Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022[Regeling vervalt per 01-01-2023.]

Geldend van 13-06-2018 t/m heden

Besluit van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 juni 2018, Min-BuZa.2018.1204-22, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022)

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van mensenrechten en private sectorontwikkeling die strekken tot het tegengaan van kinderarbeid gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2022 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1 Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 worden ingediend in meerdere openstellingen.

  • 2 Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 worden ingediend vanaf 23 juli 2018 tot en met 3 december 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd.

  • 3 Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 worden ingediend vanaf 4 februari 2019 tot en met 2 december 2019, 15.00 uur Nederlandse tijd.

  • 4 Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.

  • 5 Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

  • 1 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 geldt voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 3 februari 2019 voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, een subsidieplafond van € 5,5 miljoen.

  • 2 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 geldt voor de periode van 4 februari 2019 tot en met 31 december 2019 voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, een subsidieplafond van € 5,5 miljoen.

  • 3 Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het daar bedoelde subsidieplafond resteert, is dit beschikbaar voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid.

  • 4 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, vierde lid, gelden nader bekend te maken subsidieplafonds.

Artikel 4

De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Indien het subsidieplafond op enige dag dreigt te worden overschreden, bepaalt de minister de volgorde van behandeling van deze aanvragen door middel van loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze,

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Bijlage

1. Achtergrond

Algemeen

Nederland is al heel lang betrokken bij het internationaal beschermen van de mensenrechten en dan in het bijzonder het tegengaan en voorkomen van kinderarbeid. Nederland spant zich al jaren in voor normstelling op het gebied van kinderarbeid in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Nederland organiseerde in 1997 de eerste mondiale anti-kinderarbeid conferentie, die leidde tot de breed omarmde ILO-conventie nr. 182 over uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Deze conventie vormt samen met de ILO-conventie 138 over de minimumleeftijd voor arbeid nog steeds het normatieve kader tegen kinderarbeid. Nederland blijft zich inspannen voor verdere ratificatie en vooral betere naleving van deze verdragen. Een belangrijk moment hiervoor was de tweede mondiale anti-kinderarbeid conferentie in 2010 in Den Haag. Tijdens die conferentie werd een ‘Roadmap’ aangenomen die ervoor moest zorgen dat de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 zouden zijn uitgebannen.2 Er zijn wereldwijd nog steeds 152 miljoen kinderen aan het werk. In de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is daarom afgesproken om kinderarbeid uiterlijk in 2025 uit te bannen. Op het vierde mondiale congres tegen kinderarbeid in Buenos Aires in 2017 heeft het kabinet de Nederlandse aanpak toegelicht, waaronder het subsidieprogramma tegen kinderarbeid.

Wat is kinderarbeid?

Het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid 2018–2022 (hierna te noemen subsidieprogramma 2018–2022) hanteert de definitie van kinderarbeid van de International Labour Organisation (ILO).3 Van kinderarbeid is onder andere sprake wanneer kinderen te jong zijn om te werken, het werk te zwaar is, onderwijs wordt onthouden of het ronduit gevaarlijk werk is dat hun lichamelijke en/of geestelijke gezondheid bedreigt. Niet alleen de toekomst van kinderen zelf wordt hiermee bedreigd, ook de ontwikkeling van de maatschappij waarin ze leven wordt gehinderd door bijvoorbeeld slecht geschoolde volwassenen. Kinderarbeid is niet alleen een gevolg van armoede, het veroorzaakt juist ook armoede. Kinderarbeid vindt met name plaats in opkomende markten en ontwikkelingslanden waar overheden tekortschieten in het beschermen van mensenrechten en waarin ondernemingen hooguit een deel van de oplossing van een probleem kunnen bieden.

Rol van ondernemingen

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna te noemen de minister) verwacht van Nederlandse ondernemingen dat zij de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen4 naleven. Dit houdt in dat ondernemingen geen mensenrechtenschendingen als kinderarbeid mogen veroorzaken door hun eigen activiteiten en besluiten en er niet aan bij mogen dragen via hun zakelijke relaties. Maar ook wanneer er kinderarbeid in de internationale keten voorkomt zonder dat de Nederlandse onderneming het direct veroorzaakt of eraan bijdraagt via directe zakelijke relaties, wordt van ondernemingen verwacht dat ze manieren zoeken om mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid in de keten te voorkómen en de effecten te mitigeren.5 6 7 8. Het voorgaande wordt geïllustreerd in figuur 1.

