, gemaakt anders dan voor het opnemen of afzetten van passagiers, bagage, vracht of post;

  • 7. „tarief": elk bedrag dat door een luchtvaartmaatschappij, rechtstreeks of via haar agenten, in rekening wordt gebracht of zal worden gebracht aan alle natuurlijke personen of rechtspersonen voor het vervoer door de lucht van passagiers (en hun bagage) en vracht (post uitgezonderd), daarbij inbegrepen:

    • I. de voorwaarden voor het beschikbaar zijn en het van toepassing zijn van een tarief; en

    • II. de heffingen en voorwaarden voor alle bij zulk vervoer bijkomende diensten die door de luchtvaartmaatschappijen worden aangeboden;

  • 8. „routetabel": de aan dit Verdrag gehechte routetabel, zoals gewijzigd in overeenstemming met de bepalingen van artikel 17 van dit Verdrag. De routetabel vormt een integrerend bestanddeel van dit Verdrag.

Artikel 2. Verlening van rechten

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij verleent de andere Verdragsluitende Partij de in dit Verdrag genoemde rechten teneinde de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij in staat te stellen internationale luchtdiensten tot stand te brengen en te exploiteren op een in de routetabel omschreven route (hierna te noemen: „de overeengekomen diensten" respectievelijk „de omschreven route").

  • 2 De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elk van beide Verdragsluitende Partijen heeft respectievelijk hebben het recht om zonder landing over het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij te vliegen langs de door de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij voorgeschreven luchtroute, nadat van genoemde autoriteiten de goedkeuring van de desbetreffende seizoensdienstregeling is verkregen.

  • 3 Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag heeft respectievelijk hebben de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij bij de exploitatie van een overeengekomen dienst op een omschreven route de volgende rechten:

    • a. het recht om te landen, anders dan voor verkeersdoeleinden, op (een) punt(en) op de omschreven route op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, na goedkeuring door de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij; en

    • b. het recht om te landen op het (de) punt(en) op de omschreven route op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij voor het opnemen en afzetten van internationaal verkeer in de vorm van passagiers, bagage, vracht en post, afkomstig uit of met een bestemming in eerstbedoelde Verdragsluitende Partij.

  • 4 Het recht van een aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Verdragsluitende Partij tot het opnemen of afzetten van internationaal verkeer van of naar een derde land op (een) punt(en) gelegen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wordt overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten van de beide Verdragsluitende Partijen.

  • 5 Geen van de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel wordt geacht een aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Verdragsluitende Partij het recht te geven tot deelneming aan luchtvervoer tussen punten gelegen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, behoudens het vervoer, niet tegen betaling, van personeelsleden van bedoelde luchtvaartmaatschappij alsmede hun gezinsleden en bagage.

Artikel 3. Aanwijzing van de luchtvaartmaatschappij en verlening van vergunningen

  • 1 Elke Partij heeft het recht schriftelijk aan de andere Verdragsluitende Partij twee (2) luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, en deze aanwijzingen in te trekken of te wijzigen. Slechts één luchtvaartmaatschappij mag door elke zijde worden aangewezen voor de exploitatie van elke van de twee routes beschreven in de bijlage bij dit Verdrag. De voor Route II aangewezen luchtvaartmaatschappij mag slechts vrachtdiensten uitvoeren.

  • 2 Een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijke toezicht op de luchtvaartmaatschappij die door elke Verdragsluitende Partij is respectievelijk zijn aangewezen, blijft berusten bij die Verdragsluitende Partij of haar onderdanen.

  • 3 De luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij kunnen van een door de eerstbedoelde Verdragsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen verlangen dat te hunnen genoegen wordt aangetoond dat zij in staat is respectievelijke zijn te voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn voorgeschreven krachtens de wetten en voorschriften die door hen gewoonlijk en redelijkerwijs worden toegepast bij de exploitatie van internationale luchtdiensten door de betreffende luchtvaartautoriteiten.

