Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage , 24-06-1980

Geldend van 01-02-2010 t/m heden

Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Authentiek : NL

Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika;

Verlangend een regeling te treffen met het oog op een doeltreffender samenwerking tussen de beide Staten bij de bestrijding van de misdaad; en

Verlangend een nieuw verdrag te sluiten inzake de wederzijdse uitlevering van delinquenten;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Verplichting tot uitlevering

De Verdragsluitende Partijen komen overeen, met inachtneming van de in dit Verdrag opgenomen bepalingen personen aan elkaar uit te leveren die worden aangetroffen op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen en tegen wie een strafvervolging is ingesteld, die schuldig zijn bevonden aan het plegen van een strafbaar feit of die worden gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde straf of maatregel, welke vrijheidsbeneming met zich mede brengt.

Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden en rechtsmacht

  • 1 Feiten die tot uitlevering kunnen leiden krachtens dit verdrag zijn:

    • a. feiten, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, die strafbaar zijn krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen;

    • b. feiten, al dan niet in de Bijlage bij dit Verdrag opgenomen, mits zij strafbaar zijn krachtens de federale wetten van de Verenigde Staten van Amerika en de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden.

    In dit verband is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het feit onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met dezelfde termen aanduiden.

  • 2 Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden:

    • a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar;

    • b. met het oog op de oplegging van een straf of maatregel, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar; of

    • c. met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel wegens een zodanig feit, indien het gedeelte van de straf of maatregel, dat nog niet is ondergaan, de duur van ten minste vier maanden heeft.

  • 3 Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:

    • a. de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, of

    • b. de opgeëiste persoon onderdaan is van de verzoekende Staat.

  • 4 Met inachtneming van de in het eerste tot en met het derde lid vermelde voorwaarden wordt uitlevering eveneens toegestaan:

    • a. voor poging tot of deelneming aan strafbare feiten die tot uitlevering kunnen leiden, daarbij inbegrepen deelneming aan een vereniging van personen wier oogmerk het is het strafbare feit te plegen;

    • b. voor ieder feit dat tot uitlevering kan leiden wanneer, met het oog op verlening van rechtsmacht aan de Regering van de Verenigde Staten, het vervoer van personen of goederen, of het gebruik van de posterijen of andere middelen voor de handel tussen de Staten of met het buitenland mede een element van het desbetreffende strafbare feit vormt.

  • 5 Wanneer uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, kan zij tevens worden toegestaan voor andere feiten die anders, uitsluitend ten gevolge van de werking van het tweede lid, niet tot uitlevering zouden kunnen leiden.

Artikel 3. Territoriale toepasselijkheid

Voor de toepassing van dit Verdrag omvat het grondgebied van een Verdragsluitende Partij het gehele grondgebied onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Partij, met inbegrip van het luchtruim en de territoriale wateren.

Artikel 4. Politieke en militaire delicten

  • 1 Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard, dan wel wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan.

  • 2 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt moord of een opzettelijk gepleegd misdrijf gericht tegen het leven of de lichamelijke integriteit van een Staatshoofd of Regeringsleider van een van de Verdragsluitende Partijen of van een lid van het gezin van een zodanige persoon, daaronder begrepen pogingen om een dergelijk feit te plegen, niet geacht een strafbaar feit in de zin van het eerste lid te zijn.

  • 3 Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht een zuiver militair delict is.

  • 4 Het is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat een beslissing te nemen over kwesties die uit hoofde van dit artikel worden opgeworpen, behalve voor zover de nationale wetten van die Staat die bevoegdheid uitdrukkelijk aan diens rechters toekennen.

Artikel 5. Voorafgaande strafvervolging terzake van hetzelfde feit

Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer:

  • a. de opgeëiste persoon door de aangezochte Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht wordt vervolgd, vervolgd is geweest, of is berecht en veroordeeld of vrijgesproken; of

  • b. uit anderen hoofde tegen de opgeëiste persoon geen vervolging kan worden ingesteld ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht in de aangezochte Staat met betrekking tot het effect van een voorafgaande strafvervolging.