Bijlage 260247.png
Figuur 1 (Bron: ILO-IOE Child Labour Guidance,2015)

Eerste subsidieprogramma

De minister heeft door middel van het eerste subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid9 in 2016 naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer, middelen ter beschikking gesteld om ‘multi stakeholder’ initiatieven te stimuleren die kinderarbeid tegengaan. Een aantal ondernemingen is vervolgens samenwerking gaan zoeken met andere ondernemingen in dezelfde sector en/of via iMVO-convenanten, met non-gouvernementele organisaties (NGO’s) en andere partners. Informatie over deze projecten is te vinden via de website van RVO.10

Tweede subsidieprogramma

De Tweede Kamer heeft door het aannemen van de motie Van Laar en Voordewind in december 2016 verzocht € 10 miljoen per jaar te besteden aan een fonds om organisaties en ondernemingen te helpen kinderarbeid te bestrijden.11 Naar aanleiding hiervan heeft de minister besloten € 7 miljoen per jaar vrij te maken voor de uitvoering en inzet van het subsidie-instrument en kennisvermeerdering over de bestrijding van kinderarbeid. De overige € 3 miljoen wordt ingezet voor andere initiatieven gericht op de bestrijding van kinderarbeid.

Met het subsidieprogramma 2018–2022 kan ook de uitvoering van bestaande en in ontwikkeling zijnde convenanten op het terrein van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) worden gefaciliteerd. Convenantspartijen kunnen immers ook een subsidieaanvraag indienen ten behoeve van implementatie van het desbetreffende convenant, mits de betreffende activiteiten niet al gesubsidieerd worden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma 2018–2022 opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma 2018–2022 uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

3. Begrippen

In het subsidieprogramma 2018–2022 wordt verstaan onder:

  • Kinderarbeid: de definitie zoals gehanteerd door de International Labour Organization.12

  • Lokale onderneming: onderneming in het land waar de activiteiten worden uitgevoerd.

  • Minister: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • MKB-onderneming: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.13

  • Niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de NGO statutair gevestigd is; deze partij is ook als zodanig geregistreerd.

  • Onderneming: een rechtspersoon, niet zijnde NGO, die economische activiteiten uitvoert, ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Ook entiteiten die economische activiteiten uitvoeren op ‘not for profit en not for loss’ basis kunnen kwalificeren als onderneming.

  • Overheid: geheel van centrale en decentrale overheidspartijen (Rijk, provincie, gemeente, of lokale variant daarop). Ook semi-overheidspartijen kunnen als ‘overheid’ deelnemen aan een samenwerkingsverband; het gaat daarbij om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen en 100% gefinancierd worden uit publieke middelen.

  • Penvoerder: de partner in een samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Samenwerkingsverband: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen rechtspersoonlijkheid gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt.

4. Subsidieprogramma 2018–2022

4.1. Doel

Het subsidieprogramma 2018–2022 heeft tot doel bij te dragen aan het uitbannen van alle kinderarbeid (volgens de ILO-norm) voor 2025. Dit is het einddoel waar Nederland zich aan heeft verbonden op basis van target 8.7 van de ‘Sustainable Development Goals’.14 Met het oog daarop worden de volgende subdoelen nagestreefd:

  • a. Het Nederlandse bedrijfsleven neemt verantwoordelijkheid voor het uitbannen van kinderarbeid.