  • 4 Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Verdragsluitende Partij, met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit artikel, aan een aldus aangewezen luchtvaartmaatschappij onverwijld de nodige exploitatievergunning.

  • 5 Na ontvangst van de in het vierde lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning kan de aangewezen luchtvaartmaatschappij op de overeengekomen datum een aanvang maken met de gehele of gedeeltelijke exploitatie van de overeengekomen diensten, mits zij aan de bepalingen van dit Verdrag voldoet en de tarieven voor deze diensten zijn vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 van dit Verdrag.

Artikel 4. Intrekking van, opschorting van of het stellen van voorwaarden bij de vergunning

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij heeft het recht de aan een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij verleende exploitatievergunning in te trekken of op te schorten of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te verbinden aan de uitoefening door bedoelde aangewezen luchtvaartmaatschappij van de in artikel 2 van dit Verdrag genoemde rechten in elk van de volgende gevallen:

    • a. indien niet te haren genoegen is aangetoond dat een wezenlijk deel van de eigendom van en het feitelijke toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Verdragsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst of haar onderdanen; of

    • b. indien die luchtvaartmaatschappij nalaat de wetten en voorschriften van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij na te leven; of

    • c. indien de luchtvaartmaatschappij anderszins nalaat de exploitatie te voeren in overeenstemming met de ingevolge dit Verdrag gestelde voorwaarden.

  • 2 Tenzij onmiddellijke intrekking of opschorting van, of het stellen van de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorwaarden aan de exploitatievergunning van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op wetten en voorschriften, wordt dit recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 5. Toepassing van wetten, voorschriften en procedures

  • 1 De wetten, voorschriften en procedures van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de toelating tot, het verblijf op en het vertrek uit haar grondgebied van in internationale luchtdiensten gebruikte luchtvaartuigen, dan wel betreffende het aldaar exploiteren van en vliegen met zodanige luchtvaartuigen, zijn van toepassing op de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij bij de binnenkomst op, verblijf op, het vertrek uit danwel de exploitatie van en deelneming in navigatie op het grondgebied van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij.

  • 2 De wetten en voorschriften van de ene Verdragsluitende Partij betreffende de toelating tot, het verblijf op of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning, vracht of post, zoals voorschriften betreffende binnenkomst, paspoorten, douane en quarantaine, zijn van toepassing op de door de luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij vervoerde passagiers, bemanning, vracht of post bij de binnenkomst en het verblijf op en het vertrek uit het grondgebied van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij. Elke Verdragsluitende Partij verstrekt de andere Verdragsluitende Partij desgevraagd onmiddellijk de tekst van bovengenoemde wetten en voorschriften.

  • 3 Andere relevante wetten en voorschriften betreffende luchtvaartuigen en bepalingen met betrekking tot de burgerluchtvaart van de ene Verdragsluitende Partij zijn van toepassing op de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij bij de exploitatie van de overeengekomen diensten op het grondgebied van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij.

  • 4 Passagiers, bagage en vracht die op directe doorreis zijn en die de daarvoor gereserveerde zone van de luchthaven niet verlaten, worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen.

Artikel 6. Eerlijke en gelijke kansen

  • 1 De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Verdragsluitende Partijen worden op een eerlijke en gelijke wijze in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het internationale luchtvervoer dat door dit Verdrag wordt beheerst.

  • 2 Elke Verdragsluitende Partij treft passende maatregelen binnen haar rechtsmacht ter bestrijding van alle vormen van discriminatie of oneerlijke praktijken die de overeengekomen diensten van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij nadelig beïnvloeden.

  • 3 Bij de exploitatie van de overeengekomen diensten houdt respectievelijk houden de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij rekening met de belangen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij, opdat de diensten die de laatstgenoemde Partij aanbiedt op dezelfde route of op een gedeelte daarvan niet onnodig worden geschaad.

