Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 's-Gravenhage , 12-06-1981

Geldend van 01-02-2010 t/m heden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Authentiek : NL

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens een verdrag te sluiten aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Verplichting tot hulpverlening

  • 1 De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, op verzoek en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkaar wederzijds hulp te verlenen bij strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedures.

  • 1bis

    • a. Rechtshulp wordt ook verleend aan een nationale administratieve autoriteit die, krachtens een specifieke administratieve of regelgevende bevoegdheid om dergelijke onderzoeken te doen, gedragingen onderzoekt met het oog op strafrechtelijke vervolging van de gedraging of verwijzing van dergelijke gedragingen naar autoriteiten die bevoegd zijn deze strafrechtelijk te onderzoeken of te vervolgen. Rechtshulp kan onder vergelijkbare omstandigheden ook worden verleend aan andere administratieve autoriteiten. Rechtshulp kan niet worden gevraagd in aangelegenheden waarin de administratieve autoriteit verwacht dat geen vervolging of, voor zover van toepassing, verwijzing zal plaatsvinden.

    • b. Verzoeken om rechtshulp uit hoofde van dit artikel worden verzonden tussen de bevoegde autoriteiten, genoemd in artikel 14 van dit Verdrag, of tussen andere autoriteiten die door de bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen.

  • 2 Deze rechtshulp omvat onder meer:

    • a. opsporing van personen;

    • b. betekening van stukken;

    • c. het verstrekken van documenten;

    • d. het horen van personen als getuige of anderszins;

    • e. overlegging van stukken;

    • f. uitvoering van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming; en

    • g. overdracht van personen die zich in detentie bevinden met het oog op het afleggen van een getuigenverklaring.

Artikel 2. Opsporing van personen

De aangezochte Staat doet al het mogelijke om de verblijfplaats vast te stellen van personen, die in het verzoek zijn opgegeven en van wie wordt vermoed dat zij zich in de aangezochte Staat bevinden.

Artikel 3. Betekening van stukken

  • 1 De aangezochte Staat zorgt voor de betekening van alle gerechtelijke stukken die hem met dat doel door de verzoekende Staat worden toegezonden.

  • 2 Ieder verzoek tot betekening van een stuk waarin de verschijning van een persoon wordt gelast voor een autoriteit in de verzoekende Staat dient een redelijke tijd vóór het vastgestelde tijdstip van de verschijning te worden toegezonden.

  • 3 De aangezochte Staat zendt als bewijs van de betekening een gedagtekende, door degene aan wie de betekening is verricht, ondertekende ontvangstbevestiging terug, dan wel een door de ambtenaar die de betekening heeft verricht, ondertekende verklaring waarin de vorm en de datum van de betekening nauwkeurig worden vermeld.

Artikel 4. Het verstrekken van documenten van overheidsinstanties of -instellingen

  • 1 De aangezochte Staat verstrekt afschriften van voor eenieder toegankelijke gegevens uit de administratie van overheidsinstanties of -instellingen, die naar behoren dienen te worden gewaarmerkt door een bevoegde functionaris.

  • 2 De aangezochte Staat kan in de administratie voorkomende of andere gegevens, in het bezit van overheidsinstanties of -instellingen, die niet voor eenieder toegankelijk zijn, verstrekken in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze ter beschikking zouden kunnen worden gesteld van zijn eigen opsporings- of gerechtelijke autoriteiten. De aangezochte Staat mag het verzoek naar eigen inzicht geheel of gedeeltelijk afwijzen.

Artikel 5. Het horen van getuigen en de overlegging van stukken in de aangezochte Staat

  • 1 Een persoon van wie bewijsmateriaal wordt verlangd kan, indien nodig, worden gedagvaard teneinde te getuigen of worden gedwongen stukken, documenten en zaken over te leggen in dezelfde mate als in geval van een vooronderzoek of onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat. Rechten tot verschoning van het afleggen van getuigenverklaringen krachtens de wetten van de verzoekende Staat zijn niet van toepassing bij de uitvoering van verzoeken krachtens dit artikel.

  • 2 De aangezochte Staat vermeldt op verzoek de datum en plaats van het getuigenverhoor.

  • 3 De aangezochte Staat stemt, bij de uitvoering van een verzoek, toe in de aanwezigheid van de verdachte, de raadsman van de verdachte en van iedere andere, in het verzoek opgegeven belanghebbende.

  • 4 De autoriteit die het verzoek uitvoert verschaft eenieder wiens aanwezigheid is toegestaan gelegenheid tot het stellen van vragen te richten tot degene van wie verklaringen worden verlangd.

Artikel 6. Uitvoering van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming

  • 1 De aangezochte Staat geeft gevolg aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming overeenkomstig zijn wetten en gebruiken, indien op het desbetreffende feit krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen een vrijheidsstraf is gesteld van meer dan een jaar, of, indien daarop een kortere vrijheidsstraf is gesteld dat feit is vermeld in de aanhangsel bij dit Verdrag. De bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 14 kunnen schriftelijk wijzigingen van het Aanhangsel overeenkomen. Dergelijke wijzigingen treden in werking op een in een diplomatieke notawisseling vast te stellen datum.