Artikel 6. Verjaring

Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer volgens het recht van de aangezochte Staat het recht tot vervolging of tenuitvoerlegging van straf ter zake van het feit waarvoor uitlevering werd verlangd, is vervallen door verjaring.

Artikel 7. Doodstraf en bijzondere omstandigheden

  • 1 Wanneer op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de verzoekende Staat doch niet krachtens het recht van de aangezochte Staat de doodstraf is gesteld, kan de aangezochte Staat aan de uitlevering de voorwaarde verbinden dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon wordt opgelegd of, indien de verzoekende Staat om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan voldoen, de voorwaarde dat de doodstraf, indien deze wordt opgelegd, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Indien de verzoekende Staat instemt met de uitlevering op de in dit artikel genoemde voorwaarden, moet hij die voorwaarden naleven. Indien de verzoekende Staat de voorwaarden niet aanvaardt, kan het uitleveringsverzoek worden geweigerd.

  • 2 De uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat kan in bijzondere situaties, met name gezien de leeftijd of gezondheid van de opgeëiste persoon, of andere persoonlijke omstandigheden, uitlevering weigeren, indien zij redenen heeft om van oordeel te zijn dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire overwegingen.

Artikel 8. Uitlevering van onderdanen

  • 1 Ingeval er tussen de Verdragsluitende Partijen een verdrag van kracht is betreffende de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, kan geen van beide Verdragsluitende Partijen weigeren haar eigen onderdanen uit te leveren uitsluitend op grond van hun nationaliteit.

  • 2 Zo lang er tussen de Verdragsluitende Partijen geen verdrag van kracht is betreffende de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, is geen van beide Verdragsluitende Partijen verplicht haar eigen onderdanen uit te leveren, maar de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft, indien de wet van die Staat zich daartegen niet verzet, de bevoegdheid hen uit te leveren indien dat, naar het oordeel van de genoemde autoriteit, aangewezen wordt geacht.

  • 3 Indien uitlevering niet wordt toegestaan uitsluitend op grond van de nationaliteit van de opgeëiste persoon, draagt de aangezochte Staat, op verzoek van de verzoekende Staat, de zaak voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over, mits het feit een strafbaar feit oplevert naar het recht van die Staat en die Staat rechtsmacht over het feit heeft.

Artikel 9. Procedure met betrekking tot uitlevering en vereiste stukken

  • 1 Het verzoek tot uitlevering en stukken ter ondersteuning daarvan worden langs diplomatieke weg toegezonden, daaronder begrepen toezending voorzien in het zevende lid van dit artikel.

  • 2 Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:

    • a. alle beschikbare gegevens betreffende de identiteit, de nationaliteit, en de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon;

    • b. een uiteenzetting van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd;

    • c. de wetsbepalingen houdende de wezenlijke elementen en de benaming van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht;

    • d. de wetsbepalingen houdende de straf die op het delict is gesteld;

    • e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.

  • 3 Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:

    • a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, opgemaakt door een rechter of andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat; en

    • b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.

  • 4 Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een veroordeelde persoon dienen te worden gevoegd:

    • a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het veroordelend vonnis, uitgesproken door een rechter van de verzoekende Staat;

    • b. bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon degene is op wie de veroordeling betrekking heeft.

    Indien de desbetreffende persoon schuldig werd verklaard maar hem geen straf werd opgelegd, dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd een verklaring dienaangaande van de desbevoegde rechter en het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding.

    Indien de desbetreffende persoon werd veroordeeld, dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het uitgesproken vonnis, een verklaring dat het vonnis kracht van gewijsde heeft en vatbaar voor tenuitvoerlegging is, en een verklaring waaruit blijkt in hoeverre het vonnis niet ten uitvoer is gelegd.