  • 4 De overeengekomen diensten die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij worden aangeboden dienen nauw aan te sluiten op de behoeften van het publiek aan vervoer op de omschreven routes en dienen als voornaamste doelstelling te hebben het bieden van een toereikende capaciteit, bij een redelijke beladingsgraad, om te voorzien in de huidige en redelijkerwijs te verwachten behoeften met betrekking tot het vervoer van passagiers, vracht en post.

  • 5 Het voorzien in het vervoer van passagiers, vracht en post door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij, zowel opgenomen als afgezet op punten op de omschreven routes, niet zijnde punten op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die die luchtvaartmaatschappij of die luchtvaartmaatschappijen aanwijst respectievelijk aanwijzen, geschiedt in overeenstemming met de algemene beginselen dat de capaciteit dient te zijn gerelateerd aan:

    • a. de vervoersbehoeften naar en van het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waardoor de luchtvaartmaatschappij of de luchtvaartmaatschappijen is respectievelijk zijn aangewezen;

    • b. de vervoersbehoeften van de regio waar de overeengekomen dienst doorheen voert, rekening houdend met andere luchtdiensten die zijn ingesteld door luchtvaartmaatschappijen van de Staten die de regio vormen; en

    • c. de eisen welke de exploitatie van doorgaande vluchten stelt.

Artikel 7. Exploitatieregelingen

  • 1 De capaciteit en de frequentie worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

  • 2 De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elk van beide Verdragsluitende Partijen kan respectievelijk kunnen, naargelang de vervoersbehoeften, de exploitatie van een extra gedeelte op een omschreven route aanvragen. De aanvrage om een zodanige vlucht dient ten minste drie dagen voor de voorgenomen uitvoering ervan te worden ingediend bij de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij en de vlucht kan slechts worden uitgevoerd nadat de goedkeuring van die autoriteiten is verkregen.

Artikel 8. Tarieven

  • 1 De tarieven die gelden tussen de grondgebieden van de twee Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld op redelijke niveaus, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met alle relevante factoren, waaronder begrepen de exploitatiekosten, een redelijke winst, kenmerken van de dienst (zoals snelheid en comfort).

  • 2 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde tarieven worden overeengekomen tussen de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide Verdragsluitende Partijen, indien nodig en mogelijk in overleg met andere luchtvaartmaatschappijen die vluchten uitvoeren op dezelfde route of een gedeelte daarvan. De aldus overeengekomen tarieven dienen ten minste zestig (60) dagen voor de voorgestelde datum van invoering van deze tarieven ter goedkeuring te worden voorgelegd aan hun respectieve luchtvaartautoriteiten en zij worden van kracht na goedkeuring door de luchtvaartautoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen.

  • 3 Indien de aangewezen luchtvaartmaatschappijen over een van deze tarieven geen overeenstemming kunnen bereiken, trachten de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen de tarieven vast te stellen door middel van overleg.

  • 4 Indien de luchtvaartautoriteiten geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent de goedkeuring van een ingevolge het tweede lid van dit artikel aan hen voorgelegd tarief of omtrent de vaststelling van een tarief ingevolge het derde lid van dit artikel, wordt de zaak voorgelegd aan de Verdragsluitende Partijen met het oog op beslechting in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18 van dit Verdrag.

  • 5 In afwachting van de vaststelling van een nieuw tarief in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel geldt het reeds van kracht zijnde tarief.

Artikel 9. Verlening van technische diensten en kostentarieven

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij wijst (een) reguliere luchthaven(s) en (een) uitwijkhaven(s) op haar grondgebied aan voor gebruik door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij ten behoeve van de exploitatie van de overeengekomen diensten, en verschaft deze luchtvaartmaatschappij of die luchtvaartmaatschappijen de diensten op het gebied van communicatie, navigatie, meteorologie en de andere bijkomende diensten die nodig zijn voor de exploitatie van de overeengekomen diensten.