  • 2 Een feit wordt geacht krachtens de wetten van de aangezochte Staat strafbaar te zijn gesteld indien het beweerde handelen of nalaten, wanneer het onder gelijksoortige omstandigheden in de aangezochte Staat zou hebben plaatsgevonden, een strafbaar feit zou hebben opgeleverd krachtens de wetten van die Staat. Voor de toepassing van dit lid worden rechtsmachtbepalende elementen van strafbare feiten, opgenomen in federale wetten van de Verenigde Staten, zoals het gebruik van de posterijen of van de handel tussen de staten, niet beschouwd als wezenlijke elementen van die strafbare feiten.

  • 3 Een verzoek aan het Koninkrijk der Nederlanden tot overlegging van stukken, afkomstig van particulieren, dient aan het bepaalde in dit artikel te voldoen.

  • 4 Een verzoek tot huiszoeking en inbeslagneming gericht tot de Verenigde Staten dient vergezeld te gaan van een voor of door een rechter in het Koninkrijk der Nederlanden onder ede afgelegde verklaring, waaruit blijkt dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een strafbaar feit is gepleegd of zal worden gepleegd en dat bewijsmateriaal ter zake bij de te onderzoeken personen of percelen zal worden gevonden, en waarin een nauwkeurige aanduiding van de te onderzoeken personen of percelen wordt gegeven. Een dergelijke verklaring geldt in de Verenigde Staten als een voor een Amerikaanse rechterlijke autoriteit onder ede afgelegde verklaring (affidavit).

  • 5 Krachtens dit artikel overgelegde stukken worden naar behoren gewaarmerkt, als aangegeven in het verzoek, en van iedere overdracht van andere in beslag genomen zaken of van ander in beslag genomen bewijsmateriaal wordt een proces-verbaal opgesteld. Dergelijke verbalen betreffende overdracht worden erkend als bewijs van de daarin vermelde feiten.

Artikel 7. Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de verzoekende Staat

  • 1 Een persoon die zich in detentie bevindt en wiens verschijning als getuige of tot confrontatie voor een autoriteit in de verzoekende Staat noodzakelijk is, wordt naar de verzoekende Staat overgebracht indien:

    • a. degene die zich in detentie bevindt daarmee instemt;

    • b. geen belangrijke verlenging van zijn detentie wordt verwacht; en

    • c. de aangezochte Staat geen redenen heeft de overbrenging te weigeren.

  • 2 De aangezochte Staat kan de uitvoering van het verzoek uitstellen zolang de aanwezigheid van de persoon noodzakelijk is in verband met een vooronderzoek of onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat.

  • 3 De verzoekende Staat heeft de bevoegdheid en is verplicht de persoon in detentie te houden, tenzij de aangezochte Staat de vrijlating heeft bevolen.

  • 4 De verzoekende Staat draagt een persoon die niet krachtens het derde lid is vrijgelaten wederom in detentie over aan de aangezochte Staat, zodra de omstandigheden dat toelaten of zoals anderszins wordt overeengekomen. De verzoekende Staat weigert niet een overgebrachte persoon wederom over te dragen omdat deze onderdaan van die Staat is.

Artikel 8. Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de aangezochte Staat

  • 1 Wanneer de verzoekende Staat de overdracht van een zich in detentie bevindende persoon naar de andere Staat tot confrontatie verlangt, maakt het verzoek daarvan melding.

  • 2 De aangezochte Staat houdt de persoon in detentie, tenzij de verzoekende Staat de vrijlating heeft bevolen.

  • 3 De aangezochte Staat draagt een persoon die niet krachtens het tweede lid is vrijgelaten wederom in detentie over aan de verzoekende Staat, zodra de omstandigheden dat toelaten of zoals anderszins wordt overeengekomen. De aangezochte Staat weigert niet de overgebrachte persoon wederom over te dragen omdat deze onderdaan van die Staat is.

Artikel 9. Vrijgeleide

  • 1 Een persoon die ingevolge dit Verdrag voor een autoriteit in de andere Staat verschijnt, kan niet voor de rechter worden gebracht, noch in hechtenis worden genomen of onderworpen aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid, met betrekking tot een feit of veroordeling vóór zijn vertrek, behalve als voorzien in de artikelen 7 en 8 en in het volgende lid.

  • 2 Een persoon, ongeacht van welke nationaliteit, die is gedagvaard om als verdachte te verschijnen voor de gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende Staat wordt niet vervolgd of onderworpen aan enige beperking van zijn persoonlijke vrijheid, wegens feiten of veroordelingen vóór zijn vertrek uit de aangezochte Staat die niet in dagvaarding zijn omschreven.

  • 3 Het in dit artikel verschafte vrijgeleide eindigt, indien de verschijnende persoon tien dagen nadat hij ervan in kennis is gesteld dat zijn aanwezigheid niet langer is vereist, de verzoekende Staat niet heeft verlaten of, na die Staat te hebben verlaten, daar is teruggekeerd.

  • 4 Een persoon die als getuige verschijnt in de verzoekende Staat kan weigeren een getuigenverklaring af te leggen wanneer hij daartoe krachtens de wetten van de aangezochte Staat uit hoofde van zijn beroep een verplichting of een recht heeft, en de verlangde getuigenverklaring betrekking heeft op beschermde gegevens.

    De verzoekende Staat eerbiedigt de verplichting of het recht wanneer de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat bevestigt dat een zodanige verplichting of een zodanig recht bestaat.