    Vooralsnog worden veel initiatieven met name door NGO’s uitgevoerd en nog minder door het bedrijfsleven zelf. Het subsidieprogramma 2018–2022 beoogt een veel actievere rol van het bedrijfsleven en wil voorkomen dat ondernemingen zich terug (moeten) trekken uit de keten wanneer problemen worden geconstateerd. Ondernemingen zullen meer inzicht verkrijgen in hun positie in de keten, welke mogelijkheden en eventueel verplichtingen zij hebben bij het aanpakken van kinderarbeid in hun keten, verder dan hun eerste ‘schakel’, alsmede inzicht in de mogelijke economische gevolgen voor hun bedrijfsvoering en businesscase die moeten worden gemitigeerd. Doordat het subsidieprogramma ook zal bijdragen aan het verspreiden van kennis en mogelijke handelingsperspectieven voor ondernemingen, zullen (andere) ondernemingen eerder weten wat ze kunnen doen. Dit zal er tevens toe moeten leiden dat het nog altijd heersende taboe op kinderarbeid wordt doorbroken.

  • b. Kinderarbeid wordt op duurzame wijze aangepakt op basis van relevante oorzaken en oplossingen en met de juiste samenwerkingspartners.

    Maatregelen tegen kinderarbeid zijn veelal nodig in de onderneming zelf, in de samenwerking tussen ondernemingen en andere stakeholders en op de geografische locaties waar kinderarbeid plaatsvindt. Lokale projecten tegen kinderarbeid moeten ‘maatwerk’ zijn, gebaseerd op de lokale oorzaken van kinderarbeid, inclusief de gevolgen van genderverschillen. Arbeid verschilt nog weleens voor jongens en meisjes en ook de oplossingen kunnen per sekse verschillen. Verder kunnen bij de projecten NGO’s en ondernemingen leren ‘elkaars taal’ te begrijpen en op basis van ieders sterkte leren samenwerken. Tevens kunnen ondernemingen ‘in eigen huis’ weerstand aanpakken en bedrijfsmatige oplossingen onderzoeken en uitvoeren. Dit laatste is onderdeel van wat ‘due diligence’ wordt genoemd.

  • c. Nederlandse ondernemingen voeren ‘due diligence’ uit in hun andere toeleveringsketens en op andere risico’s en leren dit proces te herhalen.

    Due diligence is een doorlopend proces dat bedrijven helpt risico’s op het gebied van arbeids- en mensenrechten en duurzaamheid in de eigen organisatie en de bijbehorende productieketen in kaart te brengen en die vervolgens te voorkomen, verminderen, dan wel de gevolgen te herstellen en/of compenseren. Kinderarbeid heeft als onderscheid ten opzichte van sommige andere mensenrechtenissues dat er grote overeenstemming is dat dit niet zou mogen voortbestaan. Kinderarbeid is tegelijkertijd zo nauw verweven met andere risico’s, dat de aanpak ervan als een hefboom of een ingang kan werken om ook gerelateerde issues aan te pakken (bijvoorbeeld leefbaar loon of vrijheid van vakvereniging).

4.2. Doelgroep

Met het subsidieprogramma 2018–2022 wil de minister Nederlandse ondernemingen en hun partners ondersteunen om kinderarbeid op een duurzame wijze te bestrijden.

Geen enkele onderneming wil kinderarbeid in zijn productieketens. In de praktijk weten ondernemingen echter weinig van de problematiek in hun eigen keten verder dan de eerste schakel. Bovendien is de aanpak van kinderarbeid meestal niet eenvoudig. Er heerst nog altijd een taboe op het onderwerp, projecten kunnen langdurig en ingewikkeld van aard zijn en intern is de bedrijfsvoering nog niet altijd in lijn met de aanpak van kinderarbeid. Ook kunnen er weerstanden in de onderneming zijn, zowel door de (afbreuk)risico’s als de investeringen die nodig zijn.

4.3. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie

Subsidies in het kader van het subsidieprogramma 2018–2022 zijn bedoeld voor samenwerkingsverbanden, namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.

Een samenwerkingsverband bestaat in elk geval uit de volgende partners:

  • één Nederlandse onderneming,

  • één NGO,

  • één lokale onderneming, tenzij dit op het moment van de aanvraag nog niet mogelijk is. Dan moet bij de aanvraag worden aangegeven hoe een lokale onderneming betrokken zal worden bij het project.

Met ‘Nederlands’ wordt bedoeld ‘de beschikking hebbend over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht en statutaire zetel in Nederland’.