  • 2 Aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij worden kosten in rekening gebracht voor het gebruik van luchthavens (met inbegrip van de technische uitrusting en andere voorzieningen en diensten), communicatie- en navigatievoorzieningen en andere bijkomende diensten van de andere Verdragsluitende Partij tegen billijke en redelijke tarieven, voorgeschreven door de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. Deze tarieven mogen niet hoger zijn dan die welke gelden voor luchtvaartmaatschappijen van andere Staten die zich met internationale luchtdiensten bezighouden voor het gebruik van soortgelijke uitrusting, voorzieningen en diensten op het grondgebied van die andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 10. Douanerechten

  • 1 Luchtvaartuigen die door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Verdragsluitende Partij voor internationale luchtdiensten worden gebruikt, alsmede hun normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen (met inbegrip van motoren), brandstoffen, oliën (met inbegrip van hydraulische vloeistoffen), smeermiddelen en boordproviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die zich aan boord van zodanige luchtvaartuigen bevinden, zijn op basis van wederkerigheid vrijgesteld van alle douanerechten, belastingen, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen en rechten bij aankomst op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, mits deze uitrustingsstukken en voorwerpen aan boord van het luchtvaartuig blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

  • 2 De volgende uitrustingsstukken en voorwerpen zijn ook op basis van wederkerigheid vrijgesteld van dezelfde douanerechten, belastingen, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen en kosten, met uitzondering van kosten voor verleende diensten:

    • a. normale uitrustingsstukken, reserveonderdelen (met inbegrip van motoren), brandstoffen, oliën, (met inbegrip van hydraulische vloeistoffen), smeermiddelen en boordproviand (met inbegrip van etenswaren, dranken en tabaksartikelen) die door of ten behoeve van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Verdragsluitende Partij worden ingevoerd op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij of aan boord worden genomen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij uitsluitend voor gebruik of consumptie aan boord van luchtvaartuigen die worden ingezet op internationale diensten, ook wanneer deze uitrustingsstukken of voorwerpen zullen worden gebruikt tijdens het gedeelte van de vlucht dat wordt afgelegd boven het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij;

    • b. reserveonderdelen (met inbegrip van motoren) die worden ingevoerd op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij door of ten behoeve van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij voor onderhoud of reparatie van luchtvaartuigen die worden ingezet op internationale luchtdiensten.

  • 3 Voorraden gedrukte plaatsbewijzen, luchtvrachtbrieven en reclamemateriaal ingevoerd op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij door of ten behoeve van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere Verdragsluitende Partij zijn op basis van wederkerigheid vrijgesteld van alle douanerechten, belastingen, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen en rechten.

  • 4 De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde uitrustingsstukken en voorwerpen mogen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij. Deze uitrustingsstukken en voorwerpen worden onder toezicht of controle gesteld van de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij totdat zij weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

  • 5 De in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde vrijstelling geldt ook wanneer een aangewezen luchtvaartmaatschappij van de ene Verdragsluitende Partij een overeenkomst heeft gesloten met een andere luchtvaartmaatschappij, die eveneens dergelijke vrijstellingen geniet op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, betreffende de bruikleen of overbrenging naar genoemd grondgebied van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde voorwerpen.

  • 6 Bagage en vracht op directe doorreis zijn op basis van wederkerigheid vrijgesteld van alle douanerechten, belastingen, inspectiekosten en andere soortgelijke heffingen en rechten, met uitzondering van kosten die overeenkomen met de verleende diensten.

Artikel 11. Vertegenwoordiging en personeel

  • 1 De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij heeft of hebben het recht om op basis van wederkerigheid op het (de) aangevlogen punt(en) op de omschreven routes op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij:

    • a. (een) vertegenwoordiging(en) op te zetten;

    • b. kantoren te vestigen voor de bevordering van het luchtvervoer en de verkoop van haar respectievelijk hun eigen bescheiden, zoals vliegbiljetten en luchtvrachtbrieven alsmede andere voor het verzorgen van luchtvervoer benodigde voorzieningen.