Artikel 9bis. Identificatie van bankgegevens

  • 1

    • a. Op verzoek van de verzoekende Staat onderzoekt de aangezochte Staat terstond, in overeenstemming met de voorwaarden vervat in dit artikel, of de op zijn grondgebied gevestigde banken over informatie beschikken of een met name genoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon die verdacht wordt van of in staat van beschuldiging is gesteld wegens een strafbaar feit houder is van een of meer bankrekeningen. De aangezochte Staat deelt het resultaat van zijn onderzoek terstond aan de verzoekende Staat mee.

    • b. De onder (a) omschreven handelingen kunnen ook worden uitgevoerd met het oog op het achterhalen van:

      • i. gegevens over veroordeelde of anderszins bij een strafbaar feit betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen;

      • ii. gegevens die in het bezit zijn van niet-bancaire financiële instellingen; of

      • iii. niet aan rekeningen gebonden financiële transacties.

  • 2 Een verzoek om de in het eerste lid van dit artikel omschreven gegevens bevat naast de in artikel 13, eerste lid van dit Verdrag vermelde gegevens:

    • a. de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die van belang is om rekeningen of transacties op te sporen;

    • b. voldoende gegevens op grond waarvan de autoriteit van de aangezochte Staat die over het verzoek beslist:

      • i. redelijkerwijs kan vermoeden dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon bij een strafbaar feit is betrokken en dat banken of niet-bancaire financiële instellingen op het grondgebied van de aangezochte Staat over de verlangde gegevens zouden kunnen beschikken; en

      • ii. kan vaststellen dat de verlangde gegevens betrekking hebben op een strafrechtelijk onderzoek of strafvervolging; en

    • c. voorzover mogelijk, gegevens over de mogelijk betrokken bank of niet-bancaire financiële instelling, en andere gegevens die dienstig kunnen zijn om de omvang van het onderzoek te kunnen beperken.

  • 3 Tenzij in een later stadium anders overeengekomen bij diplomatieke notawisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, worden verzoeken om rechtshulp uit hoofde van dit artikel verzonden tussen:

    • a. voor het Koninkrijk der Nederlanden, de bevoegde autoriteit genoemd in artikel 14, en

    • b. voor de Verenigde Staten van Amerika, de voor het Koninkrijk der Nederlanden verantwoordelijke attaché van:

      • i. de Drug Enforcement Administration van het Department of Justice van de Verenigde Staten voor aangelegenheden die onder zijn rechtsmacht vallen;

      • ii. het Bureau of Immigration and Customs Enforcement van het Department of Homeland Security van de Verenigde Staten voor aangelegenheden die onder zijn rechtsmacht vallen;

      • iii. het Federal Bureau of Investigation van het Department of Justice van de Verenigde Staten voor alle overige aangelegenheden.

  • 4 Het Koninkrijk der Nederlanden verleent overeenkomstig dit artikel rechtshulp ten aanzien van gedragingen die strafbaar zijn volgens de wetten van zowel de aangezochte als de verzoekende Staat, mits de gedraging een misdrijf is krachtens het Nederlandse recht, waaronder witwassen van geld en terroristische activiteiten vallen, maar daartoe niet beperkt zijn. De Verenigde Staten van Amerika verlenen overeenkomstig dit artikel rechtshulp ten aanzien van het witwassen van geld en terroristische activiteiten die strafbaar zijn volgens de wetten van zowel de verzoekende als de aangezochte Staat en ten aanzien van andere criminele activiteiten die door de Verenigde Staten van Amerika aan het Koninkrijk der Nederlanden worden meegedeeld.

  • 5 De aangezochte Staat beantwoordt een verzoek om de overlegging van de stukken betreffende de rekeningen of transacties die conform dit artikel zijn geïdentificeerd, in overeenstemming met de overige bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 9ter. Gemeenschappelijke onderzoeksteams

  • 1 Op de onderscheiden grondgebieden van het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika kunnen, ter bevordering van een strafrechtelijk onderzoek of vervolging waarbij de Verenigde Staten van Amerika en een of meer lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gemeenschappelijke onderzoeksteams worden ingesteld en optreden indien zulks nodig wordt geacht door het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika.

  • 2 De wijze van functioneren van het team, zoals de samenstelling, duur, plaats, organisatie, functies, doel en de voorwaarden voor deelneming van leden van het team van een Staat aan onderzoekshandelingen op het grondgebied van een andere Staat, worden overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten belast met het onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten die door de respectieve betrokken Staten daartoe zijn aangewezen.

  • 3 De autoriteiten, aangewezen door de respectieve betrokken Staten, treden rechtstreeks met elkaar in contact over de instelling en het functioneren van het team. Echter wanneer vanwege de uitzonderlijke complexiteit, de grote omvang of andere omstandigheden meer centrale coördinatie nodig wordt geacht voor bepaalde of voor alle aspecten, kunnen de Staten overeenkomen daartoe andere passende communicatiekanalen te gebruiken.

  • 4 Wanneer het gemeenschappelijk onderzoeksteam het noodzakelijk acht dat in een van de Staten die het team hebben ingesteld, onderzoekshandelingen plaatsvinden, kan een uit die Staat afkomstig lid van het team zijn eigen autoriteiten vragen die handelingen te verrichten zonder dat de andere Staat (Staten) daartoe een verzoek om rechtshulp behoeft (behoeven) in te dienen. Aan de toepassing van de maatregel zullen in die Staat dezelfde juridische eisen worden gesteld als aan nationale onderzoekshandelingen.

