Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië inzake [...] bescherming van investeringen; Tirana, 15-04-1994, Tirana, 15-04-1994

Geldend van 01-09-1995 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen; Tirana, 15-04-1994

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Albanië inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Albanië, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen,

Geleid door de wens de van oudsher tussen hun landen bestaande vriendschapsbanden te versterken, de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat investeringen door de onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreft,

In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke buitenlandse investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze Overeenkomst omvat de term:

  • a. „investeringen": alle soorten vermogensbestanddelen en in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

    • i. roerende en onroerende zaken, alsmede alle andere zakelijke rechten met betrekking tot alle soorten vermogensbestanddelen;

    • ii. rechten ontleend aan aandelen, obligaties en andere soorten belangen in ondernemingen en gezamenlijke ondernemingen;

    • iii. recht op geld, op andere vermogensbestanddelen of op iedere prestatie die economische waarde heeft;

    • iv. rechten op het gebied van de intellectuele eigendom, met inbegrip van rechten betreffende technische werkwijzen, goodwill en know-how;

    • v. rechten verleend krachtens het publiekrecht, met inbegrip van rechten tot het opsporen, exploreren en winnen van natuurlijke rijkdommen;

  • b. „onderdanen":

    • i.

      • - met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, iedere natuurlijke persoon die zijn nationaliteit heeft in overeenstemming met zijn recht;

      • - met betrekking tot de Republiek Albanië, iedere natuurlijke persoon die haar staatsburgerschap bezit in overeenstemming met haar recht;

    • ii. met betrekking tot elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen, rechtspersonen die zijn opgericht krachtens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij;

    • iii. met betrekking tot elk van beide Overeenkomstsluitende Partijen, rechtspersonen die niet zijn opgericht krachtens het recht van die Overeenkomstsluitende Partij, maar die, direct of indirect, onder toezicht staan van natuurlijke personen zoals omschreven onder i. of van rechtspersonen zoals omschreven onder ii. hierboven

  • c. „grondgebied":

    • i. met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden, het grondgebied dat het Koninkrijk der Nederlanden vormt;

    • ii. met betrekking tot de Republiek Albanië, het grondgebied dat de Republiek Albanië vormt;

    De term „grondgebied" omvat eveneens de zeegebieden grenzend aan de kust van de betrokken Staat, voor zover die Staat overeenkomstig het internationale recht soevereine rechten of rechtsmacht in deze gebieden uitoefent.

Artikel 2

Elke Overeenkomstsluitende Partij bevordert, binnen het kader van haar wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op haar grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Met inachtneming van het recht van elke Overeenkomstsluitende Partij de door haar wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, laat elke Overeenkomstsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

Artikel 3

  • 1 Elke Overeenkomstsluitende Partij waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen.

  • 2 In het bijzonder kent elke Overeenkomstsluitende Partij dergelijke investeringen een volledige fysieke zekerheid en bescherming toe, die in elk geval niet minder is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van haar eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

  • 3 Indien een Overeenkomstsluitende Partij onderdanen van een derde Staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van interimovereenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die Overeenkomstsluitende Partij niet verplicht zodanige voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 4 Elke Overeenkomstsluitende Partij komt alle verplichtingen na die zij is aangegaan met betrekking tot de behandeling van investeringen van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 Indien naast deze Overeenkomst de wettelijke bepalingen van één van beide Overeenkomstsluitende Partijen of verplichtingen krachtens internationaal recht, die thans tussen de Overeenkomstsluitende Partijen bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in deze Overeenkomst is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven deze Overeenkomst.

Artikel 4

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent iedere Overeenkomstsluitende Partij aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij die zich op haar grondgebied met economische activiteiten bezighouden, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan haar eigen onderdanen of aan die van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die Partij toegekend:

  • a. krachtens een overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting; of

  • b. uit hoofde van haar deelneming aan een douane-unie, economische unie of soortgelijke instelling; of

  • c. op basis van wederkerigheid met een derde Staat.

Artikel 5

De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder onnodige beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

  • a. winsten, interesten, dividenden en andere lopende inkomsten;

  • b. gelden nodig

    • i. voor het verwerven van grondstoffen of hulpmaterialen, halffabrikaten of eindprodukten, of

    • ii. om kapitaalgoederen te vervangen ten einde de continuïteit van een investering te waarborgen;

  • c. bijkomende gelden, nodig voor de ontwikkeling van een investering;

  • d. gelden voor terugbetaling van leningen;

  • e. royalty's of honoraria;

  • f. inkomsten uit arbeid van natuurlijke personen;

  • g. de opbrengst van de verkoop of liquidatie van de investering.