  • 5 De stukken die overeenkomstig dit artikel en artikel 10 ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering moeten worden overgelegd, dienen in de taal van de aangezochte Staat te worden vertaald.

  • 6 Stukken die voorzien zijn van het waarmerk of het zegel van het ministerie van Justitie of het ministerie van Buitenlandse Zaken van de verzoekende Staat zijn zonder nadere certificering, waarmerking of andere vorm van legalisering toelaatbaar in uitleveringsprocedures in de aangezochte Staat. Onder ministerie van Justitie wordt voor de Verenigde Staten van Amerika verstaan het Department of Justice van de Verenigde Staten en voor het Koninkrijk der Nederlanden het ministerie van Justitie van Nederland, of, indien de territoriale toepassing van dit Verdrag overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst wordt uitgebreid, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.

  • 7 Indien de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, door de aangezochte Staat voorlopig is aangehouden, kan de verzoekende Staat voldoen aan de verplichting om zijn uitleveringsverzoek en de stukken ter ondersteuning langs diplomatieke weg overeenkomstig het eerste lid van dit artikel toe te zenden door in de verzoekende Staat het verzoek en de stukken over te leggen aan de ambassade van de aangezochte Staat in de verzoekende Staat. In dat geval wordt met het oog op de termijn die uit hoofde van artikel 11, van dit Verdrag in acht moet worden genomen om de persoon in hechtenis te kunnen houden, de datum van ontvangst van het verzoek door de ambassade beschouwd als de datum van ontvangst ervan door de aangezochte Staat.

Artikel 10. Aanvullend bewijsmateriaal

  • 1 Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat van oordeel is dat het bewijsmateriaal, verschaft ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering van een opgeëiste persoon, niet toereikend is om te voldoen aan de vereisten van dit Verdrag, verzoekt die Staat om overlegging van het nodige aanvullende bewijsmateriaal. De aangezochte Staat kan een termijn stellen voor de overlegging van zodanig bewijsmateriaal en, op verzoek van de verzoekende Staat, een redelijke verlenging van die termijn toestaan.

  • 2 Indien de opgeëiste persoon zich in detentie bevindt en het aanvullend bewijsmateriaal of de aanvullende gegevens, die zijn overgelegd, niet toereikend zijn of indien zodanig bewijsmateriaal of zodanige gegevens niet binnen de door de aangezochte Staat aangegeven termijn zijn ontvangen, kan hij uit het voorarrest worden ontslagen. Een dergelijk ontslag verhindert evenwel noch de verdere behandeling van het verzoek op basis van alsnog overgelegde stukken, noch, indien reeds een onherroepelijke beslissing is genomen, de indiening van een nieuw verzoek voor hetzelfde feit. In dat geval is het voldoende indien in het nieuwe verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken ter ondersteuning van het eerdere verzoek, mits die stukken voor de uitleveringsprocedure voorhanden zijn.

  • 3 Dergelijk aanvullend bewijs of aanvullende informatie kan rechtstreeks worden gevraagd en uitgewisseld tussen het ministerie van Justitie van Nederland en het Department of Justice van de Verenigde Staten.

Artikel 10 bis. Gevoelige informatie in een verzoek

Indien de verzoekende Staat overweegt bijzonder gevoelige informatie over te leggen ter ondersteuning van zijn uitleveringsverzoek, kan hij de aangezochte Staat raadplegen om na te gaan in hoeverre de informatie door de aangezochte Staat kan worden beschermd. Indien de aangezochte Staat de informatie niet overeenkomstig de wensen van de verzoekende Staat kan beschermen, bepaalt de verzoekende Staat of de informatie desondanks wordt overgelegd.

Artikel 11. Voorlopige aanhouding

  • 1 In geval van spoed kan elke Verdragsluitende Partij de voorlopige aanhouding verzoeken van ieder die wordt vervolgd of is veroordeeld. Het verzoek tot voorlopige aanhouding kan worden gedaan hetzij langs diplomatieke weg, hetzij in rechtstreeks contact tussen het Department of Justice van de Verenigde Staten en het Ministerie van Justitie in Nederland of, indien de territoriale toepassing van dit Verdrag overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst wordt uitgebreid, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.

  • 2 Het verzoek dient te bevatten: een beschrijving van de gezochte persoon, met inbegrip, indien beschikbaar, van zijn nationaliteit; een kort overzicht van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het feit werd gepleegd; een verklaring betreffende het bestaan van een bevel tot aanhouding van of een veroordelend vonnis tegen die persoon, en een verklaring dat een verzoek tot uitlevering van de gezochte persoon zal volgen.

  • 3 Na ontvangst van een zodanig verzoek neemt de aangezochte Staat de nodige maatregelen met het oog op de aanhouding van de gezochte persoon. Aan de verzoekende Staat wordt onverwijld kennis gegeven van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven.

  • 4 De voorlopige aanhouding wordt beëindigd indien de aangezochte Staat niet binnen 60 dagen na de inhechtenisneming van de gezochte persoon het officiële verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde stukken ter ondersteuning daarvan heeft ontvangen.

  • 5 De beëindiging van de voorlopige aanhouding volgens het vierde lid vormt geen beletsel voor de uitlevering van de opgeëiste persoon indien het verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde documenten ter ondersteuning daarvan op een latere datum worden overgelegd.

Artikel 12. Beslissing en overlevering

  • 1 De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onverwijld langs diplomatieke weg zijn beslissing omtrent het verzoek tot uitlevering mede.

  • 2 De aangezochte Staat geeft de redenen voor een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot uitlevering op.

  • 3 Indien uitlevering is toegestaan, vindt overlevering van de opgeëiste persoon plaats binnen de termijn die is voorgeschreven door de wet van de aangezochte Staat. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen bepalen in onderling overleg tijdstip en plaats van de overlevering van de opgeëiste persoon. Indien die persoon echter niet binnen de overeengekomen termijn uit het grondgebied van de aangezochte Staat is verwijderd, kan hij in vrijheid worden gesteld en kan de aangezochte Staat daarna zijn uitlevering voor hetzelfde feit weigeren.

Artikel 13. Uitgestelde beslissing en tijdelijke overlevering

Wanneer een beslissing op een verzoek tot uitlevering is genomen ten aanzien van iemand die wordt vervolgd of die een straf ondergaat op het grondgebied van de aangezochte Staat wegens een ander strafbaar feit, kan de aangezochte Staat:

  • a. de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen totdat de strafrechtelijke procedure tegen hem is beëindigd of de eventueel op te leggen of opgelegde straf volledig ten uitvoer is gelegd; of

  • b. de opgeëiste persoon tijdelijk aan de verzoekende Staat overleveren uitsluitend ten behoeve van de instelling van een vervolging. De aldus overgeleverde persoon dient tijdens zijn verblijf in de verzoekende Staat in hechtenis te worden gehouden en dient na afloop van de gerechtelijke behandeling van zijn zaak te worden teruggezonden overeenkomstig in onderling overleg tussen de Verdragsluitende Partijen vast te stellen voorwaarden.

Artikel 14. Samenloop van verzoeken tot uitlevering of overlevering

  • 1 Indien de aangezochte Staat van de verzoekende Staat en van een adere Staat of andere Staten een verzoek tot uitlevering van dezelfde persoon ontvangt, hetzij voor hetzelfde feit hetzij voor andere feiten, beslist de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat of en aan welke Staat betrokkene wordt overgeleverd.

  • 2 Indien het Koninkrijk der Nederlanden voor dezelfde persoon een verzoek tot uitlevering van de Verenigde Staten van Amerika en een verzoek tot overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel ontvangt, beslist zijn uitvoerende autoriteit of en aan welke Staat betrokkene wordt overgeleverd.

  • 3 Bij zijn beslissing krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel houdt de aangezochte Staat rekening met alle relevante factoren waaronder, zij het niet uitsluitend:

    • a. of de verzoeken krachtens een verdrag zijn gedaan;

    • b. de plaats waar elk van de strafbare feiten is begaan;

    • c. de onderscheiden belangen van de verzoekende Staten;

    • d. de ernst van de strafbare feiten;

    • e. de nationaliteit van het slachtoffer;

    • f. de mogelijkheid van latere uitlevering tussen de verzoekende Staten; en

    • g. de volgorde waarin de verzoeken van de verzoekende Staten zijn ontvangen.

Artikel 15. Specialiteitsbeginsel

  • 1 De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, noch wordt hij door die Staat aan een derde Staat uitgeleverd, tenzij:

    • a. die persoon na zijn uitlevering het grondgebied van de verzoekende Staat heeft verlaten en vrijwillig daarheen is teruggekeerd;

    • b. die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen 30 dagen na daartoe de vrijheid te hebben gehad; of

    • c. de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft ingestemd met zijn hechtenis, berechting of bestraffing ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, of met uitlevering aan een derde Staat. Met het oog hierop kan de aangezochte Staat de overlegging verlangen van in artikel 9 vermelde stukken of verklaringen, met inbegrip van door de uitgeleverde persoon afgelegde verklaringen met betrekking tot het desbetreffende feit.

    Deze bepalingen zijn niet van toepassing op na uitlevering gepleegde feiten.

  • 2 Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd in de loop van de procedure op wettelijke wijze wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbare feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving:

    • a. is gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het verzoek tot uitlevering en de stukken ter ondersteuning daarvan; en

    • b. op dat feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving een zelfde maximumstraf is gesteld als of een lagere maximumstraf is gesteld dan op het feit waarvoor die persoon was uitgeleverd.

Artikel 16. Vereenvoudigde uitlevering

Indien de uitlevering van een opgeëiste persoon niet kennelijk naar het recht van de aangezochte Staat is uitgesloten, en mits de opgeëiste persoon onherroepelijk schriftelijk instemt met uitlevering na in persoon door een rechter of bevoegde rechterlijke autoriteit op de hoogte te zijn gesteld van andere, in formele uitleveringsprocedures toegekende rechten en van de waarborgen waarmee deze zijn omkleed en die hem zouden ontvallen, kan de aangezochte Staat uitlevering toestaan zonder dat een formele uitleveringsprocedure plaatsvindt. In dat geval is artikel 15 niet van toepassing.

Artikel 17. Overdracht van voorwerpen

  • 1 Op verzoek van de verzoekende Partij worden, voor zover dat naar het recht van de aangezochte Staat is toegestaan en behoudens de rechten van derden, die naar behoren dienen te worden geëerbiedigd, alle voorwerpen, werktuigen, zaken van waarde of stukken, die verband houden met het strafbare feit, ongeacht of zij voor het plegen daarvan zijn gebruikt, of die op enige andere wijze bewijsmateriaal voor het openbaar ministerie kunnen vormen, in beslag genomen en overgedragen nadat de uitlevering is toegestaan. De in dit artikel vermelde voorwerpen worden overgedragen zelfs wanneer de uitlevering niet kan plaatsvinden ten gevolge van het overlijden, de ontvluchting of de verdwijning van de opgeëiste persoon.

  • 2 De aangezochte Staat kan als voorwaarde voor de overdracht van voorwerpen verlangen dat de verzoekende Staat een genoegzame verzekering geeft dat de voorwerpen zo spoedig mogelijk aan de aangezochte Staat zullen worden teruggegeven.

Artikel 18. Doortocht

  • 1 Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan aan de andere Verdragsluitende Partij de doortocht door zijn grondgebied toestaan van een door een derde Staat overgeleverde persoon. De Verdragsluitende Partij die de doortocht verzoekt, dient de in artikel 11, tweede lid, vermelde gegevens te verstrekken langs de in dat artikel voorziene wegen. Een zodanige toestemming is niet vereist in geval van vervoer door de lucht, waarbij geen landing op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij is voorzien.

  • 2 Indien een onvoorziene landing op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij plaatsvindt, is op de doortocht het bepaalde in het eerste lid van toepassing. Die Verdragsluitende Partij kan de over te leveren persoon gedurende 96 uur in hechtenis stellen in afwachting van het verzoek tot doortocht.

Artikel 19. Kosten

  • 1 De aangezochte Staat controleert of de documentatie ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering aan de wettelijke vereisten voldoet alvorens deze aan zijn gerechtelijke autoriteiten voor te leggen, en stelt het verzoek van de verzoekende Staat die autoriteiten in handen.

  • 2 De kosten van de vertaling van stukken ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering en van het vervoer van de opgeëiste persoon worden gedragen door de verzoekende Staat. Alle andere kosten gemaakt uit hoofde van het verzoek tot uitlevering en de uitleveringsprocedure worden gedragen door de aangezochte Staat. De aangezochte Staat kan financiële vorderingen, ingesteld naar aanleiding van de aanhouding en de inhechtenisneming van, het onderzoek met betrekking tot en de overlevering van opgeëiste personen krachtens de bepalingen van dit Verdrag, niet op de verzoekende Staat verhalen.

Artikel 20. Werkingssfeer

Dit Verdrag is van toepassing op de in artikel 2 bedoelde feiten, ongeacht of deze vóór dan wel na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn gepleegd.

Artikel 21. Bekrachtiging en inwerkingtreding

  • 1 Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd; de akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk te Washington uitgewisseld.

  • 2 Dit Verdrag treedt in werking 30 dagen na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.

  • 3 Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag vervallen de Overeenkomst tot regeling der wederkerige uitlevering van misdadigers van 2 juni 1887 en de Overeenkomst tot uitbreiding van die Overeenkomst van 18 januari 1904, tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden, met dien verstande dat alle uitleveringsprocedures die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Verdrag in de aangezochte Staat aanhangig zijn ook daarna hun geldigheid behouden.

  • 4 Indien de akte van bekrachtiging voor het Koninkrijk der Nederlanden niet voorziet in gelijktijdige inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag voor beide samenstellende delen van het Koninkrijk, blijven de in het derde lid van dit artikel genoemde Overeenkomsten van kracht tussen de Verenigde Staten van Amerika en het deel van het Koninkrijk der Nederlanden, dat nog niet aan het onderhavige Verdrag is gebonden.

Artikel 22. Grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk in Europa en op de Nederlandse Antillen, tenzij de akte van bekrachtiging van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, bedoeld in artikel 21, anders bepaalt.

Artikel 23. Opzegging

  • 1 Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door daarvan aan de andere Partij kennis te geven, en de beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.

  • 2 De beëindiging van dit Verdrag door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan worden beperkt tot één van de samenstellende delen van het Koninkrijk.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 in twee exemplaren, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijn beide teksten gelijkelijk authentiek.

Bijlage Lijst van strafbare feiten

  • 1. Moord; aanslag met het oogmerk tot het plegen van moord.

  • 2. Doodslag.

  • 3. Opzettelijke verwonding; het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

  • 4. Opzettelijke brandstichting.

  • 5. Verkrachting; aanranding van de eerbaarheid; incest; dubbel huwelijk.

  • 6. Onwettige seksuele handelingen met of met betrekking tot kinderen onder de leeftijd als is bepaald in de wetgeving van zowel de verzoekende als de aangezochte Staat.

  • 7. Opzettelijke verlating van een minderjarige of andere afhankelijke persoon, wanneer daardoor het leven van die minderjarige of andere afhankelijke persoon schade wordt toegebracht of naar alle waarschijnlijkheid zal worden toegebracht, dan wel dat leven in gevaar wordt gebracht of naar alle waarschijnlijkheid zal worden gebracht.

  • 8. Wederrechtelijke vrijheidsberoving; schaking; ongerechtvaardigde opsluiting.

  • 9. Roof; inbraak; diefstal; verduistering.

  • 10. Bedrog, waaronder begrepen het verkrijgen van goederen, geld of waardepapieren door middel van valse voorspiegelingen, misleiding, leugens of andere bedrieglijke middelen.

  • 11. Omkoperij, waaronder begrepen het vragen van een gift of belofte, het doen van een aanbod en het aanvaarden van een aanbod.

  • 12. Afpersing.

  • 13. Het in ontvangst nemen, bezitten of vervoeren van een zaak van waarde in de wetenschap dat deze door misdrijf is verkregen (heling).

  • 14. Feiten met betrekking tot strafbaar gesteld misbruik van vertrouwen.

  • 15. Strafbare feiten met betrekking tot valse munterij en valsheid in geschrifte; daarbij inbegrepen vervalsing van zegels, handelsmerken, officiële stukken, dan wel het gebruik van zodanige vervalsingen.

  • 16. Strafbare feiten met betrekking tot het internationale verkeer van betaalmiddelen.

  • 17. Strafbare feiten met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van goederen, artikelen of handelswaren, waaronder begrepen overtreding van de douanewetten.

  • 18. Strafbare feiten met betrekking tot slavernij of mensenroof.

  • 19. Strafbare feiten met betrekking tot het faillissement.

  • 20. Strafbare feiten met betrekking tot het verbod van privaatrechtelijke monopolies of oneerlijke handelspraktijken.

  • 21. Meineed; het aanzetten tot meineed; het afleggen van een valse verklaring ten overstaan van een overheidsinstelling of -functionaris.

  • 22. Strafbare feiten met betrekking tot het opzettelijk ontduiken van belastingen en accijnzen.

  • 23. Ieder handelen of nalaten waarvan te duchten is dat daardoor

    • a. de veiligheid van een luchtvaartuig dat zich in de lucht bevindt of van personen aan boord van een zodanig luchtvaartuig in gevaar wordt gebracht; of

    • b. een luchtvaartuig wordt vernietigd of onklaar gemaakt.

  • 24. Iedere onwettige overmeestering of het op onrechtmatige wijze onder zijn macht brengen van een luchtvaartuig dat zich in de lucht bevindt, door middel van dwang of geweld, bedreiging met dwang of geweld dan wel enige andere vorm van vreesaanjaging.

  • 25. Ieder onwettig handelen of nalaten met de bedoeling of waarvan is te duchten dat daardoor de veiligheid van personen in een trein, een vaartuig of enig ander vervoermiddel in gevaar wordt gebracht.

  • 26. Zeeroof, muiterij of insubordinatie aan boord van een vaartuig.

  • 27. Het opzettelijk toebrengen van schade aan goederen.

  • 28. Strafbare feiten met betrekking tot de handel in, het bezit van of de produktie of vervaardiging van verdovende middelen, cannabis, psychotrope stoffen, cocaïne en de derivaten daarvan, en andere gevaarlijke middelen en chemicaliën.

  • 29. Strafbare feiten met betrekking tot giftige chemicaliën of stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid.

  • 30. Strafbare feiten met betrekking tot vuurwapens, munitie, explosieven, brandverwekkende apparaten of nucleaire stoffen.

  • 31. Strafbare feiten met betrekking tot misbruik van ambtelijk gezag en ambtelijke bevoegdheden.

  • 32. Strafbare feiten met betrekking tot het belemmeren van de loop van het recht.

  • 33. Strafbare feiten met betrekking tot effecten en handelswaren.

  • 34. Het vergemakkelijken of het mogelijk maken dat een persoon uit detentie ontvlucht.

  • 35. Opruiing tot geweldpleging.

  • 36. Iedere andere gedraging waarvoor uitlevering kan worden toegestaan overeenkomstig de wetten van beide Verdragsluitende Partijen.