Artikel 9 quater. Videoconferenties

  • 1 Tussen het Koninkrijk der Nederland en de Verenigde Staten van Amerika dienen videoconferenties te kunnen worden gehouden om personen die zich in de aangezochte Staat bevinden als getuige of deskundige te horen in een procedure waarin rechtshulp kan worden verleend. Voorzover niet specifiek in dit artikel bepaald, gelden voor die procedure de voorwaarden elders voorzien in dit Verdrag.

  • 2 Tenzij de verzoekende en aangezochte Staat anders zijn overeengekomen, draagt de verzoekende Staat de kosten van het totstandbrengen en het functioneren van de videoverbinding. Andere kosten die voortvloeien uit het verlenen van de rechtshulp (met inbegrip van de reiskosten van de deelnemers in de aangezochte Staat) worden gedragen in overeenstemming met de bepalingen van artikel 17.

  • 3 De verzoekende en aangezochte Staat kunnen met elkaar in overleg treden om de oplossing te bevorderen van juridische, technische of logistieke kwesties die zich bij de uitvoering van het verzoek kunnen voordoen.

  • 4 Onverminderd de rechtsmacht krachtens het recht van de verzoekende Staat, dient het met opzet afleggen van een valse verklaring of ander wangedrag door een getuige of een deskundige tijdens de videoconferentie, in de aangezochte Staat op dezelfde wijze te worden gestraft alsof dit een verhoor in nationale procedure betrof.

  • 5 Dit artikel laat het gebruik onverlet van andere middelen die krachtens het toepasselijke verdrag of de toepasselijke wet beschikbaar zijn om getuigen te horen.

  • 6 De aangezochte Staat kan het gebruik van videoconferenties voor andere dan de in het eerste lid aangeven doelen toestaan, daaronder begrepen ten behoeve van de identificatie van personen of voorwerpen of het afnemen van verklaringen in het kader van een onderzoek.

Artikel 10. Beperkingen op de inwilliging

  • 1 De aangezochte Staat kan een verzoek afwijzen in zoverre:

    • a. de uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot een aantasting van de veiligheid of van andere, wezenlijke algemene belangen van die Staat;

    • b. het verzoek betrekking heeft op een zaak die door de aangezochte Staat als een politiek delict wordt beschouwd;

    • c. het verzoek betrekking heeft op de vervolging van een persoon die uit hoofde van de wetten van de aangezochte Staat betreffende een voorafgaande vervolging niet kan worden vervolgd ter zake van het strafbare feit waarvoor de rechtshulp wordt gevraagd;

    • d. het verzoek niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag.

  • 2 De aangezochte Staat kan de uitvoering van een verzoek uitstellen of dit inwilligen onder bepaalde voorwaarden, indien de uitvoering een vooronderzoek of een onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat zou doorkruisen.

  • 3 De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onmiddellijk in kennis van de reden van een weigering of uitstel van de uitvoering van een verzoek.

Artikel 11. Bescherming van vertrouwelijke gegevens

  • 1 De aangezochte Staat kan, indien nodig, verlangen dat bewijsmateriaal en gegevens, bij de toepassing van dit Verdrag verstrekt en gegevens daaraan ontleend, vertrouwelijk blijven overeenkomstig vastgestelde voorwaarden, behalve voorzover openbaarmaking noodzakelijk is als bewijs in een openbaar proces.

  • 2 De aangezochte Staat stelt alles in het werk teneinde een verzoek en de inhoud ervan geheim te houden indien de verzoekende Staat zulks verzoekt. Indien het verzoek niet kan worden ingewilligd zonder inbreuk te maken op de verlangde vertrouwelijkheid, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de verzoekende Staat daarvan in kennis, die vervolgens bepaalt of het verzoek desondanks dient te worden uitgevoerd.

Artikel 11bis. Beperkingen van het gebruik ter bescherming van persoonsgegevens en andere gegevens

  • 1 De verzoekende Staat kan van de aangezochte Staat verkregen bewijsmateriaal of gegevens gebruiken:

    • a. ten behoeve van zijn strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke procedures;

    • b. ter voorkoming van een onmiddellijke, ernstige bedreiging van zijn openbare veiligheid;

    • c. voor zijn niet-strafrechtelijke gerechtelijke of administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met onderzoeken of procedures:

      • i. als bedoeld onder (a); of

      • ii. waarvoor rechtshulp is verstrekt ingevolge artikel 1, eerste lid bis, van dit Verdrag;

    • d. voor enig ander doel, indien de gegevens of het bewijsmateriaal openbaar zijn gemaakt in het kader van een procedure waarvoor zij zijn verstrekt, of in enige andere situatie omschreven onder (a), (b) en (c); en

    • e. voor enig ander doel, uitsluitend na voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.

  • 2

    • a. Het eerste lid laat onverlet de mogelijkheid van de aangezochte Staat in een concrete zaak nadere voorwaarden te stellen indien het desbetreffende verzoek om rechtshulp bij gebreke van die voorwaarden niet kan worden ingewilligd. Wanneer uit hoofde van dit onderdeel nadere voorwaarden zijn gesteld, kan de aangezochte Staat van de verzoekende Staat verlangen dat deze inlichtingen verstrekt over het gebruik dat wordt gemaakt van het bewijsmateriaal of de informatie.

