Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Oporto, 02-05-1992

Geldend van 12-04-2014 t/m heden

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Authentiek : NL

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

de Europese Gemeenschap,

het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

en

IJsland,

het Vorstendom Liechtenstein,

het Koninkrijk Noorwegen,

hierna de OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN te noemen;

OVERTUIGD van de bijdrage die een Europese Economische Ruimte zal leveren aan de totstandbrenging van een Europa gebaseerd op vrede, democratie en mensenrechten;

OPNIEUW BEVESTIGEND de hoge prioriteit die wordt toegekend aan de bevoorrechte relatie tussen de Europese Gemeenschap, haar Lid-Staten en de EVA-Staten gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit;

VASTBESLOTEN op basis van de beginselen van de markteconomie bij te dragen aan de mondiale vrijmaking van de handel en internationale samenwerking op handelsgebied, met name in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en de Overeenkomst betreffende de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

OVERWEGENDE het oogmerk een dynamische en homogene Europese Economische Ruimte tot stand te brengen, gebaseerd op gemeenschappelijke regels en gelijke mededingingsvoorwaarden, en voorzien van een passend uitvoeringsmechanisme, mede op gerechtelijk niveau, een en ander op basis van gelijkheid en wederkerigheid en van een algeheel evenwicht wat betreft de voordelen en de rechten en plichten voor de overeenkomstsluitende partijen;

VASTBESLOTEN te voorzien in een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele Europese Economische Ruimte, alsmede in een sterkere en ruimere samenwerking op het gebied van begeleidende en horizontale beleidsmaatregelen;

STREVENDE naar een harmonische ontwikkeling van de Europese Economische Ruimte en overtuigd van de noodzaak via de uitvoering van deze Overeenkomst bij te dragen aan vermindering van de economische en sociale regionale verschillen;

VERLANGENDE bij te dragen aan de versterking van de samenwerking tussen de leden van het Europese Parlement en de parlementen van de EVA-Staten alsmede tussen de sociale partners in de Europese Gemeenschap en de EVA-Staten;

OVERTUIGD van de belangrijke rol die personen in de Europese Economische Ruimte via de uitoefening van de door deze Overeenkomst aan hen toegekende rechten en via een verdediging daarvan in rechte zullen spelen;

VASTBESLOTEN de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren en zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met name op basis van het beginsel van duurzame ontwikkeling en preventief handelen;

VASTBESLOTEN bij de verdere uitwerking van regels uit te gaan van een hoog beschermingsniveau wat betreft de gezondheid, de veiligheid en het milieu;

WIJZENDE op het belang van de ontwikkeling van de sociale dimensie, inclusief de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, in de Europese Economische Ruimte en wensende de economische en sociale vooruitgang te verzekeren en de voorwaarden voor volledige werkgelegenheid, een hogere levensstandaard en betere arbeidsvoorwaarden binnen de Europese Economische Ruimte te verbeteren;

VASTBESLOTEN de belangen van de consumenten te bevorderen en hun positie op de markt te versterken, waarbij een hoog beschermingsniveau wordt nagestreefd;

VERLANGENDE de gemeenschappelijke doelstellingen van versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese industrie en verbetering van haar internationale concurrentiepositie te verwezenlijken;

OVERWEGENDE dat de sluiting van deze Overeenkomst op generlei wijze afbreuk doet aan de mogelijkheid van een EVA-Staat toe te treden tot de Europese Gemeenschappen;

OVERWEGENDE dat de overeenkomstsluitende partijen, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, streven naar een uniforme uitlegging en toepassing van deze Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in hoofdzaak in deze Overeenkomst zijn overgenomen, en te komen tot een gelijke behandeling van personen en ondernemingen wat betreft de vier vrijheden en de mededingingsvoorwaarden;

OVERWEGENDE dat deze Overeenkomst geen beperkingen stelt aan de besluitvormingsautonomie van de overeenkomstsluitende partijen noch aan hun bevoegdheid tot het sluiten van verdragen, behoudens het bepaalde in deze Overeenkomst en de door het volkenrecht gestelde beperkingen.

HEBBEN BESLOTEN de volgende Overeenkomst te sluiten:

INHOUDSOPGAVE

PREAMBULE

DEEL I - DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

DEEL II - HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Hoofdstuk 1 :

De grondbeginselen

Hoofdstuk 2 :

Landbouw- en visserijprodukten

Hoofdstuk 3 :

Samenwerking op het gebied van douaneaangelegenheden en handelsbevordering

Hoofdstuk 4 :

Andere voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen

Hoofdstuk 5 :

Kolen- en staalprodukten

DEEL III - HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Hoofdstuk 1 :

Werknemers en zelfstandigen

Hoofdstuk 2 :

Recht van vestiging

Hoofdstuk 3 :

De diensten

Hoofdstuk 4 :

Kapitaal

Hoofdstuk 5 :

Samenwerking bij het economisch en monetair beleid

Hoofdstuk 6 :

Vervoer

DEEL IV - MEDEDINGING EN ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

Hoofdstuk 1 :

Regels voor ondernemingen

Hoofdstuk 2 :

Steunmaatregelen van de Staten

Hoofdstuk 3 :

Verdere gemeenschappelijke regels

DEEL V - HORIZONTALE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VIER VRIJHEDEN

Hoofdstuk 1 :

Sociaal beleid

Hoofdstuk 2 :

Bescherming van de consument

Hoofdstuk 3 :

Het milieu

Hoofdstuk 4 :

Statistieken

Hoofdstuk 5 :

Vennootschapsrecht

DEEL VI - SAMENWERKING BUITEN HET KADER VAN DE VIER VRIJHEDEN

DEEL VII - BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

Hoofdstuk 1 :

De structuur van de associatie

Hoofdstuk 2 :

De besluitvormingsprocedure

Hoofdstuk 3 :

Homogeniteit, toezichtprocedure en beslechting van geschillen

Hoofdstuk 4 :

Vrijwaringsmaatregelen

DEEL VIII - FINANCIEEL MECHANISME

DEEL IX - ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

DEEL I. DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1

  • 1 Het doel van deze Associatieovereenkomst is de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van de handel en de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen onder gelijke mededingingsvoorwaarden en met inachtneming van dezelfde voorschriften met het oog op de totstandbrenging van een homogene Europese Economische Ruimte, hierna “EER” te noemen,

  • 2 Ten einde de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken, voorziet de associatie, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, in:

    • a) het vrije verkeer van goederen,

    • b) het vrije verkeer van personen,

    • c) het vrije verkeer van diensten,

    • d) het vrije verkeer van kapitaal,

    • e) de totstandbrenging van een systeem waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging niet wordt vervalst en dat de mededingingsregels gelijkelijk worden nagekomen, alsmede

    • f) nauwere samenwerking op andere gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, het milieu, het onderwijs en het sociaal beleid.

Artikel 2 [Wordt voorlopig toegepast per 12-04-2014]

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder :

  • a) “Overeenkomst” : de hoofdovereenkomst met de daarbij behorende protocollen en bijlagen alsmede de daarin genoemde besluiten;

  • b) „EVA-Staten”: IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.

  • c) “overeenkomstsluitende partijen”: wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft, de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG, of de Gemeenschap, of de Lid-Staten van de EG. De per geval aan deze term te hechten betekenis moet worden afgeleid uit de betrokken bepalingen van deze Overeenkomst en de onderscheiden bevoegdheden van de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG zoals deze voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.

  • d) Toetredingsakte van 16 april 2003: de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Athene op 16 april 2003.

  • e) Toetredingsakte van 25 april 2005: de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Luxemburg op 25 april 2005.

  • f) het begrip „Toetredingsakte van 9 december 2011” heeft betrekking op „de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, ondertekend te Brussel op 9 december 2011.

Artikel 3

De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen.

Voorts vergemakkelijken zij de samenwerking in het kader van deze Overeenkomst.

Artikel 4

Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel 5

Een overeenkomstsluitende partij kan een vraagstuk dat zij van belang acht te allen tijde aan de orde stellen op het niveau van het Gemengd Comité van de EER of de EER-Raad op de respectievelijk in artikel 92, lid 2, en artikel 89, lid 2, vastgestelde wijzen.

Artikel 6

Onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, voor zover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze Overeenkomst.

Artikel 7

De in de bijlagen bij deze Overeenkomst of in beschikkingen van het Gemengd Comité van de EER vermelde of vervatte besluiten zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze :

  • a) een met een EEG-verordening overeenstemmend besluit wordt als zodanig opgenomen in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen ;

  • b) een met een EEG-richtlijn overeenstemmend besluit laat aan de instanties van de overeenkomstsluitende partijen de vrijheid om de vorm, middelen en wijze van tenuitvoerlegging te kiezen.

DEEL II. HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

HOOFDSTUK 1. DE GRONDBEGINSELEN

Artikel 8

  • 1 Het vrije verkeer van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen wordt in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst tot stand gebracht.

  • 2 Tenzij anders bepaald, zijn de artikelen 10 tot en met 15, 19, 20, 25, 26 en 27 slechts van toepassing op produkten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende partijen.

  • 3 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst slechts van toepassing op :

    • a) de produkten vallende onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met uitzondering van de in Protocol 2 vermelde produkten ;

    • b) de in Protocol 3 opgenomen produkten, behoudens de in dat protocol vervatte specifieke regelingen.

Artikel 9

  • 2 Met het oog op de ontwikkeling van de in deze Overeenkomst bereikte resultaten zullen de overeenkomstsluitende partijen zich blijven inspannen om alle aspecten van de regels inzake oorsprong verder te verbeteren en te vereenvoudigen en de samenwerking op douanegebied uit te breiden.

  • 3 Een eerste onderzoek zal plaatsvinden vóór eind 1993. Vervolgens vindt om de twee jaar een onderzoek plaats. Op basis daarvan zeggen de overeenkomstsluitende partijen toe een besluit te zullen nemen over passende in de Overeenkomst op te nemen maatregelen.

Artikel 10

In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden. Onverminderd de in Protocol 5 opgenomen regelingen geldt zulks eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

Artikel 11

Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.

Artikel 12

Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.

Artikel 13

Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren, planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de overeenkomstsluitende Staten vormen.

Artikel 14

De overeenkomstsluitende partijen heffen op produkten van de andere overeenkomstsluitende partijen, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.

Bovendien heffen de overeenkomstsluitende partijen op de produkten van de overige overeenkomstsluitende partijen geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.

Artikel 15

Bij de uitvoer van produkten naar het grondgebied van een der overeenkomstsluitende partijen mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarover al dan niet rechtstreeks geheven is.

Artikel 16

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen zorgen ervoor dat nationale monopolies van commerciële aard zo worden aangepast dal elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten van de EG en onderdanen van de EVA-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet van goederen betreft, zal zijn uitgesloten.

  • 2 De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk lichaam waardoor de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen de invoer of de uitvoer tussen de overeenkomstsluitende partijen in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheersen, leiden of aanmerkelijk beïnvloeden. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de door een Staat gedelegeerde monopolies.

HOOFDSTUK 2. LANDBOUW- EN VISSERIJPRODUCTEN

Artikel 17

Bijlage I bevat specifieke bepalingen en regelingen op veterinair en fytosanitair gebied.

Artikel 18

Onverminderd de specifieke regelingen betreffende de handel in landbouwprodukten zorgen de overeenkomstsluitende partijen ervoor dat aan de in de artikelen 17 en 23, onder a) en b), vervatte regelingen, zoals deze van toepassing zijn op andere produkten dan die welke onder artikel 8, lid 3, vallen, geen afbreuk wordt gedaan door andere technische handelsbelemmeringen. Artikel 13 is van toepassing.

Artikel 19

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen bestuderen eventuele moeilijkheden die bij hun handel in landbouwprodukten rijzen en pogen hiervoor passende oplossingen te vinden.

  • 2 De overeenkomstsluitende partijen verplichten zich tot voortzetting van hun inspanningen met het oog op de geleidelijke liberalisatie van de handel in landbouwprodukten.

  • 3 Hiertoe onderwerpen zij de voorwaarden waaronder de handel in landbouwprodukten plaatsvindt vóór eind 1993 en daarna om de twee jaar aan een onderzoek.

  • 4 De overeenkomstsluitende partijen zullen, in het licht van de resultaten van dat onderzoek, in het kader van het landbouwbeleid van hun respectieve landen en met inachtneming van de resultaten van de Uruguay-Ronde, binnen het kader van deze Overeenkomst op preferentiële, bilaterale of multilaterale basis, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel beslissen over verdere verminderingen van alle soorten handelsbelemmeringen in de landbouwsector, inclusief die welke voortvloeien uit nationale monopolies van commerciële aard op landbouwgebied.

Artikel 20

Protocol 9 bevat bepalingen en regelingen die van toepassing zijn op vis en andere produkten van de zee.

HOOFDSTUK 3. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DOUANE-AANGELEGENHEDEN EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 21

  • 1 Ten einde de onderlinge handel te bevorderen, vereenvoudigen de overeenkomstsluitende partijen de grenscontroles en -formaliteiten. Hiertoe strekkende regelingen zijn opgenomen in Protocol 10.

  • 2 De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand in douaneaangelegenheden, ten einde ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast. Hiertoe strekkende regelingen zijn opgenomen in Protocol 11.

  • 3 De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking met het oog op vereenvoudiging van de procedures voor de handel in goederen, met name in het kader van communautaire programma's, projecten en acties die beogen de handel overeenkomstig de in deel VI vervatte regels te vergemakkelijken.

  • 4 In afwijking van artikel 8, lid 3, is dit artikel van toepassing op alle produkten.

Artikel 22

Een overeenkomstsluitende partij die de verlaging overweegt van het daadwerkelijke niveau van haar rechten of heffingen van gelijke werking geldende voor derde landen die in aanmerking komen voor de meestbegunstigingsclausule of die schorsing van de toepassing daarvan overweegt, stelt het Gemengd Comité van de EER, voor zover zulks uitvoerbaar is, uiterlijk 30 dagen voordat een dergelijke verlaging of schorsing van kracht wordt, hiervan in kennis. Hij neemt nota van eventuele bezwaren van andere overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van mogelijk hieruit voortvloeiende verstoringen.

HOOFDSTUK 4. ANDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 23

Specifieke bepalingen en regelingen zijn vervat in :

  • a) Protocol 12 en bijlage II wat betreft technische voorschriften, normen, keuring en certificering ;

  • b) Protocol 47 wat betreft de afschaffing van technische belemmeringen voor de handel in wijn ;

  • c) bijlage III wat betreft produktaansprakelijkheid.

Zij zijn van toepassing op alle produkten, tenzij anders wordt bepaald.

Artikel 24

Bijlage IV bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende energie.

Artikel 25

Wanneer naleving van het bepaalde in de artikelen 10 en 12 leidt tot

  • a) wederuitvoer naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende overeenkomstsluitende partij voor het betrokken produkt kwantitatieve beperkingen, uitvoerrechten of maatregelen of heffingen van gelijke werking handhaaft, dan wel

  • b) een ernstig of dreigend ernstig tekort aan een voor de exporterende overeenkomstsluitende partij essentieel produkt.

en voornoemde situaties aanleiding geven of kunnen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende overeenkomstsluitende partij, kan die partij passende maatregelen overeenkomstig de in artikel 113 vermelde procedures treffen.

Artikel 26

In de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen worden geen anti-dumpingmaatregelen, compenserende rechten en maatregelen tegen ongeoorloofde handelspraktijken van derde landen toegepast, tenzij in deze Overeenkomst anders wordt bepaald.

HOOFDSTUK 5. KOLEN- EN STAALPRODUKTEN

Artikel 27

De Protocollen 14 en 25 bevatten bepalingen en regelingen betreffende kolen- en staalprodukten.

DEEL III. HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

HOOFDSTUK I. WERKNEMERS EN ZELFSTANDIGEN

Artikel 28

  • 1 Tussen de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten wordt vrij verkeer van werknemers tot stand gebracht.

  • 2 Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

  • 3 Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om :

    • a) in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling :

    • b) zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten ;

    • c) op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden ;

    • d) op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld.

  • 4 De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

  • 5 Bijlage V bevat specifieke bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers.

Artikel 29

Met het oog op de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen waarborgen de overeenkomstsluitende partijen voor werknemers en zelfstandigen en hun rechthebbenden op het gebied van de sociale zekerheid, overeenkomstig bijlage VI, met name :

  • a) dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen ;

  • b) dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven, zullen worden betaald.

Artikel 30

Ten einde de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden voor werknemers en zelfstandigen te vergemakkelijken, treffen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig bijlage VII de noodzakelijke maatregelen inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels en de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden door werknemers en zelfstandigen.

HOOFDSTUK 2. RECHT VAN VESTIGING

Artikel 31

  • 1 In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er geen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op het grondgebied van een andere staat bij de Overeenkomst. Dit geldt eveneens voor de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat die op het grondgebied van een van deze staten zijn gevestigd.

    De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van hoofdstuk 4, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van artikel 34, tweede alinea, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

  • 2 De bijlagen VIII tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake hel recht van vestiging.

Artikel 32

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn, wat de betrokken overeenkomstsluitende partij betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in deze overeenkomstsluitende partij, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.

Artikel 33

De voorschriften van dit hoofdstuk en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

Artikel 34

Vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen hebben, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten.

Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.

Artikel 35

De bepalingen van artikel 30 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.

HOOFDSTUK 3. DIENSTEN

Artikel 36

  • 1 In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er geen beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten die in een andere Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

  • 2 De bijlagen IX tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten.

Artikel 37

In deze Overeenkomst worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

Diensten omvatten met name werkzaamheden :

  • a) van industriële aard;

  • b) van commerciële aard;

  • c) van het ambacht;

  • d) van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 2, kan degene die de dienst verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel 38

Het vrije verkeer van diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 6.

Artikel 39

De bepalingen van de artikelen 30 en 32 tot en met 34 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.

HOOFDSTUK 4. KAPITAAL

Artikel 40

In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er tussen de overeenkomstsluitende partijen geen beperkingen van het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten en is er geen discriminerende behandeling op grond van de nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd. Bijlage XII bevat de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 41

De lopende betalingen met betrekking tot het verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal tussen de overeenkomstsluitende partijen zijn in het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst vrij van alle beperkingen.

Artikel 42

  • 1 Wanneer binnenlandse voorschriften met betrekking tot de kapitaalmarkt en het kredietwezen worden toegepast op het overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst geliberaliseerd kapitaalverkeer, dan geschiedt zulks op nietdiscriminerende wijze.

  • 2 Leningen voor de middellijke of onmiddellijke financiering van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat of van zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen kunnen in de overige Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten slechts worden uitgeschreven of geplaatst nadat tussen de betrokken staten ter zake overeenstemming is bereikt.

Artikel 43

  • 1 Wanneer verschillen tussen de deviezenregelingen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten de personen die woonachtig of gevestigd zijn in een van deze landen ertoe zouden brengen de in artikel 40 bedoelde transfermogelijkheden op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen te benutten, ten einde de door een van deze landen ten opzichte van derde landen getroffen regeling te ontgaan, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij passende maatregelen treffen om deze moeilijkheden weg te nemen.

  • 2 Ingeval kapitaalbewegingen verstoringen in de werking van de kapitaalmarkt in een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat tot gevolg hebben, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen op het gebied van het kapitaalverkeer nemen.

  • 3 Indien de bevoegde instanties van een overeenkomstsluitende partij in de wisselkoers een wijziging aanbrengen die de mededingingsvoorwaarden ernstig vervalst, kunnen de overige overeenkomstsluitende partijen voor een strikt beperkte periode de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de gevolgen van die handelwijze te ondervangen.

  • 4 In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen treffen.

Artikel 44

De Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds passen hun interne procedures toe, zoals bepaald in Protocol 18 om de bepalingen van artikel 43 uit te voeren.

Artikel 45

  • 1 Het Gemengd Comité van de EER wordt in kennis gesteld van de beschikkingen, adviezen en aanbevelingen verband houdende met de in artikel 43 beschreven maatregelen.

  • 2 Over alle maatregelen wordt in het Gemengd Comité van de EER voorafgaand overleg gepleegd en informatie uitgewisseld.

  • 3 In de in artikel 43, lid 2, bedoelde situatie kan de betrokken overeenkomstsluitende partij evenwel om reden van hun geheim of dringend karakter, maatregelen zelf treffen, wanneer zij noodzakelijk zijn, zonder voorafgaand overleg en voorafgaande uitwisseling van informatie.

  • 4 In het in artikel 43, lid 4, bedoelde geval dat er een plotselinge crisis in de betalingsbalans optreedt en de procedures van lid 2 niet kunnen worden gevolgd, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij te harer bescherming de noodzakelijke beschermende maatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de Overeenkomst teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.

  • 5 Wanneer er maatregelen overeenkomstig de leden 3 en 4 worden getroffen, wordt hiervan uiterlijk op de datum van hun inwerkingtreding mededeling gedaan en vinden de uitwisseling van informatie, het overleg en de in lid 1 bedoelde kennisgevingen zo spoedig mogelijk daarna plaats.

HOOFDSTUK 5. SAMENWERKING BIJ HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Artikel 46

De overeenkomstsluitende partijen wisselen meningen en informatie uit over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het effect van de integratie op hun economische bedrijvigheid en hun economisch en monetair beleid. Voorts kunnen zij macroeconomische situaties, beleid en vooruitzichten bespreken. Deze uitwisseling van meningen en informatie is niet bindend.

HOOFDSTUK 6. VERVOER

Artikel 47

  • 1 De artikelen 48 tot en met 52 zijn van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

  • 2 Bijlage XIII bevat specifieke bepalingen betreffende alle wijzen van vervoer.