  • 2 Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij toegestaan om zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij via haar respectievelijk hun wettig gemachtigde verkoopagenten bezig te houden met de verkoop van luchtvervoer.

  • 3 Het is de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de ene Verdragsluitende Partij toegestaan om haar respectievelijk hun in verband met het verzorgen van luchtvervoer benodigde leidinggevend, commercieel, operationeel en technisch personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij. De personeelsleden van de vertegenwoordiging van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van elke Verdragsluitende Partij dienen onderdanen te zijn van één van beide Verdragsluitende Partijen. Dit personeel is onderworpen aan de wetten en voorschriften die van kracht zijn op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij verschaft de voor een doelmatige exploitatie van de overeengekomen diensten benodigde bijstand en voorzieningen aan de vertegenwoordiging en haar personeel van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 5 De bemanningsleden van de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elk van beide Verdragsluitende Partijen op vluchten van en naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dienen onderdanen van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij te zijn. Indien een aangewezen luchtvaartmaatschappij van één van beide Verdragsluitende Partijen op vluchten van en naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bemanningsleden van een andere nationaliteit in dienst wenst te nemen, dient de voorafgaande toestemming van die andere Verdragsluitende Partij te worden verkregen.

Artikel 12. Omwisseling en overboeking van inkomsten

  • 1 De aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke Verdragsluitende Partij heeft respectievelijk hebben het recht om, op basis van wederkerigheid, haar respectievelijk hun op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij ontvangen inkomsten over te boeken naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waardoor de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen wordt respectievelijk worden aangewezen.

  • 2 De omwisseling en overboeking van deze inkomsten geschieden in inwisselbare valuta tegen de feitelijke wisselkoers die geldt op de datum van overboeking.

  • 3 Elke Verdragsluitende Partij vergemakkelijkt de omwisseling en overboeking van inkomsten die op haar grondgebied door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van de andere Verdragsluitende Partij zijn ontvangen en helpt bedoelde luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen bij het vervullen van de desbetreffende formaliteiten.

Artikel 13. Veiligheid van de luchtvaart

  • 1 De Verdragsluitende Partijen bevestigen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar om de veiligheid van de burgerluchtvaart te beschermen tegen wederrechtelijke belemmering ervan een integrerend bestanddeel van dit Verdrag vormt. De Verdragsluitende Partijen handelen in het bijzonder in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokyo op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te 's-Gravenhage op 16 december 1970, en het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971.

  • 2 De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van zodanige luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanningsleden, luchthavens en voorzieningen voor de luchtvaart, alsmede van elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

  • 3 De Verdragsluitende Partijen handelen in hun onderlinge betrekkingen overeenkomstig de beveiligingsvoorschriften voor de luchtvaart en de technische vereisten die zijn vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en die als Bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart zijn aangewezen, voor zover deze beveiligingsvoorschriften en vereisten op de Verdragsluitende Partijen van toepassing zijn; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die bij hen zijn geregistreerd of exploitanten van luchtvaartuigen die hun voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening of hun vaste woon- of verblijfplaats op hun grondgebied hebben, in overeenstemming met deze beveiligingsvoorschriften en -vereisten voor de luchtvaart handelen.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij stemt ermee in dat van deze exploitanten van luchtvaartuigen kan worden verlangd dat zij de beveiligingsvoorschriften en vereisten die zijn vastgesteld door de andere Verdragsluitende Partij voor de binnenkomst in, het vertrek uit of het verblijf op het grondgebied van deze Verdragsluitende Partij naleven. Elke Verdragsluitende Partij ziet erop toe dat op haar grondgebied daadwerkelijk toereikende maatregelen worden getroffen om de veiligheid van de luchtvaartuigen te beschermen vóór en tijdens het aan boord gaan of inladen, en om passagiers, bemanning, bagage, vracht en boordproviand aan controle te onderwerpen vóór het aan boord gaan of inladen. Elke Verdragsluitende Partij neemt tevens elk verzoek van de andere Verdragsluitende Partij om redelijke bijzondere veiligheidsmaatregelen tegen een specifieke bedreiging welwillend in overweging.