    • b. Algemene beperkingen met betrekking tot de rechtsnormen van de verzoekende Staat voor het verwerken van persoonsgegevens mogen door de aangezochte Staat echter niet als een voorwaarde uit hoofde van onderdeel (a) worden verbonden aan het verschaffen van bewijsmateriaal of gegevens.

  • 3 Indien de aangezochte Staat, nadat hij het verlangde bewijsmateriaal en de gegevens aan de verzoekende Staat heeft verstrekt, op de hoogte raakt van omstandigheden die in een concreet geval aanleiding zouden geven aanvullende voorwaarden te stellen, kan de aangezochte Staat met de verzoekende Staat overleggen om te bepalen in hoeverre het bewijsmateriaal en de gegevens kunnen worden beschermd.

Artikel 12. Uitvoering van verzoeken

  • 1 De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat voldoet terstond aan het verzoek of zendt dit, in het voorkomende geval, ter uitvoering door aan de daartoe bevoegde autoriteit.

  • 2 Verzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig de interne wet en de interne procedures van de aangezochte Staat, behalve voor zover dit Verdrag anders bepaalt. De in het verzoek aangegeven procedures dienen te worden gevolgd, zelfs indien zij in de aangezochte Staat ongebruikelijk zijn, behalve voor zover zulks uitdrukkelijk is verboden in de wetten van de aangezochte Staat.

Artikel 13. Inhoud van de verzoeken

  • 1 Een verzoek om rechtshulp houdt in:

    • a. de naam van de autoriteit die het onderzoek of de procedure waarop het verzoek betrekking heeft, leidt;

    • b. het onderwerp en de aard van het onderzoek of de procedure;

    • c. een beschrijving van het verlangde bewijsmateriaal, de verlangde gegevens of de te verrichten handelingen; en

    • d. het doel waartoe het bewijsmateriaal, de gegevens of de handeling worden verlangd.

  • 2 Voor zover noodzakelijk en mogelijk houdt een verzoek tevens in:

    • a. de beschikbare gegevens betreffende de identiteit en verblijfplaats van een op te sporen persoon;

    • b. de identiteit en verblijfplaats van een persoon aan wie een stuk moet worden betekend, de relatie van die persoon tot de procedure en de wijze waarop de betekening moet worden verricht;

    • c. de identiteit en verblijfplaats van personen van wie bewijsmateriaal wordt verlangd;

    • d. een beschrijving van de wijze waarop een getuigenverklaring dient te worden afgenomen en op schrift gesteld;

    • e. een lijst van de te beantwoorden vragen;

    • f. een nauwkeurige opgave van de plaats waar huiszoeking moet worden verricht en van de voorwerpen die in beslag moeten worden genomen;

    • g. een beschrijving van een eventuele bijzondere procedure die moet worden gevolgd bij de uitvoering van het verzoek; en

    • h. gegevens betreffende de toelagen en onkostenvergoedingen waarop iemand die in de verzoekende Staat verschijnt aanspraak kan maken.

Artikel 14. Bevoegde autoriteiten

  • 1 Tenzij anders voorzien in dit Verdrag, worden verzoeken om rechtshulp ingediend en uitgevoerd door tussenkomst van een bevoegde autoriteit voor elk der Verdragsluitende Partijen. De bevoegde autoriteiten van de beide Staten verstaan zich rechtstreeks tot elkaar met het oog op de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. De bevoegde autoriteit voor de Verenigde Staten van Amerika is de “Attorney General” of zijn gemachtigde. De bevoegde autoriteit voor het Koninkrijk der Nederlanden is de minister van Justitie in Nederland of indien de territoriale toepassing van dit Verdrag wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.

  • 2 Verzoeken om wederzijdse rechtshulp en daarmee verband houdende mededelingen kunnen worden bespoedigd door middel van snelle communicatiemiddelen, waaronder fax of e-mail, en, indien zulks verlangd wordt door de aangezochte Staat, gevolgd door een formele bevestiging.

    De aangezochte Staat kan het verzoek beantwoorden door middel van een snel communicatiemiddel.

Artikel 15. Terugzending van ingewilligde verzoeken

  • 1 De aangezochte Staat zendt nadat aan het verzoek is voldaan het originele verzoek, tezamen met alle verkregen gegevens en bewijsmateriaal, onder vermelding van de plaats en tijd waarop aan het verzoek werd voldaan, terug aan de verzoekende Staat, tenzij anders is overeengekomen.

  • 2 Voor zover mogelijk dienen alle volgens een verzoek krachtens dit Verdrag te verstrekken stukken en documenten volledig en in onverkorte vorm te worden verstrekt. De aangezochte Staat doet op verzoek van de verzoekende Staat al het mogelijke om originele stukken en documenten te verstrekken.

Artikel 16. Terugzending van stukken, documenten of ander bewijsmateriaal

De verzoekende Staat zendt alle stukken, documenten of zaken, die tot bewijs dienen en die zijn verstrekt ter voldoening aan een verzoek, zo snel mogelijk terug, tenzij de aangezochte Staat afstand doet van die terugzending.

Artikel 17. Kosten en vertalingen

  • 1 De aangezochte Staat verleent rechtshulp aan de verzoekende Staat zonder kosten in rekening te brengen, behalve voor honoraria van in het verzoek opgegeven, particuliere deskundigen en de kosten die verband houden met het totstandbrengen en het functioneren van een videoverbinding zoals bedoeld in artikel 9 quater.