Artikel 48

  • 1 De bepalingen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat betreffende het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren die niet onder bijlage XIII vallen, worden in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking niet minder gunstig gemaakt voor de vervoerondernemers van de overige staten dan voor de nationale vervoerondernemers.

  • 2 Elke overeenkomstsluitende partij die van het in lid 1 vervatte beginsel afwijkt, stelt het Gemengd Comité van de EER daarvan in kennis. Indien andere overeenkomstsluitende partijen de afwijking niet aanvaarden, kunnen zij overeenkomstige tegenmaatregelen nemen.

Artikel 49

Met deze Overeenkomst is verenigbaar steun die beantwoordt aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomt met de vergoeding van bepaalde met het begrip "openbare dienst" verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel 50

  • 1 In het verkeer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen zijn er geen discriminaties welke daarin bestaan, dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen toepast naar gelang van het land van herkomst of bestemming van de vervoerde waren.

  • 2 De overeenkomstig deel VII bevoegde autoriteit onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in dit artikel bedoelde gevallen van discriminatie en neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.

Artikel 51

  • 1 Behoudens machtiging van de in artikel 50, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteit, is het verboden voor het vervoer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen de toepassing van prijzen en voorwaarden op te leggen welke enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden.

  • 2 De bevoegde autoriteit onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij met name rekening, enerzijds met de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, met de behoeften van minder ontwikkelde gebieden alsmede met de vraagstukken welke zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en anderzijds met de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de takken van vervoer.

    De bevoegde autoriteit neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.

  • 3 Het in lid 1 bedoelde verbod geldt niet voor mededingingstarieven.

Artikel 52

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met het overschrijden der grens in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten welke door die grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt. De overeenkomstsluitende partijen streven naar een geleidelijke verlaging van die kosten.

DEEL IV. MEDEDINGING EN ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

HOOFDSTUK 1. REGELS VOOR ONDERNEMINGEN

Artikel 53

  • 1 Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in :

    • a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden :

    • b) het beperken of controleren van de produktie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen ;

    • c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen ;

    • d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging :

    • e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

  • 2 De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.

  • 3 De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard :

    • - voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

    • - voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en

    • - voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen

    die bijdragen tot verbetering van de produktie of van de verdeling der produkten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen

    • a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn ;

    • b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten de mededinging uit te schakelen.

Artikel 54

Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden, voor zover de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied af op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in :

  • a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- af verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden ;

  • b) het beperken van de produktie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers ;

  • c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging ;

  • d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel 55

  • 1 Onverminderd de bepalingen die uitvoering geven aan de artikelen 53 en 54, zoals die in Protocol 21 en bijlage XIV van deze Overeenkomst zijn vervat, waken de Commissie van de EG en de in artikel 108, lid 1, bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA over de toepassing van de in de artikelen 53 en 54 neergelegde beginselen.

    De in artikel 56 bedoelde bevoegde toezichthoudende autoriteit stelt, eigener beweging of op verzoek van een staat binnen het onderscheiden rechtsgebied of van het andere toezichthoudende orgaan, een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op deze beginselen. De bevoegde toezichthoudende autoriteit verricht het onderzoek in samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten binnen het onderscheiden rechtsgebied en met het andere toezichthoudende orgaan dat haar overeenkomstig zijn interne regels behulpzaam is.

    Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij passende middelen voor om daaraan een eind te maken.

  • 2 Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de bevoegde toezichthoudende autoriteit de inbreuk op de beginselen in een met redenen omkleedde beschikking vast.

    De bevoegde toezichthoudende autoriteit kan haar beschikking bekendmaken en de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied machtigen de noodzakelijke tegenmaatregelen, waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, te treffen om de toestand te verhelpen. Zij kan de andere toezichthoudende autoriteit eveneens verzoeken om de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied te machtigen tot het treffen van dergelijke maatregelen.

Artikel 56

  • 1 Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 53 van toepassing is, wordt door de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig de volgende bepalingen beslist :

    • a) over afzonderlijke gevallen waarin alleen de handel tussen de EVA-Staten ongunstig wordt beïnvloed, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ;

    • b) onverminderd het bepaalde onder c) beslist de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zoals bepaald in artikel 58, Protocol 21 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, Protocol 23 en bijlage XIV, over de gevallen waarin de omzet van de betrokken ondernemingen op het grondgebied van de EVA-Staten 33 % of meer bedraagt van hun omzet op het door deze overeenkomst bestreken grondgebied ;

    • c) over de overige gevallen alsmede over de onder b) bedoelde gevallen waarin de handel tussen de Lid-Staten van de EG ongunstig wordt beïnvloed, beslist de Commissie van de EG met inachtneming van het bepaalde in artikel 58, Protocol 21, Protocol 23 en bijlage XIV.

  • 2 Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 54 van toepassing is, wordt beslist door de toezichthoudende autoriteit op het rechtsgebied waarvan het bestaan van een machtspositie is geconstateerd. Het in lid 1, onder b) en c), bepaalde is slechts van toepassing indien er een machtspositie bestaat binnen het rechtsgebied van beide toezichthoudende autoriteiten.

  • 3 Over afzonderlijke gevallen waarop lid 1, onder c), van toepassing is en waarvan de gevolgen voor de handel tussen de Lid-Staten van de EG of voor de mededinging binnen de Gemeenschap niet merkbaar zijn, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.

  • 4 De termen "ondernemingen" en "omzet" worden voor de toepassing van dit artikel in Protocol 22 gedefinieerd.

Artikel 57

  • 1 Concentraties die overeenkomstig lid 2 aan toezicht onderworpen zijn en die een machtspositie creëren of versterken ten gevolge waarvan een daadwerkelijke mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied of op een wezenlijk deel daarvan aanzienlijk wordt belemmerd, worden onverenigbaar met deze Overeenkomst verklaard.

  • 2 Op concentraties waarop lid 1 van toepassing is, wordt toezicht gehouden door:

    • a) de Commissie van de EG in de gevallen waarop Verordening (EEG) nr. 4064/89 van toepassing is, overeenkomstig die verordening en overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV. Aan de Commissie van de EG wordt de uitsluitende bevoegdheid toegekend over deze gevallen te beslissen, met dien verstande dat het Hof van Justitie van de EG de wettigheid hiervan kan nagaan ;

    • b) de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in de gevallen die niet onder het bepaalde in punt a) vallen, wanneer de in bijlage XIV vermelde drempels op het grondgebied van de EVA-Staten zijn bereikt overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV, zulks onverminderd de bevoegdheden van de Lid-Staten van de EG.

Artikel 58

De bevoegde autoriteiten werken samen overeenkomstig het bepaalde in de Protocollen 23 en 24, met het oog op de omwikkeling en het behoud van een uniform toezichtbeleid in de gehele Europese Economische Ruimte op het gebied van de mededinging en met het oog op de bevordering van een homogene tenuitvoerlegging, toepassing en interpretatie van de daartoe strekkende bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 59

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen zien erop toe dat met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel wordt vastgesteld of gehandhaafd welke in strijd is met de regels van deze Overeenkomst, met name die bedoeld in de artikelen 4 en 53 tot en met 63.

  • 2 Ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van deze Overeenkomst, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de overeenkomstsluitende partijen.

  • 3 De Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA waken binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden over de toepassing van dit artikel en treffen, voor zover nodig, passende maatregelen ten aanzien van de staten binnen hun onderscheiden rechtsgebied.

Artikel 60

Bijlage XIV bevat specifieke bepalingen ter uitvoering van de beginselen neergelegd in de artikelen 53, 54, 57 en 59.

HOOFDSTUK 2. STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN

Artikel 61

  • 1 Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de Lid-Staten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.

  • 2 Met de werking van deze Overeenkomst zijn verenigbaar :

    • a) steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de produkten ;

    • b) steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen.

    • c) steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voor zover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.

  • 3 Als verenigbaar met de werking van deze Overeenkomst kunnen worden beschouwd :

    • a) steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst ;

    • b) steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op te heffen ;

    • c) steunmaatregelen om de omwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad ;

    • d) andere soorten van steunmaatregelen aangewezen door het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig deel VII.

Artikel 62

  • 1 Op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen worden alle bestaande regelingen inzake overheidssteun en alle plannen om overheidssteun te verlenen of te wijzigen voortdurend onderzocht op hun verenigbaarheid met artikel 61. Dit onderzoek wordt uitgevoerd:

    • a) wat de Lid-Staten van de EG betreft, door de Commissie van de EG overeenkomstig de in artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde regels;

    • b) wat de EVA-Staten betreft, door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA overeenkomstig de regels neergelegd in een overeenkomst tussen de EVA-Staten waarbij deze autoriteit, die de in Protocol 26 vastgestelde bevoegdheden en taken heeft, wordt ingesteld.

  • 2 Met het oog op een uniform toezichtbeleid op het gebied van overheidssteun op het gehele door deze Overeenkomst bestreken grondgebied werken de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA samen overeenkomstig het bepaalde in Protocol 27.

Artikel 63

Bijlage XV bevat specifieke bepalingen inzake overheidssteun.

Artikel 64

  • 1 Indien een van de toezichthoudende autoriteiten van oordeel is dat de tenuitvoerlegging door de andere toezichthoudende autoriteit van de artikelen 61 en 62 van deze Overeenkomst en van artikel 5 van Protocol 14 niet in overeenstemming is met de handhaving van gelijke mededingingsvoorwaarden op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied, wordt daarover overeenkomstig de procedure van Protocol 27, punt f), binnen twee weken van gedachten gewisseld.

    Indien tegen het einde van deze periode van twee weken geen gemeenschappelijk aanvaarde oplossing is bereikt, kan de bevoegde autoriteit van de benadeelde overeenkomstsluitende partij onverwijld passende tussentijdse maatregelen nemen om aan de ontstane vervalsing van de mededinging een einde te maken.

    Vervolgens wordt in het Gemengd Comité van de EER overleg gepleegd, ten einde een voor alle betrokkenen aanvaardbare oplossing uit te werken.

    Indien het Gemengd Comité van de EER binnen drie maanden geen oplossing heeft kunnen uitwerken, en indien de desbetreffende feitelijke gedraging de mededinging zodanig vervalst of dreigt te vervalsen dat de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig wordt beïnvloed, kunnen de tussentijdse maatregelen worden vervangen door definitieve maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de gevolgen van die vervalsing te compenseren. Er wordt voorrang verleend aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.

  • 2 De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op staatsmonopolies die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst tot stand komen.

HOOFDSTUK 3. VERDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

Artikel 65

  • 1 Bijlage XVI bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende aanbestedingen die, tenzij anders bepaald, op alle vermelde produkten en diensten van toepassing zijn.

  • 2 Protocol 28 en bijlage XVII bevatten specifieke bepalingen en regelingen betreffende de intellectuele, industriële en commerciële eigendom die, tenzij anders bepaald, op alle produkten en diensten van toepassing zijn.

DEEL V. HORIZONTALE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VIER VRIJHEDEN

HOOFDSTUK 1. SOCIAAL BELEID

Artikel 66

De overeenkomstsluitende partijen erkennen de noodzaak, verbetering van de levensstandaard en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen.

Artikel 67

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen ten einde de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te beschermen. Om dit doel te bereiken worden geleidelijk minimumeisen ingevoerd met inachtneming van de in elk van de overeenkomstsluitende partijen bestaande omstandigheden en technische voorschriften. Dergelijke minimumeisen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsvoorwaarden handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.

  • 2 Bijlage XVIII bevat de als de in lid I genoemde minimumeisen in te voeren bepalingen.

Artikel 68

De overeenkomstsluitende partijen treffen op het gebied van het arbeidsrecht de maatregelen die noodzakelijk zijn om de goede werking van deze Overeenkomst te waarborgen. Deze maatregelen zijn opgenomen in bijlage XVIII.

Artikel 69

  • 1 Elke overeenkomstsluitende partij verzekert en handhaaft de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.

    Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.

    Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in :

    • a) dat de beloning voor dezelfde arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf ;

    • b) dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

  • 2 Bijlage XVIII bevat specifieke bepalingen voor de tenuitvoerlegging van lid 1.

Artikel 70

De overeenkomstsluitende partijen bevorderen het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers via de tenuitvoerlegging van de in bijlage XVIII opgenomen bepalingen.

Artikel 71

De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau te bevorderen.

HOOFDSTUK 2. BESCHERMING VAN DE CONSUMENT

Artikel 72

Bijlage XIX bevat bepalingen inzake de bescherming van de consument.

HOOFDSTUK 3. HET MILIEU

Artikel 73

  • 1 Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieugebied heeft tot doel :

    • a) de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren ;

    • b) bij te dragen tot de bescherming van de gezondheid van de mens ;

    • c) zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen.

  • 2 Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieugebied berust op de beginselen van preventief handelen, bestrijding van milieu-aantastingen bij voorrang aan de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt. De eisen terzake van milieubescherming vormen een bestanddeel van de andere takken van beleid van de overeenkomstsluitende partijen

Artikel 74

Bijlage XX bevat de specifieke bepalingen inzake beschermende maatregelen die overeenkomstig artikel 73 van toepassing zijn.

Artikel 75

De in artikel 74 bedoelde beschermende maatregelen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een verdergaande bescherming handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.

HOOFDSTUK 4. STATISTIEKEN

Artikel 76

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen zorgen voor de produktie en verspreiding van samenhangende en vergelijkbare statistische informatie voor het beschrijven en volgen van alle ter zake doende economische, sociale en milieu-aspecten van de Europese Economische Ruimte.

  • 2 Hiertoe ontwikkelen en gebruiken de overeenkomstsluitende partijen geharmoniseerde methoden, definities en indelingen alsmede gemeenschappelijke programma's en procedures ; de statistische werkzaamheden worden op de passende administratieve niveaus georganiseerd en de noodzaak van vertrouwelijke behandeling van de statistische informatie wordt naar behoren in acht genomen.

  • 3 Bijlage XXI bevat specifieke bepalingen inzake statistieken.

  • 4 Protocol 30 bevat specifieke bepalingen inzake de organisatie van de samenwerking op het gebied van de statistieken.

HOOFDSTUK 5. VENNOOTSCHAPSRECHT

Artikel 77

Bijlage XXII bevat specifieke bepalingen inzake het vennootschapsrecht.

DEEL VI. SAMENWERKING BUITEN HET KADER VAN DE VIER VRIJHEDEN

Artikel 78

De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking in het kader van de werkzaamheden van de Gemeenschap op het gebied van :

  • - onderzoek en technologische ontwikkeling,

  • - informatiediensten,

  • - milieu,

  • - onderwijs, opleiding en jongerenbeleid,

  • - sociaal beleid,

  • - bescherming van de consument,

  • - kleine en middelgrote ondernemingen,

  • - toerisme,

  • - de audiovisuele sector en

  • - burgerbescherming,

voor zover deze onderwerpen niet in andere delen van deze Overeenkomst worden geregeld.

Artikel 79

  • 1 De overeenkomstsluitende partijen stellen alles in het werk, met name via de in deel VII vastgestelde procedures, om hun dialoog te versterken ten einde te bepalen op welke terreinen en voor welke werkzaamheden nauwere samenwerking zou kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen op de in artikel 78 genoemde gebieden.

  • 2 Zij wisselen met name informatie uit en plegen, op verzoek van een overeenkomstsluitende partij, overleg in het Gemengd Comité van de EER over plannen of voorstellen voor de totstandbrenging of wijziging van kaderprogramma's, specifieke programma's, acties en projecten op de in artikel 78 genoemde terreinen.

  • 3 Deel VII is mutatis mutandis van toepassing op het onderhavige deel, wanneer zulks in laatstgenoemd deel of Protocol 31 speciaal wordt bepaald.

Artikel 80

De in artikel 78 bedoelde samenwerking vindt normaliter in een van de volgende vormen plaats:

  • - deelneming door EVA-Staten aan communautaire kaderprogramma's, specifieke programma's, projecten of andere acties ;

  • - totstandbrenging van gezamenlijke activiteiten op specifieke terreinen, inclusief overleg over of coördinatie van activiteiten, het samenvoegen van bestaande activiteiten en de totstandbrenging van gezamenlijke ad hoc-activiteiten :

  • - formele en informele uitwisseling of verstrekking van informatie ;

  • - gemeenschappelijke inspanningen om bepaalde activiteiten op het gehele grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen aan te moedigen ;

  • - parallelle wetgeving, in voorkomend geval, met een identieke of gelijksoortige inhoud ;

  • - coördinatie van inspanningen en activiteiten, wanneer zulks van wederzijds belang is, via of in het kader van internationale organisaties en van samenwerking met derde landen.

Artikel 81

Wanneer de samenwerking de vorm aanneemt van deelneming door EVA-Staten in een communautair kaderprogramma, specifiek programma, project of andere actie, zijn de volgende beginselen van toepassing :

  • a) De EVA-Staten moeten toegang hebben tot alle delen van een programma.

  • b) In de status van de EVA-Staten in de commissies die de Commissie bijstaan bij het beheer of de ontwikkeling van een communautaire activiteit waaraan EVA-Staten op grond van hun deelneming financieel kunnen bijdragen, moet deze bijdrage ten volle tot uiting komen.

  • c) Besluiten van de Gemeenschap die geen verband houden met de algemene begroting van de Gemeenschap, en al dan niet rechtstreeks betrekking hebben op een kaderprogramma, een specifiek programma, een project of andere actie waaraan EVA-Staten via een in het kader van deze Overeenkomst genomen besluit deelnemen, zijn onderworpen aan het bepaalde in artikel 79, lid 3. De voorwaarden voor de voortgezette deelneming aan bedoelde activiteit kunnen door het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd overeenkomstig artikel 86.

  • d) Op projectniveau hebben instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de EVA-Staten dezelfde rechten en verplichtingen in het communautaire programma of een andere actie als die welke gelden voor de instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de Lid-Staten van de EG waarmee het partnerschap wordt aangegaan. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor deelnemers aan uitwisselingen tussen EVA-Staten en Lid-Staten van de EG in het kader van bedoelde activiteit.

  • e) De EVA-Staten, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen hebben dezelfde rechten en verplichtingen ten aanzien van de verspreiding, evaluatie en exploitatie van resultaten als die welke gelden voor de Lid-Staten van de EG, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen.

  • f) De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe om, in overeenstemming met hun onderscheiden voorschriften en regelingen, het verkeer van deelnemers aan het programma of een andere actie in de mate waarin zulks noodzakelijk is te vergemakkelijken.

Artikel 82

  • 1 Wanneer de samenwerking in het kader van dit deel een financiële deelneming van de EVA-Staten omvat, vindt die deelneming in een van de volgende vormen plaats :

    • a) De bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan communautaire activiteiten wordt berekend naar rato van :

      • - de vastleggingskredieten en

      • - de betalingskredieten

      die elk jaar voor de Gemeenschap op de algemene communautaire begroting worden opgevoerd op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.

      De "evenredigheidsfactor" aan de hand waarvan de deelneming van de EVA-Staten wordt bepaald, is de som van de verhoudingsgetallen tussen het bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen van elk van de EVA-Staten enerzijds en de som van de bruto binnenlandse produkten tegen marktprijzen van de Lid-Staten van de EG en die EVA-Staat anderzijds. Deze factor wordt voor elk begrotingsjaar aan de hand van de meest recente statistische gegevens berekend.

      Het bedrag van de bijdrage van de EVA-Staten is zowel wat de vastleggingskredieten als wat de betalingskredieten betreft een aanvulling op de voor de Gemeenschap opgevoerde bedragen op de algemene begroting op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.

      De elk jaar door de EVA-Staten te betalen bijdragen worden op basis van de betalingskredieten vastgesteld.

      Verplichtingen die de Gemeenschap is aangegaan vóór de inwerkingtreding op basis van deze Overeenkomst van de deelneming van de EVA-Staten aan de betrokken activiteiten - en de daaruit voortvloeiende betalingen -, geven geen aanleiding tot een bijdrage van de EVA-Staten.

    • b) De financiële bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan bepaalde projecten of andere activiteiten wordt gebaseerd op het beginsel dat elke overeenkomstsluitende partij haar eigen kosten dekt en een door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen passende bijdrage levert aan de algemene kosten van de Gemeenschap.

    • c) Het Gemengd Comité van de EER neemt de nodige besluiten betreffende de bijdrage van de overeenkomstsluitende partijen in de kosten van de activiteit.

  • 2 Protocol 32 bevat de nadere bepalingen voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 83

Wanneer de samenwerking de vorm van een uitwisseling van informatie tussen overheidsinstanties aanneemt, hebben de EVA-Staten dezelfde rechten om informatie te ontvangen en verplichtingen om informatie te verstrekken als de Lid-Staten van de EG, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de eisen van vertrouwelijkheid die door het Gemengd Comité van de EER worden vastgesteld.

Artikel 84

Protocol 31 bevat bepalingen inzake samenwerking op bepaalde specifieke terreinen.

Artikel 85

Tenzij anders bepaald in Protocol 31 gelden voor op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds tussen de Gemeenschap en afzonderlijke EVA-Staten bestaande samenwerking op de in artikel 78 vermelde gebieden na die datum de desbetreffende bepalingen van het onderhavige deel en van Protocol 31.

Artikel 86

Het Gemengd Comité van de EER geeft overeenkomstig deel VII alle beschikkingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 78 tot en met 85 en de daaruit voortvloeiende maatregelen, zoals bij voorbeeld het aanvullen en wijzigen van de bepalingen van Protocol 31 alsmede het invoeren van de overgangsregelingen die voor de tenuitvoerlegging van artikel 85 nodig zijn.

Artikel 87

De overeenkomstsluitende partijen doen het nodige om de samenwerking in het kader van de activiteiten van de Gemeenschap op niet in artikel 78 vermelde terreinen te ontwikkelen, te versterken of te verbreden, wanneer een dergelijke samenwerking wordt geacht een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van deze Overeenkomst of anderszins door de overeenkomstsluitende partijen van wederzijds belang wordt geoordeeld. Dit kan ertoe leiden dat aan de in artikel 78 vermelde terreinen nieuwe terreinen worden toegevoegd.

Artikel 88

Onverminderd het bepaalde in andere delen van deze Overeenkomst beletten de bepalingen van dit deel overeenkomstsluitende partijen niet om zelfstandig maatregelen uit te werken, aan te nemen en ten uitvoer te leggen.

DEEL VII. BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

HOOFDSTUK 1. DE STRUCTUUR VAN DE ASSOCIATIE

Afdeling 1. De EER-Raad

Artikel 89

  • 1 Er wordt een EER-Raad ingesteld die met name verantwoordelijk is voor het geven van de politieke impulsen bij de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het vaststellen van de algemene richtsnoeren voor het Gemengd Comité van de EER.

    Daartoe beoordeelt de EER-Raad de algemene werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst en neemt hij de politieke besluiten die leiden tot wijziging van de Overeenkomst.

  • 2 De overeenkomstsluitende partijen - wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen - kunnen iedere aangelegenheid die aanleiding geeft tot moeilijkheden, na bespreking ervan in het Gemengd Comité van de EER, of in uitzonderlijk urgente gevallen direct, in de EER-Raad aan de orde stellen.

  • 3 De EER-Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 90

  • 1 De EER-Raad bestaat uit de leden van de Raad van de Europese Gemeenschappen en leden van de Commissie van de EG en een lid van de regering van elk van de EVA-Staten.

    De leden van de EER-Raad kunnen worden vertegenwoordigd overeenkomstig de in zijn reglement van orde vast te stellen voorwaarden.

  • 2 De EER-Raad geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds.

Artikel 91

  • 1 Het voorzitterschap van de EER-Raad wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door een lid van de Raad van de Europese Gemeenschappen en een lid van de regering van een EVA-Staat.

  • 2 De EER-Raad wordt tweemaal per jaar door zijn voorzitter bijeengeroepen. De EER-Raad komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen wanneer de omstandigheden zulks vereisen.

Afdeling 2. Het Gemengd Comité van de EER

Artikel 92

  • 1 Er wordt een Gemengd Comité van de EER ingesteld, dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en werking van de Overeenkomst verzekert. Daartoe wisselt het denkbeelden en informatie uit en neemt het in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet besluiten.

  • 2 De overeenkomstsluitende partijen - wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen - plegen in het Gemengd Comité van de EER overleg over ieder door een van hen aan de orde gesteld punt dat van belang is voor de Overeenkomst en dat aanleiding geeft tot moeilijkheden.

  • 3 Het Gemengd Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 93

  • 1 Het Gemengd Comité van de EER bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

  • 2 Het Gemengd Comité van de EER geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de met één stem sprekende EVA-Staten anderzijds.

Artikel 94

  • 1 Het voorzitterschap van het Gemengd Comité van de EER wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door de vertegenwoordiger van de Gemeenschap, in casu de Commissie, en de vertegenwoordiger van een van de EVA-Staten.

  • 2 Om zijn taken te vervullen komt het Gemengd Comité van de EER in beginsel ten minste eenmaal per maand bijeen. Het komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen.

  • 3 Het Gemengd Comité van de EER kan besluiten om subcomités of werkgroepen op te richten om het te helpen zijn taken uit te voeren. Het Gemengd Comité van de EER stelt in zijn reglement van orde de samenstelling en wijze van functioneren van deze subcomités en werkgroepen vast. Hun taken worden per geval door het Comité vastgesteld.

  • 4 Het Gemengd Comité van de EER brengt jaarlijks verslag uit over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst.

Afdeling 3. Parlementaire samenwerking

Artikel 95

  • 1 Er wordt een Gemengd Parlementair Comité van de EER ingesteld dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Europese Parlement enerzijds en de parlementen van de EVA-Staten anderzijds. Het totale aantal leden van het Comité is neergelegd in de Statuten in Protocol 36.

  • 2 Het Gemengd Parlementair Comité van de EER komt afwisselend bijeen in de Gemeenschap en in een EVA-Staat, overeenkomstig de in het statuut in Protocol 36 vastgestelde bepalingen.

  • 3 Het Gemengd Parlementair Comité van de EER draagt door middel van dialoog en beraadslagingen bij tot een beter begrip tussen de Gemeenschap en de EVA-Staten op de door deze Overeenkomst bestreken terreinen.

  • 4 Het Gemengd Parlementair Comité van de EER kan zijn standpunten in de vorm van verslagen of resoluties kenbaar maken. Het bestudeert met name het jaarlijks verslag van het Gemengd Comité van de EER dat overeenkomstig artikel 94, lid 4, over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst wordt opgesteld.

  • 5 De voorzitter van de EER-Raad kan voor het Gemengd Parlementair Comité van de EER verschijnen om te worden gehoord.

  • 6 Het Gemengd Parlementair Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.

Afdeling 4. Samenwerking tussen de economische en sociale partners

Artikel 96

  • 1 De leden van het Economisch en Sociaal Comité en andere organen die de sociale partners in de Gemeenschap vertegenwoordigen en de overeenkomstige organen in de EVA-Staten beijveren zich om hun onderlinge contacten te versterken en georganiseerd en regelmatig samen te werken ten einde de bewustwording van de economische en sociale aspecten van de groeiende verstrengeling van de economieën en de belangen van de overeenkomstsluitende partijen in het kader van de EER te verhogen.

  • 2 Daartoe wordt hierbij een Raadgevend Comité van de EER opgericht, dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Economisch en Sociaal Comité van de Gemeenschap enerzijds en het Raadgevend Comité van de EVA anderzijds. Het Raadgevend Comité van de EER kan zijn standpunten kenbaar maken in de vorm van verslagen of resoluties.

  • 3 Het Raadgevend Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.

HOOFDSTUK 2. DE BESLUITVORMINGSPROCEDURE

Artikel 97

Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan het recht van elke overeenkomstsluitende partij om, onverminderd het beginsel van non-discriminatie en na de overige overeenkomstsluitende partijen te hebben ingelicht, haar interne wetgeving op de door de Overeenkomst bestreken gebieden te wijzigen :

  • - indien het Gemengd Comité van de EER oordeelt dat de gewijzigde wetgeving geen afbreuk doet aan de goede werking van de Overeenkomst of

  • - indien de in artikel 98 bedoelde procedures zijn afgerond.

Artikel 98

De bijlagen bij deze Overeenkomst en de Protocollen 1 tot en met 7, 9, 10, 11, 19 tot en met 27, 30, 31, 32, 37, 39, 41 en 47, kunnen bij besluit van het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig de artikelen 93, lid 2, 99, 100, 102 en 103 worden gewijzigd.

Artikel 99

  • 1 Zodra er door de Commissie van de EG nieuwe wetgeving wordt voorbereid op een terrein waarop deze Overeenkomst van toepassing is, wint de Commissie van de EG informeel advies in bij deskundigen uit de EVA-Staten op dezelfde wijze als zij voor de uitwerking van haar voorstellen advies inwint bij deskundigen uit de Lid-Staten van de Gemeenschap.

  • 2 Wanneer de Commissie van de EG haar voorstel aan de Raad van de Europese Gemeenschappen toezendt, doet zij afschriften daarvan toekomen aan de EVA-Staten.

    Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt er in het Gemengd Comité van de EER een inleidende gedachtenwisseling plaats.

  • 3 In de fase voorafgaand aan het besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen plegen de overeenkomstsluitende partijen, in een voortdurend informatie- en raadplegingsproces, op belangrijke momenten op verzoek van een hunner opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité van de EER.

  • 4 De overeenkomstsluitende partijen werken in de informatie- en overlegfase te goeder trouw samen met het uiteindelijke oogmerk de besluitvorming in het Gemengd Comité van de EER te vergemakkelijken.

Artikel 100

De Commissie van de EG zorgt, naargelang de betrokken terreinen, voor een zo ruim mogelijke deelneming van deskundigen van de EVA-Staten in de voorbereidende fase van ontwerp-maatregelen die vervolgens worden voorgelegd aan de commissies die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoerende bevoegdheden. Bij de uitwerking van ontwerp-maatregelen worden deskundigen van de EVA-Staten dan ook in dezelfde mate door de Commissie ingeschakeld als deskundigen van de Lid-Staten van de EG.

In de gevallen waarin voornoemde maatregelen overeenkomstig de procedure die past bij het soort ingeschakelde commissie, aan de Raad worden voorgelegd, deelt de Commissie van de EG de standpunten van de deskundigen van de EVA-Staten aan de Raad van de Europese Gemeenschappen mee.

Artikel 101

  • 1 Wat de commissies betreft die noch onder artikel 81 noch onder artikel 100 vallen, worden deskundigen uit de EVA-Staten ingeschakeld bij de werkzaamheden wanneer de goede werking van deze Overeenkomst zulks vereist.

    Bedoelde commissies zijn vermeld in Protocol 37. De wijze van uitvoering van deze samenwerking wordt uiteengezet in de desbetreffende sectoriële protocollen en bijlagen waarin de betrokken onderwerpen worden behandeld.

  • 2 Indien de overeenkomstsluitende partijen tot de conclusie komen dat een dergelijke samenwerking tot andere commissies met soortgelijke kenmerken moet worden uitgebreid, kan het Gemengd Comité van de EER Protocol 37 wijzigen.

Artikel 102

  • 1 Ten einde de rechtszekerheid en de homogeniteit van de EER te waarborgen, laat het Gemengd Comité van de EER zo min mogelijk tijd verstrijken tussen zijn besluit betreffende een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst en de aanneming door de Gemeenschap van de overeenkomstige nieuwe communautaire wetgeving met het oog op gelijktijdige toepassing van de communautaire wetgeving en de wijzigingen van de bijlagen bij de Overeenkomst. Met het oog hierop stelt de Gemeenschap, wanneer zij wetgeving aanneemt betreffende een onderwerp dat door deze Overeenkomst wordt geregeld, de overige overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité van de EER hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

  • 2 In het Gemengd Comité van de EER wordt vastgesteld op welk deel van een bijlage bij de Overeenkomst de nieuwe wetgeving rechtstreeks betrekking heeft.

  • 3 De overeenkomstsluitende partijen doen al het mogelijke om overeenstemming te bereiken over aangelegenheden die deze Overeenkomst betreffen.

    Het Gemengd Comité van de EER doet met name het nodige om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden indien er een ernstig probleem rijst op een gebied dat in de EVA-Staten onder de bevoegdheid van de wetgever valt.

  • 4 Indien er ondanks de toepassing van het voorgaande lid geen overeenstemming kan worden bereikt over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, beziet het Gemengd Comité van de EER alle verdere mogelijkheden tot bescherming van de goede werking van deze Overeenkomst en neemt het de daartoe noodzakelijke besluiten, inclusief de mogelijkheid van erkenning van de gelijkwaardigheid van wetgeving. Een dergelijk besluit wordt uiterlijk genomen zes maanden na de datum van voorlegging aan het Gemengd Comité van de EER of op het moment van inwerkingtreding van de overeenkomstige communautaire regelgeving, wanneer dat tijdstip later valt.

  • 5 Indien het Gemengd Comité van de EER aan het einde van de in lid 4 genoemde termijn geen besluit heeft genomen over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, wordt het betrokken deel daarvan, zoals dit overeenkomstig lid 2 werd vastgesteld, als voorlopig geschorst beschouwd, behoudens een andersluidend besluit van het Gemengd Comité van de EER. Een dergelijke schorsing wordt zes maanden na het einde van de in lid 4 bedoelde periode van kracht, maar in geen geval vóór de datum waarop het overeenkomstige EG-besIuit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd. Het Gemengd Comité van de EER blijft zoeken naar overeenstemming over een wederzijds aanvaardbare oplossing zodat de schorsing zo spoedig mogelijk kan worden beëindigd.

  • 6 De praktische gevolgen van de in lid 5 bedoelde schorsing worden in het Gemengd Comité van de EER besproken. De rechten en verplichtingen van personen en ondernemingen krachtens deze Overeenkomst, blijven onverlet. De overeenkomstsluitende partijen besluiten welke aanpassingen in verband met de schorsing noodzakelijk zijn.

Artikel 103

  • 1 Indien een besluit van het Gemengd Comité van de EER voor een overeenkomstsluitende partij slechts verbindend is nadat aan grondwettelijke eisen is voldaan, treedt dat besluit, indien het een datum bevat, op die datum in werking, mits de betrokken overeenkomstsluitende partij de andere overeenkomstsluitende partijen vóór die datum ervan in kennis heeft gesteld dat aan de grondwettelijke eisen is voldaan.

    Bij ontbreken van een dergelijke kennisgeving vóór die datum treedt het besluit in werking op de eerste dag van de tweede maand na de laatste kennisgeving.

  • 2 Indien een dergelijke kennisgeving bij het verstrijken van een termijn van zes maanden na het besluit van het Gemengd Comité van de EER niet heeft plaatsgevonden, wordt het besluit van het Gemengd Comité van de EER voorlopig ten uitvoer gelegd totdat is voldaan aan de grondwettelijke eisen, tenzij een overeenkomstsluitende partij te kennen geeft dat voorlopige toepassing niet plaats kan vinden. In laatstgenoemd geval of indien een overeenkomstsluitende partij kennis geeft van de niet-bekrachtiging van een besluit van het Gemengd Comité van de EER, wordt de in artikel 102, lid 5, bedoelde schorsing één maand na een dergelijke kennisgeving van kracht, maar in geen geval vóór het tijdstip waarop het overeenkomstige EG-besluit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 104

Door het Gemengd Comité van de EER genomen besluiten in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn, tenzij daarin anders wordt bepaald, vanaf hun inwerkingtreding verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen nemen om hun tenuitvoerlegging en toepassing te verzekeren.

HOOFDSTUK 3. HOMOGENITEIT, TOEZICHTPROCEDURE EN BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Afdeling I. Homogeniteit

Artikel 105

  • 1 Met het oog op de verwezenlijking van het streven van de overeenkomstsluitende partijen om te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van de bepalingen van de Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in essentie in de Overeenkomst zijn overgenomen, handelt het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig dit artikel.

  • 2 Het Gemengd Comité van de EER volgt nauwgezet de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het in artikel 180, lid 2, bedoelde EVA-Hof. Daartoe worden de arresten van beide hoven ter kennis gebracht van het Gemengd Comité van de EER, dat het nodige doet om de homogene uitlegging van de overeenkomst te handhaven.

  • 3 Is het Gemengd Comité van de EER, binnen twee maanden nadat het in kennis is gesteld van een verschil in jurisprudentie van beide hoven, er niet in geslaagd de homogene uitlegging van de Overeenkomst te handhaven, dan kunnen de procedures van artikel 111 worden toegepast.

Artikel 106

Ten einde te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van deze Overeenkomst, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, stelt het Gemengd Comité van de EER een systeem in voor de uitwisseling van informatie betreffende de beslissingen van het EVA-Hof. het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en de rechterlijke instanties van de EVA-Staten die in laatste aanleg uitspraak doen. Dit systeem omvat :

  • a) toezending aan de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van uitspraken van deze rechterlijke instanties over de uitlegging en toepassing van enerzijds deze Overeenkomst en anderzijds het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zoals die werden gewijzigd of aangevuld, alsmede van de ter uitvoering daarvan aangenomen besluiten voor zover die betrekking hebben op bepalingen die in essentie gelijk zijn aan die van deze Overeenkomst;

  • b) de classificatie van die uitspraken door de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met inbegrip van, voor zover nodig, het maken en publiceren van vertalingen en samenvattingen ;

  • c) toezending, door de Griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de documentatie aan de door elke overeenkomstsluitende partij aan te wijzen bevoegde nationale instanties.

Artikel 107

Protocol 34 bepaalt hoe een EVA-Staat een rechterlijke instantie kan toestaan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van een EER-regel.

Afdeling 2. Toezichtprocedure

Artikel 108

  • 1 De EVA-Staten stellen een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit in (de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA) alsmede soortgelijke procedures als die welke in de Gemeenschap bestaan, met inbegrip van procedures voor de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst en voor de toetsing van de wettigheid van handelingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging.

  • 2 De EVA-Staten richten een hof van justitie op (het EVA-Hof).

    In overeenstemming met een afzonderlijke overeenkomst tussen de EVA-Staten in verband met de toepassing van deze Overeenkomst, is het EVA-Hof in het bijzonder bevoegd ter zake van :

    • a) vorderingen inzake de toezichtprocedure betreffende de EVA-Staten ;

    • b) beroepen betreffende beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging ;

    • c) de beslechting van geschillen tussen twee of meer EVA-Staten.

Artikel 109

  • 1 Op de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst wordt toegezien door enerzijds de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en anderzijds de Commissie van de EG, die handelt in overeenstemming met het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en deze Overeenkomst.

  • 2 Ten einde een uniform toezicht in de gehele EER te verzekeren, wordt door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG samengewerkt, informatie uitgewisseld en overleg gepleegd over kwesties betreffende het toezichtbeleid en over afzonderlijke gevallen.

  • 3 Klachten betreffende de toepassing van deze Overeenkomst worden gericht tot de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die elkaar in kennis stellen van de ontvangen klachten.

  • 4 Elk van beide organen onderzoekt alle klachten ter zake waarvan het bevoegd is en geeft de klachten ter zake waarvan het andere orgaan bevoegd is aan dat orgaan door.

  • 5 Bij onenigheid tussen deze twee organen over de maatregelen die in verband met een klacht of met het resultaat van het onderzoek moeten worden genomen, kan elk van deze organen de zaak voorleggen aan het Gemengd Comité van de EER, dat overeenkomstig artikel 111 optreedt.

Artikel 110

De krachtens deze Overeenkomst door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG genomen beschikkingen welke voor natuurlijke of rechtspersonen met uitzondering van de staten een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel. Hetzelfde geldt voor krachtens deze Overeenkomst gedane soortgelijke uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de regels van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de toezichtprocedure, op de toezichtprocedure aangebracht door de autoriteit die door elke overeenkomstsluitende partij daartoe wordt aangewezen en wordt bekendgemaakt aan de andere overeenkomstsluitende partijen, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, de Commissie van de EG, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.

Nadat deze formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze overgaan tot de tenuitvoerlegging in overeenstemming met de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, door zich rechtstreeks tot de bevoegde instantie te wenden.

De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, voor zover het gaat om beschikkingen van de Commissie van de EG, het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen of het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, of krachtens een beschikking van het EVA-Hof voor zover het gaat om beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het EVA-Hof. Het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Afdeling 3. Beslechting van geschillen

Artikel 111

  • 1 Geschillen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst kunnen door de Gemeenschap of een EVA-Staat overeenkomstig de volgende bepalingen aan het Gemengd Comité van de EER worden voorgelegd.

  • 2 Het Gemengd Comité van de EER kan het geschil beslechten. Het comité ontvangt alle informatie die nuttig kan zijn voor een diepgaand onderzoek van de situatie met het oog op het uitwerken van een aanvaardbare oplossing. Daartoe onderzoekt het Gemengd Comité alle mogelijkheden om de goede werking van de Overeenkomst in stand te houden.

  • 3 Indien een geschil betrekking heeft op de uitlegging van bepalingen van deze Overeenkomst die in essentie gelijk zijn aan overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal of ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, en indien het geschil niet beslecht is binnen drie maanden nadat het aan het Gemengd Comité van de EER is voorgelegd, kunnen de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken, overeenkomen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken zich over de uitlegging van de desbetreffende regels uit te spreken.

    Indien het Gemengd Comité van de EER in een dergelijk geschil geen oplossing bereikt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop de procedure is ingeleid of indien de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken tegen die tijd niet hebben besloten het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een beslissing te verzoeken, kan een overeenkomstsluitende partij, ten einde eventuele onevenwichtige situaties te corrigeren,

    • - hetzij overeenkomstig artikel 112, lid 2, en volgens de procedure van artikel 113 het initiatief tot een vrijwaringsmaatregel nemen;

    • - hetzij artikel 102 mutatis mutandis toepassen.

  • 4 Indien een geschil betrekking heeft op het toepassingsgebied of de duur van vrijwaringsmaatregelen die overeenkomstig artikel 111, lid 3, of artikel 112 zijn genomen, dan wel op de evenredigheid van de overeenkomstig artikel 114 genomen maatregelen om het evenwicht te herstellen, en indien het Gemengd Comité van de EER er niet in slaagt het geschil op te lossen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de zaak aan het comité is voorgelegd, kan elke overeenkomstsluitende partij het geschil overeenkomstig de procedures van Protocol 33 aan arbitrage onderwerpen. Vraagstukken inzake de uitlegging van de in lid 3 bedoelde bepalingen van deze Overeenkomst mogen in die procedures niet worden behandeld. De arbitrage-uitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil.

HOOFDSTUK 4. VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 112

  • 1 Indien er mogelijk aanhoudende ernstige economische, maatschappelijke of met het milieu verband houdende moeilijkheden van sectoriële of regionale aard rijzen, mag een overeenkomstsluitende partij overeenkomstig de in artikel 113 vastgestelde voorwaarden en procedures unilateraal passende maatregelen treffen.

  • 2 Dergelijke vrijwaringsmaatregelen zijn naar draagwijdte en duur beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de situatie te verhelpen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van deze Overeenkomst zo weinig mogelijk verstoren.

  • 3 De vrijwaringsmaatregelen zijn ten aanzien van alle overeenkomstsluitende partijen van toepassing.

Artikel 113

  • 1 Een overeenkomstsluitende partij die overweegt vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 112 te treffen, stelt de overige overeenkomstsluitende partijen hiervan onverwijld via het Gemengd Comité van de EER in kennis en verstrekt alle relevante inlichtingen.

  • 2 De overeenkomstsluitende partijen plegen onmiddellijk overleg in het Gemengd Comité van de EER om een voor elke partij aanvaardbare oplossing te vinden.

  • 3 De betrokken overeenkomstsluitende partij mag geen vrijwaringsmaatregelen nemen binnen een maand na de datum van kennisgeving overeenkomstig lid 1, tenzij de overlegprocedure overeenkomstig lid 2 vóór het verstrijken van de gestelde termijn is beëindigd. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden die onmiddellijke maatregelen vereisen voorafgaand onderzoek uitsluiten, mag de betrokken overeenkomstsluitende partij onmiddellijk de vrijwaringsmaatregelen toepassen die strikt noodzakelijk zijn om de situatie te verhelpen.

    Voor de Gemeenschap neemt de EG-Commissie het initiatief tot de vrijwaringsmaatregelen.

  • 4 De betrokken overeenkomstsluitende partij stelt het Gemengd Comité van de EER onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen en verstrekt alle relevante inlichtingen.

  • 5 Vanaf de datum van invoering wordt over de vrijwaringsmaatregelen om de drie maanden overleg gepleegd in het Gemengd Comité van de EER, met het oog op de intrekking ervan vóór de gestelde vervaldatum of de beperking van het toepassingsgebied.

    Elke overeenkomstsluitende partij kan het Gemengd Comité van de EER te allen tijde om herziening van de maatregelen verzoeken.

Artikel 114

  • 1 Indien een vrijwaringsmaatregel van een overeenkomstsluitende partij het evenwicht tussen de uit deze Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen verstoort, kan elke andere overeenkomstsluitende partij ten aanzien van die partij de strikt noodzakelijke evenredige maatregelen nemen om het evenwicht te herstellen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.

  • 2 De procedure van artikel 113 is van toepassing.

DEEL VIII. FINANCIEEL MECHANISME

Artikel 115

De overeenkomstsluitende partijen zijn het erover eens dat met het oog op de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van hun handel en hun economische betrekkingen, zoals bepaald in artikel 1, de economische en sociale verschillen tussen hun regio's moeten worden teruggedrongen. Zij wijzen in dit verband op de elders in deze Overeenkomst en de daarbij behorende protocollen vastgestelde desbetreffende bepalingen, inclusief sommige betreffende landbouw en visserij.

Artikel 116

De EVA-Staten stellen een financieel mechanisme in om in het kader van de EER en in aanvulling op de stappen die de Gemeenschap in dezen reeds heeft gezet bij te dragen tot de in artikel 115 vastgestelde doelstellingen.

Artikel 117 [Wordt voorlopig toegepast per 12-04-2014]

Protocol 38, Protocol 38 bis, het addendum bij Protocol 38 bis, Protocol 38 ter en het addendum bij Protocol 38 ter bevatten bepalingen betreffende het financieel mechanisme.

DEEL IX. ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 118

  • 1 Wanneer een overeenkomstsluitende partij meent dat het in het belang van alle overeenkomstsluitende partijen nuttig zou zijn de bij deze Overeenkomst tot stand gebrachte betrekkingen verder te ontwikkelen door ze uit te breiden tot niet door de Overeenkomst bestreken gebieden, legt zij daartoe in de EER-Raad een met redenen omkleed verzoek voor aan de overige overeenkomstsluitende partijen. De EER-Raad kan het Gemengd Comité van de EER opdracht geven alle aspecten van dit verzoek te onderzoeken en een verslag te publiceren.

    De EER-Raad kan in voorkomend geval de politieke besluiten nemen met het oog op het openen van onderhandelingen tussen de overeenkomstsluitende partijen.

  • 2 De uit de in lid 1 bedoelde onderhandelingen voortvloeiende overeenkomsten moeten door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures worden bekrachtigd of goedgekeurd.

Artikel 119

De bijlagen en de daarin vermelde besluiten, zoals aangepast voor de toepassing van deze Overeenkomst, en de protocollen vormen een integrerend bestanddeel van deze Overeenkomst.

Artikel 120

Tenzij anders wordt bepaald in deze Overeenkomst en met name in de Protocollen 41, en 43, hebben de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst voorrang boven de bepalingen in bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en één of meerdere EVA-Staten anderzijds, voor zover de onderhavige Overeenkomst dezelfde onderwerpen regelt.

Artikel 121

De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor samenwerking :

  • a) in het kader van de Noorse samenwerking, voor zover die samenwerking de goede werking van deze Overeenkomst niet schaadt;

  • b) in het kader van de regionale unie tussen Zwitserland en Liechtenstein, voor zover de doelstellingen van die unie niet door de uitvoering van deze Overeenkomst worden bereikt en de goede werking van de Overeenkomst niet wordt geschaad ;

Artikel 122

De vertegenwoordigers, afgevaardigden en deskundigen van de overeenkomstsluitende partijen alsmede de ambtenaren en andere personeelsleden die bij deze Overeenkomst zijn betrokken, mogen, ook nadat zij hun taken hebben beëindigd, geen ruchtbaarheid geven aan inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan inlichtingen betreffende ondernemingen, hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs.

Artikel 123

Niets in deze Overeenkomst verhindert een overeenkomstsluitende partij maatregelen te treffen :

  • a) die zij noodzakelijk acht ter voorkoming van de verbreiding van inlichtingen die strijdig zijn met de wezenlijke belangen van haar veiligheid ;

  • b) die betrekking hebben op de produktie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal of andere produkten die onontbeerlijk zijn voor defensiedoeleinden of onderzoek, ontwikkeling of produktie onontbeerlijk voor defensiedoeleinden, mits dergelijke maatregelen geen afbreuk doen aan de mededingingsverhoudingen voor produkten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden ;

  • c) die zij noodzakelijk acht voor haar eigen veiligheid in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van een ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die zij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.

Artikel 124

De overeenkomstsluitende partijen verlenen nationale behandeling wat betreft financiële deelneming door de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 34, onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 125

Deze Overeenkomst laat de regeling van het eigendomsrecht van de overeenkomstsluitende partijen onverlet.

Artikel 126

  • 1 De Overeenkomst is van toepassing op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is en onder de in dat Verdrag neergelegde voorwaarden en op de grondgebieden van IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.

  • 2 In afwijking van lid 1 is deze Overeenkomst niet van toepassing op de Ålandeilanden. De regering van Finland kan evenwel door een verklaring die bij de bekrachtiging van deze Overeenkomst wordt neergelegd bij de depositaris, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de overeenkomstsluitende partijen, ervan kennis geven dat de Overeenkomst op die eilanden van toepassing is onder dezelfde voorwaarden als waaronder zij voor andere delen van Finland geldt, behoudens de volgende bepalingen:

    • a) De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor de toepassing te allen tijde op de Ålandeilanden van de geldende voorschriften inzake:

      • i) beperkingen op het recht voor natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland, en voor rechtspersonen, om op de Ålandeilanden onroerend goed aan te kopen en te bezitten zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden;

      • ii) beperkingen op het recht van vestiging en het recht diensten te verrichten van natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland of van een rechtspersoon, zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden.

    • b) Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten die Ålanders in Finland genieten.

    • c) De autoriteiten van de Ålandeilanden behandelen alle natuurlijke en rechtspersonen van de overeenkomstsluitende partijen op gelijke voet.

Artikel 127

Elke overeenkomstsluitende partij kan deze Overeenkomst opzeggen, mits zij daarvan ten minste twaalf maanden tevoren schriftelijk kennis geeft aan de overige overeenkomstsluitende partijen.

Onmiddellijk na de kennisgeving van de voorgenomen opzegging, roepen de overige overeenkomstsluitende partijen een diplomatieke conferentie bijeen ten einde te bezien welke wijzigingen in de Overeenkomst moeten worden aangebracht.

Artikel 128

  • 1 Elke Europese Staat die tot de Gemeenschap toetreedt, moet, en de Zwitserse Bondsstaat of elke Europese Staat die tot de EVA toetreedt, kan, vragen partij te worden bij deze Overeenkomst. Deze aanvragen wordt tot de EER-Raad gericht.

  • 2 De voorwaarden voor een dergelijk lidmaatschap worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen en de Staat die de aanvraag doet. Bedoelde overeenkomst behoeft bekrachtiging of goedkeuring door alle overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures.

Artikel 129 [Wordt voorlopig toegepast per 12-04-2014]

  • 1 Deze Overeenkomst wordt opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de IJslandse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal. zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

    Naar aanleiding van de uitbreidingen van de Europese Economische Ruimte zijn eveneens de versies van deze overeenkomst in de Bulgaarse, de Estse, de Hongaarse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse en de Tsjechische taal gelijkelijk authentiek.

    De teksten van de in de bijlagen genoemde besluiten zijn gelijkelijk authentiek in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zoals zij in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn verschenen, en worden met het oog op hun echtverklaring in de IJslandse en Noorse taal opgemaakt en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

  • 2 Deze Overeenkomst zal door de overeenkomstsluitende partijen worden bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen.

    Zij zal worden neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle andere overeenkomstsluitende partijen.

    De akten van bekrachtiging of goedkeuring zullen worden nedergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat alle andere overeenkomstsluitende partijen hiervan in kennis stelt.

  • 3 Deze Overeenkomst treedt in werking op de datum en op de voorwaarden als bepaald in het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.

GEDAAN te Oporto, de tweede mei negentienhonderd tweeënnegentig.

De Overeenkomst is op 2 mei 1992 ondertekend voor:

de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen

België

Denemarken

Duitsland

Frankrijk

Griekenland

Ierland

Italië

het Koninkrijk der Nederlanden

Luxemburg

Portugal

Spanje

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Finland

Liechtenstein

Noorwegen

Oostenrijk

IJsland

Zweden

Zwitserland

PROTOCOLLEN

[Red: De oorspronkelijke Nederlandse tekst van de Bijlagen en de Protocollen is gepubliceerd in Pb EG L 1, 31-1-1994, blz. 1 e.v.]

BIJLAGEN

[Red: De oorspronkelijke Nederlandse tekst van de Bijlagen en de Protocollen is gepubliceerd in Pb EG L 1, 31-1-1994, blz. 1 e.v.]

SLOTAKTE

De gevolmachtigden van :

DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL.

hierna "de Gemeenschap" te noemen, en van

HET KONINKRIJK BELGIË

HET KONINKRIJK DENEMARKEN

DE DUITSE BONDSREPUBLIEK

DE HELLEENSE REPUBLIEK

HET KONINKRIJK SPANJE

DE FRANSE REPUBLIEK

IERLAND

DE ITALIAANSE REPUBLIEK

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

DE PORTUGESE REPUBLIEK

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND,

Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

hierna "de Lid-Staten van de EG" te noemen.

en

de gevolmachtigden van :

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK

DE REPUBLIEK FINLAND

DE REPUBLIEK IJSLAND

HET VORSTENDOM LIECHTENSTEIN

HET KONINKRIJK NOORWEGEN

HET KONINKRIJK ZWEDEN

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT.

hierna "de EVA-Staten" te noemen.

bijeengekomen te Porto op twee mei in het jaar negentienhonderd tweeënnegentig voor de ondertekening van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hierna de EER-Overeenkomst te noemen, hebben de volgende teksten aangenomen :

  • I. de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte :

  • II. de onderstaande teksten die zijn gehecht aan de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte :

A.

Protocol 1

betreffende horizontale aanpassingen

Protocol 2

betreffende produkten die overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder a), van de Overeenkomst zijn uitgesloten

Protocol 3

betreffende produkten bedoeld in artikel 8, lid 3, onder b), van de Overeenkomst

Protocol 4

betreffende oorsprongregels

Protocol 5

betreffende douanerechten van fiscale aard (Zwitserland/Liechtenstein)

Protocol 6

betreffende het opbouwen van verplichte reserves door Zwitserland en Liechtenstein

Protocol 7

betreffende kwantitatieve beperkingen die IJsland mag handhaven

Protocol 8

betreffende staatsmonopolies

Protocol 9

betreffende de handel in vis en andere produkten van de zee

Protocol 10

betreffende de vereenvoudiging van controles en formaliteiten bij het goederenvervoer

Protocol 11

betreffende wederzijdse bijstand in douanezaken

Protocol 12

betreffende overeenkomsten met derde landen op het gebied van conformiteitsbeoordeling

Protocol 13

betreffende de niet-toepassing van anti-dumping- en compenserende maatregelen

Protocol 14

betreffende de handel in kolen- en staalprodukten

Protocol 15

betreffende overgangsperioden voor het vrije verkeer van personen (Zwitserland en Liechtenstein)

Protocol 16

betreffende maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid met betrekking tot de overgangsperiodes voor het vrije verkeer van personen (Zwitserland en Liechtenstein)

Protocol 17

betreffende artikel 34

Protocol 18

betreffende de interne procedures voor de tenuitvoerlegging van artikel 43 van de Overeenkomst

Protocol 19

betreffende zeevervoer

Protocol 20

betreffende toegang tot de binnenwateren

Protocol 21

betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen

Protocol 22

betreffende de omschrijving van "onderneming" en "omzet" (artikel 56)

Protocol 23

betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten (artikel 58)

Protocol 24

betreffende de samenwerking op het gebied van de controle op concentraties

Protocol 25

betreffende mededinging op het gebied van kolen en staal

Protocol 26

betreffende de bevoegdheden en taken van de toezichthoudende autoriteit van de EVA op hel gebied van staatssteun

Protocol 27

betreffende samenwerking op het gebied van staatssteun

Protocol 28

betreffende intellectuele eigendom

Protocol 29

betreffende de beroepsopleiding

Protocol 30

betreffende specifieke bepalingen voor de organisatie van samenwerking op het gebied van de statistiek

Protocol 31

betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

Protocol 32

betreffende de financiële bepalingen voor de tenuitvoerlegging van artikel 82

Protocol 33

betreffende arbitrageprocedures

Protocol 34

betreffende de mogelijkheid voor rechterlijke instanties van de EVA-Staten om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van EER-regels die overeenkomen met EG-regels

Protocol 35

betreffende de tenuitvoerlegging van EER-voorschriften

Protocol 36

betreffende de Statuten van het Gemengd Parlementair Comité van de EER

Protocol 37

houdende de lijst bedoeld in artikel 101

Protocol 38

betreffende het financieel mechanisme

Protocol 39

betreffende de ecu

Protocol 40

betreffende Svalbard

Protocol 41

betreffende bestaande overeenkomsten

Protocol 42

betreffende bilaterale regelingen inzake specifieke landbouwprodukten

Protocol 43

inzake de Overeenkomst tussen de EG en de Republiek Oostenrijk betreffende het transitovervoer van goederen over de weg en per spoor

Protocol 44

betreffende de Overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat betreffende het goederenvervoer over de weg en per spoor

Protocol 45

betreffende overgangsperioden voor Spanje en Portugal

Protocol 46

betreffende de ontwikkeling van de samenwerking in de visserijsector

Protocol 47

inzake de opheffing van de technische belemmeringen voor het handelsverkeer in wijn

Protocol 48

betreffende de artikelen 105 en 111

Protocol 49

betreffende Ceuta en Melilla :

B.

Bijlage I

Veterinaire en phytosanitaire aangelegenheden

Bijlage II

Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie

Bijlage III

Produktaansprakelijkheid

Bijlage IV

Energie

Bijlage V

Vrij verkeer van werknemers

Bijlage VI

Sociale zekerheid

Bijlage VII

Onderlinge erkenning van beroepskwalificaties

Bijlage VIII

Recht van vestiging

Bijlage IX

Financiële diensten

Bijlage X

Audiovisuele diensten

Bijlage XI

Telecommunicatiediensten

Bijlage XII

Vrij verkeer van kapitaal

Bijlage XIII

Vervoer

Bijlage XIV

Mededinging

Bijlage XV

Staatssteun

Bijlage XVI

Aanbestedingen

Bijlage XVII

Intellectuele eigendom

Bijlage XVIII

Gezondheid en veiligheid op het werk, arbeidsrecht en gelijke behandeling van mannen en vrouwen

Bijlage XIX

Consumentenbescherming

Bijlage XX

Milieu

Bijlage XXI

Statistiek

Bijlage XXII

Vennootschapsrecht.

De gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten hebben de onderstaande gemeenschappelijke verklaringen die aan de Slotakte zijn gehecht, aangenomen :

  • 1. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de opstelling van gemeenschappelijke verslagen krachtens punt 5 van Protocol 1 betreffende horizontale aanpassingen

  • 2. Gemeenschappelijke verklaring betreffende overeenkomsten inzake de wederzijdse erkenning en bescherming van de benamingen van wijn en gedistilleerde dranken

  • 3. Gemeenschappelijke verklaring betreffende een overgangsperiode voorde afgifte of opstelling van documenten betreffende het bewijs van oorsprong

  • 4. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de artikelen 10 en 14, lid 1, van Protocol 11 bij de Overeenkomst

  • 5. Gemeenschappelijke verklaring betreffende in de geneeskunde gebruikte elektrische apparaten

  • 6. Gemeenschappelijk verklaring betreffende de onderdanen van de Republiek IJsland die houder zijn van een in een derde land afgegeven diploma van specialist, specialist in de tandheelkunde, dierenarts, apotheker, huisarts of architect

  • 7. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de onderdanen van de Republiek IJsland die houder zijn van een in een derde land afgegeven hoger-onderwijsdiploma waarmee een beroepsopleiding van ten minste drie jaar wordt afgesloten

  • 8. Gemeenschappelijke verklaring betreffende het goederenvervoer over de weg

  • 9. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de mededingingsregels

  • 10. Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 61, lid 3, onder b), van de Overeenkomst

  • 11. Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 61, lid 3, onder c), van de Overeenkomst

  • 12. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de door de EG-Structuurfondsen of andere financiële instrumenten verleende steun

  • 13. Gemeenschappelijke verklaring betreffende punt c van Protocol nr. 27 hij de Overeenkomst

  • 14. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de scheepsbouw

  • 15. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de procedures die van toepassing zijn in de gevallen waarin de EVA-Staten krachtens artikel 76 en Deel VI van de Overeenkomst en de desbetreffende Protocollen volledig deelnemen in de comités van de EG

  • 16. Gemeenschappelijke verklaring betreffende samenwerking op cultureel gebied

  • 17. Gemeenschappelijke verklaring betreffende samenwerking in de strijd tegen de illegale handel in cultuurgoederen

  • 18. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de deelname van deskundigen uit de Gemeenschap aan de werkzaamheden van de comités die door de EVA-Staten of door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zijn opgericht

  • 19. Gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 103 van de EER-Overeenkomst

  • 20. Gemeenschappelijke verklaring betreffende Protocol 35 bij de Overeenkomst

  • 21. Gemeenschappelijke verklaring betreffende het financieel mechanisme

  • 22. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de verhouding tussen de EER-Overeenkomst en bestaande overeenkomsten

  • 23. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de overeengekomen interpretatie van artikel 4, leden 1 en 2 van Protocol 9 inzake de handel in vis en andere produkten uit de zee

  • 24. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de toepassing van tariefconcessies voor bepaalde landbouwprodukten

  • 25. Gemeenschappelijke verklaring betreffende aangelegenheden inzake de gezondheid van planten

  • 26. Gemeenschappelijke verklaring betreffende wederzijdse bijstand tussen controleautoriteiten op het gebied van alcoholhoudende dranken

  • 27. Gemeenschappelijke verklaring betreffende Protocol 47 inzake de afschaffing van technische belemmeringen voor de handel in wijn

  • 28. Gemeenschappelijke verklaring betreffende de wijziging van tariefconcessies en betreffende een speciale behandeling van Spanje en Portugal

  • 29. Gemeenschappelijke verklaring betreffende het welzijn van dieren.

  • 30. Gemeenschappelijke verklaring betreffende het Geharmoniseerd Systeem

    De gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en de gevolmachtigden van de EVA-Staten hebben de onderstaande verklaringen die aan deze Slotakte zijn gehecht, aangenomen :

  • 1. Verklaring van de regeringen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten betreffende de vereenvoudiging van grenscontroles

  • 2. Verklaring van de regeringen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten betreffende de politieke dialoog.

    De gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten hebben voorts nota genomen van de regeling betreffende het functioneren van een interimgroep op hoog niveau tijdens de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst welke aan deze Slotakte is gehecht. Zij zijn voorts overeengekomen dat de interimgroep op hoog niveau uiterlijk bij de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst een besluit zal nemen over de authentiek-verklaring van de Finse, IJslandse, Noorse en Zweedse versies van de teksten van EEG-besluiten welke zijn vermeld in de bijlagen bij de EER-Overeenkomst.

    De gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten hebben voorts nota genomen van de regeling betreffende de bekendmaking van voor de EER relevante informatie die aan deze Slotakte is gehecht.

    Voorts hebben de gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten nota genomen van de regeling betreffende de bekendmaking van EVA-kennisgevingen inzake aanbesteding die aan deze Slotakte is gehecht.

    Daarenboven hebben de gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten het proces van overeenkomst van de onderhandelingen dat aan deze Slotakte is gehecht, aangenomen. Het Proces-Verbaal van Overeenkomst heeft een bindend karakter.

    Tenslotte hebben de gevolmachtigden van de Lid-Staten van de EG en van de Gemeenschap en de gevolmachtigden van de EVA-Staten nota genomen van de onderstaande verklaringen die aan deze Slotakte zijn gehecht :

  • 1. Verklaring van de regeringen van Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden betreffende alcoholmonopolies

  • 2. Verklaring van de regeringen van Liechtenstein en Zwitserland betreffende alcoholmonopolies

  • 3. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende wederzijdse bijstand in douanezaken

  • 4. Verklaring van de regeringen van de EVA-Staten betreffende het vrij verkeer van lichte bedrijfsvoertuigen

  • 5. Verklaring van de regering van Liechtenstein betreffende produktaansprakelijkheid

  • 6. Verklaring van de regering van Liechtenstein betreffende de specifieke situatie van het land

  • 7. Verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende vrijwaringsmaatregelen

  • 8. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 9. Verklaring van de regering van IJsland betreffende het gebruik van vrijwaringsmaatregelen krachtens de EER-Overeenkomst

  • 10. Verklaring van de regering van Zwitserland betreffende vrijwaringsmaatregelen

  • 11. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 12. Verklaring van de regering van Zwitserland betreffende de invoering van een aanvullende opleiding na het behalen van het diploma van architect in de instellingen voor hoger technisch onderwijs

  • 13. Verklaring van de regeringen van Oostenrijk en Zwitserland betreffende audiovisuele diensten

  • 14. Verklaring van de regeringen van Liechtenstein en Zwitserland betreffende administratieve bijstand

  • 15. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 16. Verklaring van de regering van Zwitserland over het gebruik van de vrijwaringsclausule in verband met kapitaalbewegingen

  • 17. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 18. Verklaring van de regering van Noorwegen betreffende de rechtstreekse uitvoerbaarheid van besluiten van de Instellingen van de EG met betrekking tot geldelijke verplichtingen, die tot in Noorwegen gevestigde ondernemingen zijn gericht

  • 19. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 20. Verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende de uitvoerbaarheid op haar grondgebied van besluiten van de Instellingen van de EG met betrekking tot geldelijke verplichtingen

  • 21. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 22. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende de scheepsbouw

  • 23. Verklaring van de regering van Ierland inzake Protocol 28 betreffende Intellectuele Eigendom - internationale overeenkomsten

  • 24. Verklaring van de regeringen van de EVA-Staten betreffende het Handvest van de sociale grondrechten van de werkenden

  • 25. Verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende tenuitvoerlegging van artikel 5 van Richtlijn 76/207/EEG in verband met nachtwerk

  • 26. Verklaring van de Europese Gemeenschap

  • 27. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende de rechten van de EVA-Staten voor het Hof van Justitie van de EG

  • 28. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende de rechten van advocaten uit de EVA-Staten in het kader van het Gemeenschapsrecht

  • 29. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende de deelname van deskundigen uit de EVA-Staten aan de werkzaamheden van met de EER verband houdende comités van de EG ter uitvoering van artikel 100 van de Overeenkomst

  • 30. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende artikel 103 van de Overeenkomst

  • 31. Verklaring van de regeringen van de EVA-Staten betreffende artikel 103, lid 1, van de Overeenkomst

  • 32. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende doorvoer in de visserijsector

  • 33. Verklaring van de Europese Gemeenschap en de regeringen van Oostenrijk, Finland, Liechtenstein, Zweden en Zwitserland betreffende produkten van de walvisvangst

  • 34. Verklaring van de regering van Zwitserland betreffende douanerechten van fiscale aard

  • 35. Verklaring van de Europese Gemeenschap betreffende bilaterale overeenkomsten

  • 36. Verklaring van de regering van Zwitserland betreffende de Overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederenvervoer over de weg en per spoor

  • 37. Verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende de Overeenkomst tussen de EEG en de Republiek Oostenrijk inzake het transitovervoer van goederen over de weg en per spoor

  • 38. Verklaring van de regeringen van de EVA-Staten betreffende het financieel mechanisme van de EVA

  • 39. Verklaring van de regeringen van de EVA-Staten betreffende een Gerecht van Eerste Aanleg

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN VAN DE PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE OPSTELLNG VAN GEMEENSCHAPPELIJKE VERSLAGEN KRACHTENS PUNT 5 VAN PROTOCOL 1 BETREFFENDE HORIZONTALE AANPASSINGEN

Met betrekking tot de herzienings- en rapporteringsprocedures als bedoeld in punt 5 van Protocol 1 inzake horizontale aanpassingen is overeengekomen dat het Gemengd Comité van de EER, telkens wanneer het dit dienstig acht de opstelling van een gemeenschappelijk verslag mag vragen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE OVEREENKOMSTEN INZAKE DE WEDERZIJDSE ERKENNING EN BESCHERMING VAN DE BENAMINGEN VAN WIJN EN GEDISTILLEERDE DRANKEN

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen onderhandelingen te voeren om vóór 1 juli 1993 afzonderlijke overeenkomsten te sluiten inzake de wederzijdse erkenning en bescherming van de benamingen van wijn en gedistilleerde dranken, met inachtneming van de bestaande bilaterale overeenkomsten.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE EEN OVERGANGSPERIODE VOOR DE AFGIFTE OF OPSTELLING VAN DOCUMENTEN BETREFFENDE HET BEWIJS VAN OORSPRONG

  • a) De bevoegde douane-autoriteiten van de Gemeenschap en die van Oostenrijk, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland aanvaarden gedurende een periode van twee jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst de volgende documenten als bedoeld in artikel 13 van Protocol nr. 3 bij de Vrijhandelsakkoorden tussen de EEG en bovengenoemde afzonderlijke EVA-Staten als geldig bewijs van oorsprong in de zin van Protocol 4 bij de EER-Overeenkomst :

    • i) certificaten EUR.1. inclusief lange-termijncertificaten, waarop van tevoren het stempel van het bevoegde douanekantoor van het land van uitvoer is aangebracht ;

    • ii) certificaten EUR.1. inclusief lange-termijncertificaten, waarop door een toegelaten exporteur een speciaal, door de douane-autoriteiten van het land van uitvoer goedgekeurd stempel is aangebracht; en

    • iii) facturen die betrekking hebben op lange-termijncertificaten.

  • b) De bevoegde douane-autoriteiten van de Gemeenschap en die van Oostenrijk, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland aanvaarden gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst de volgende documenten als bedoeld in artikel 8 van Protocol nr. 3 bij de Vrijhandelsakkoorden tussen de EEG en de bovengenoemde afzonderlijke EVA-Staten als geldig bewijs van oorsprong in de zin van Protocol 4 bij de EER-Overeenkomst :

    • i) facturen met de verklaring van de exporteur als vermeld in bijlage V bij Protocol nr. 3 die in overeenstemming met artikel 13 van dat Protocol zijn opgesteld, en

    • ii) facturen met de verklaring van de exporteur als vermeld in bijlage V bij Protocol nr. 3 die door een exporteur zijn opgesteld.

  • c) De bevoegde douane-autoriteiten van de Gemeenschap en die van Oostenrijk, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland aanvaarden gedurende een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte en opstelling van het bedoelde bewijs van oorsprong verzoeken om controle achteraf van de onder (a) en (b) bedoelde documenten. Deze controles worden in overeenstemming met titel VI van Protocol 4 bij de EER-Overeenkomst uitgevoerd.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE ARTIKELEN 10 EN 14. LID I. VAN PROTOCOL 11 BIJ DE OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen wijzen op het belang dat zij hechten aan de bescherming van persoonsgegevens. Zij verbinden zich ertoe deze kwestie verder te onderzoeken teneinde een adequate bescherming van dergelijke gegevens krachtens Protocol 11 te verzekeren en wel op een niveau dat tenminste vergelijkbaar is met dat van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE IN DE GENEESKUNDE GEBRUIKTE ELEKTRISCHE APPARATEN

De overeenkomstsluitende partijen nemen er nota van dat de Commissie hij de Raad een voorstel heeft ingediend voor een richtlijn van de Raad betreffende in de geneeskunde gebruikte elektrische apparaten waarop tot dusver Richtlijn 84/539/EEG (PB L 300, 19.11.1984. blz. 179) (bijlage II) van toepassing is.

Het voorstel van de Commissie biedt de patiënten, gebruikers en derde personen meer bescherming door te verwijzen naar geharmoniseerde normen die door CEN-CENELEC in overeenstemming met de wettelijke voorschriften moeten worden vastgesteld en door deze produkten te onderwerpen aan passende procedures voor het controleren van de conformiteit, waarbij voor bepaalde toestellen een beroep wordt gedaan op een derde partij.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE ONDERDANEN VAN DE REPUBLIEK IJSLAND DIE HOUDER ZIJN VAN EEN IN EEN DERDE LAND AFGEGEVEN DIPLOMA VAN SPECIALIST, SPECIALIST IN DE TANDHEELKUNDE, DIERENARTS, APOTHEKER, HUISARTS OF ARCHITECT

De overeenkomstsluitende partijen,

Vaststellend dat Richtlijnen 75/362/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG, 85/384/EE, 85/433/EEG en 86/457/EEG van de Raad, als aangepast ten behoeve van de EER, uitsluitend betrekking hebben op diploma's, certificaten en andere titels die in de landen van de overeenkomstsluitende partijen zijn afgegeven.

Verlangend rekening te houden met de speciale positie van de onderdanen van de Republiek IJsland die, aangezien er in dat land zelf geen volledige universitaire opleiding bestaat voor specialisten, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen en architecten, de mogelijkheden voor de opleiding tot specialist in de tandheelkunde en voor een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde en andere specialisaties in de geneeskunde beperkt zijn en aangezien er nog maar pas een volledige universitaire apothekersopleiding bestaat in IJsland, hun studies in een derde land hebben volbracht.

Bevelen hierbij aan dat de betrokken regeringen onderdanen van de Republiek IJsland die houder zijn van een in een derde land afgegeven diploma van specialist in de tandheelkunde, dierenarts, architect, apotheker, of van een diploma dat wordt afgegeven bij voltooiing van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde of van een specialisatie in de geneeskunde en dat door de bevoegde autoriteiten van IJsland is erkend, toestemming dienen te verlenen om binnen de Europese Economische Ruimte de werkzaamheden van specialist in de tandheelkunde, dierenarts, architect, apotheker, huisarts of specialist uit te oefenen door deze diploma's op hun grondgebied te erkennen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE ONDERDANEN VAN DE REPUBLIEK IJSLAND DIE HOUDER ZIJN VAN EEN IN EEN DERDE LAND AFGEGEVEN HOGER-ONDERWIJSDIPLOMA WAARMEE EEN BEROEPSOPLEIDING VAN TEN MINSTE DRIE JAAR WORDT AFGESLOTEN

De overeenkomstsluitende partijen.

Vaststellend dat Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 (PB nr. L 19, 24.1.1989, blz. 16) betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, als aangepast ten behoeve van de EER, betrekking heeft op diploma's, certificaten en andere titels die hoofdzakelijk in de landen van de overeenkomstsluitende partijen zijn afgegeven.

Verlangend rekening te houden met de speciale positie van de onderdanen van de Republiek IJsland die, aangezien de mogelijkheden voor een postsecundaire opleiding aldaar beperkt zijn en de studenten deze opleiding van oudsher in het buitenland volgen, hun studies in een derde land hebben volbracht,

Bevelen de betrokken regeringen hierbij aan om onderdanen van de Republiek IJsland die houder zijn van een in een derde land uitgereikt en door de bevoegde autoriteiten van IJsland erkend diploma voor studies waarop het algemeen stelsel van toepassing is, toestemming te verlenen om binnen de Europese Economische Ruimte de desbetreffende beroepsactiviteiten uit te oefenen door die diploma's op hun grondgebied te erkennen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE HET GOEDERENVERVOER OVER DE WEG

Indien de Europese Gemeenschap nieuwe wetten uitwerkt tot wijziging, vervanging of verlenging van de toepassing van de regels voor de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg (Eerste richtlijn van de Raad van 23 juli 1962 inzake de vaststelling van bepaalde gemeenschappelijke regels voor het internationale vervoer, PB nr. 70, 6.8.62, blz. 2005/62 ; Richtlijn 65/269/EEG van de Raad, PB nr. 88, 24.5.1965, blz. 1469/65; Verordening (EEG) nr. 3164/76 van de Raad, PB nr. L 357, 29.12.1976, blz. 1 : Beschikking 80/48/EEG van de Raad, PB nr. L 18, 24.1.1980, blz. 21 Verordening (EEG)nr. 4059/89 van de Raad, PB nr. L 390, 30.12.1989, blz. 3) dan nemen de overeenkomstsluitende partijen in overeenstemming met de gezamenlijk overeengekomen procedures, een besluit tot wijziging van de desbetreffende bijlage, waardoor vervoerders van de overeenkomstsluitende partijen op basis van wederkerigheid en onder gelijke voorwaarden toegang krijgen tot de markt van het goederenvervoer over de weg.

Toekomstige wijzigingen van de Overeenkomst doen voor de duur van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en Oostenrijk betreffende het goederenvervoer over de weg en per spoor geen afbreuk aan de bestaande wederzijdse rechten inzake toegang tot de markt als bedoeld in artikel 16 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en de Republiek Oostenrijk betreffende het goederenvervoer over de weg en per spoor en als vermeld in de bilaterale overeenkomsten tussen Oostenrijk enerzijds en Finland, Noorwegen, Zweden en Zwitserland anderzijds, tenzij de betrokken partijen anders zijn overeengekomen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE MEDEDINGINGSREGELS

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat de toepassing van de EER-mededingingsregels in gevallen die onder de bevoegdheid vallen van de Commissie van de EG, steunt op de bestaande bevoegdheden van de Gemeenschap, aangevuld met de bepalingen van de Overeenkomst. In de gevallen waarin de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA bevoegd is, steunt de toepassing van de EER-mededingingsregels op de overeenkomst tot instelling van die autoriteit alsook op de bepalingen van de EER-Overeenkomst.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE ARTIKEL 61, LID 3, ONDER b), VAN DE OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat bij het onderzoek van de mogelijkheid om op grond van artikel 61, lid 3, onder b), een afwijking toe te staan, de Commissie van de EG rekening houdt met de belangen van de EVA-Staten terwijl de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA rekening houdt met de belangen van de Gemeenschap.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE ARTIKEL 61, LID 3, ONDER c), VAN DE OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen nemen er nota van dat, zelfs indien de regio's niet in aanmerking kunnen komen op grond van artikel 61, lid 3, onder a), en van de criteria van de eerste fase van het onderzoek op grond van punt c) (zie mededeling van de Commissie inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), op regionale steunmaatregelen, PB nr. C212, 12.8.1988. blz. 2). voor de beoordeling van andere criteria, bij voorbeeld de zeer lage bevolkingsdichtheid, kunnen worden gehanteerd.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE DOOR DE EG-STRUCTUURFONDSEN OF ANDERE FINANCIËLE INSTRUMENTEN VERLEENDE STEUN

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat de door de Structuurfondsen van de EG, de Europese Investeringsbank of andere soortgelijke financiële instrumenten of fondsen aan ondernemingen verleende steun in overeenstemming moet zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst inzake steunmaatregelen van de staten. Zij verklaren dat op verzoek van een van de toezichthoudende autoriteiten informatie en standpunten worden uitgewisseld over deze vormen van steunverlening.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE PUNT c VAN PROTOCOL 27 BIJ DE OVEREENKOMST

De in punt c van Protocol 27 bedoelde mededeling dient een beschrijving te omvatten van het betrokken overheidssteunprogramma of geval, met inbegrip van alle elementen die nodig zijn voor een juiste evaluatie van het programma of geval (naargelang van de betrokken elementen van de overheidssteun, zoals de aard van de overheidssteun, het budget, de begunstigde, de duur). Bovendien moeten de redenen voor het inleiden van de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap bedoelde procedure of van de overeenkomstige procedure die is vastgesteld in een overeenkomst tussen de EVA-Staten tot instelling van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA aan de andere Toezichthoudende Autoriteit worden medegedeeld. De uitwisseling van informatie tussen de twee toezichthoudende autoriteiten geschiedt op basis van wederkerigheid.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE SCHEEPSBOUW

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat zij de algemene regels inzake steunmaatregelen van de staten, vastgesteld in artikel 61 van de Overeenkomst, niet zullen toepassen op de scheepsbouwsector voordat de geldigheidsduur van de zevende richtlijn betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw is verstreken (d.w.z. eind 1993).

Artikel 62, lid 2, van de Overeenkomst en de protocollen met betrekking tot de steunmaatregelen van de staten zijn van toepassing op de scheepsbouwsector.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE PROCEDURES DIE VAN TOEPASSING ZIJNIN DE GEVALLEN WAARIN DE EVA-STATEN KRACHTENS ARTIKEL 76 EN DEEL VI VAN DE OVEREENKOMST EN DE DESBETREFFENDE PROTOCOLLEN VOLLEDIG DEELNEMEN IN DE COMITÉS VAN DE EG

De EVA-Staten hebben in de comités van de EG waaraan zij krachtens artikel 76 en deel VI van de Overeenkomst en de desbetreffende protocollen ten volle medewerken dezelfde rechten en plichten als de Lid-Staten van de EG, behalve met betrekking tot de eventuele stemprocedures. De Commissie van de EG houdt bij het nemen van een besluit naar behoren rekening met de standpunten van zowel de EVA-Staten als de Lid-Staten van de EG voordat tot de stemming wordt overgegaan.

In de gevallen waarin de Lid-Staten van de EG bij de Raad van de EG beroep kunnen aantekenen tegen het besluit van de Commissie van de EG, kunnen de EVA-Staten in overeenstemming met artikel 5 van de Overeenkomst de kwestie in het Gemengd Comité van de EER aan de orde stellen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE SAMENWERKING OP CULTUREEL GEBIED

De overeenkomstsluitende partijen, gelet op hun samenwerking in het kader van de Raad van Europa, herinnerend aan de verklaring van 9 april 1984 van de ministeriële bijeenkomst in Luxemburg tussen de Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten en de Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie, zich ervan bewust dat de totstandbrenging van het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen binnen de EER een grote invloed zal hebben op cultureel gebied, verklaren voornemens te zijn de samenwerking op cultureel gebied te versterken en te verruimen ten einde hij te dragen tot een betere verstandhouding tussen de volkeren van een multicultureel Europa en het nationale en regionale erfgoed, dat de Europese cultuur door zijn verscheidenheid verrijkt, te beschermen en verder te ontwikkelen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE SAMENWERKING IN DE STRIJD TEGEN DE ILLEGALE HANDEL IN CULTUURGOEDEREN

De overeenkomstsluitende partijen verklaren zich bereid tot het opstellen van regels en procedures voor de samenwerking in de strijd tegen de illegale handel in cultuurgoederen en van regels voor het beheer van het stelsel voor de legale handel in cultuurgoederen.

Onverminderd het bepaalde in de EER-Overeenkomst en andere internationale verplichtingen, wordt bij de vaststelling van deze regels en procedures rekening gehouden met de wetgeving die de Gemeenschap op dit gebied tot stand brengt.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE DEELNAME VAN DESKUNDIGEN UIT DE GEMEENSCHAP AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE COMITÉS DIE DOOR DE EVA-STATEN OF DOOR DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA ZIJN OPGERICHT

Rekening houdend met het feit dat deskundigen uit de EVA-Staten deelnemen aan de werkzaamheden van de in Protocol 37 bij de Overeenkomst vermelde comités van de EG, worden deskundigen uit de Gemeenschap, op verzoek van de Gemeenschap, op dezelfde basis betrokken bij werkzaamheden van overeenkomstige instanties van de EVA-Staten of de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA die verband houden met dezelfde onderwerpen als die welke door de in Protocol 37 vermelde comités van de EG worden behandeld.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE ARTIKEL 103 VAN DE EER-OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat de in artikel 103, lid 1, van de EER-Overeenkomst vervatte verwijzing naar de vervulling van de grondwettelijke vereisten en de in artikel 103, lid 2, vervatte verwijzing naar de voorlopige toepassing geen praktische gevolgen hebben voor de interne procedures van de Gemeenschap.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE PROTOCOL 35 BIJ DE OVEREENKOMST

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat Protocol 35 geen beperking inhoudt van de gevolgen van de beslaande interne regels waarin wordt bepaald dat internationale overeenkomsten rechtstreeks toepasselijk zijn en voorrang hebben.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE HET FINANCIEEL MECHANISME

Indien een EVA-Staat die partij is bij de Overeenkomst zich uit de EVA terugtrekt en tot de Gemeenschap toetreedt, dient een passende regeling te worden getroffen om ervoor te zorgen dat hierdoor voor de overblijvende EVA-Staten geen bijkomende financiële verplichtingen ontstaan. De overeenkomstsluitende partijen nemen in dit verband nota van het besluit van de EVA-Staten om hun respectieve bijdrage tot het financieel mechanisme te berekenen op basis van het BNP tegen marktprijzen voor de drie laatste jaren. Wat de toetredende EVA-Staten betreft, dient een passende en billijke oplossing te worden gevonden in het kader van de toetredingsonderhandelingen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE VERHOUDING TUSSEN DE EER-OVEREENKOMST EN BESTAANDE OVEREENKOMSTEN

De EER-Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten die voortvloeien uit bestaande overeenkomsten tussen een of meer Lid-Staten van de EG enerzijds en een of meer EVA-Staten anderzijds of tussen twee of meer EVA-Staten zoals bijvoorbeeld overeenkomsten met betrekking tot particulieren, ondernemingen, regionale samenwerking en administratieve regelingen, totdat in het kader van de Overeenkomst tenminste gelijkwaardige rechten zijn tot stand gebracht.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE OVEREENGEKOMEN INTERPRETATIE VAN ARTIKEL 4, LEDEN 1 EN 2. VAN PROTOCOL 9 INZAKE DE HANDEL IN VIS EN ANDERE PRODUKTEN VAN DE ZEE

  • 1. Hoewel de EVA-Staten het "acquis communautaire" in verband met het visserijbeleid niet overnemen, wordt overeengekomen dat, wanneer wordt verwezen naar met staatsmiddelen bekostigde steunmaatregelen, elke concurrentievervalsing door de overeenkomstsluitende partijen moet worden beoordeeld in de context van artikelen 92 en 93 van het EEG-Verdrag en met inachtneming van de relevante bepalingen van het "acquis communautaire" inzake het visserijbeleid en de inhoud van de Gemeenschappelijke Verklaring betreffende artikel 61, lid 3, onder c), van de Overeenkomst.

  • 2. Hoewel de EVA-Staten het "acquis communautaire" inzake het visserijbeleid niet overnemen, wordt overeengekomen dat, wanneer wordt verwezen naar wetgeving met betrekking tot de ordening van de markt, elke concurrentievervalsing die het gevolg is van deze wetgeving moet worden beoordeeld op grond van de beginselen van het "acquis communautaire" inzake de gemeenschappelijke ordening van de markt.

    Wanneer een EVA-Staat nationale bepalingen inzake de ordening van de markt in de visserijsector handhaaft of invoert, worden deze bepalingen a priori als verenigbaar met de in de eerste alinea bedoelde beginselen beschouwd indien zij tenminste de volgende elementen omvatten :

    • a) de wetgeving inzake producentenorganisaties is in overeenstemming met de beginselen van het "acquis communautaire" met betrekking tot:

      • - de oprichting op initiatief van de producenten ;

      • - de vrijheid om lid te worden van de organisatie en om het lidmaatschap op te zeggen ;

      • - het ontbreken van een machtspositie, tenzij dit nodig is voor het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 39 van het EEG-Verdrag :

    • b) de toe te passen bepalingen zijn, wanneer de regels van de producentenorganisaties worden uitgebreid tot degenen die niet bij de producentenorganisaties zijn aangesloten, in overeenstemming met die welke in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3687/91 zijn vastgesteld ;

    • c) bepalingen die zijn of worden vastgesteld met betrekking tot maatregelen ter ondersteuning van de prijzen, moeten in overeenstemming zijn met die welke in Titel III van Verordening (EEG) nr. 3687/91 zijn vastgesteld.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN TARIEFCONCESSIES VOOR BETAALDE LANDBOUWPRODUKTEN

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat indien zowel uit hoofde van Protocol 3 bij de Overeenkomst als uit hoofde van een bilaterale overeenkomst inzake de handel in landbouwprodukten als bedoeld in Protocol 42 bij bovenvermelde Overeenkomst voor hetzelfde produkt tariefconcessies worden verleend, de gunstigste tariefbehandeling wordt verleend op overlegging van de desbetreffende documenten.

Het bovengenoemde laat de uit artikel 16 van de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen onverlet.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE FYTOSANITAIRE AANGELEGENHEDEN

De overeenkomstsluitende partijen verklaren dat de ter zake geldende besluiten van de Gemeenschap worden herzien. Deze wetgeving wordt bijgevolg niet overgenomen door de EVA-Staten. Nieuwe regels worden in overeenstemming met de artikelen 99 en 102 van de Overeenkomst behandeld.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE WEDERZIJDSE BIJSTAND TUSSEN CONTROLE-AUTORITEITEN OP HET GEBIED VAN ALCOHOLHOUDENDE DRANKEN

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat alle toekomstige, voor deze Overeenkomst van belang zijnde wetten van de EG inzake wederzijdse bijstand tussen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de EG op het gebied van alcoholhoudende dranken, overeenkomstig de algemene bepalingen inzake besluitvorming van de Overeenkomst worden geregeld.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE PROTOCOL 47 INZAKE DE AFSCHAFFING VAN TECHNISCHE BELEMMERINGEN VOOR DE HANDEL IN WIJN

De aanpassing betreffende het gebruik van de termen "Federweiss' en "Federweisser", als bedoeld in het aanhangsel bij Protocol 47, doet niets af aan de mogelijkheid om in de desbetreffende communautaire wetgeving bepalingen in te voeren in verband met het gebruik van deze termen en de equivalenten daarvan voor in de Gemeenschap geproduceerde wijn.

Het feit dat de wijnproducerende gebieden van de EVA-Staten voor de toepassing van deze Overeenkomst worden ingedeeld als wijnproduktiegebied van groep B, doet niets af aan de mogelijkheid om in de indeling van de Gemeenschap wijzigingen aan te brengen die gevolgen kunnen hebben voor de indeling in het kader van de Overeenkomst. Dergelijke wijzigingen worden overeenkomstig de algemene bepalingen van de Overeenkomst geregeld.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE WIJZIGING VAN TARIEFCONCESSIES EN BETREFFENDE EEN SPECIALE BEHANDELING VAN SPANJE EN PORTUGAL

In een aantal landen die partij zijn bij de Overeenkomst hangt de volledige toepassing van de in Protocol 3 omschreven regeling af van wijzigingen aan de nationale regeling voor prijscompensatie. Deze wijzigingen zijn niet mogelijk zonder aanpassing van de tariefconcessies. Dergelijke wijzigingen impliceren niet dat tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst compensatie moet plaatsvinden.

De in Protocol 3 omschreven regeling belet niet dat de relevante overgangsbepalingen van de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal worden toegepast en heeft niet tot gevolg dat de Gemeenschap, in haar samenstelling per 31 december 1985, de partijen bij de EER-Overeenkomst een gunstiger behandeling verleent dan die welke op de nieuwe Lid-Staten van de EG wordt toegepast. De toepassing van deze regeling belet met name niet dat de compenserende bedragen toetreding, vastgesteld ter uitvoering van de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, worden toegepast.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE HET WELZIJN VAN DIEREN

Niettegenstaande het bepaalde in punt 2, hoofdstuk I (veterinaire kwesties) van Bijlage I van de Overeenkomst, nemen de overeenkomstsluitende partijen nota van de nieuwe ontwikkeling van de communautaire wetgeving op dit terrein en komen zij overeen elkaar te raadplegen indien verschillen tussen hun wetgevingen betreffende het welzijn van dieren belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen opleveren. De overeenkomstsluitende partijen komen overeen de situatie op dit gebied nauwlettend te volgen.

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE HET GEHARMONISEERD SYSTEEM

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen om zo spoedig mogelijk, en uiterlijk per 31 december 1992, de Duitse tekst van de omschrijving van de goederen in het Geharmoniseerd Systeem vervat in de relevante protocollen en bijlagen bij de EER-Overeenkomst, te harmoniseren.

VERKLARINGEN VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EG EN DE EVA-STATEN

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EG EN DE EVA-STATEN BETREFFENDE DE VEREENVOUDIGING VAN GRENSCONTROLES

Teneinde het vrije verkeer van personen te bevorderen werken de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten, met inachtneming van de in de geëigende fora vast te stellen praktische regelingen, samen om de controle van elkaars onderdanen en de gezinsleden daarvan aan de grenzen tussen hun grondgebieden te vereenvoudigen.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EG EN DE EVA-STATEN BETREFFENDE DE POLITIEKE DIALOOG

De Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten en de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie hebben hun wil te kennen gegeven hun politieke dialoog over buitenlandse politiek te versterken ten einde tot nauwere betrekkingen op gebieden van wederzijds belang te komen.

Te dien einde kwamen zij overeen :

  • - tijdens vergaderingen van de EER-Raad informele gedachtenwisselingen op ministerieel niveau te houden. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen deze gedachtenwisselingen worden voorbereid in vergaderingen op het niveau van de politieke directeuren :

  • - ten volle gebruik te maken van de bestaande diplomatieke kanalen, met name van de diplomatieke vertegenwoordigingen in de hoofdstad van het land dat het voorzitterschap van de EG waarneemt, in Brussel en in de hoofdsteden van de EVA-landen ;

  • - op conferenties en in internationale organisaties informeel overleg te plegen ;

  • - dat een en andere niet van invloed zal zijn noch in de plaats zal treden van de bestaande bilaterale contacten op dit terrein.

INTERIMREGELING TER VOORBEREIDING VAN EEN ORDELIJKE INWERKINGTREDING VAN DE OVEREENKOMST

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Directoraat-Generaal Externe Betrekkingen

De Directeur-Generaal

Brussel,

Z.Exc. de heer H. HAFSTEIN

Ambassadeur

Hoofd van de EVA-delegatie

EVA-Secretariaat

Aarlenstraat 118

1040 BRUSSEL

Mijnheer,

Ik moge verwijzen naar onze besprekingen over de interimfase van de EER en naar onze afspraak om een interimregeling te treffen ter voorbereiding van een ordelijke inwerkingtreding van de Overeenkomst.

Krachtens die afspraak zullen de structuren en de procedures die tijdens de onderhandelingen over de EER tot stand kwamen, gehandhaafd blijven. Een Interimgroep op Hoog Niveau, bijgestaan door interimgroepen van deskundigen, in de trant van de voormalige Onderhandelingsgroep op Hoog Niveau en de Onderhandelingsgroepen, bestaande uit vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de EVA-Staten, zullen onder andere in EER-verband nagaan welk communautair acquis tussen 1 augustus 1991 en de inwerkingtreding van de Overeenkomst is bekendgemaakt. Overeenstemming daaromtrent zal worden opgenomen in aanvullende protocollen bij de EER-Overeenkomst, dan wel in passende besluiten van het Gemengd Comité van de EER na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Eventuele inhoudelijke problemen die zich in het kader van de Interimregeling zouden voordoen, zullen na de inwerkingtreding van de Overeenkomst door het Gemengd Comité van de EER worden geregeld.

Aangezien de informatie- en overlegprocedures van de EER-Overeenkomst pas van toepassing kunnen zijn nadat die Overeenkomst in werking is getreden, zal de Gemeenschap de EVA-Staten tijdens de interimfase in kennis stellen van de voorstellen voor nieuw communautair acquis nadat deze bij de EG-Raad van Ministers zijn ingediend.

Ik moge U verzoeken mij te bevestigen dat U met deze interimregeling instemt.

Hoogachtend,

Horst G. KRENZLER

MISSIE VAN IJSLAND

aan de

EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Archimedesstraat 5

1040 BRUSSEL

Mijnheer,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van Uw brief die als volgt luidt :

"Ik moge verwijzen naar onze besprekingen over de interimfase van de EER en naar onze afspraak om een interimregeling te treffen ter voorbereiding van een ordelijke inwerkingtreding van de Overeenkomst.

Krachtens die afspraak zullen de structuren en de procedures die tijdens de onderhandelingen over de EER tot stand kwamen, gehandhaafd blijven. Een Interimgroep op Hoog Niveau, bijgestaan door interimgroepen van deskundigen, in de trant van de voormalige Onderhandelingsgroep op Hoog Niveau en de Onderhandelingsgroepen, bestaande uit vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de EVA-Staten, zullen onder andere in EER-verband nagaan welk communautair acquis tussen 1 augustus 1991 en de inwerkingtreding van de Overeenkomst is bekendgemaakt. Overeenstemming daaromtrent zal worden opgenomen in aanvullende protocollen bij de EER-Overeenkomst, dan wel in passende besluiten van het Gemengd Comité van de EER na de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Eventuele inhoudelijke problemen die zich in het kader van de Interimregeling zouden voordoen, zullen na de inwerkingtreding van de Overeenkomst door het Gemengd Comité van de EER worden geregeld.

Aangezien de informatie- en overlegprocedures van de EER-Overeenkomst pas van toepassing kunnen zijn nadat die Overeenkomst in werking is getreden, zal de Gemeenschap de EVA-Staten tijdens de interimfase in kennis stellen van de voorstellen voor nieuw communautair acquis nadat deze bij de EG-Raad van Ministers zijn ingediend.

Ik moge U verzoeken mij te bevestigen dat U met deze interimregeling instemt.".

Ik heb de eer te bevestigen dat ik met deze interimregeling instem.

Hoogachtend,

Hannes HAFSTEIN, Ambassadeur

Hoofd van de Missie van IJsland

bij de Europese Gemeenschappen

REGELING BETREFFENDE DE BEKENDMAKING VAN INFORMATIE IN VERBAND MET DE EER

MISSIE VAN IJSLAND

aan de

EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Archimedesstraat 5

1040 BRUSSEL

Brussel,

Mijnheer,

Met betrekking tot na de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst bekend te maken informatie in verband met de EER heb ik de eer de door ons bereikte overeenkomst als volgt samen te vatten :

Er wordt een gecoördineerd systeem ingevoerd bestaande uit het Publikatieblad van de EG plus een speciaal EER-supplement. Wanneer voor de EG en de EVA-Staten identieke informatie bekend moet worden gemaakt, zal bekendmaking door de EG in het Publikatieblad van de EG tegelijkertijd dienen als bekendmaking in de drie talen die de EG en de EVA gemeen hebben, terwijl de informatie in de overige vier EVA-Staten (Fins, IJslands, Noors en Zweeds) zullen worden bekendgemaakt in het EER-supplement bij het PBEG. De EVA-Staten zullen de voorzieningen creëren waardoor de nodige vertalingen in EVA-talen die geen EG-taal zijn, tijdig beschikbaar zullen zijn. De EVA-Staten moeten het materiaal leveren voor de samenstelling van het EER-supplement.

Het bekendmakingssysteem werkt als volgt:

  • Besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis, alsmede beschikkingen, besluiten, kennisgevingen enz. van de EER-organen

    De besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis worden in de negen officiële talen bekendgemaakt in een speciaal EER-deel van het Publikatieblad van de EG. Die bekendmaking dient als bekendmaking met betrekking tot de drie gemeenschappelijke talen. Deze besluiten worden ook bekendgemaakt in het EER-supplement in de officiële talen van de Noordse EVA-Staten onder verantwoordelijkheid van de EVA-Staten en eventueel ook, ter informatie, in de werktaal van de EVA.

    Hetzelfde geldt voor beschikkingen, besluiten, kennisgevingen enz. van de EER-organen, met name de Raad van de EER en het Gemengd Comité van de EER.

    Wat besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis betreft, bevat de inhoudsopgave van het EER-deel verwijzingen naar de vindplaats van de relevante interne teksten van de EG.

  • EVA-gegevens die voor de EG van belang zijn

    Informatie afkomstig van de EVA-Staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het Permanent Comité van de EVA-Staten en het EVA-Hof betreffende bijvoorbeeld mededinging, staatssteun, overheidsaanbestedingen en technische normen, wordt in de negen officiële talen van de EG bekendgemaakt in een speciaal EER-deel van het Publikatieblad van de EG.

    Die bekendmaking dient ook als bekendmaking voor de EVA-Staten in de drie gemeenschappelijke talen, terwijl de overige vier taalversies van de EVA worden opgenomen in het EER-supplement. Zo nodig bevat de inhoudsopgave van respectievelijk het EER-deel en het EER-supplement verwijzingen naar de vindplaats van de overeenkomstige informatie van de EG en haar Lid-Staten.

  • EG-gegevens die voor de EVA van belang zijn

    Informatie afkomstig van de EG en haar Lid-Staten betreffende bijvoorbeeld mededinging, staatssteun, overheidsaanbestedingen en technische normen wordt in de negen officiële talen van de EG bekendgemaakt in het Publikatieblad van de EG. Die bekendmaking dient ook als bekendmaking voor de EVA-Staten in de drie gemeenschappelijke talen, terwijl de overige vier taalversies van de EVA worden opgenomen in het EER-supplement. Zo nodig wordt verwezen naar de vindplaats van de overeenkomstige informatie van de EVA-Staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het Permanent Comité van de EVA-Staten en het EVA-Hof.

De financiële aspecten van het bekendmakingssysteem worden in een afzonderlijke regeling vastgesteld.

Ik moge U verzoeken te bevestigen dat U instemt met het bovenstaande.

Hoogachtend,

Hannes HAFSTEIN, Ambassadeur

Hoofd van de Missie van IJsland

bij de Europese Gemeenschappen

De heer Horst G. KRENZLER

Directeur-Generaal

Commissie van de Europese Gemeenschappen

Directoraat-Generaal I

Oudergemlaan 35

Brussel

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Directoraat-Generaal

Externe Betrekkingen

De Directeur-Generaal

Brussel,

Z.Exc. de heer H. HAFSTEIN

Ambassadeur

Hoofd van de EVA-delegatie

EVA-Secretariaat

Aarlenstraat 118

1040 BRUSSEL

Mijnheer,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van Uw brief die als volgt luidt :

"Met betrekking tot na de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst bekend te maken informatie in verband met de EER heb ik de eer de door ons bereikte overeenkomst als volgt samen te vatten :

Er wordt een gecoördineerd systeem ingevoerd bestaande uit het Publikatieblad van de EG plus een speciaal EER-supplement. Wanneer voor de EG en de EVA-Staten identieke informatie bekend moet worden gemaakt, zal bekendmaking door de EG in het Publikatieblad van de EG tegelijkertijd dienen als bekendmaking in de drie talen die de EG en de EVA gemeen hebben, terwijl de informatie in de overige vier EVA-Staten (Fins, IJslands, Noors en Zweeds) zullen worden bekendgemaakt in het EER-supplement bij het PBEG. De EVA-Staten zullen de voorzieningen creëren waardoor de nodige vertalingen in EVA-talen die geen EG-taal zijn, tijdig beschikbaar zullen zijn. De EVA-Staten moeten het materiaal leveren voor de samenstelling van het EER-supplement.

Het bekendmakingssysteem werkt als volgt :

  • a) Besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis, alsmede beschikkingen, besluiten, kennisgevingen enz. van de EER-organen

    De besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis worden in de negen officiële talen bekendgemaakt in een speciaal EER-deel van het Publikatieblad van de EG. Die bekendmaking dient als bekendmaking met betrekking tot de drie gemeenschappelijke talen. Deze besluiten worden ook bekendgemaakt in het EER-supplement in de officiële talen van de Noordse EVA-Staten onder verantwoordelijkheid van de EVA-Staten en eventueel ook, ter informatie, in de werktaal van de EVA.

    Hetzelfde geldt voor beschikkingen, besluiten, kennisgevingen enz. van de EER-organen, met name de Raad van de EER en het Gemengd Comité van de EER.

    Wat besluiten van het Gemengd Comité van de EER betreffende het acquis betreft, bevat de inhoudsopgave van het EER-deel verwijzingen naar de vindplaats van de relevante interne teksten van de EG.

  • b) EVA-gegevens die voor de EG van belang zijn

    Informatie afkomstig van de EVA-Staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het Permanent Comité van de EVA-Staten en het EVA-Hof betreffende bijvoorbeeld mededinging, staatssteun, overheidsaanbestedingen en technische normen, wordt in de negen officiële talen van de EG bekendgemaakt in een speciaal EER-deel van het Publikatieblad van de EG. Die bekendmaking dient ook als bekendmaking voor de EVA-Staten in de drie gemeenschappelijke talen, terwijl de overige vier taalversies van de EVA worden opgenomen in het EER-supplement. Zo nodig bevat de inhoudsopgave van respectievelijk het EER-deel en het EER-supplement verwijzingen naar de vindplaats van de overeenkomstige informatie van de EG en haar LidStaten.

  • c) EG-gegevens die voor de EVA van belang zijn

    Informatie afkomstig van de EG en haar Lid-Staten betreffende bijvoorbeeld mededinging, staatssteun, overheidsaanbestedingen en technische normen wordt in de negen officiële talen van de EG bekendgemaakt in het Publikatieblad van de EG. Die bekendmaking dient ook als bekendmaking voor de EVA-Staten in de drie gemeenschappelijke talen, terwijl de overige vier taalversies van de EVA worden opgenomen in het EER-supplement. Zo nodig wordt verwezen naar de vindplaats van de overeenkomstige informatie van de EVA-Staten, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het Permanent Comité van de EVA-Staten en het EVA-Hof.

    De financiële aspecten van het bekendmakingssysteem worden in een afzonderlijke regeling vastgesteld.

    Ik moge U verzoeken te bevestigen dat U instemt met het bovenstaande.".

    Ik heb de eer te bevestigen dat ik instem met het bovenstaande.

    Hoogachtend

    Horst G. KRENZLER

De financiële aspecten van het bekendmakingssysteem worden in een afzonderlijke regeling vastgesteld.

Ik moge U verzoeken te bevestigen dat U instemt met het bovenstaande. ".

Ik heb de eer te bevestigen dat ik instem met het bovenstaande.

Hoogachtend,

Horst G. KRENZLER

REGELING BETREFFENDE DE BEKENDMAKING VAN EVA-KENNISGEVINGEN INZAKE AANBESTEDINGEN

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Directoraat-Generaal Externe Betrekkingen

De Directeur-Generaal

Brussel,

Z.Exc. de heer H. HAFSTEIN

Ambassadeur

Hoofd van de EVA-delegatie

EVA-Secretariaat

Aarlenstraat 118

1040 BRUSSEL

Mijnheer,

Met betrekking tot de bekendmaking van de EVA-kennisgevingen in het Publikatieblad van de EEG als bepaald in bijlage XVI bij de EER-Overeenkomst, met name in punt 2, onder a) en b), heb ik de eer de door ons bereikte overeenkomst als volgt samen te vatten :

  • a) de EVA-kennisgevingen worden in ten minste één van de Gemeenschapstalen toegezonden aan het Bureau voor Officiële Publikaties van de Europese Gemeenschappen (OPOCE) ; in de kennisgeving wordt aangegeven in welke EG-taal, de kennisgeving als authentiek wordt beschouwd ;

  • b) het OPOCE maakt de als authentiek beschouwde kennisgeving in haar geheel bekend in het Publikatieblad en in de TED- databank ; een samenvatting van de belangrijkste gegevens wordt bekendgemaakt in de andere officiële talen van de Gemeenschap ;

    de EVA-kennisgevingen worden door het OPOCE samen met de EG-kennisgevingen bekendgemaakt in het Publikatieblad van de EG, serie S, binnen de termijnen vastgesteld in de in bijlage XVI genoemde besluiten ;

  • d) de EVA-Staten zorgen ervoor dat de kennisgevingen tijdig in een officiële taal van de Gemeenschap aan het OPOCE worden toegezonden, zodat, mits het OPOCE de verplichting is nagekomen om de kennisgeving binnen twaalf dagen (in urgente gevallen vijf dagen) in de officiële talen van de Gemeenschap te vertalen en bekend te maken in het Publikatieblad en in de TED, de tijd voor leveranciers en aannemers om aanbiedingen te doen of blijk te geven van belangstelling niet wordt verminderd ten opzichte van de in bijlage XVI genoemde termijnen ;

  • e) de EVA-kennisgevingen worden verzonden in het formaat van de modelkennisgevingen gehecht aan de in bijlage XVI genoemde besluiten ; ten einde te komen tot een doelmatig en snel systeem voor vertaling en bekendmaking, nemen de EVA-Staten echter nota van de aanbeveling om voor elk van hun Staten genormaliseerde kennisgevingen op te stellen naar analogie van de voor elk van de twaalf Lid-Staten aanbevolen kennisgevingen in Aanbeveling 91/561/EEG van 24 oktober 19911 ;

  • f) de in 1988 en 1989 door de Commissie via het OPOCE en de respectieve aangewezen aannemers van Zweden, Noorwegen, Finland, Zwitserland en Oostenrijk ondertekende overeenkomsten betreffende de bekendmaking van onder de GATT-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten vallende EVA-aanbestedingen, worden beëindigd wanneer de EER-Overeenkomst in werking treedt ;

  • g) de financiële aspecten van dit bekendmakingssysteem worden vastgelegd in een afzonderlijke regeling die zal gelden voor alle publikaties in verband met de EER.

Ik moge U verzoeken mij te bevestigen dat U instemt met het bovenstaande.

Hoogachtend,

Horst G. KRENZLER

MISSIE VAN IJSLAND

aan de

EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Archimedesstraat 5

1040 BRUSSEL

Brussel,

Mijnheer,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van Uw brief die als volgt luidt:

"Met betrekking tot de bekendmaking van de EVA-kennisgevingen in het Publikatieblad van de EEG als bepaald in bijlage XVI bij de EER-Overeenkomst, met name in punt 2, onder a) en b), heb ik de eer de door ons bereikte overeenkomst als volgt samen te vatten :

  • a) de EVA-kennisgevingen worden in ten minste één van de Gemeenschapstalen toegezonden aan het Bureau voor Officiële Publikaties van de Europese Gemeenschappen (OPOCE) ; in de kennisgeving wordt aangegeven in welke EG-taal de kennisgeving als authentiek wordt beschouwd ;

  • b) het OPOCE maakt de als authentiek beschouwde kennisgeving in haar geheel bekend in het Publikatieblad en in de TED- databank ; een samenvatting van de belangrijkste gegevens wordt bekendgemaakt in de andere officiële talen van de Gemeenschap ;

  • c) de EVA-kennisgevingen worden door het OPOCE samen met de EG-kennisgevingen bekendgemaakt in het Publikatieblad van de EG, serie S, binnen de termijnen vastgesteld in de in bijlage XVI genoemde besluiten ;

  • d) de EVA-Staten zorgen ervoor dat de kennisgevingen tijdig in een officiële taal van de Gemeenschap aan het OPOCE worden toegezonden, zodat, mits het OPOCE de verplichting is nagekomen om de kennisgeving binnen twaalf dagen (in urgente gevallen vijf dagen) in de officiële talen van de Gemeenschap te vertalen en bekend te maken in het Publikatieblad en in de TED, de tijd voor leveranciers en aannemers om aanbiedingen te doen of blijk te geven van belangstelling niet wordt verminderd ten opzichte van de in bijlage XVI genoemde termijnen ;

  • e) de EVA-kennisgevingen worden verzonden in het formaat van de modelkennisgevingen gehecht aan de in bijlage XVI genoemde besluiten ; ten einde te komen tot een doelmatig en snel systeem voor vertaling en bekendmaking, nemen de EVA-Staten echter nota van de aanbeveling om voor elk van hun Staten genormaliseerde kennisgevingen op te stellen naar analogie van de voor elk van de twaalf Lid.-Staten aanbevolen kennisgevingen in Aanbeveling 91/56I/EEG van 24 oktober 1991 2 ;

  • f) de in 1988 en 1989 door de Commissie via het OPOCE en de respectieve aangewezen aannemers van Zweden, Noorwegen, Finland, Zwitserland en Oostenrijk ondertekende overeenkomsten betreffende de bekendmaking van onder de GATT-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten vallende EVA-aanbestedingen, worden beëindigd wanneer de EER-Overeenkomst in werking treedt ;

  • g) de financiële aspecten van dit bekendmakingssysteem worden vastgelegd in een afzonderlijke regeling die zal gelden voor alle publikaties in verband met de EER.

Ik moge U verzoeken mij te bevestigen dat U instemt met het bovenstaande.".

Ik heb de eer U mijn instemming met bovenstaande te bevestigen.

Hoogachtend,

Hannes HAFSTEIN, Ambassadeur

Hoofd van de Missie van IJsland

bij de Europese Gemeenschappen

Horst Krenzler

Directeur-Generaal

PROCES-VERBAAL VAN OVEREENKOMST van de onderhandelingen voor een overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en hun Lid-Staten, en de EVA-Staten, inzake de Europese Economische Ruimte

De overeenkomstsluitende partijen zijn het volgende overeengekomen:

Ad artikel 26 en Protocol 13

Vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst onderzoekt de Gemeenschap met de betrokken EVA-Staten of de voorwaarden zijn vervuld waaronder artikel 26 van de Overeenkomst, onverminderd de bepalingen van Protocol 13, lid 1, door de Gemeenschap en de betrokken EVA-Staten zal worden toegepast in de sector visserij;

Ad artikel 56, lid 3

De term “merkbaar” in artikel 56, lid 3, van de Overeenkomst wordt geacht de betekenis te hebben waarin hij is gebruikt in de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vallen (PB C 231 van 12.9.1986, blz. 2);

Ad artikel 90

In het reglement van orde van de EER-Raad zal worden bepaald dat de besluiten van de EVA-ministers met eenparigheid van stemmen worden genomen;

Ad artikel 91

Zo nodig stelt de EER-Raad in zijn reglement van orde de mogelijkheid vast om subcomités of werkgroepen op te richten;

Ad artikel 91, lid 2

In het reglement van orde van de EER-Raad zal worden bepaald dat de bewoordingen “wanneer de omstandigheden zulks vereisen” in artikel 91, lid 2, ook de situatie omvatten waarbij een overeenkomstsluitende partij in overeenstemming met artikel 89, lid 2, gebruik maakt van haar recht om iedere aangelegenheid aan de orde te stellen (“droit d'évocation”);

Ad artikel 94, lid 3

Het Gemengd Comité van de EER zal op een van zijn eerste vergaderingen bij de goedkeuring van zijn reglement van orde een besluit nemen over de oprichting van subcomités of werkgroepen die specifiek nodig zijn om het comité bij de uitvoering van zijn taken bij te staan, bij voorbeeld op het gebied van de oorsprong en in andere douane-aangelegenheden;

Ad artikel 102, lid 5

In geval van een voorlopige schorsing overeenkomstig artikel 102, lid 5, worden het toepassingsgebied en de inwerkingtreding daarvan duidelijk bekendgemaakt;

Ad artikel 102, lid 6

Artikel 102, lid 6, is uitsluitend van toepassing op daadwerkelijk verworven rechten maar niet op verwachtingen. Enkele voorbeelden van verworven rechten zijn:

  • - een schorsing betreffende het vrije verkeer van werknemers heeft geen weerslag op het recht van een werknemer om te blijven wonen in een overeenkomstsluitende partij waarnaar hij al verhuisd was alvorens de regels werden geschorst;

  • - een schorsing betreffende de vrijheid van vestiging heeft geen weerslag op de rechten van een onderneming in een overeenkomstsluitende partij waar de onderneming zich al had gevestigd alvorens de regels werden geschorst;

  • - een schorsing betreffende investeringen, bijvoorbeeld in de vastgoedsector, heeft geen weerslag op investeringen die vóór het tijdstip van schorsing hadden plaatsgevonden;

  • - een schorsing betreffende overheidsopdrachten heeft geen weerslag op de uitvoering van een opdracht die al vóór de schorsing was gegund;

  • - een schorsing betreffende de erkenning van een diploma heeft geen weerslag op het recht van de houder van dat diploma om zijn beroepsactiviteit op grond van dat diploma voort te zetten in een overeenkomstsluitende partij die het diploma niet heeft uitgereikt;

Ad artikel 103

Indien een besluit door de EER-Raad wordt genomen is artikel 103, lid 1, van toepassing;

Ad artikel 109, lid 3

De term “toepassing” in artikel 109, lid 3, omvat ook de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst;

Ad artikel 111

Schorsing is niet in het belang van de goede werking van de Overeenkomst en dus dient alles in het werk te worden gesteld om zulks te vermijden;

Ad artikel 112, lid 1

De bepalingen van artikel 112, lid 1, bestrijken ook de situatie in een bepaald gebied;

Ad artikel 123

De partijen zullen de bepalingen van artikel 123 niet op onrechtmatige wijze aanwenden om de verbreiding van inlichtingen op hel gebied van de mededinging te voorkomen;

Ad artikel 129

Indien een van de partijen niet bereid zou zijn de Overeenkomst te bekrachtigen, herzien de ondertekenaars de situatie;

Ad artikel 129

Indien een van de partijen de Overeenkomst niet bekrachtigt, roepen de overige overeenkomstsluitende partijen een diplomatieke conferentie bijeen om de gevolgen van de niet-bekrachtiging voor de Overeenkomst te beoordelen en de mogelijkheid na te gaan om een protocol goed te keuren met de wijzigingen waarop de voorgeschreven binnenlandse procedures moeten worden toegepast. Die conferentie wordt bijeengeroepen zodra is duidelijk geworden dat een van de overeenkomstsluitende partijen de Overeenkomst niet zal bekrachtigen of ten laatste wanneer de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst niet is nageleefd;

Ad Protocol 3

De aanhangsels 2 tot 7 worden vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst voltooid.

De aanhangsels 2 tot 7 worden zo spoedig mogelijk opgesteld en in ieder geval vóór 1 juli 1992. Wat aanhangsel 2 betreft, stellen deskundigen een lijst op van basisprodukten waarvoor prijscompensatie geldt, aan de hand van de basisprodukten waarop vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst prijscompensatiemaatregelen in de overeenkomstsluitende partijen gelden;

Ad Protocol 3, artikel 11

Ten einde de toepassing van Protocol 2 bij de Vrijhandelsovereenkomsten te vergemakkelijken, worden de bepalingen van Protocol 3 bij elk van die Vrijhandelsovereenkomsten betreffende de definitie van het begrip produkten van oorsprong en de methoden van administratieve samenwerking vóór de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst gewijzigd. Die wijzigingen hebben tot doel bovengenoemde bepalingen, onder meer die betreffende het bewijs van oorsprong en de administratieve samenwerking, zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de bepalingen van Protocol 4 van de EER-Overeenkomst, met handhaving van de diagonale cumulatie en van de overeenkomstige bepalingen die thans krachtens Protocol 3 van toepassing zijn. Die wijzigingen houden geen verandering in van de mate van liberalisatie die in het kader van de Vrijhandelsovereenkomsten tot stand is gebracht;

Ad Protocol 9

Vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst zetten de Gemeenschap en de betrokken EVA-Staten hun besprekingen voort over de aanpassing van de wetgeving in verband met de doorvoer van vis en visserijproduklen, ten einde tot een bevredigende regeling te komen;

Ad Protocol 11, artikel 14, lid 3

De Gemeenschap zal, onder volledige naleving van de coördinerende taak van de Commissie, directe contacten leggen als uiteengezet in werkdocument XXI/201/89 van de Commissie, waar zulks kan leiden tot een flexibele en doeltreffende functionering van dit protocol en voor zover zulks op basis van wederzijdsheid geschiedt;

Ad Protocol 16 en bijlage VI

De mogelijkheid om na het verstrijken van de overgangsperioden betreffende het vrije personenverkeer bilaterale overeenkomsten op het gebied van de sociale zekerheid te handhaven, kan bilateraal tussen Zwitserland en de betrokken landen worden besproken;

Ad Protocol 20

De overeenkomstsluitende partijen stellen in het kader van de betrokken internationale organisaties de regels op voor de toepassing van structurele verbeteringsmaatregelen op de Oostenrijkse vloot, rekening houdend met de mate waarin deze vloot zal deelnemen aan de markt waarvoor de structurele verbeteringsmaatregelen waren opgezet. Daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met de datum waarop de verplichtingen van Oostenrijk in het kader van de structurele verbeteringsmaatregelen in werking treden;

Ad Protocollen 23 en 24 (artikel 12 betreffende de talen)

De Commissie van de EG en de toezichthoudende autoriteit van de EVA werken praktische regelingen uit voor wederzijdse bijstand of enige andere geschikte werkwijze, vooral in verband met de kwestie van vertalingen;

Ad Protocol 30

De volgende EG-Comités op het gebied van de statistische informatie zijn aangewezen als comités waaraan de EVA-landen volledig deelnemen overeenkomstig artikel 2 van bovengenoemd Protocol :

  • 1. Comité Statistisch Programma van de Europese Gemeenschappen

    Als opgericht bij:

    389 D 0382: Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad van 19 juni 1989 tot oprichting van een Comité Statistisch Programma van de Europese Gemeenschappen (PB nr. L 181 van 28.6.1989, blz. 47);

  • 2. Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek

    Als opgericht bij:

    391 D 0115 : Besluit 91/115/EEG van de Raad van 25 februari 1991 tot oprichting van een Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (PB nr. L 59 van 6.3.1991, blz. 19);

  • 3. Comité statistisch geheim

    Als opgericht bij:

    390 R 1588: Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen (PB nr. L 151 van 15.6.1990, blz. 1);

  • 4. Comité voor de Harmonisatie van de opstelling van het BNP tegen marktprijzen

    Als opgericht bij:

    389 L 0130: Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen (PB nr. L 49 van 21.2.1989, blz. 26);

  • 5. Raadgevend Comité voor statistische informatie op economische en sociaal gebied

    Als opgericht bij:

    391 D 0116: Besluit 91/116/EEG van de Raad van 25 februari 1991 tot oprichting van het Europees Raadgevend Comité voor statistische informatie op economisch en sociaal gebied (PB nr. L 59 van 6.3.1991, blz. 21).

    De rechten en verplichtingen van de EVA-Staten in bovengenoemde EG-Comités worden geregeld door de gemeenschappelijke verklaring voor procedures die van toepassing zijn in gevallen waarin de EVA-Staten uit hoofde van artikel 76 en deel VI van de Overeenkomst en de overeenkomstige protocollen volledig aan de EG-Comités deelnemen;

Ad Protocol 36, artikel 2

De EVA-Staten besluiten vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst hoeveel leden van elk van hun Parlementen in het Gemengd Parlementair Comité zullen zetelen;

Ad Protocol 37

Overeenkomstig Protocol 23, artikel 6, slaat de verwijzing naar het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities (Verordening (EEG) nr. 17/62 van de Raad) ook op de volgende comités:

  • - het Raadgevend Comité voor mededingingsregelingen en economische machtposities op het gebied van het vervoer (Verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad);

  • - het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtposities op het gebied van het vervoer over zee (Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad);

  • - het Adviescomité voor overeenkomsten en machtsposities in het luchtvervoer (Verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad);

Ad Protocol 37

Op grond van de herzieningsclausule in artikel 101, lid 2, van de Overeenkomst, zal bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst het volgende comité aan de lijst in protocol 37 worden toegevoegd:

Coördinatiegroep voor wederzijdse erkenning van hoger-onderwijsdiploma's (Richtlijn 89/48/EEG van de Raad).

De procedures voor de wijze van deelneming zullen nader worden vastgelegd;

Ad Protocol 47

Zij zullen een stelsel uitwerken voor wederzijdse bijstand tussen de instanties die zijn belast met de controle op de naleving van de communautaire en de nationale bepalingen in de wijnbouwsector, aan de hand van de ter zake doende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2048/89 van de Raad van 19 juni 1989 tot vaststelling van algemene regels inzake de controle in de wijnbouwsector. De nadere uitwerking van deze wederzijdse bijstand zal worden vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst. Tot dat systeem is uitgewerkt, zijn de ter zake doende bepalingen van de bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en Zwitserland respectievelijk de Gemeenschap en Oostenrijk inzake samenwerking en controle in de wijnbouwsector van toepassing;

Ad bijlagen VI en VII

Vóór de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst dienen nog bijkomende specifieke aanpassingen als omschreven in een document van onderhandelingsgroep III van 11 november 1991 plaats te vinden op het gebied van de sociale zekerheid en de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties;

Ad bijlage VII

Vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst mag geen enkel land waarop deze Overeenkomst van toepassing is zich beroepen op artikel 21 van Richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 (PB nr. L 167 van 30.6.1975, blz. 1) om van onderdanen van andere landen waarop de Overeenkomst van toepassing is, te eisen dat zij een aanvullende voorbereidende opleiding volgen om in aanmerking te komen voor aanwijzing als arts in het kader van een sociale-zekerheidsstelsel;

Ad bijlage VII

Vanaf de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst mag geen enkel land waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zich beroepen op artikel 20 van Richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB nr. L 233 van 24.8.1978, blz. 1) om van onderdanen van andere landen waarop de Overeenkomst van toepassing is, te eisen dat zij een aanvullende voorbereidende opleiding volgen om in aanmerking te kunnen komen voor aanwijzing als beoefenaar van de tand- heelkunde in het kader van een sociale-zekerheidsstelsel;

Ad bijlage VII

Ingenieurs van de Stichting van het Zwitsers Register van Ingenieurs, Architecten en Technici (REG) vallen onder artikel 1, sub d), eerste alinea, van Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 (PB nr. L 19 van 24.1.1989, blz. 16) betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten voor zover zij voldoen aan het bepaalde in artikel 1, sub a), van deze richtlijn;

Ad bijlage IX

Vóór 1 januari 1993 stellen Finland, IJsland en Noorwegen elk een lijst op van de verzekeringsondernemingen buiten de sector levensverzekering die zijn vrijgesteld van de voorschriften van de artikelen 16 en 17 van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad (PB nr. L 228 van 16.8.1973, blz. 3) en doen die lijst aan de andere overeenkomstsluitende partijen toekomen;

Ad bijlage IX

Vóór 1 januari 1993 stelt IJsland een lijst op van de levensverzekeringsondernemingen die zijn vrijgesteld van de voorschriften in de artikelen 18, 19 en 20 van Richtlijn 79/267/EEG van de Raad (PB nr. L 63 van 13.3.1979. blz. 1) en doet die aan de andere overeenkomstsluitende partijen toekomen;

Ad bijlage XIII

De EVA-Staten onderzoeken Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, in overeenstemming met de onderling afgesproken procedure, met het oog op de opneming daarvan in bijlage XIII betreffende vervoer;

Ad bijlage XIII

De EVA-Staten die partij zijn bij de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) tekenen vóór de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst het volgende voorbehoud bij de AETR aan: "Vervoer dat plaatsvindt tussen overeenkomstsluitende partijen van de EER wordt beschouwd als nationaal vervoer in de zin van de AETR, voor zover daarbij geen doorvoer plaatsvindt over het grondgebied van een derde land dat een partij bij de AETR is". De Gemeenschap neemt de nodige maatregelen om de overeenkomstige wijzigingen aan te brengen in het voorbehoud van de Lid-Staten van de EG;

Ad bijlage XVI

Artikel 100 van de Overeenkomst is van toepassing op de comités op het gebied van de overheidsopdrachten.

VERKLARINGEN VAN EEN OF MEER PARTIJEN BIJ DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN FINLAND, IJSLAND. NOORWEGEN EN ZWEDEN BETREFFENDE ALCOHOLMONOPOLIES

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de Overeenkomst, memoreren Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden dat aan hun alcoholmonopolies belangrijke overwegingen in verband met de volksgezondheid en het sociaal beleid ten grondslag liggen.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN LIECHTENSTEIN EN ZWITSERLAND BETREFFENDE ALCOHOLMONOPOLIES

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de Overeenkomst, verklaren Zwitserland en Liechtenstein dat aan hun alcoholmonopolies belangrijke overwegingen in verband met landbouw, volksgezondheid en sociaal beleid ten grondslag liggen.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE WEDERZIJDSE BIJSTAND IN DOUANEZAKEN

De Europese Gemeenschap en haar Lid-Staten geven als hun standpunt te kennen dat de bepalingen van artikel 2, lid 2, van dit Protocol van toepassing zijn op de laatste zin van artikel 11, lid 1, van Protocol 11 betreffende wederzijdse bijstand in douanezaken.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE EVA-STATEN BETREFFENDE HET VRIJ VERKEER VAN LICHTE BEDRIJFSVOERTUIGEN

De EVA-Staten aanvaarden met ingang van 1 januari 1995 het vrij verkeer, als omschreven in bijlage II betreffende de technische voorschriften, normen, beproeving en certificatie, deel I motorvoertuigen, van lichte bedrijfsvoertuigen op voorwaarde dat tegen die datum, zoals voor de overige voertuigcategorieën, nieuwe wetgeving van toepassing wordt.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN LIECHTENSTEIN BETREFFENDE PRODUCTAANSPRAKELIJKHEID

De Regering van het Vorstendom Liechtenstein verklaart met betrekking tot artikel 14 van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad dat het Vorstendom Liechtenstein tegen de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, voor zover nodig, wetgeving inzake de bescherming tegen nucleaire ongevallen zal hebben ingevoerd die gelijkwaardig is aan die van de internationale overeenkomsten.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN LIECHTENSTEIN BETREFFENDE DE SPECIFIEKE SITUATIE VAN HET LAND

De Regering van het Vorstendom Liechtenstein,

Verwijzend naar punt 18 van de Gemeenschappelijke Verklaring van 14 mei 1991 van de ministeriële bijeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, haar Lid-Staten en de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie;

Herinnerend aan de plicht om de naleving van alle bepalingen van de EER-Overeenkomst te waarborgen en om die te goeder trouw toe te passen ;

Verwacht dat in het kader van de EER-Overeenkomst naar behoren rekening zal worden gehouden met de specifieke geografische situatie van Liechtenstein ;

Is van mening dat een situatie die het nemen van de in artikel 112 van de EER-Overeenkomst bedoelde maatregelen rechtvaardigt met name wordt geacht aanwezig te zijn indien de kapitaalinvoer uit een andere overeenkomstsluitende partij de verwerving van vastgoed door de plaatselijke bevolking zou kunnen bemoeilijken of indien het aantal onderdanen uit de Lid-Staten van de EG of uit de overige EVA-Staten of het totale aantal arbeidsplaatsen in de economie, beide in vergelijking met de omvang van de plaatselijke bevolking, buitengewoon sterk zouden toenemen.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN OOSTENRIJK BETREFFENDE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Oostenrijk verklaart dat als gevolg van de specifieke geografische situatie de schaarste van de voor vestiging beschikbare gronden (met name de voor woningbouw beschikbare gronden) in bepaalde delen van Oostenrijk boven het gemiddelde uitstijgt. Verstoringen van de vastgoedmarkt zouden bijgevolg uiteindelijk kunnen leiden tot ernstige economische, maatschappelijke of met het milieu verband houdende moeilijkheden van regionale aard in de zin van de in artikel 112 van de EER-Overeenkomst vervatte vrijwaringsclausule en zouden het nemen van maatregelen op grond van dit artikel nodig kunnen maken.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat de verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende vrijwaringsmaatregelen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de Overeenkomst onverlet laat.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN IJSLAND BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN VRIJWARINGSMAATREGELEN IN HET KADER VAN DE EER-OVEREENKOMST

IJsland geeft als zijn standpunt te kennen dat het vanwege het eenzijdige karakter van zijn economie en de geringe bevolkingsdichtheid, onverminderd de uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, vrijwaringsmaatregelen mag nemen indien de toepassing van de Overeenkomst met name zou kunnen leiden tot:

  • - ernstige verstoringen op de arbeidsmarkt doordat arbeidskrachten op grote schaal worden aangetrokken naar bepaalde geografische gebieden, beroepen of bedrijfstakken, of

  • - ernstige verstoringen op de vastgoedmarkt.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Zwitserland geeft als zijn standpunt te kennen dat het vanwege zijn bijzondere geografische en demografische situatie in geval van verstoring van het demografisch, sociaal of ecologisch evenwicht als gevolg van migratie van EER-onderdanen, maatregelen kan nemen ter beperking van de immigratie uit EER-Staten.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat de verklaring van de regering van Zwitserland betreffende vrijwaringsmaatregelen de uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen onverlet laat.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE DE INVOERING VAN EEN AANVULLENDE OPLEIDING NA HET BEHALEN VAN HET DIPLOMA VAN ARCHITECT IN DE INSTELLINGEN VOOR HOGER TECHNISCH ONDERWIJS

Door zijn verzoek om de door de Zwitserse instellingen voor hoger technisch onderwijs afgegeven diploma's op het gebied van de architectuur in artikel 11 van Richtlijn 85/384/EEG op te nemen, verklaart de Zwitserse Bondsstaat zich bereid een aanvullende opleiding op universitair niveau van een jaar na het behalen van het diploma, afgesloten door een examen, in te voeren om deze studies in overeenstemming te brengen met de voorwaarden van artikel 4, lid 1, sub a). Deze aanvullende opleiding wordt door het Bondsbureau van Industrie en Arbeid bij de aanvang van het academisch jaar 1995/1996 ingevoerd.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN OOSTENRIJK EN ZWITSERLAND BETREFFENDE AUDIOVISUELE DIENSTEN

Met betrekking tot Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, verklaren de regering van Oostenrijk en de regering van Zwitserland dat zij, in overeenstemming met de bestaande EG-wetgeving, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in geval van uitzendingen van buiten het eigen grondgebied met de bedoeling hun nationale wetgeving te ontwijken, passende maatregelen kunnen nemen.

VERKLARING VAK DE REGERINGEN VAN LIECHTENSTEIN EN ZWITSERLAND BETREFFENDE ADMINISTRATIEVE BIJSTAND

Met betrekking tot de bepalingen van de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte die handelen over de samenwerking tussen de toezichthoudende instanties op het gebied van financiële diensten (bankwezen, ICBE's en effectenhandel) wijzen de regeringen van Zwitserland en Liechtenstein op het belang dat zij hechten aan geheimhouding en specificiteit en geven zij als hun standpunt te kennen dat de door hun bevoegde autoriteiten verstrekte informatie door de ontvangende autoriteiten overeenkomstig deze beginselen moeten worden behandeld. Onverminderd de in het relevante acquis vermelde gevallen, houdt dit in dat:

  • - alle personen die voor de informatieontvangende autoriteiten werken of hebben gewerkt, aan het beroepsgeheim zijn gebonden en dat de als vertrouwelijk aangemerkte informatie dienovereenkomstig moet worden behandeld ;

  • - de bevoegde autoriteiten de vertrouwelijke informatie die zij ontvangen uitsluitend mogen gebruiken bij de uitvoering van hun taken als omschreven in het relevante acquis.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat de verklaring van de regeringen van Zwitserland en Liechtenstein betreffende de administratieve bijstand de uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen onverlet laat.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE VRIJWARINGSCLAUSULE IN VERBAND MET KAPITAALBEWEGINGEN

Gezien het feit dat het aanbod van grond voor produktief gebruik in Zwitserland bijzonder laag ligt, dat de buitenlandse vraag naar onroerende goederen van oudsher groot is en dat bovendien het eigen-woningbezit van de plaatselijke bevolking klein is in vergelijking met de rest van Europa, geeft Zwitserland als zijn standpunt te kennen dat het met name vrijwaringsmaatregelen mag nemen indien de kapitaalinvoer uit andere overeenkomstsluitende partijen tot verstoringen op de vastgoedmarkt leidt die onder meer de verwerving van vastgoed door de plaatselijke bevolking zouden kunnen bemoeilijken.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat de verklaring van de regering van Zwitserland betreffende het gebruik van de vrijwaringsclausule in verband met kapitaalbewegingen de uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen onverlet laat.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN NOORWEGEN BETREFFENDE DE RECHTSTREEKSE UITVOERBAARHEID VAN BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE EG MET BETREKKING TOT GELDELIJKE VERPLICHTINGEN, DIE TOT IN NOORWEGEN GEVESTIGDE ONDERNEMINGEN ZIJN GERICHT

De aandacht van de overeenkomstsluitende partijen wordt gevestigd op het feit dat de huidige grondwet van Noorwegen niet voorziet in de mogelijkheid van rechtstreekse uitvoerbaarheid van besluiten van de Instellingen van de EG betreffende geldelijke verplichtingen, die tot in Noorwegen gevestigde ondernemingen zijn gericht. Noorwegen gaat ermee akkoord dat dergelijke besluiten verder rechtstreeks tot deze ondernemingen dienen te worden gericht en dat zij hun verplichtingen dienen na te komen in overeenstemming met de huidige praktijk. Bovengenoemde grondwettelijke beperkingen van de rechtstreekse uitvoerbaarheid van besluiten van de Instellingen van de EG betreffende geldelijke verplichtingen zijn niet van toepassing op dochterondernemingen en activa op het grondgebied van de Gemeenschap die eigendom zijn van in Noorwegen gevestigde ondernemingen.

Noorwegen is bereid om, indien zich moeilijkheden zouden voordoen, overleg te plegen en naar een voor beide partijen bevredigende oplossing te streven.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Commissie zal de in de unilaterale verklaring van Noorwegen bedoelde situatie van nabij volgen. Zij kan op elk ogenblik met Noorwegen in overleg treden om een bevredigende oplossing te zoeken voor de problemen die zich zouden kunnen voordoen.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN OOSTENRIJK BETREFFENDE DE UITVOERBAARHEID OP HAAR GRONDGEBIED VAN BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE EG MET BETREKKING TOT GELDELIJKE VERPLICHTINGEN

Oostenrijk verklaart dat de verplichting tot uitvoering op zijn grondgebied van besluiten van Instellingen van de EG waarbij geldelijke verplichtingen worden opgelegd uitsluitend geldt voor besluiten waarop de bepalingen van de EER-Overeenkomst integraal van toepassing zijn.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De interpretatie die de Gemeenschap aan de verklaring van Oostenrijk geeft is dat de besluiten waarbij aan ondernemingen geldelijke verplichtingen worden opgelegd, op Oostenrijks grondgebied ten uitvoer worden gelegd voor zover de besluiten waarbij dergelijke verplichtingen worden opgelegd ten minste gedeeltelijk zijn gebaseerd op bepalingen van de EER-Overeenkomst.

De Commissie kan op elk ogenblik overleg plegen met de regering van Oostenrijk om een bevredigende oplossing te vinden voor de problemen die zich zouden kunnen voordoen.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE DE SCHEEPSBOUW

Het beleid van de Europese Gemeenschap is erop gericht het niveau van de aan contracten gekoppelde produktiesteun aan scheepswerven geleidelijk te verlagen. De Commissie streeft ernaar het plafond zoveel en zo snel te verlagen als verenigbaar is met de zevende Richtlijn (90/684/EEG).

De zevende Richtlijn verstrijkt eind 1993. Bij het nemen van een beslissing omtrent de noodzaak van een nieuwe richtlijn, zal de Commissie ook een onderzoek wijden aan de concurrentiesituatie in de scheepsbouw in de EER in het licht van de vooruitgang die is geboekt bij de verlaging of afschaffing van de aan contracten gekoppelde produktiesteun. De Commissie pleegt bij dit onderzoek nauw overleg met de EVA-Staten en houdt daarbij naar behoren rekening met de resultaten van de in een ruimere internationale context geleverde inspanningen ten einde zodanige voorwaarden te creëren dat de mededinging niet wordt vervalst.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN IERLAND INZAKE PROTOCOL 28 BETREFFENDE INTELLECTUELE EIGENDOM - INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

Volgens Ierland legt artikel 5, lid 1, van Protocol 28 de regering van Ierland de verplichting op om, afhankelijk van haar grondwettelijke vereisten, de voor de toetreding tot de genoemde overeenkomsten vereiste stappen te doen.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE EVA-STATEN BETREFFENDE HET HANDVEST VAN DE SOCIALE GRONDRECHTEN VAN DE WERKENDEN

De regeringen van de EVA-Staten delen de mening dat de grotere economische samenwerking vergezeld moet gaan van vooruitgang in de sociale dimensie van de integratie, die in volledige samenwerking met de sociale partners moet worden verwezenlijkt. De EVA-Staten wensen actief bij te dragen aan de ontwikkeling van de sociale dimensie van de Europese Economische Ruimte. Zij stellen bijgevolg prijs op de grotere samenwerking op sociaal gebied die in het kader van deze Overeenkomst met de Gemeenschap en haar Lid-Staten tot stand is gebracht. Bovengenoemde regeringen erkennen dat het van belang is dat in deze context de sociale grondrechten van de werkenden in de gehele EER worden gewaarborgd en hechten hun goedkeuring aan de beginselen en fundamentele rechten die in het Handvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 9 december 1989 zijn vastgelegd, waarbij zij herinneren aan het subsidiariteitsbeginsel dat daarin is vermeld. Zij wijzen erop dat bij de verwezenlijking van deze rechten naar behoren rekening moet worden gehouden met de verscheidenheid van nationale gebruiken, met name met betrekking tot de rol van de sociale partners en de collectieve arbeidsovereenkomsten.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN OOSTENRIJK BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN ARTIKEL 5 VAN RICHTLIJN 76/207/EEG IN VERBAND MET NACHTWERK

De Republiek Oostenrijk,

Zich bewust van het beginsel van gelijke behandeling als vastgelegd in onderhavige Overeenkomst ;

Rekening houdend met de verplichting van Oostenrijk om uit hoofde van onderhavige Overeenkomst het acquis communautaire in de Oostenrijkse wetgeving op te nemen ;

Gezien de andere verbintenissen die Oostenrijk in het kader van het internationaal publiekrecht heeft aangegaan ;

Gelet op de schadelijke gevolgen van nachtwerk voor de gezondheid en op de bijzondere behoefte van vrouwelijke werknemers aan bescherming ;

Verklaart zich bereid rekening te houden met de bijzondere behoefte van vrouwelijke werknemers aan bescherming.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat de unilaterale verklaring van de regering van Oostenrijk betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 5 van Richtlijn 76/207/EEG in verband met nachtwerk de uit de Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen onverlet laat.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE DE RECHTEN VAN DE EVA-STATEN VOOR HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EG

  • 1. Om de juridische homogeniteit in de EER te versterken door de EVA-Staten en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de mogelijkheid te geven om voor het Hof van Justitie van de EG te interveniëren, wijzigt de Gemeenschap de artikelen 20 en 37 van het Statuut van het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschap.

  • 2. De Gemeenschap neemt bovendien de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de EVA-Staten, voor zover het om de tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 2, sub b), en artikel 6 van Protocol 24 bij de EER-Overeenkomst gaat, dezelfde rechten hebben als die welke uit hoofde van artikel 9, lid 9, van Verordening (EEG) nr. 4064/89 aan de Lid-Staten van de EG zijn verleend.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE DE RECHTEN VAN ADVOCATEN UIT DE EVA-STATEN IN HET KADER VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT

De Gemeenschap verbindt zich ertoe het Statuut van het Hof van Justitie en van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen zo te wijzigen dat voor elke zaak benoemde gemachtigden bij het vertegenwoordigen van een EVA-Staat of de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA door een raadsman of door een bij de balie van een van de EVA-Staten ingeschreven advocaat kunnen worden bijgestaan. De Gemeenschap verbindt zich er ook toe ervoor te zorgen dat de bij de balie van een van de EVA-Staten ingeschreven advocaten particulieren en ondernemingen kunnen vertegenwoordigen voor het Hof van Justitie en voor het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen.

Deze gemachtigden, raadslieden en advocaten genieten wanneer zij voor het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen verschijnen de voor de onafhankelijke uitoefening van hun functies nodige rechten en waarborgen, onder de in het reglement voor de procesvoering van deze rechterlijke instanties vast te leggen voorwaarden.

De Gemeenschap neemt bovendien de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat advocaten uit de EVA-Staten wat de bescherming van de vertrouwelijkheid krachtens het Gemeenschapsrecht betreft dezelfde rechten genieten als de advocaten uit de Lid-Staten van de EG.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE DE DEELNAME VAN DESKUNDIGEN UIT DE EVA-STATEN AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN MET DE EER VERBAND HOUDENDE COMITÉS VAN DE EG TER UITVOERING VAN ARTIKEL 100 VAN DE OVEREENKOMST

De Commissie van de Europese Gemeenschappen bevestigt dat bij de toepassing van het in artikel 100 neergelegde beginsel elke EVA-Staat zijn deskundigen aanwijst. Deze deskundigen worden op gelijke voet met de nationale deskundigen uit de Lid-Staten van de EG betrokken bij de werkzaamheden ter voorbereiding van de comités van de EG die bevoegd zijn voor het bedoelde acquis. De Commissie van de EG zet het overleg voort zolang zij dit nodig acht en wel totdat zij op een formele bijeenkomst een voorstel voorlegt.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE ARTIKEL 103 VAN DE OVEREENKOMST

De Europese Gemeenschap is van oordeel dat zij de definitieve toepassing van het in artikel 103, lid 1, van de Overeenkomst bedoelde besluit van het Gemengd Comité van de EER kan uitstellen totdat de EVA-Staten aan de in lid 1 van dat artikel bedoelde grondwettelijke vereisten hebben voldaan.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE EVA-STATEN BETREFFENDE ARTIKEL 103, LID 1, VAN DE OVEREENKOMST

Strevend naar een homogene EER en zonder afbreuk te doen aan de werking van hun democratische instellingen, doen de EVA-Staten al het mogelijke om te bewerkstelligen dat aan de nodige grondwettelijke vereisten, als bedoeld in artikel 103, lid 1, eerste alinea, van de EER-Overeenkomst, wordt voldaan.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE DE DOORVOER IN DE VISSERIJSECTOR

De Gemeenschap geeft als haar standpunt te kennen dat artikel 6 van Protocol 9 ook van toepassing is indien vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst geen voor beide partijen bevredigende regeling tot stand is gebracht.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP EN DE REGERINGEN VAN OOSTENRIJK, FINLAND, LIECHTENSTEIN, ZWEDEN EN ZWITSERLAND BETREFFENDE PRODUKTEN VAN DE WALVISVANGST

VERKLARING VAN DE REGERING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE DOUANERECHTEN VAN FISCALE AARD

De interne procedure voor de omzetting van douanerechten van fiscale aard in een binnenlandse belasting is ingeleid.

Onverminderd Protocol 5 bij de Overeenkomst schaft Zwitserland deze rechten op de in de tabel bij Protocol 5 genoemde tariefposten af op voorwaarde dat op het ogenblik waarop de binnenlandse belasting van kracht wordt, de nodige grondwettelijke en wettelijke wijzigingen in overeenstemming met zijn nationale wetgeving zijn goedgekeurd.

Over deze aangelegenheid wordt vóór eind 1993 een referendum georganiseerd.

In geval van een positief resultaat van het grondwettelijk referendum wordt alles in het werk gesteld om de douanerechten van fiscale aard uiterlijk eind 1996 in binnenlandse belastingen om te zetten.

VERKLARING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP BETREFFENDE BILATERALE OVEREENKOMSTEN

De Gemeenschap is van oordeel dat :

  • - de bilaterale overeenkomsten inzake het goederenvervoer over de weg en per spoor tussen de Europese Economische Gemeenschap en Oostenrijk en tussen de Europese Economische Gemeenschap en Zwitserland ;

  • - de bilaterale overeenkomsten over bepaalde regelingen op landbouwgebied tussen de Europese Economische Gemeenschap en de afzonderlijke EVA-Staten ;

  • - de bilaterale visserijovereenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap en Zweden, de Europese Economische Gemeenschap en Noorwegen en de Europese Economische Gemeenschap en IJsland.

ongeacht het feit dat deze overeenkomsten in afzonderlijke rechtsinstrumenten zijn neergelegd, deel uitmaken van het evenwicht dat tijdens de onderhandelingen over het geheel is bereikt en voor haar van wezenlijk belang zijn voor de goedkeuring van de EER-Overeenkomst.

De Gemeenschap behoudt zich bijgevolg het recht voor de sluiting van de EER-Overeenkomst uit te stellen totdat de betrokken EVA-Staten aan de Gemeenschap kennis hebben gegeven van de ratificatie van bovengenoemde bilaterale overeenkomsten. Bovendien houdt de Gemeenschap haar standpunt ten aanzien van de bij niet-ratificatie van deze overeenkomsten te trekken conclusies in beraad.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EEG EN DE ZWITSERSE BONDSSTAAT INZAKE HET GOEDERENVERVOER OVER DE WEG EN PER SPOOR

Zwitserland beijvert zich de bilaterale overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat inzake het goederenvervoer over de weg en per spoor tijdig voor de ratificatie van de EER-Overeenkomst te bekrachtigen en bevestigt zijn standpunt dat de EER-Overeenkomst en deze bilaterale overeenkomst als twee afzonderlijke rechtsinstrumenten met elk hun eigen waarde dienen te worden beschouwd.

VERKLARING VAN DE REGERING VAN OOSTENRIJK BETREFFENDE DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EEG EN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK INZAKE HET TRANSITOVERVOER VAN GOEDEREN OVER DE WEG EN PER SPOOR

Oostenrijk beijvert zich de bilaterale overeenkomst tussen de EEG en de Republiek Oostenrijk inzake het transitovervoer van goederen over de weg en per spoor tijdig voor de ratificatie van de EER-Overeenkomst te bekrachtigen en bevestigt zijn standpunt dat de EER-Overeenkomst en deze bilaterale overeenkomst als twee afzonderlijke rechtsinstrumenten met elk hun eigen waarde dienen te worden beschouwd.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE EVA-STATEN BETREFFENDE HET FINANCIEEL MECHANISME VAN DE EVA

De EVA-Staten zijn van oordeel dat de "passende en billijke oplossingen" waarnaar in de gemeenschappelijke verklaring betreffende het financieel mechanisme wordt verwezen, ertoe zouden moeten leiden dat een EVA-Staat die tot de Gemeenschap toetreedt, niet gebonden is door een financiële verbintenis die het financieel mechanisme van de EVA na de toetreding van dat land tot de Gemeenschap is aangegaan of dat de bijdragen van dat land aan de algemene begroting van de EG dienovereenkomstig worden aangepast.

VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE EVA-STATEN BETREFFENDE EEN GERECHT VAN EERSTE AANLEG

De EVA-Staten richten, zo nodig, een Gerecht van Eerste Aanleg op voor zaken op het gebied van de mededinging.

  • ^ [1]

    PB nr. L 305 van 6.11.91 en PB nr. S 217 A - N van 16.11.91.

  • ^ [2]

    PB nr. L 305 van 6.11.91 en PB nr. S 217 A - N van 16.11.91.