  • 5 Wanneer zich een voorval voordoet van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen of van een andere [Red: Lees: van andere] wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van zodanige luchtvaartuigen, hun passagiers en bemanning, luchthavens of voorzieningen voor de luchtvaart, of dreigt zich voor te doen, verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar bijstand door de verbindingen en andere passende maatregelen die bedoeld zijn om op snelle en veilige wijze aan zulk een voorval of de dreiging daarvan een einde te maken, te vergemakkelijken.

Artikel 14. Verstrekking van statistische gegevens

De luchtvaartautoriteiten van elk van beide Verdragsluitende Partijen verstrekken de luchtvaartautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij desgevraagd statistische gegevens die redelijkerwijs vereist kunnen zijn om de capaciteit die de door de aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij geëxploiteerde overeengekomen diensten op de omschreven routes biedt, opnieuw te bezien.

Deze gegevens dienen alle informatie te omvatten die vereist is om de door bedoelde luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen op de overeengekomen diensten vervoerde hoeveelheid verkeer te bepalen.

Artikel 15. Erkenning van bewijzen en vergunningen

Elke Verdragsluitende Partij erkent het geldige bewijs van luchtwaardigheid, het bewijs van bevoegdheid en vergunningen die zijn uitgereikt of geldig verklaard door de andere Verdragsluitende Partij voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes, mits de normen voor deze bewijzen en vergunningen gelijkwaardig zijn aan of hoger liggen dan het in overeenstemming met het Verdrag inzake de burgerluchtvaart vastgestelde minimumniveau.

Artikel 15 bis. Veiligheid van het luchtverkeer

Elk van beide luchtvaartautoriteiten kan om technische besprekingen vragen inzake de veiligheidsnormen die door de andere luchtvaartautoriteit worden gehandhaafd en gehanteerd met betrekking tot de luchtvaartvoorzieningen, bemanningen, luchtvaartuigen, technisch toezicht en de exploitatie van de luchtvaartmaatschappijen die de vervoerdiensten exploiteren die tussen beide luchtvaartautoriteiten zijn overeengekomen. Indien, na deze technische besprekingen, de ene luchtvaartautoriteit van mening is dat de andere luchtvaartautoriteit veiligheidsnormen en -eisen in deze gebieden die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in overeenstemming met het Verdrag inzake de Burgerluchtvaart, tweede versie (1988), vast te stellen minimumnormen, niet effectief handhaaft en toepast, wordt de andere luchtvaartautoriteit in kennis gesteld van deze opvatting en van de stappen die noodzakelijk worden geacht om aan deze minimumnormen te voldoen, en neemt de andere luchtvaartautoriteit adequate maatregelen tot verbetering.

Elk van beide luchtvaartautoriteiten behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning of de technische vergunning van de betrokken luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen met onmiddellijke ingang te weigeren, in te trekken of te beperken indien de andere luchtvaartautoriteit nalaat dergelijke adequate maatregelen tot verbetering te nemen binnen een redelijke tijd.

Artikel 16. Overleg

  • 1 De Verdragsluitende Partijen waarborgen, in een geest van nauwe samenwerking en wederzijdse steun, de correcte uitvoering en bevredigende naleving van de bepalingen van het Verdrag. Hiertoe plegen de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen van tijd tot tijd overleg.

  • 2 Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde verzoeken om overleg met de andere Verdragsluitende Partij betreffende het Verdrag. Dit overleg vangt zo spoedig mogelijk aan, doch ten minste binnen zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hiertoe door de andere Verdragsluitende Partij, tenzij anders overeengekomen.

Artikel 17. Wijzigingen

  • 1 Indien één van beide Verdragsluitende Partij het wenselijk acht een bepaling van dit Verdrag of de Bijlage daarbij te wijzigen, kan zij te allen tijde verzoeken om overleg met de andere Verdragsluitende Partij. Dit overleg, dat tussen de luchtvaartautoriteiten kan plaatsvinden en kan geschieden door middel van besprekingen of briefwisseling, vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek hiertoe door de andere Verdragsluitende Partij, tenzij beide Verdragsluitende Partijen instemmen met een verlenging van deze termijn.

  • 2 Elke wijziging op dit Verdrag of de Bijlage daarbij, overeengekomen na het in het eerste lid van dit artikel bedoelde overleg, wordt van kracht wanneer zij is bevestigd door middel van een notawisseling langs diplomatieke weg.

Artikel 18. Beslechting van geschillen

  • 1 Indien tussen de Verdragsluitende Partijen enig geschil rijst met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de luchtvaartautoriteiten van de beide Verdragsluitende Partijen dit geschil in de eerste plaats te beslechten door middel van onderhandelingen.

  • 2 Indien de luchtvaartautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen er niet in slagen genoemd geschil te beslechten, wordt het langs diplomatieke weg beslecht.

Artikel 19. Beëindiging

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan te allen tijde de andere Verdragsluitende Partij langs diplomatieke weg kennis geven van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Dit Verdrag treedt in dat geval buiten werking zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de andere Verdragsluitende Partij, tenzij deze kennisgeving voor het verstrijken van deze termijn via een regeling tussen de Verdragsluitende Partijen wordt ingetrokken.

Artikel 20. Registratie bij de ICAO

Dit Verdrag en alle wijzigingen daarop worden geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

Artikel 21. Werkingssfeer

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag slechts van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de datum van ondertekening.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Peking op 23 mei 1996 in de Nederlandse, de Chinese en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

In geval van verschillen tussen de teksten is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) D. J. VAN HOUTEN

Voor de Regering van de Volksrepubliek China,

(w.g.) CHEN

Bijlage Routetabel [Red: De vertaling van de Bijlage is niet beschikbaar.]

Route I:

  • A. For the Kingdom of the Netherlands:

    The airline designated by the Kingdom of the Netherlands shall be entitled to operate the agreed services on the following route in both directions:

    Points in the Netherlands-two intermediate points-Beijing Shanghai and/or Nanjing

  • B. For the People's Republic of China:

    The airline designated by the People's Republic of China shall be entitled to operate the agreed services on the following route in both directions:

    Points in China-two intermediate points-Amsterdam

Route II (all-cargo services):

  • A. For the Kingdom of the Netherlands:

    The airline designated by the Kingdom of the Netherlands shall be entitled to operate the agreed all-cargo services on the following route in both directions:

    Points in the Netherlands-four intermediate points-Guangzhou Nanjing

    In the absence of the designation of an all-cargo service carrier, the Kingdom of the Netherlands may grant permission to the Netherlands airline designated on Route I to operate all-cargo services on this route.

  • B. For the People's Republic of China:

    The airline designated by the People's Republic of China shall be entitled to operate the agreed all-cargo services on the following route in both directions:

    Points in China-four intermediate points-Amsterdam

    In the absence of the designation of an all-cargo service carrier, the People's Republic of China may grant permission to the Chinese airline designated on Route I to operate all-cargo services on this route.

* The intermediate points of the agreed services shall be agreed upon between the two aeronautical authorities and may be changed after agreement between the aeronautical authorities.

** The designated airlines of either Contracting Party may omit on any or all flights, any point on the specified route, provided the agreed services begin and terminate on the territory of the Contracting Party designating the airline.

*** The designated airline of either Contracting Party may only exercise fifth freedom traffic rights to and from intermediate points after agreement of the aeronautical authorities of both Contracting Parties.