  • 2 De verzoekende Staat draagt alle kosten met betrekking tot de overbrenging krachtens de artikelen 7 en 8 van een zich in detentie bevindende persoon.

  • 3 De verzoeken dienen te zijn gesteld zowel in het Engels als in het Nederlands. De vertaling van op verzoek verstrekte stukken wordt verzorgd door de verzoekende Staat.

Artikel 18. Andere verdragen en interne wetten

  • 1 De rechtshulp en procedures, voorzien in dit Verdrag, doen niet af aan enigerlei rechtshulp of procedure, die kan worden verleend of kan worden gevolgd krachtens andere internationale overeenkomsten of regelingen of krachtens de interne wetten van de Verdragsluitende Partijen, noch verhinderen of beperken zij deze.

  • 2 Behalve ingeval dit Verdrag uitdrukkelijk regels geeft voor de erkenbaarheid van bewijs, is aan de bepalingen van dit Verdrag voor niemand het recht te ontlenen in een strafrechtelijke procedure te vorderen dat enig bewijsmateriaal wordt achter gehouden of van de procedure wordt uitgesloten. Door dit Verdrag worden krachtens het interne recht bestaande rechten op een nieuwe gerechtelijke beoordeling niet uitgebreid of beperkt.

  • 3 Bepalingen betreffende uitlevering van personen, hetzij van intern recht, hetzij verdragsbepalingen, zijn niet van toepassing op de overdracht van personen krachtens de artikelen 7 en 8, of op de verschijning krachtens het tweede lid van artikel 9.

Artikel 19. Opzegging

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door daarvan aan de andere Partij kennis te geven, en de beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 12 juni 1981 in twee exemplaren, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Bijlage

Verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming kunnen ingevolge het eerste lid van artikel 6 van het Verdrag worden uitgevoerd, indien zij betrekking hebben op strafbare feiten, omschreven in:

I

  • A. Voor het Koninkrijk der Nederlanden (Europa): Het Wetboek van strafrecht, de artikelen 194, 272, 328 bis, 328 ter en 336.

  • B. Indien de territoriale toepassing van dit Verdrag wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.

II

Voor de Verenigde Staten van Amerika: Titel 26, Wetboeken van de Verenigde Staten (Wetboek inzake interne belastingen), § 7203.

Tekst van de desbetreffende wettelijke bepalingen: Nederlands Wetboek van Strafrecht

Artikel 194

Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, vereniging of stichting wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 272

  • 1 Hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat hij het uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zesduizend gulden.

  • 2 Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

Artikel 328 bis

Hij die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelve of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit enig nadeel voor concurrenten van hem of van dien ander kan ontstaan, als schuldig aan oneerlijke mededinging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste achttienhonderd gulden.

Artikel 328 ter

  • 1 Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste honderdduizend gulden.

  • 2 Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet van dien aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of de belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.

Artikel 336

De koopman, de bestuurder, de beherende vennoot of commissaris van een vennootschap, vereniging of stichting, die opzettelijk een onware staat of een balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een dier stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen

Artikel 200

Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd of als bestuurder of commissaris ener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereniging of stichting, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel 285

  • 1 Hij die opzettelijk enig geheim, hetwelk hij uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekend maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

  • 2 Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon is gepleegd wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

Artikel 341a

Hij die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelve of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit enig nadeel voor concurrenten van hem of van dien ander kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Artikel 349

De koopman, de bestuurder, de beherende vennoot of commissaris van een vennootschap, vereniging of stichting, die opzettelijk een onware staat of een balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een dier stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Title 26. U.S.C.

  • §7203 Hij die ingevolge deze titel verplicht is een al dan niet geschat bedrag aan belasting te betalen of ingevolge of krachtens deze titel verplicht is een aangifte (niet zijnde een aangifte ingevolge §6015) te doen, boekhouding bij te houden of informatie te verschaffen en opzettelijk in gebreke blijft op het daartoe bij of krachtens de wet aangegeven tijdstip dat al dan niet geschat bedrag aan belasting te betalen, die aangifte te doen, die boekhouding bij te houden of die informatie te verschaffen is, onverminderd andere bij de wet voorziene straffen, schuldig aan een overtreding en wordt in geval van veroordeling gestraft met een geldboete van ten hoogste 10 000 US dollar of gevangenisstraf van ten hoogste 1 jaar, of beide, en dient tevens de kosten van de vervolging te betalen.

Nr. I

AMBASSADE VAN DE

VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

's-GRAVENHAGE

12 juni 1981

No. 55

Excellentie,

Bij dezen heb ik de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Verdrag tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken en in het bijzonder naar de artikelen 4,6,11 en 14 van dit Verdrag, en breng ik de interpretatie van de Verenigde Staten met betrekking tot deze artikelen tot uitdrukking.

Artikel 4

Het tweede lid van artikel 4 staat elk van beide Partijen toe aan de andere Partij documenten, die in het bezit zijn van de overheid en die niet voor een ieder toegankelijk zijn, alsmede daaraan ontleende gegevens, te verstrekken. Het staat elk van beide Partijen eveneens toe te weigeren deze documenten en gegevens te verstrekken, dan wel voorwaarden te verbinden aan de openbaarmaking ervan. De Partijen zijn voornemens deze documenten en gegevens te verschaffen, voor zover dit is toegestaan door hun interne recht, behalve wanneer openbaarmaking personen die medewerken aan een strafrechtelijk onderzoek zou schaden, bronnen van vrijwillig verleende informatie die van wezenlijk belang is voor overheidsactiviteiten in opspraak zou brengen of op andere wijze het functioneren van de overheid of de rechtspleging nadelig zou beïnvloeden.