Er dient een evenwichtige verhouding te bestaan tussen het aantal ondernemingen en het aantal NGO’s die deel uitmaken van het samenwerkingsverband. Alle partners moeten noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstelling van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Een lokale NGO kan deel uitmaken van het samenwerkingsverband, maar kan ook anderszins worden betrokken bij de uitvoering van het project.

De in het samenwerkingsverband participerende ondernemingen:

  • maken deel uit van dezelfde keten; dat betekent dat bijvoorbeeld ondernemingen die in hoofdzaak adviesdiensten verrichten geen deel uit kunnen maken van een samenwerkingsverband;

  • voeren substantiële activiteiten uit in Nederland, voor zover het gaat om een Nederlandse onderneming;

  • hebben een vermoeden van het aanwezig zijn van kinderarbeid in hun productieketen;

  • zijn geen postbusonderneming.15

De rol van penvoerder wordt vervuld door:

  • een Nederlandse onderneming, of

  • een onderneming met een statutaire zetel in het buitenland en een vestiging in Nederland met een inschrijving in het Nederlandse Handelsregister, of

  • een Nederlandse NGO.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de penvoerder aantonen dat hij en zijn partners zich inspannen om ernstige (seksuele) misdragingen en andere ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft te voorkomen, in voorkomend geval zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en om de gevolgen daarvan te mitigeren.

4.4. Oriëntatiefase

Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor subsidie kan er altijd een vrijblijvend gesprek tussen RVO en een potentiële subsidieaanvrager plaatsvinden. In een vertrouwelijke omgeving kan informatie worden uitgewisseld, ook over de risico’s in de keten.

Als een penvoerder over wil gaan tot concrete planvorming en overweegt namens een samenwerkingsverband een aanvraag voor subsidie in te gaan dienen, dan zal er een verplicht adviestraject plaatsvinden aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Er wordt door RVO een beoordeling van risico’s in de commerciële keten en in de eigen organisatie van de ondernemingen uitgevoerd. De potentiële subsidieaanvrager ontvangt advies van een RVO adviseur en (eventueel) een kinderarbeid expert. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/fbk.

Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO adviseur aan de potentiële subsidieaanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de potentiële aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen.

Aangezien met de verwerking van een verzoek om een ‘quick scan’ een tweetal weken is gemoeid, kan RVO niet tijdig reageren op verzoeken die twee weken of korter voor de sluiting van een aanvraagtermijn worden gedaan.

4.5. Subsidiabele activiteiten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma 2018–2022 moeten de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd gericht zijn op de bestrijding van kinderarbeid in één of meer landen vermeld in de door het Development Assistance Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistance.16 Tevens dienen zij gericht te zijn op of verbonden te zijn met de activiteiten van de in het samenwerkingsverband participerende ondernemingen.

Er kan subsidie worden aangevraagd voor de combinatie van een project A en B of alleen voor een project B. Hierbij wordt verstaan onder:

  • Project A – lokaal impact onderzoek.

  • Project B – activiteiten op locatie in samenhang met ‘due diligence’ maatregelen in de eigen onderneming(en)’.

Project A, lokaal impactonderzoek, is een verdiepend onderzoek op locatie en in de onderneming(en) als logisch vervolg van een uitgevoerde risicoanalyse. Het onderzoek is inclusief stakeholderanalyse, lokaal veldonderzoek en analyse grondoorzaken kinderarbeid.

Een project A wordt afgesloten met een plan van aanpak voor een project B inclusief een monitoring- en effectmetingplan met een verandertheorie (‘theory of change’). Mocht de aanvraag voor een project A en project B worden gehonoreerd, dan geldt dat pas als RVO dit plan van aanpak goedkeurt, de begrote kosten voor de activiteiten voor project B subsidiabel worden.

Een project B, activiteiten op locatie in samenhang met ‘due diligence’ maatregelen binnen de eigen onderneming(en), moet leiden tot structurele inbedding van de aanpak tegen kinderarbeid lokaal en van due diligence in de onderneming(en).

