Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek[Regeling vervalt per 01-04-2023.]

Geldend van 25-07-2018 t/m heden

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 1 februari 2018, nr. WJZ/17203973, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de instituten voor toegepast onderzoek (Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies en artikel 3, derde lid, van de Wet van 31 mei 1937, houdende de omzetting van de Rijksstudiedienst voor de luchtvaart in een stichting (Stb. 1937, 523);

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bedrijfsgeheim: informatie die:

    • a. in haar geheel of vanwege de specifieke samenstelling en ordening van haar bestanddelen niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,

    • b. handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en

    • c. door de persoon die rechtmatig beschikt over deze informatie, onderworpen is aan maatregelen om deze informatie geheim te houden;

  • daadwerkelijke samenwerking: daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in randnummer 15, onderdeel h, van de O&O&I-kaderregeling;

  • experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in randnummer 15, onderdeel j, van de O&O&I-kaderregeling;

  • financiële onderneming: financiële onderneming als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het financieel toezicht;

  • fundamenteel onderzoek: fundamenteel onderzoek als bedoeld in randnummer 15, onderdeel m, van de O&O&I-kaderregeling;

  • industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in randnummer 15, onderdeel q, van de O&O&I-kaderregeling;

  • infrastructuursubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt als bijdrage voor onderzoeksinfrastructuur, in eigendom en beheer van het instituut, voor zover er sprake is van investeringen in:

    • a. nieuwe onderzoeksinfrastructuur, of

    • b. uitbreiding van bestaande onderzoeksinfrastructuur, voor zover er geen sprake is van vervangingsinvesteringen als bedoeld in de definitie van instituutssubsidie, onderdeel b;

  • instituut: door de minister als zodanig aangewezen instituut voor toegepast onderzoek dat voldoet aan de vereisten die gelden voor een onderzoeksorganisatie als bedoeld in randnummer 15, onderdeel ee, van de O&O&I-kaderregeling, met als primaire activiteiten de activiteiten, bedoeld in randnummer 19 van de O&O&I-kaderregeling;

  • instituutssubsidie: geldmiddelen die de minister beschikbaar stelt ter ondersteuning van het doel, bedoeld in artikel 5, eerste lid:

    • a. voor het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,

    • b. als bijdrage voor vervangingsinvesteringen in en de exploitatie en het onderhoud van onderzoeksinfrastructuur in eigendom en beheer van het instituut,

    • c. voor het breed verspreiden van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a, door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, of

    • d. als bijdrage voor overige exploitatie- en investeringskosten, voor zover deze onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van het instituut, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de activiteiten, bedoeld in randnummer 19 van de O&O&I-kaderregeling en voor zover er geen sprake is van investeringen als bedoeld in de definitie van infrastructuursubsidie;

  • kostendrager: een product of een in economisch opzicht homogene groep van producten, die als voorwerp van calculatie wordt gekozen;

  • kredietwaardigheidsoordeel: rating als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening 1060/2009;

  • kredietbeoordelingsbureau: een in de Europese Unie geregistreerd ratingbureau overeenkomstig Verordening 1060/2009;

  • minister:

    • a. Minister van Economische Zaken en Klimaat, of

    • b. Minister van Landbouw, Natuur, en Voedselkwaliteit, in overleg met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, indien het subsidie betreft die aan een instituut wordt verleend ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • onderzoeksinfrastructuur: onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in randnummer 15, onderdeel ff, van de O&O&I-kaderregeling;

  • onderzoeksprogramma: programma dat bestaat uit een samenstel van activiteiten gericht op het realiseren van een of meer onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen;

  • O&O&I-kaderregeling: Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014, C 198);

  • programmasubsidie: geldmiddelen die de minister ter beschikking stelt voor de uitvoering van:

    • a. onderzoeksprogramma’s, of

    • b. programma’s voor wettelijke onderzoekstaken;

  • rentecap: derivaat tussen twee partijen inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;

  • renteswap: derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen vastgestelde periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen;

  • valutaoptie: derivaat tussen twee partijen waarbij sprake is van een eenzijdige verplichting van de ene contractpartij en daartegenover een eenzijdig recht van de andere contractpartij waarbij de laatstgenoemde tegen een vastgestelde valutakoers een valutatransactie mag afsluiten;

  • valutatermijncontract: derivaat tussen twee partijen, waarbij zij een wederzijdse verplichting aangaan om op enig tijdstip in de toekomst een vooraf bepaald bedrag in een valuta te ruilen tegen een vooraf bepaald bedrag in een andere valuta;

  • Verordening 1060/2009: Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU 2009, L 302);

  • Verordening 1388/2014: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 369);

  • Verordening 651/2014: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • Verordening 702/2014: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193);

  • wettelijke onderzoekstaak: niet economische dienst van algemeen belang in de vorm van onderzoek, advisering of inzet van onderzoeksfaciliteiten, onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van taken, met inbegrip van de uitoefening van openbaar gezag, door de minister of andere ministers die het aangaat of instellingen of organen van de Europese Unie, opgenomen in bijlage 1 en ingericht en gefinancierd overeenkomstig de aanwijzingen en vergoedingen die door de minister worden vastgesteld overeenkomstig deze regeling.

Artikel 3

  • 1 Het instituut legt eenmaal per vier jaren een strategisch plan ter goedkeuring voor aan de minister.

  • 2 De minister richt zich bij de beoordeling en goedkeuring van dit plan op de publieke taken van het instituut, de voorgenomen besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking en de economische activiteiten voor zover die van directe invloed zijn op de publieke taken.