De Partijen erkennen dat de openbaarmaking van fiscale documenten en gegevens ingevolge hun onderscheiden interne belastingwetten aan strikte beperkingen is onderworpen omdat een goede werking van die wetten afhangt van de medewerking van de belastingplichtigen. Derhalve worden fiscale documenten en gegevens in verband met strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke vervolgingen slechts verstrekt in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze zouden kunnen worden ingebracht in strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke vervolgingen in de aangezochte Staat.

Artikel 6

De Partijen zijn het erover eens dat artikel 6 een vergaande wederzijdse verplichting in het leven roept tot inwilliging van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming. Aangezien dit soort rechtshulp dwangmaatregelen met zich meebrengt die in ernstige mate kunnen ingrijpen in het privé-leven en de privé-aangelegenheden van particulieren, komen de Partijen overeen dat verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming alleen zullen worden ingewilligd in gevallen waarin het strafbare handelen of nalaten strafbaar is gesteld krachtens de wetten van beide Staten, en aan het verzoek gevolg wordt gegeven overeenkomstig de interne wetten en administratieve gebruiken van de aangezochte Staat.

In het Koninkrijk der Nederlanden houdt het bestaande administratieve gebruik in, dat met betrekking tot wat worden genoemd „fiscale delicten", te weten delicten die betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten en deviezentransacties, van dit soort dwangmaatregelen slechts zeer behoedzaam gebruik wordt gemaakt. Dienovereenkomstig stelt de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich op het standpunt dat zij bij het gevolg geven aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming op grond van internationale overeenkomsten, niet af wil wijken van haar terughoudend beleid. De Regering van het Koninkrijk vat artikel 6 aldus op dat dit haar toestaat haar gebruikelijke terughoudendheid te blijven betrachten bij het gevolg geven aan verzoeken met betrekking tot fiscale delicten.

Bepaalde federale wetten van de Verenigde Staten, zoals die betreffende verdovende middelen, giftige chemicaliën, stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, vuurwapens en andere wapens, explosieven en middelen tot brandstichting, berusten op constitutionele bevoegdheden zoals de bevoegdheid belastingen te heffen en de volksgezondheid te bevorderen, en zijn derhalve neergelegd in wetgeving op het gebied van belastingen, volksgezondheid, en in andere wetten. Het Koninkrijk der Nederlanden is niet voornemens bij het gevolg geven aan verzoeken van de Verenigde Staten met betrekking tot die wetten de terughoudendheid te betrachten die het gewoonlijk in acht neemt met betrekking tot fiscale delicten naar de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden. Deze terughoudendheid wordt alleen betracht wanneer de desbetreffende delicten betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten of deviezentransacties naar de wetgeving van beide Partijen.

Krachtens de wetten en gebruiken in de Verenigde Staten zijn de vereisten voor huiszoeking en inbeslagneming in fiscale zaken niet strenger dan in andere zaken. Uit een verzoek om een bevel tot huiszoeking en inbeslagneming in de Verenigde Staten moet blijken dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een strafbaar feit is gepleegd en dat bewijsmateriaal aangaande dat strafbare feit zal worden gevonden bij de persoon bij wie of in het perceel waar huiszoeking moet worden verricht. De persoon bij wie of het perceel waarin huiszoeking moet worden verricht en de goederen die in beslag moeten worden genomen, dienen nauwkeurig te worden omschreven. Derhalve dient bij een verzoek tot huiszoeking en inbeslagneming van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Verenigde Staten in de regel een verklaring te zijn gevoegd, afgelegd door of ten overstaan van een rechter van het Koninkrijk der Nederlanden, waaruit de feiten, die de grondslag bieden voor het geven van het bevel, blijken.

Artikel 11

Hoewel ingevolge het eerste lid van artikel 11 elk van beide Partijen beperkingen kan opleggen met betrekking tot het bewijsmateriaal en de gegevens die worden verstrekt, erkennen beide Partijen dat, ingeval gerechtelijke procedures vereisen dat bewijs in een openbare terechtzitting wordt geleverd, dat bewijsmateriaal en die gegevens daartoe kunnen worden aangewend voor zover de verzoekende Staat zulks noodzakelijk acht.

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 11 zijn beide Partijen het erover eens, dat toestemming kan worden gegeven fiscale documenten en gegevens voor een ander doel te gebruiken dan is vermeld in het oorspronkelijke verzoek. Die toestemming zal echter alleen worden verleend in die gevallen waarin het verdere gebruik zich verdraagt met de interne wetten en gebruiken van de aangezochte Staat.

Artikel 14

Verzoeken, gedaan door de in artikel 14 omschreven bevoegde autoriteiten, dienen in de aangezochte Staat te worden ingewilligd op een wijze die in overeenstemming is met diens interne wet. De Partijen zijn het erover eens dat, hoewel op grond van dit Verdrag gedane verzoeken en alle nadere mededelingen tussen de aangewezen bevoegde autoriteiten worden gewisseld, die verzoeken afkomstig zullen zijn van openbare aanklagers, opsporingsautoriteiten of gerechtelijke instanties. De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden zullen verzoeken van het openbaar ministerie, rechterscommissarissen en gerechtelijke instanties doorzenden. De bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten zal verzoeken doen ten behoeve van openbare aanklagers en opsporingsautoriteiten, en zal verzoeken van gerechtelijke instanties doorzenden.