Artikel 6

Geen der Overeenkomstsluitende Partijen neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de maatregelen worden genomen in het algemeen belang en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang;

  • b. de maatregelen zijn niet discriminatoir of in strijd met enige verbintenis die de Overeenkomstsluitende Partij die deze maatregelen neemt, is aangegaan;

  • c. de maatregelen gaan vergezeld van een regeling voor de betaling van een billijke schadeloosstelling. Deze schadeloosstelling dient overeen te komen met de werkelijke waarde van de desbetreffende investeringen, dient rente te omvatten tegen een gewone commerciële rentevoet tot de datum van betaling, en dient, wil zij doeltreffend zijn. voor de gerechtigden, zonder onredelijke vertraging te worden betaald en te kunnen worden overgemaakt naar het door de betrokken gerechtigden aangewezen land en in de valuta van het land waarvan de gerechtigden onderdaan zijn of in een door de gerechtigden aanvaarde vrij inwisselbare valuta.

Artikel 7

Aan onderdanen van de ene Overeenkomstsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij wegens oorlog of een andergewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt door de laatstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Overeenkomstsluitende Partij toekent aan haar eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Overeenkomstsluitende Partij krachtens een bij wet ingesteld stelsel verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar in de rechnten van de genoemde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering, door de andere Overeenkomstsluitende Partij erkend.

Artikel 9

  • 1 Een geschil tussen de ene Overeenkomstsluitende Partij en een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij betreffende een investering van die onderdaan op het grondgebied van de eerstbedoelde Partij wordt, indien mogelijk, door de partijen bij het geschil in der minne geschikt.

  • 2 Indien een dergelijk geschil niet kan worden beslecht binnen een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop een van beide partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht, wordt het geschil op verzoek van de betrokken onderdaan voorgelegd aan een internationaal scheidsgerecht dat wordt ingesteld krachtens de Arbitragevoorschriften van de Commissie voor Internationaal Handelsrecht van de Verenigde Naties.

  • 3 Indien beide Overeenkomstsluitende Partijen partij zijn geworden bij het Verdrag inzake de beslechting van investeringsgeschillen tussen Staten en onderdanen van andere Staten van 18 maart 1965, worden geschillen tussen een van de Overeenkomstsluitende Partijen en onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij krachtens het eerste lid van dit artikel ter beslechting door bemiddeling of arbitrage voorgelegd aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen.

  • 4 Een rechtspersoon die de nationaliteit van de ene Overeenkomstsluitende Partij heeft en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Overeenkomstsluitende Partij, wordt voor de toepassing van artikel 25, tweede lid, letter b, van het in het derde lid hierboven genoemde Verdrag behandeld als een onderdaan van die andere Overeenkomstsluitende Partij.

  • 5 Elke Overeenkomstsluitende Partij stemt hierbij onvoorwaardelijk in met onderwerping van geschillen aan internationale arbitrage in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel.

  • 6 Scheidsrechterlijke uitspraken zijn onherroepelijk en bindend, en dienen in overeenstemming met het nationale recht ten uitvoer te worden gebracht.

Artikel 10

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn, vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, eveneens van toepassing op investeringen die voor die datum zijn gedaan.

Artikel 11

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen kan aan de andere Partij voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst. De andere Partij neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor een dergelijk overleg.

Artikel 12

  • 1 Enig geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anderszins zijn overeengekomen, op verzoek van één van beide Partijen voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Partij benoemt één scheidsman en de aldus benoemde scheidsmannen benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een der Overeenkomstsluitende Partijen is, tot hun voorzitter.

  • 2 Indien één van beide Partijen nalaat haar scheidsman te benoemen en indien zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Partij binnen twee maanden tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Partij de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 3 Indien de beide scheidsmannen niet binnen twee maanden na hun benoeming tot overeenstemming kunnen geraken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk der Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

  • 4 Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Overeenkomstsluitende Partijen, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van één van beide Partijen, wordt het lid van het Gerechtshof dat het hoogst in anciënniteit is, beschikbaar is en geen onderdaan is van één der Partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

  • 5 Het scheidsgerecht beslist op basis van deze Overeenkomst en andere toepasselijke overeenkomsten tussen de twee Overeenkomstsluitende Partijen, universeel erkende regels en beginselen van het internationale recht, en toepasselijke regels van het nationale recht.

    Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Partijen voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het scheidsgerecht in het geschil een uitspraak ex aequo et bono te doen, indien de Partijen daarmee instemmen.

  • 6 Tenzij de Partijen anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

  • 7 Het scheidsgerecht doet zijn uitspraak bij meerderheid van stemmen. Een zodanige uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de Partijen.

Artikel 13

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden is deze Overeenkomst van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij in de in artikel 14, eerste lid, bedoelde mededeling anders wordt bepaald.

Artikel 14

  • 1 Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de in hun onderscheiden landen hiertoe vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar.

  • 2 Tenzij door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur mededeling van beëindiging is gedaan, wordt deze Overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden voor de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

  • 3 Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan voor de datum van beëindiging van deze Overeenkomst, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

  • 4 Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van deze Overeenkomst ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Tirana op 15 april 1994 in de Nederlandse, de Albanese en de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) G. C. M. VAN PALLANDT

Voor de Regering van de Republiek Albanië:

(w.g.) S. BELORTAJA