Wanneer een aanvraag alleen voor een project B wordt gedaan, moeten daarbij de uitkomsten van een risicoanalyse en een lokaal onderzoek worden meegestuurd. Dit geldt zowel voor het de activiteiten op locatie (het ‘lokale project’) als voor de voorgestelde aanpak binnen de eigen organisatie(s) (‘due diligence’ maatregelen). Ook hoort bij de aanvraag dan een monitoring- en effectmetingplan inclusief een ‘theory of change’.

Aan het einde van een project B dient er een beschrijving te zijn waaruit blijkt hoe de onderneming(en) de aanpak van kinderarbeid structureel hebben ingebed in hun bedrijfsvoering en hoe de aanpak lokaal wordt geborgd. Hierbij wordt eveneens beschreven: het vervolg na afloop van de projectperiode voor wat betreft de financiering, betrokkenheid stakeholders, te mitigeren risico’s en aanpak van ‘grondoorzaken’. Dit geldt overigens uiteraard ook voor gevallen waarin een project A met een project B wordt gecombineerd.

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Bijlage 260248.png
Figuur 2

4.6. Duur activiteiten

De activiteiten in het kader van het subsidieprogramma 2018–2022 moeten in maximaal 4 jaar worden uitgevoerd, waarbij geldt dat de uitvoering uiterlijk 12 maanden na indiening van de aanvraag van start moet gaan.

4.7. Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per aanvraag maximaal 70% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 475.000.

De eigen bijdrage aan het project van de partners van het samenwerkingsverband wordt gefinancierd met middelen die niet verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

5. Subsidiabele kosten

5.1. Uitgangspunten

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten die niet direct zijn gerelateerd aan de uitvoering van de activiteiten wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten gemaakt voor indiening van de aanvraag wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten voor projectmanagement, zijnde enkel de coördinatie van de uitvoering van de activiteiten, geldt een maximum van 10% van het totaal aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • voor de inhuur van externe medewerkers, bijvoorbeeld ZZP-ers, wordt een maximum uurtarief van € 87,50 gehanteerd;

  • de interne kosten (eigen uren en, in geval van hardware, de kostprijs) van de penvoerder en zijn partners worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst.

5.2. Subsidiabele kosten

  • a. De subsidiabele kosten betreffen loonkosten, welke worden berekend als volgt: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de penvoerder en/of partners ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. In afwijking op dit vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de penvoerder en/of partners in landen buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.

  • b. Deze kosten kunnen in ieder geval worden vermeerderd met:

    • De kosten van het gebruik van hardware, gebouwen en/of software. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:

      • Hardware (machines, installaties): vijf jaar

      • Gebouwen (indien gericht op activiteiten voor bijeenkomsten, kennisoverdracht en/of scholing: 30 jaar

      • Software: drie jaar

      De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs van het product, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten.

    • Reiskosten: internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class.

    • Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA-lijsten) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, geldend op de startdatum van de activiteiten: Bijlage I behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Reisregeling buitenland.17

  • c. In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag.

5.3. Niet-subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • financieringskosten en rentevergoedingen;

  • omzetbelasting;

  • kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • kosten gerelateerd aan promotionele of verkoopactiviteiten of promotiemateriaal;

  • algemene vertaalkosten;

  • kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom.

6. Aanvraag

6.1. Vereisten

Voordat een penvoerder een aanvraag voor subsidie in het kader van het subsidieprogramma 2018–2022 doet, dient hij een advies van RVO te hebben verkregen zoals beschreven in paragraaf 4.4 (advies naar aanleiding van ‘quick scan’).

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/fbk beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.

De aanvraag bevat in ieder geval:

  • Referentienummer van het ontvangen RVO-advies;

  • Partnerformulieren;

  • Projectplan:

    • a. voor een combinatie project A en B of

    • b. voor een project B dat tevens de uitkomst van lokaal impactonderzoek omvat

  • Beschrijving uitkomsten risicoanalyse;

  • Begroting waarbij ook de financiering van het eigen aandeel (per partner) inzichtelijk wordt gemaakt;

  • Een formeel vastgelegd MVO-beleid van de Nederlandse onderneming(en);

  • Ondertekende samenwerkingsovereenkomst die de medewerking van de partners aan de uitvoering van de activiteiten en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen;

  • een monitoring- en effectmetingplan inclusief een verandertheorie (‘theory of change’) indien de aanvraag alleen een project B betreft.