Bepaalde interne wetten van de Partijen voorzien slechts in rechtshulp aan buitenlandse autoriteiten wanneer het verzoek afkomstig is van een rechterlijke autoriteit. Hoewel openbare aanklagers en opsporingsautoriteiten volgens de wetgeving van de Verenigde Staten niet worden beschouwd als rechterlijke autoriteiten, worden verzoeken, door de "Attorney General" van de Verenigde Staten te hunnen behoeve gedaan, voor de toepassing van de wetten van het Koninkrijk der Nederlanden beschouwd als verzoeken afkomstig van een rechterlijke autoriteit. Verzoeken ten behoeve van het openbaar ministerie in het Koninkrijk der Nederlanden gedaan, worden voor de toepassing van de wetten van de Verenigde Staten beschouwd als verzoeken afkomstig van een rechterlijke autoriteit.

Ik zou het op prijs stellen van Uwe Excellentie een schriftelijke bevestiging te mogen ontvangen, dat bovenstaande interpretatie dezelfde is als de interpretatie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te willen aanvaarden.

(w.g.) THOMAS J. DUNNIGAN

Nr. II

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 12 juni 1981

Mijnheer de Zaakgelastigde,

Bij dezen heb ik de eer de goede ontvangst te berichten van Uw schrijven van bovenvermelde datum, waarvan de inhoud als volgt luidt:

[Red: (zoals in Nr. I)]

Ik heb de eer U te bevestigen dat bovenstaande interpretatie gelijk is aan die van het Koninkrijk der Nederlanden.

Gelief, Mijnheer de Zaakgelastigde, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Thomas J. Dunnigan, Esq., Zaakgelastigde van de Verenigde Staten van Amerika, Den Haag

Nr. I

Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika

No. 33

's-Gravenhage, 29 september 2004

Ik heb de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te Washington 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te 's-Gravenhage 12 juni 1981. Ten behoeve van de ondertekening van dit instrument wens ik de juridische status van bepaalde nota's met betrekking tot het Rechtshulpverdrag van 1981 en de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 te verduidelijken.

Op 12 juni 1981 werden bij de ondertekening van het Rechtshulpverdrag van 1981 tevens de desbetreffende diplomatieke nota's met daarin vervat de afspraken betreffende bepaalde artikelen van het Verdrag uitgewisseld. Deze notawisseling blijft van toepassing, evenwel – tengevolge van artikel 9 van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 – met uitzondering van het tweede lid betreffende artikel 11 van het Rechtshulpverdrag van 1981. Voorts dient het bepaalde in deze notawisseling met betrekking tot artikel 14 van het Rechtshulpverdrag van 1981 zodanig te worden uitgelegd dat artikel 8 van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 kan worden toegepast.

Op 31 december 1985 deed de regering van het Koninkrijk der Nederlanden de regering van de Verenigde Staten van Amerika een diplomatieke nota toekomen waarin bevestigd werd dat onder andere het Rechtshulpverdrag van 1981 van toepassing blijft op de Nederlandse Antillen en Aruba. Het heden ondertekende Rechtshulpverdrag bepaalt dat de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 de toepassing van het Rechtshulpverdrag van 1981 op de Nederlandse Antillen en Aruba onverlet laat. Bijgevolg blijft het Rechtshulpverdrag van 1981 in zijn oorspronkelijke vorm van toepassing op de Nederlandse Antillen en Aruba.

Voorts wordt aangetekend dat de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 een toelichtende noot omvat die uitleg geeft „over afspraken tussen de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toepassing van een aantal bepalingen van de overeenkomst” en er een integrerend deel van vormt. De afspraken vervat in de toelichtende noten zijn bindend voor zowel de partijen bij de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 als voor de lidstaten van de Europese Unie en bijgevolg van toepassing op de desbetreffende bepalingen van het heden ondertekende Rechtshulpverdrag.

Indien de voorgaande afspraken worden onderschreven door het Koninkrijk der Nederlanden, heb ik de eer voor te stellen dat deze Nota en de antwoordnota van Uwe Excellentie een overeenkomst zullen vormen tussen de twee Regeringen.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om Uwe Excellentie opnieuw te verzekeren van mijn zeer bijzondere hoogachting.

Clifford M. SOBEL

Nr. II

's-Gravenhage, 29 september 2004

Excellentie,

Bij dezen heb ik de eer de goede ontvangst te bevestigen van Uw nota van bovenvermelde datum, waarvan de inhoud als volgt luidt:

[Red: (Zoals in Nr. 1)]

Ik heb de eer te bevestigen dat de voorgaande afspraken worden onderschreven door het Koninkrijk der Nederlanden en dat de nota van Uwe Excellentie tesamen met deze antwoordnota een afspraak vormen tussen de twee Regeringen.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om Uwe Excellentie opnieuw te verzekeren van mijn zeer bijzondere hoogachting.

J. P. H. DONNER

Minister van Justitie

His Excellency Mr. C.M. Sobel Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage