Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen, Kiev, 14-07-1994

Geldend van 01-06-1997 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Oekraïne,

hierna aangeduid als de Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij betreft,

In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen op basis van wederkerigheid hiertoe zal bijdragen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a. omvat de term „investeringen": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

    • i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen;

    • ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen;

    • iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op elke prestatie die economische waarde heeft:

    • iv. rechten op het gebied van de industriële en de intellectuele eigendom, zoals auteursrechten, octrooien. industriële ontwerpen of modellen, handels- of dienstmerken, handelsnamen, technische werkwijzen, goodwill en know-how, en overige soortgelijke rechten;

    • v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren, ontginnen of winnen van natuurlijke rijkdommen, alsmede alle overige rechten verleend krachtens het recht, krachtens een overeenkomst of krachtens een beslissing van de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het recht.

  • b. omvat de term „onderdanen" met betrekking tot elk van beide Verdragsluitende Partijen:

    • i. natuurlijke personen die de nationaliteit van die Verdragsluitende Partij hebben;

    • ii. rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Verdragsluitende Partij;

    • iii. rechtspersonen die niet zijn opgericht krachtens het recht van die Partij, maar die onder toezicht staan van natuurlijke personen zoals omschreven onder i of van rechtspersonen zoals omschreven onder ii hierboven.

  • c. omvat de term „grondgebied" met betrekking tot eik van beide Verdragsluitende Partijen het grondgebied onder haar soevereiniteit en de zeegebieden en submariene gebieden waarover de Verdragsluitende Partij, in overeenstemming met het internationale recht, soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent.

Artikel 2

Elke Verdragsluitende Partij bevordert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij. Met inachtneming van het recht van elke Verdragsluitende Partij de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, laat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

Artikel 3

  • 1 Elke Verdragsluitende Partij kent op haar grondgebied aan investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij toekent aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

  • 2 Elke Verdragsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen. Elke Verdragsluitende Partij kent aan die investeringen volledige fysieke zekerheid en bescherming toe.

  • 3 Indien een Verdragsluitende Partij onderdanen van een derde Staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van interim-overeenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die Verdragsluitende Partij niet verplicht zodanige voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 4 Elke Verdragsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot de behandeling van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij.

  • 5 Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van één van beide Verdragsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent elke Verdragsluitende Partij aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij die zich op haar grondgebied bezighouden met economische activiteiten, verband houdend met een investering, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke in dezelfde omstandigheden wordt toegekend aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die Partij toegekend:

  • a. krachtens een verdrag ter vermijding van dubbele belasting: of

  • b. uit hoofde van haar deelneming aan een douane-unie, economische unie, vrijhandelszone of soortgelijke instelling; of

  • c. op basis van wederkerigheid met een derde Staat.

Artikel 5

De Verdragsluitende Partijen waarborgen dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder onnodige beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

  • a. winsten, interesten, dividenden en andere lopende inkomsten;

  • b. gelden nodig

    • i. voor het verwerven van grondstoffen of hulpmaterialen, halffabrikaten of eindprodukten, of

    • ii. om kapitaalgoederen te vervangen ten einde de continuïteit van een investering te waarborgen;

  • c. bijkomende gelden nodig voor de ontwikkeling van een investering;

  • d. gelden voor de terugbetaling van leningen;

  • e. royalty's of honoraria;

  • f. inkomsten uit arbeid van natuurlijke personen;

  • g. de opbrengst van de verkoop of de gedeeltelijke of gehele liquidatie van de investering.

Artikel 6

Geen der Verdragsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang;

  • b. de maatregelen zijn niet discriminatoir of in strijd met enige verbintenis die de Verdragsluitende Partij die deze maatregelen neemt, is aangegaan;

  • c. de maatregelen gaan vergezeld van een billijke schadeloosstelling. Deze schadeloosstelling dient overeen te komen met de redelijk geachte marktwaarde van de desbetreffende investeringen onmiddellijk voordat de maatregelen bekend werden en de waarde van de investering erdoor werd aangetast, dient rente te omvatten tegen een op marktbasis vastgestelde commerciële rentevoet vanaf de datum waarop de maatregelen werden genomen tot de datum van betaling en dient, wil zij doeltreffend zijn voor de gerechtigden, zonder onnodige vertraging te worden betaald en te kunnen worden overgemaakt naar het door de betrokken gerechtigden aangewezen land en in de valuta van het land waarvan de gerechtigden onderdaan zijn of in een door de gerechtigden aanvaarde vrij inwisselbare valuta.

Artikel 7

Aan onderdanen van de ene Verdragsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand. oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstgenoemde Verdragsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Verdragsluitende Partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8

Indien de inversteringen van een onderdaan van de ene Verdragsluitende Partij verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechten van de bedoelde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering door de andere Verdragsluitende Partij erkend.

Artikel 9

  • 1 Een geschil tussen een van beide Verdragsluitende Partijen en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij betreffende een investering van die onderdaan op het grondgebied van de eerstbedoelde Partij wordt, voor zover mogelijk, door de partijen bij het geschil in der minne geschikt.

  • 2 Indien een dergelijk geschil niet kan worden beslecht binnen een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop een van beide partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht, wordt het geschil op verzoek van de betrokken onderdaan voorgelegd aan een scheidsgerecht.

  • 3 Indien beide Verdragsluitende Partijen partij zijn geworden bij het Verdrag inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen Staten en onderdanen van andere Staten van 18 maart 1965, worden geschillen tussen een van de Verdragsluitende Partijen en onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij krachtens het eerste lid van dit artikel ter beslechting door bemiddeling of arbitrage voorgelegd aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen.

  • 4 Indien de betrokken Verdragsluitende Partij geen Verdragsluitende Staat is bij het in het derde lid genoemde Verdrag, of dit nog niet is geworden, kan het geschil, naar keuze van de betrokken onderdaan, worden voorgelegd aan:

    • a. het Internationale Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen, ingesteld ingevolge het in het derde lid genoemde Verdrag krachtens de voorschriften waaraan de Additional Facility voor het verlenen van administratieve diensten bij geschillen door het Secretariaat van het Centrum (Additional Facility Rules) onderworpen is; of

    • b. een internationaal scheidsman of scheidsgerecht ad hoc, te benoemen bij een bijzondere overeenkomst of te vormen ingevolge de Arbitrageregels van de Commissie inzake internationaal handelsrecht van de Verenigde Naties. De partijen bij het geschil kunnen schriftelijk overeenkomen deze regels te wijzigen. Scheidsrechterlijke uitspraken zijn onherroepelijk en bindend, en dienen in overeenstemming met het nationale recht ten uitvoer te worden gebracht.

  • 5 Een rechtspersoon die de nationaliteit van de ene Verdragsluitende Partij heeft en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt voor de toepassing van artikel 25, tweede lid, letter b, van het in het derde lid hierboven genoemde Verdrag behandeld als een onderdaan van die andere Verdragsluitende Partij.

  • 6 Elke Verdragsluitende Partij stemt hierbij onvoorwaardelijk in met onderwerping van geschillen aan internationale arbitrage in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.

  • 7 Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan het recht van partijen bij een geschil om het geschil onderling in der minne te schikken op ieder gewenst tijdstip.

Artikel 10

De bepalingen van dit Verdrag zijn, vanaf de datum waarop dit in werking treedt, ook van toepassing op investeringen die vóór die datum zijn gedaan.

Artikel 11

Elk der Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag. De andere Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor een dergelijk overleg.

Artikel 12

  • 1 Een geschil tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van één van beide Partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Partij benoemt één scheidsman en de aldus benoemde scheidsmannen benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een der Partijen is, tot hun voorzitter.

  • 2 Indien één van beide Partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 3 Indien de beide scheidsmannen niet binnen twee maanden na hun benoeming tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk der Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 4 Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Verdragsluitende Partijen, wordt de Vice-president verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-president verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is, beschikbaar is en geen onderdaan is van één der Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 5 Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van dit Verdrag en overige relevante verdragen tussen de twee Verdragsluitende Partijen, de regels van het internationale recht en de relevante regels van het nationale recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht om het geschil ex aequo et bono te regelen, indien de Partijen daarmee instemmen.

  • 6 Tenzij de Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

  • 7 Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak bij meerderheid van stemmen. Een zodanige uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de Partijen.

  • 8 Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van het door die Verdragsluitende partij aangewezen lid. De kosten van de voorzitter alsook alle overige kosten worden in gelijke delen gedragen door de twee Verdragsluitende Partijen.

Artikel 13

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij anders is bepaald in de in artikel 14, eerste lid, bedoelde mededeling.

Artikel 14

  • 1 Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden landen daarvoor constitutioneel of wettelijk vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht voor een tijdvak van vijftien jaar.

  • 2 Tenzij ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide Verdragsluitende Partijen mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke Verdragsluitende Partij zich het recht voorbehoudt dit Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

  • 3 Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

  • 4 Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Kiev op 14 juli 1994, in de Nederlandse, de Oekraïense en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) R. H. SERRY

Voor de Regering van Oekraïne:

(w.g.) O. SLEPICHEV

Protocol bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oekraïne inzake bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen hebben de ondertekenende vertegenwoordigers overeenstemming bereikt over de volgende bepaling, die een integrerend onderdeel van het Verdrag vormt:

Overeengekomen is dat krachtens artikel 2 bijzondere voorwaarden van toepassing kunnen zijn overeenkomstig de Oekraïense wetgeving betreffende de verwerving van eigendomsrechten in verband met privatisering, concessies en de aankoop van grond.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) R. H. SERRY

Voor de Regering van Oekraïne:

(w.g.) O. SLEPICHEV