Tevens moeten de penvoerder en de partners verklaren dat zij op de hoogte zijn en zullen handelen naar de OESO richtlijnen (www.oesorichtlijnen.nl) en dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet op de FMO Uitsluitingslijst, onderdelen 02 tot en met 08 (www.fmo.nl/exclusion-list) staan.

6.2. Herstelperiode

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen

7.1. Beoordeling

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de hiervoor, in het bijzonder in paragraaf 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen, worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de hierna volgende criteria, waaraan eveneens (in voldoende mate) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Bij de beoordeling van aanvragen op grond van de criteria wordt gewerkt met een systeem van puntentoekenning. De volgende criteria zijn van toepassing:

Voor project combinatie A en B en project B:
  • a. De doelstelling is het duurzaam bestrijden en voorkomen van kinderarbeid.

  • b. Het projectbudget staat in redelijke verhouding tot de beschreven aard, omvang en resultaten.

  • c. Er bestaat een voor het project logische verhouding tussen de omvang van de eigen bijdrage aan het project per partner en de verdeling van het gevraagde subsidiebedrag over de partners.

  • d. De projectresultaten worden zo breed mogelijk gedeeld (disseminatie) en dragen daarmee bij aan het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid op locatie, in de sector en in het algemeen.

Voor project A in bijzonder:
  • e. De informatie over de risico’s in de keten voldoet minimaal aan de volgende vereisten:

    • Er is bepaald waar in de ketens (landen, regio’s, toeleveranciers, sectoren) de hoogste risico’s zijn op kinderarbeid. Op basis daarvan zijn prioriteiten gesteld waar de kinderarbeid het best aangepakt kan worden, rekening houdend met de kans op voorkomen en de ernst ervan, reeds lopende initiatieven en de invloed die de onderneming kan uitoefenen op de situatie

    • Er zicht op de kansen die het aanpakken van kinderarbeid biedt voor de ondernemingen of hun toeleveranciers, maar ook welke weerstanden er kunnen zijn tegen het aanpakken en mogelijke oorzaken van deze weerstanden.

    • De analyse van risico’s in de keten is gebaseerd op onderzoek door experts met bewezen expertise op vlak van kinderarbeid, maar er zijn ook lokale stakeholders bij betrokken.

  • f. Het lokale veldonderzoek richt zich in voldoende mate op:

    • Identificatie van kinderarbeid en de onderliggende oorzaken (bijvoorbeeld leefbaar loon, genderverschillen, dwangarbeid, collectieve onderhandelingen, gebrek aan toegang tot onderwijs, gebrek aan bewustzijn van schade aan kinderen, cultuur en traditie enz.) in de lokale context.

    • Stakeholder ‘mapping’ en consultatie: het identificeren van externe stakeholders en relevante experts op lokaal niveau (zoals leveranciers, deskundigen op het gebied van kinderarbeid en lokale NGO's, ouders, scholen, leerkrachten, lokale overheden, vakbonden) en deze betrekken bij het doen van lokaal onderzoek en bij projectuitvoering.

    • Bedrijfsverbinding: het bepalen van de bijdrage die de penvoerder en/of zijn partners leveren aan de mogelijke onderliggende oorzaken van kinderarbeid (veroorzakend, bijdragend of ‘gelinked’, zie Figuur 1). Hierbij in ieder geval rekening houdend met weerstand tot verandering, genderbeleid, prijsbepalingsmechanismen, inkooppraktijken, salarisniveaus, kwaliteitscriteria en levertijd.

Voor project B in het bijzonder:
  • g. De relevantie van het plan van aanpak om lokaal kinderarbeid aan te pakken.

  • h. De relevantie van het plan om effectieve maatregelen in de onderneming in te voeren en weerstanden te overwinnen.

  • i. Er wordt in voldoende mate rekening gehouden met de contextfactoren zoals die naar voren komen uit de risicoanalyse en het lokale impactonderzoek. Dat laatste is al dan niet uitgevoerd in het kader van project A.

  • j. Er wordt in voldoende mate rekening gehouden met genderverschillen.

  • k. De gehanteerde Monitoring & Effectmeting systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, ‘outputs’, ‘outcomes’ en onderliggende assumpties.

  • l. Er is in het project voldoende aandacht voor risico’s op het gebied van iMVO en er is sprake van adequate mitigerende maatregelen die deze risico’s moeten ondervangen.

  • m. De mate waarin de activiteiten gericht op het voortzetten van de bestrijding van de kinderarbeid lokaal en binnen de onderneming (‘due diligence’) na de projectperiode zijn beschreven.

  • n. De beschrijving van het vervolg na afloop van de projectperiode, voor wat betreft de financiering, betrokkenheid stakeholders, te mitigeren risico’s, aanpak ‘grondoorzaken’, is aannemelijk.

RVO kan bij de beoordeling extern advies inwinnen.

7.2. Verdeling beschikbare middelen

Voor zowel de eerste als tweede openstelling van het subsidieprogramma 2018–2022 is steeds € 5,5 miljoen beschikbaar. Voor volgende openstellingen zal waarschijnlijk ook € 5,5 miljoen beschikbaar zijn. De middelen worden verdeeld door behandeling van de aanvragen in volgorde van binnenkomst. Mochten op één dag binnengekomen aanvragen in geval van honorering de voor de betreffende openstelling beschikbare middelen overtreffen, dan wordt de volgorde van behandeling bepaald door middel van loting.

8. Afwijzingsgronden

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in het subsidieprogramma 2018–2022 of indien het beschikbare budget ontoereikend is.

9. Toezicht

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

10. Verplichtingen

In de subsidieverleningsbeschikking zal aan de subsidieverlening een aantal verplichtingen worden verbonden. Deze zullen in elk geval betrekking hebben op het volgende. Ten eerste de zogenaamde meldplicht: de subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren, ten tweede: de verplichting dat meegewerkt zal moeten worden aan een ‘self assesment’, gemeenschappelijk kennis- en leertraject en monitoring en effectmeting van RVO aangaande de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt.

11. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,04% bedraagt.

  • ^ [1]

    www.rvo.nl/fbk

  • ^ [2]

    http://www.ilo.org/ipecinfo/product/download.do?type=document&id=13453.

  • ^ [3]

    De ILO-definiëring wordt gebruikt, http://www.ilo.org/ipec/facts/ILOconventionsonchildlabour/lang--en/index.htm en http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ILO_CODE:C138.

  • ^ [4]

    http://www.oesorichtlijnen.nl.

  • ^ [5]

    OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikelen 11 en 12.

  • ^ [6]

    OESO-richtlijnen – V. Werkgelegenheid en arbeidsverhoudingen.

  • ^ [7]

    Beleidsbrief ‘Respect en Recht voor ieder mens’, Kamerstukken II 2012–2013, 32 735, nr. 78.

  • ^ [8]

    OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikelen 11 en 12.

  • ^ [9]

    Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 november 2016, MINBUZA–2016.732089, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid), Stcrt. 2016, nr. 60276.

  • ^ [10]

    https://aiddata.rvo.nl/programmes/NL-KVK-27378529-29557/?tab=summary.

  • ^ [11]

    Kamerstukken II 2016/17, 34 550 XVII, nr. 26, Handelingen II 2016/17, nr. 22, item 15.

  • ^ [12]

    http://www.ilo.org/ipec/facts/lang--en/index.htm

  • ^ [13]

    Pb. 2003, L 124

  • ^ [14]

    www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2015/09/28/duurzame-ontwikkelingsdoelen–2030-luiden-nieuwe-fase-in

  • ^ [15]

    Onderneming met alleen een postadres in Nederland die zijn activiteiten (hoofdzakelijk) buiten Nederland uitvoert.

  • ^ [16]

    http://www.oecd.org/dac/stats/daclist.htm

  • ^ [17]

    Reisregeling Buitenland, http://wetten.overheid.nl/BWBR0006914