  • 3 Een strategisch plan wordt uiterlijk ingediend op 31 maart van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft.

  • 4 In het strategisch plan beschrijft het instituut in elk geval:

    • a. de mate waarin de doelstellingen van het strategisch plan uit de vorige periode zijn behaald;

    • b. de publieke taken van het instituut en de wijze waarop deze worden uitgevoerd;

    • c. de besteding van publieke gelden voor kennisontwikkeling en publiek-private samenwerking;

    • d. een raming van de omzet die het instituut met economische activiteiten verwacht te genereren, afgezet tegen de totale omzet die het instituut verwacht te genereren;

    • e. de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen;

    • f. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten;

    • g. een omschrijving van de gebieden, de aard en het kwaliteitsniveau van de door het instituut te leveren prestaties;

    • h. de middelen die nodig zijn;

    • i. de relatie van bestaande en op te zetten grote onderzoekfaciliteiten met het voorgenomen onderzoek, en

    • j. mogelijkheden voor onderlinge samenwerking met andere instituten.

  • 5 De minister beslist, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, uiterlijk op 31 juli van het boekjaar voorafgaand aan het eerste boekjaar waarop het strategisch plan betrekking heeft over de goedkeuring van het strategisch plan.

Artikel 4

In aanvulling op artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht bevat het activiteitenplan:

  • a. een weergave van de omvang van de activiteiten, bedoeld in randnummer 19 van de O&O&I-kaderregeling, uitgedrukt in de hoeveelheid voltijdsequivalent die op deze activiteiten wordt ingezet,

  • b. een weergave van de omvang van de economische activiteiten, uitgedrukt in:

    • 1°. het aantal uren dat onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend binnen de reikwijdte van de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, in werking zal zijn,

    • 2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die op een bepaald onderzoeksprogramma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, wordt ingezet, en

    • 3°. het aantal uren dat een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend in werking zal zijn,

  • c. een raming van de opbrengsten van de economische activiteiten, uitgedrukt in kosten die in rekening worden gebracht overeenkomstig artikel 8, eerste lid, verhoogd met een redelijke winstopslag, voor zover deze opslag van toepassing is, en

  • d. een beschrijving van de methode, bedoeld in artikel 29, tweede en derde lid, die het instituut gebruikt bij economische activiteiten en hoe deze wordt toegepast, zodat het instituut bewerkstelligt dat het voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 29, eerste lid.

Artikel 5

  • 1 De minister kan op grond van deze regeling subsidie verstrekken aan een instituut dat ten doel heeft toepassingsgericht onderzoek te doen om kennis te ontwikkelen, toe te passen en te verspreiden om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, bij te dragen aan de innovatiekracht van Nederland en strategische onderzoeksfaciliteiten te beheren.

  • 2 De minister verstrekt subsidie in de vorm van instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie.

Artikel 6

  • 2 De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 7

  • 1 Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit waarvoor instituutssubsidie, programmasubsidie of infrastructuursubsidie wordt aangewend, die zien op:

    • a. personeelskosten van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel;

    • b. kosten van apparatuur en uitrusting;

    • c. kosten van gebouwen en gronden;

    • d. kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in artikel 27, vierde lid, worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten, en

    • e. bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten.

  • 2 Indien voor de uitvoering van een programma dat gefinancierd wordt met programmasubsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat programma.

  • 3 De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

  • 4 Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.

  • 5 Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.

Artikel 8

  • 1 De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het instituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het instituut stelselmatig toepast.

  • 2 De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

  • 3 Het instituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van de integrale kostensystematiek, door:

    • a. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen, en

    • b. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge onderdeel a berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge onderdeel a vastgestelde tarief.

  • 4 In afwijking van het derde lid bepaalt het instituut de subsidiabele kosten van een programma voor wettelijke onderzoekstaken met behulp van door de minister voor het boekjaar vastgestelde normkosten.

§ 2. Instituutssubsidie

Artikel 9

  • 1 De minister verstrekt jaarlijks op aanvraag instituutssubsidie aan een instituut voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een door de minister goedgekeurd strategisch plan.

  • 2 De minister maakt jaarlijks uiterlijk op 1 augustus in bijlage 2 bij deze regeling per instituut het subsidieplafond bekend voor de instituutssubsidie in het aankomende boekjaar.

Artikel 10

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor subsidiabele kosten die gefinancierd kunnen worden uit een instituutssubsidie, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat:

het totale bedrag aan subsidies

  • a. in het geval van niet economische activiteiten de subsidiabele kosten niet overschrijdt, en

  • b. in het geval van economische activiteiten het op de activiteit van toepassing zijnde maximale steunpercentage niet overschrijdt.

§ 3. Programmasubsidie

Artikel 11

De minister verstrekt, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, op aanvraag programmasubsidie aan een instituut voor de uitvoering van

  • a. onderzoeksprogramma’s met een bepaald onderzoeksthema, of

  • b. programma’s voor wettelijke onderzoekstaken.

Artikel 12

  • 1 De minister maakt jaarlijks uiterlijk op 1 augustus in bijlage 3 bij deze regeling de onderzoeksthema’s en de subsidieplafonds bekend voor de programmasubsidies in het aankomende boekjaar.

  • 2 De minister stelt een subsidieplafond vast voor een instituut binnen een bepaald onderzoeksprogramma met een bepaald onderzoeksthema, of programma voor wettelijke onderzoekstaken.

Artikel 13

De activiteiten die vanuit een programmasubsidie gesubsidieerd worden, binnen de reikwijdte van de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan.

Artikel 14

  • 1 Het instituut verschaft op verzoek van de minister inlichtingen over de voortgang van een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend.

  • 2 Het programma wordt volledig uitgevoerd overeenkomstig het activiteitenplan waar de beschikking tot subsidieverlening op ziet.

  • 3 Het instituut doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

    • a. de subsidiabele activiteiten van een programma niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of

    • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de programmasubsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 15

  • 1 Het instituut vraagt voorafgaand schriftelijk toestemming aan de minister indien er sprake is van essentiële wijzigingen in de aard of uitvoering van een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend.

  • 2 De minister kan nadere verplichtingen verbinden aan zijn toestemming.

  • 3 Geen toestemming is vereist voor een wijziging van de in de subsidieverlening gespecificeerde kostenposten indien de omvang van de kostenpost niet meer dan 15 procent wijzigt.

Artikel 16

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten van een activiteit in een programma, waarvoor programmasubsidie wordt aangewend, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies:

  • a. in het geval van niet-economische activiteiten de subsidiabele kosten niet overschrijdt, en

  • b. in het geval van economische activiteiten het op de activiteit van toepassing zijnde maximale steunpercentage niet overschrijdt.

§ 4. Infrastructuursubsidie

Artikel 17

  • 1 De minister verstrekt, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, op aanvraag infrastructuursubsidie aan een instituut.

  • 2 De minister maakt jaarlijks uiterlijk op 1 augustus in bijlage 4 bij deze regeling per instituut het subsidieplafond bekend voor infrastructuursubsidie in het aankomende boekjaar.

Artikel 18

  • 1 De infrastructuursubsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover het instituut bij het verrichten van economische activiteiten waarvoor infrastructuursubsidie wordt aangewend, voldoet aan artikel 29, derde lid.

  • 2 Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor subsidiabele kosten die gefinancierd kunnen worden uit een infrastructuursubsidie, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies de subsidiabele kosten niet overschrijdt.

§ 5. Afwijzingsgronden

Artikel 19

De minister wijst een aanvraag om subsidie af indien de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels.

Artikel 20

De minister wijst een aanvraag om subsidie af voor zover:

  • a. het activiteitenplan niet voldoende aansluit bij de doelstellingen van het strategisch plan;

  • b. het activiteitenplan onvoldoende aansluit bij de definitie van instituut in artikel 1 en de vereisten en activiteiten waaraan in deze definitie wordt gerefereerd;

  • c. de activiteiten in een onderzoeksprogramma met voldoende diepgang door de markt kunnen worden opgepakt;

  • d. de activiteiten in een onderzoeksprogramma onvoldoende aansluiten bij een hieraan verbonden onderzoeksthema;

  • e. de activiteiten in een onderzoeksprogramma onvoldoende bijdragen aan de onderzoeks-, ontwikkelings-, of innovatiedoelstellingen van de minister.

§ 6. Subsidieverplichtingen

§ 6.1. Algemeen

Artikel 21

Artikel 4:65 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor financiële bijstand bij de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds.

Artikel 22

  • 1 Een instituut maakt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt openbaar, voor zover hierop geen intellectuele eigendomsrechten zijn of zullen worden gevestigd.

  • 2 Een instituut stelt uiterlijk twaalf weken na afloop van het boekjaar alle resultaten die zijn behaald met activiteiten waarvoor in dat boekjaar subsidie is verstrekt waarop intellectuele eigendomsrechten rusten beschikbaar aan derden tegen redelijke tarieven en voorwaarden. Indien een derde een onderneming is, geldt als redelijk tarief de marktprijs, berekend overeenkomstig artikel 27, derde lid.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde, de openbare veiligheid, of indien er sprake is van een bedrijfsgeheim:

    • a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden, of

    • b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 4 Indien het instituut vermoedt dat resultaten van dien aard zijn dat gebruik gemaakt kan worden van de uitzondering, bedoeld in het derde lid, informeert het instituut de minister en de minister die het mede aangaat ten minste twee weken voor openbaarmaking of beschikbaarstelling als bedoeld in het eerste of tweede lid.

  • 5 Indien de betrokken minister voornemens is te reageren op de voorgenomen openbaarmaking of beschikbaarstelling, stelt hij het instituut hiervan binnen twee weken na ontvangst van het voornemen in kennis. Het instituut gaat niet over tot openbaarmaking of beschikbaarstelling totdat het de reactie van de minister heeft ontvangen.

  • 6 In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, worden de regels voor openbaarmaking van resultaten die voortvloeien uit programma’s voor wettelijke onderzoekstaken die gefinancierd zijn met programmasubsidie, vastgelegd in het desbetreffende programma overeenkomstig de aanwijzingen van de minister die het aangaat.

Artikel 23

Indien een instituut inkomsten verwerft uit onderzoek dat met instituutssubsidie is bekostigd, worden deze uitsluitend ingezet onder dezelfde voorwaarden als instituutssubsidie.

Artikel 24

Het instituut vraagt voorafgaand schriftelijk toestemming aan de minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onderdelen b, i en j, van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 6.2. Staatssteun

Artikel 25

  • 1 Het is verboden instituutssubsidie aan te wenden voor:

    • a. de financiering of het verrichten van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdelen a, c, en d, en

    • b. de financiering van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b.

  • 2 Het is verboden programmasubsidie aan te wenden voor:

    • a. de financiering van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor onderzoeksprogramma’s als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, en

    • b. de financiering of het verrichten van economische activiteiten door het instituut, voor zover de subsidie wordt aangewend voor programma’s voor wettelijke onderzoekstaken als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel b.

  • 3 Het is verboden infrastructuursubsidie aan te wenden voor de financiering van economische activiteiten door het instituut.

Artikel 26

  • 1 Voor zover het instituut personeel, apparatuur of andere faciliteiten ter beschikking stelt aan een derde, anders dan in de vorm van een samenwerking als bedoeld in artikel 27, of door middel van het verrichten van economische activiteiten als bedoeld in artikel 28, brengt het instituut:

    • a. indien er sprake is van niet-economische activiteiten, de kosten in rekening die samenhangen met het gebruik van deze middelen, en

    • b. indien er sprake is van economische activiteiten, de marktprijs in rekening, berekend overeenkomstig het tarief, bedoeld in artikel 28.

  • 2 Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

  • 1 Indien een instituut deelneemt aan een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen:

    • a. sluiten de deelnemers voorafgaand aan het project een overeenkomst over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten, en

    • b. draagt het instituut er zorg voor dat:

      • 1°. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen;

      • 2°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van het instituut voortvloeien, volledig aan hem worden toegekend;

      • 3°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of

      • 4°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.

  • 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van het instituut die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, in mindering worden gebracht.

  • 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, stemt overeen met de marktprijs indien:

    • a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;

    • b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;

    • c. het instituut als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt afgesloten, of

    • d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door het instituut gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor het instituut het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.

  • 4 De voorwaarden van een contract, overeengekomen op grond van het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.

  • 5 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere activiteiten die een instituut verricht in samenwerking met ondernemingen, voor zover deze activiteiten van het instituut worden gefinancierd door subsidies van een ander bestuursorgaan of financiële bijstand ontvangen van de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds.

Artikel 28

  • 1 Indien een instituut economische activiteiten verricht in de vorm van contractonderzoek of in de vorm van een onderzoeksdienst aan een onderneming, draagt het instituut er zorg voor dat het:

    • a. zijn onderzoeksdienst of contractonderzoek verricht tegen het markttarief, of

    • b. wanneer er geen markttarief is, zijn onderzoeksdienst of contractonderzoek verricht tegen een tarief dat:

      • 1°. de volledige kosten van de dienst weergeeft en in het algemeen een marge omvat die is vastgesteld aan de hand van de marges die doorgaans worden gehanteerd door ondernemingen die in de sector van de betrokken dienst actief zijn, of

      • 2°. de uitkomst is van onderhandelingen, waarbij het instituut, in zijn hoedanigheid van dienstverrichter, onderhandelt om het maximale economische voordeel binnen te halen op het tijdstip dat het contract wordt afgesloten en ten minste haar marginale kosten gedekt zijn.

  • 2 De uitkomst van onderhandelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2 °, wijken niet af van uitkomsten die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.

  • 3 Wanneer de eigendom van of de toegangsrechten tot intellectuele eigendomsrechten bij het instituut blijven berusten, mag de marktwaarde daarvan in mindering worden gebracht op de voor de betrokken economische activiteiten verschuldigde prijs.

Artikel 29

  • 1 Bij het verrichten van economische activiteiten neemt het instituut de verplichtingen in acht die van toepassing zijn op grond van artikel 107, derde lid, onderdelen b, c en e, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en daarop gebaseerde kaders, mededelingen en andere richtsnoeren van de Europese Commissie evenals de verordeningen, bedoeld in de artikelen 108, vierde lid, en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • 2 Bij de nakoming van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, past het instituut, indien er sprake is van economische activiteiten die gefinancierd zijn met instituutssubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor de activiteiten, bedoeld in de definitie van instituutssubsidie in artikel 1, onderdeel b, of programmasubsidie, voor zover de subsidie wordt aangewend voor een onderzoeksprogramma als bedoeld in de definitie van programmasubsidie in artikel 1, onderdeel a, één van de volgende methoden toe:

    • a. de totale omvang van economische activiteiten die door het instituut worden ontplooid, bedraagt voor het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent van:

      • 1°. het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur waarvoor instituutssubsidie wordt aangewend, in werking is geweest, en

      • 2°. de hoeveelheid voltijdsequivalent die door een instituut op een bepaald onderzoeksprogramma waarvoor programmasubsidie wordt aangewend in dat boekjaar wordt ingezet;

    • b. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, Verordening 702/2014 of Verordening 1388/2014, of

    • c. de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen voldoen aan een voorafgaande goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor de steunmaatregel die het instituut heeft ingesteld.

  • 3 Indien er sprake is van economische activiteiten op een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur die gefinancierd is met infrastructuursubsidie, voldoet het instituut aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, indien de economische activiteiten die op die afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur worden ontplooid, in het desbetreffende boekjaar ten hoogste 20 procent bedragen van het aantal uren dat de onderzoeksinfrastructuur in dat boekjaar in werking is geweest.

  • 4 Het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, zijn alleen toepasbaar voor zover de economische activiteiten die in dit kader worden verricht zuiver ondersteunend blijven, doordat precies dezelfde input wordt gebruikt als voor de niet-economische activiteiten.

  • 5 Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de verslaglegging als bedoeld in artikel 11 van Verordening 651/2014, artikel 9 van Verordening 702/2014 of artikel 11 van Verordening 1388/2014.

  • 6 Indien in het activiteitenplan de methode, genoemd in het tweede lid, onderdeel c, wordt toegepast, verzoekt het instituut de minister om zorg te dragen voor de aanmelding overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • 7 Het instituut verstrekt alle benodigde informatie aan de minister om de verslaglegging of aanmelding op effectieve wijze te kunnen verrichten. De minister informeert het instituut over de verslaglegging of aanmelding.

Artikel 30

  • 1 Het instituut voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

    • a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;

    • b. de rechtstreeks aan de activiteiten toe te rekenen kosten;

    • c. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • d. het aantal uren dat per persoon is besteed aan de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, en

    • e. de berekening en samenstelling van het tarief, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a.

  • 2 De inrichting van de administratie sluit aan bij de bij de aanvraag ingediende begroting en activiteitenplan.

  • 3 Ter zake van de loonkosten is een door middel van een urenadministratie vastgestelde urenverantwoording aanwezig.

  • 4 In de administratie wordt een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten die het instituut uitoefent en de kosten en de financiering hiervan.

  • 5 In de administratie wordt de methode verwerkt die overeenkomstig artikel 29, tweede en derde lid, is toegepast door het instituut overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit de kaders, bedoeld in artikel 29, eerste lid.

Artikel 31

  • 1 Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de instituutssubsidie die is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, te vermenigvuldigen met 0,5.

  • 2 Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, voor een bepaald onderzoeksprogramma is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de programmasubsidie die voor dat onderzoeksprogramma is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, te vermenigvuldigen met 0,6.

  • 3 Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat het maximumpercentage als bedoeld in artikel 29, derde lid, voor een afzonderlijke entiteit onderzoeksinfrastructuur is overschreden in het desbetreffende boekjaar, neemt het instituut in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan, een voorziening ten laste van het eigen vermogen ter grootte van een percentage van de infrastructuursubsidie die voor die onderzoeksinfrastructuur is verleend in het boekjaar waarin de overtreding is begaan. Dit percentage wordt bepaald door het percentage, berekend op basis van artikel 29, derde lid, te vermenigvuldigen met 0,5.

  • 4 Indien uit de administratie, bedoeld in artikel 30, blijkt dat de economische activiteiten en de daarvoor ingezette financiële middelen niet of slechts gedeeltelijk voldoen aan de vereisten opgenomen in Verordening 651/2014, Verordening 702/2014, Verordening 1388/2014 of aan de vereisten verbonden aan de goedkeuring die de Europese Commissie heeft verstrekt overeenkomstig artikel 108, derde lid, in samenhang met artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, informeert het instituut de minister over deze overtreding en geeft daarbij de omvang weer van het bedrag dat niet in overeenstemming is met de vereisten en het boekjaar waarin deze overtreding heeft plaatsgevonden.

  • 5 Bij de toepassing van artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies op grond van de informatie, bedoeld in het vierde lid, kan de minister overgaan tot verrekening met de verstrekte subsidie in het boekjaar volgend op het boekjaar waarin de overtreding is begaan. De minister doet daarvan uitdrukkelijk mededeling in de beschikking tot subsidievaststelling en maakt deze verrekening openbaar.

§ 6.3. Derivaten

Artikel 32

  • 2 Een instituut handelt niet als financiële onderneming.

  • 3 In afwijking van het eerste lid mag een instituut een overeenkomst inzake derivaten afsluiten, voor zover deze past binnen de definitie van financieel instrument, onderdeel d, van de Wet op het financieel toezicht en betrekking heeft op:

    • a. het beperken van opwaartse renterisico’s van variabele leningen door middel van een renteswap of rentecap, of

    • b. het beperken van valutarisico’s door schommelingen in wisselkoersen door middel van een valutatermijncontract of valutaoptie.

Artikel 33

Een instituut dat derivaten aanhoudt, draagt er zorg voor dat:

  • a. de wijze waarop en de mate waarin derivaten worden aangehouden, bijdraagt aan het beperken van renterisico’s of valutarisico’s bij het financiële beleid en beheer;

  • b. de interne organisatiestructuur zodanig ingericht is dat het instituut overeenkomsten inzake derivaten op een verantwoorde wijze af kan sluiten en derivaten op een verantwoorde wijze kan gebruiken;

  • c. voldoende interne professionaliteit aanwezig is in de organisatie met betrekking tot derivaten, ook binnen het orgaan waaraan het toezicht op het bestuur is opgedragen, en;

  • d. beheersingsstructuren aanwezig zijn rond de risico’s van derivaten.

Artikel 34

  • 1 Een instituut sluit een overeenkomst inzake een derivaat uitsluitend af tegen een betaling in euro’s.

  • 2 Een instituut sluit een overeenkomst inzake een derivaat slechts af met een financiële onderneming die:

    • a. beschikt over een kredietwaardigheidsoordeel hoger dan A of een kredietwaardigheidsoordeel dat daaraan gelijkwaardig is, en

    • b. beschikt, indien het kredietwaardigheidsoordeel op het niveau A is, over een kredietwaardigheidsvoorspelling voor de korte termijn, die minimaal neutraal is.

  • 3 Het kredietwaardigheidsoordeel, bedoeld in het tweede lid, betreft een kredietwaardigheidsoordeel met betrekking tot de Baseline Credit Assessment.

  • 4 De financiële onderneming beschikt over verklaringen van twee kredietbeoordelingsbureaus, waaruit blijkt dat de financiële onderneming voldoet aan de eisen opgenomen in het tweede lid.

Artikel 35

Een instituut sluit geen overeenkomsten inzake derivaten af waarin:

  • a. clausules zijn opgenomen die op enigerlei wijze de uitvoering van het toezicht op het instituut kunnen belemmeren;

  • b. additionele eenzijdige opzeggingsmogelijkheden vanuit de financiële onderneming zijn opgenomen;

  • c. een verplichting tot onderpand voor het instituut is opgenomen.

Artikel 36

  • 1 Een overeenkomst inzake derivaten wordt pas afgesloten vanaf het moment dat een onderliggende financiële verplichting is aangegaan.

  • 2 De tegenwaarde van derivaat is niet groter dan de financiële verplichting, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Derivaten hebben geen langere looptijd dan de financiële verplichting, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De maximale looptijd van een derivaat is het lopende jaar opgeteld met negen daarop volgende kalenderjaren.

  • 5 De minister kan op aanvraag van het instituut ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 37

Een instituut dat derivaten aanhoudt, verantwoordt zich hierover in zijn jaarverslag op een transparante, complete en inzichtelijke wijze.

Artikel 38

  • 1 Een instituut dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling een of meerdere derivaten aanhoudt met clausules die niet in overeenstemming zijn met de verplichtingen opgenomen in deze paragraaf, stelt een plan van aanpak vast om deze derivaten binnen een redelijkerwijs haalbaar te achten termijn af te bouwen en stuurt dit naar de minister.

  • 2 De minister kan, binnen vier weken nadat hij het plan heeft ontvangen, nadere eisen stellen aan het plan van aanpak en de te hanteren termijn voor de afbouw van de derivatenportefeuille, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien de minister nadere eisen heeft gesteld, stelt het instituut een nieuw plan van aanpak vast met inachtneming van deze eisen.

§ 7. Begrotingsvoorbehoud

Artikel 39

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 8. Bevoorschotting

Artikel 40

  • 1 De minister verstrekt ambtshalve voorschotten voor instituutssubsidie, programmasubsidie en infrastructuursubsidie.

  • 2 De minister verstrekt het eerste voorschot ambtshalve uiterlijk de tweede week na aanvang van het boekjaar.

  • 3 De volgende voorschotten worden ambtshalve verstrekt binnen twee weken na 1 april, 1 juli en 1 oktober.

  • 4 Een voorschot bedraagt 25 procent van het bedrag dat in het desbetreffende boekjaar is verleend.

§ 9. Subsidievaststelling

Artikel 41

  • 1 Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 2 De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

  • 3 Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd.

Artikel 42

  • 2 Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig het controleprotocol, opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

Artikel 43

  • 1 Indien in een bepaald boekjaar meer of minder subsidiabele kosten worden gemaakt dan waarvoor subsidie is verleend, waardoor er sprake is van een tekort of een overschot aan subsidie, worden de oorzaken en de gevolgen hiervan toegelicht in de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 4:74 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2 Van een verwacht tekort of overschot aan subsidie in een bepaald boekjaar wordt melding gemaakt bij de aanvraag van subsidie voor het hierop volgende boekjaar.

  • 3 Een tekort aan subsidie komt, voor zover het meer is dan vijf procent van de verleende subsidie voor een bepaald boekjaar, voor rekening van het instituut.

  • 4 Een overschot aan subsidie wordt, voor zover het meer is dan vijf procent van de verleende subsidie voor een bepaald boekjaar, in mindering gebracht op de hoogte van de subsidie in het hierop volgende boekjaar.

  • 5 De hoogte van de subsidie voor een bepaald boekjaar wordt niet hoger vastgesteld dan in de beschikking tot subsidieverlening in dat boekjaar is bepaald.

  • 6 Een in een bepaald boekjaar behaald overschot wordt in het daarop volgende boekjaar ingezet.

  • 7 Indien niet voldaan wordt aan het zesde lid, wordt het overschot in mindering gebracht op de hoogte van de subsidie in het hierop volgende boekjaar.

  • 8 De minister kan op aanvraag van het instituut besluiten het zevende lid in een bepaald boekjaar niet toe te passen indien het aannemelijk is dat de subsidiabele kosten alsnog zullen worden gemaakt in het daaropvolgende boekjaar.

§ 10. Evaluatie

Artikel 44

  • 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

§ 11. Slotbepalingen

Artikel 45

  • 1 Deze regeling is niet van toepassing op subsidies die voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend of vastgesteld.

  • 3 In afwijking van de artikelen 3 en 9, eerste lid, geldt als strategisch plan voor de boekjaren 2018 tot en met 2021 het strategisch plan van het instituut, zoals dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is opgesteld en ter beschikking is gesteld aan de minister en dat op die boekjaren van toepassing is.

Artikel 46

De volgende regelingen worden ingetrokken:

Artikel 47

Deze regeling vervalt met ingang van 1 april 2023, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 48

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2018.

Artikel 49

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 1 februari 2018

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

E.D. Wiebes

Bijlage 1. behorende bij artikel 1 (lijst van wettelijke onderzoekstaken)

Wageningen Research

WOT Economische informatievoorziening

Het Centrum voor Economische Informatievoorziening (CEI), onderdeel van Wageningen Research, verzamelt en ontsluit primaire data en statistieken over de economische en duurzaamheidssituatie van de Nederlandse land- en tuinbouw, visserij en bosbeheer om te kunnen voldoen aan internationale en nationale (rapportage)verplichtingen.

WOT Natuur en milieu

De WOT-unit Natuur en milieu, onderdeel van Wageningen Research, richt zich op dataverzameling en data-analyse op het gebied van agromilieu voor wetgeving (gewasbescherming en mest) en internationale afspraken als UNFCC en Kyoto. Daarnaast verzamelt zij gegevens in het kader van internationale rapportageverplichtingen ten aanzien van natuur en biodiversiteit en draagt ze bij aan de Balans van de Leefomgeving (Natuurplanbureaufunctie) en de Natuurverkenning (Natuurplanbureaufunctie).

WOT Visserijonderzoek

Het Centrum voor Visserijonderzoek (CVO), onderdeel van Wageningen Research, verricht onderzoek gericht op het verzamelen en bewerken van data over de (recreatieve) visserij, vis- en schelpdierbestanden en aquatische ecosystemen. Daarnaast adviseert het CVO de minister de Europese Commissie over het beheer van de visserij en aquatische ecosystemen. Het gaat hierbij om de zeevisserij en de binnenvisserij (inclusief aalvisserij, schelpdiervisserij, recreatieve visserij op kabeljauw, haaien en aal).

WOT Besmettelijke dierziekten

Wageningen Bioveterinary Research, inclusief de High Containment Unit (HCU), onderdeel van Wageningen Research, functioneert voor deze WOT als test- en referentielaboratorium voor besmettelijke dierziekten, zoönosen en antimicrobiële resistentie. Het vervult de functies van crisisorganisatie (24/7 beschikbaarheid), van Nationaal Referentie Laboratorium voor aangifteplichtige dierziekten en (vanaf 2020) als Europees Referentie Laboratorium voor aangifteplichtige pluimveeziekten. Tevens zorgt het voor erkenning van en toezicht op private laboratoria en adviseert het over de beschikbaarheid van vaccins en diagnostica. Daarnaast zorgt het voor de ontwikkeling en instandhouding van kennis over besmettelijke dierziekten, zoönosen en antimicrobiële resistentie.

WOT Voedselveiligheid

Het RIKILT, onderdeel van Wageningen Research, voert de functie uit van test- en referentielaboratorium op het vlak van voedselveiligheid (inclusief diervoeders) en voert daarbij de functies uit van crisisorganisatie (24/7 beschikbaarheid) Europees Referentielaboratorium en Nationaal Referentie Laboratorium. Naast monsteronderzoek, zorgt het RIKILT voor de ontwikkeling en instandhouding van kennis, modellen, dataverzamelingen en methoden ten behoeve van bestaande en nieuwe (risico)analyses op het gebied van voedselveiligheid en -fraude.

WOT Genetische bronnen

Het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN), onderdeel van Wageningen Research, ontwikkelt en onderhoudt de benodigde expertise op het gebied van behoud en duurzaam gebruik van genetisch materiaal. De focus ligt op de collectieopbouw, beheer en distributie (van genetisch materiaal) van gewassen, landbouwhuisdierrassen en bomen en struiken. Daarnaast bevordert en ondersteunt het CGN het gebruik en behoud van genetische bronnen door andere partijen en organisaties. Ook vervult het CGN de functie van Nationaal Informatiecentrum Genetische Bronnen.

Bijlage 2. behorende bij artikel 9, tweede lid (subsidieplafonds instituuts-subsidie)

Subsidieplafonds voor instituutssubsidie voor het boekjaar 2019

In onderstaande tabel bevinden zich de subsidieplafonds voor de instituutssubsidie voor het boekjaar 2019.

Instituut

Subsidieplafond

MARIN

€ 6.518.000

Deltares

€ 16.305.000

NLR

€ 22.382.000

Wageningen Research

€ 27.434.000

Bijlage 3. behorende bij artikel 12, eerste lid (subsidieplafonds programmasubsidie)

1. Onderzoeksthema’s voor het boekjaar 2019

In het boekjaar 2019 richten de instituten zich op de onderzoeksthema’s die omschreven staan in de tabellen 1.1 en 1.2 van deze bijlage.

1.1. Onderzoeksthema voor NLR in het boekjaar 2019

Nr.

Onderzoeksthema

Soort onderzoek

Omschrijving van het onderzoek

1

Veilige samenleving

Defensie onderzoek

Onderzoek ter ondersteuning van de taken van defensie

1.2. Onderzoeksthema’s voor Wageningen Research in het boekjaar 2019

Nr.

Onderzoeksthema

Soort onderzoek

Omschrijving van het onderzoek

1

Landbouw, Voedsel

Klimaatslim, circulair, gezond voedsel en non-food produceren

Onderzoek naar de mogelijkheden om (I) het klimaat te beïnvloeden (Klimaatslim); (II) grondstoffen en producten optimaal in te zetten voor het (her)gebruiken en recyclen hiervan (Circulair); en (III) de productie van gezondere producten en consumptie van voedsel te bevorderen (Gezonde voedselproductie).

2

Landbouw, Voedsel

Integraal zorgvuldige en duurzame dierlijke productieketens

Onderzoek naar de ontwikkeling van een maatschappelijk gedragen veehouderij: (I) waarin het vee, conform het drie sterren Beter Leven Keurmerk, klimaatneutraal wordt gehouden zonder negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en milieu; en (II) dat past binnen de landelijke omgeving.

3.

Landbouw, Water, Visserij, Natuur, Landelijk gebied

Natuurinclusieve samenleving

Onderzoek naar: (I) de verbetering van de ecologische kwaliteit in de grote wateren; (II) de terugdringing van schadelijke emissies in het Natuurnetwerk Nederland; en (III) natuurcombinaties buiten het Natuurnetwerk Nederland.

4.

Uitvoering Wettelijke taken (WOT)

WOT Besmettelijke dierziekten, WOT Voedselveiligheid, WOT Economische informatievoorziening, WOT Natuur en milieu, WOT Visserijonderzoek en WOT Genetische bronnen als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

De activiteiten, genoemd in bijlage 1 van deze regeling.

2. Subsidieplafonds programmasubsidie voor het boekjaar 2019

Het subsidieplafond voor de programmasubsidie voor het boekjaar 2019 wordt als volgt verdeeld.

Instituut

Onderzoeksthema

Soort onderzoek

Subsidieplafond

NLR

Veilige samenleving als bedoeld in tabel 1.1 van deze bijlage

Defensie onderzoek

€ 1.867.000

Wageningen Research

Uitvoering wettelijke onderzoekstaak (WOT)

WOT Besmettelijke dierziekten als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

€ 13.934.000

WOT Voedselveiligheid als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling, met uitzondering van ondersteuning van de NVWA

€ 14.818.000

WOT Voedselveiligheid als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling, gericht op de ondersteuning van de NVWA

€ 16.100.000

WOT Economische informatievoorziening als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

€ 7.362.000

WOT Natuur en milieu als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

€ 8.392.000

WOT Visserijonderzoek als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

€ 6.000.000

WOT Genetische bronnen als bedoeld in bijlage 1 van deze regeling

€ 1.892.000

Onderzoeksthema’s als bedoeld in tabel 1.2 van deze bijlage, met uitzondering van de wettelijke onderzoekstaak, genoemd in bijlage 1 van deze regeling

Diverse onderzoeksprojecten, met uitzondering van onderzoeksprojecten ter ondersteuning van de Topsector Agri en Food en de Topsector tuinbouw en Uitgangsmaterialen, en missiegedreven Kennis- en Innovatieprogramma's

€ 31.344.000

Onderzoeksprojecten ter ondersteuning van de Topsector Agri en Food

€ 34.934.000

Onderzoeksprojecten ter ondersteuning van de Topsector tuinbouw en Uitgangsmaterialen

€ 15.133.000

   

Missiegedreven Kennis- en Innovatieprogramma's

€ 4.600.000

Bijlage 4. behorende bij artikel 17, tweede lid (subsidieplafonds infrastructuursubsidie)

In onderstaande tabel bevinden zich de subsidieplafonds voor de infrastructuursubsidie voor het boekjaar 2019.

Instituut

Subsidieplafond infrastructuursubsidie 2019

MARIN

€ 0

Deltares

€ 0

NLR

€ 0

Wageningen Research

€ 0

Bijlage 5. behorende bij artikel 42, tweede lid (controleprotocol)

Controleprotocol subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek

1. Uitgangspunten

1.1. Doelstelling

Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de subsidieontvanger bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in te dienen aanvraag tot subsidievaststelling ingevolge de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek. Het betreft de accountantswerkzaamheden die de accountants van de Toegepaste Onderzoeksorganisaties TNO, Wageningen Research, Deltares, ECN, NLR en Marin (TO2) uitvoeren ten behoeve van de departementen die deze organisaties financieren door middel van de Instituutssubsidie, Programmasubsidie dan wel Infrastructuursubsidie. Daarnaast kunnen subsidies worden verstrekt voor de uitvoering van wettelijke onderzoekstaken (WOT’s) en voor specifieke activiteiten (projectsubsidies). Financiële afrekening vindt plaats op basis van een aanvraag tot subsidievaststelling zoals bedoeld in artikel 41 van de onderhavige subsidieregeling, voorzien van een controleverklaring van de accountant, conform het in dit protocol opgenomen format. Object van het onderzoek van de accountant is het in de aanvraag tot subsidievaststelling opgenomen financieel verslag.

Elk instituut ontvangt jaarlijks een subsidiebeschikking. In deze beschikking kunnen, bovenop de bepalingen zoals die in dit protocol zijn opgenomen, aanvullende eisen worden gesteld met betrekking tot de controle. Die eisen hebben in de betreffende gevallen enkel en alleen betrekking op het desbetreffende instituut. Daarom zijn die eisen niet opgenomen in dit controleprotocol.

1.2. Definities

  • Accountant: een registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan wie de subsidieontvanger de opdracht heeft toegekend de aanvraag tot subsidievaststelling te controleren.

  • Subsidieontvanger: een natuurlijke of rechtspersoon of diens gemachtigde aan wie namens EZK of LNV een subsidie is verstrekt.

  • Controleverklaring: een schriftelijke verklaring van de accountant inhoudende een oordeel omtrent de juistheid, volledigheid en financiële rechtmatigheid van het financieel verslag bij de aanvraag tot subsidievaststelling.

1.3. Wet- en regelgeving

Voor de controle van het financieel verslag is de volgende wet- en regelgeving van toepassing:

  • De voorwaarden en verplichtingen, zoals opgenomen in de (bijlagen bij de) beschikking tot subsidieverlening voor zover deze vallen onder de reikwijdte van dit protocol;

  • De Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek (subsidieregeling), zoals verderop in deze paragraaf uitgewerkt per subsidieartikel;

  • Aanbestedingswetgeving (zowel Europees, als nationaal: Aanbestedingswet 2012, Aanbestedingsbesluit en Gids Proportionaliteit).

Bij de uitvoering van de controle stelt de accountant vast dat:

  • a. in het financieel verslag omtrent de kosten en opbrengsten:

Toelichting:

Artikel 7: met redelijk gemaakte kosten, winst- of continuïteitsopslagen voor zover gebruikelijk en kosten op basis van bedrijfseconomische grondslagen wordt bedoeld dat deze kosten of opslagen gebaseerd dienen te zijn op de reeds bestaande kostprijssystematiek die ook in het kader van de reguliere jaarrekening van de betreffende instelling wordt gebruikt. Kortom, het is niet toegestaan dat voor het financieel verslag andere grondslagen of methodieken worden gehanteerd dan voor de jaarrekening.

Artikel 8: met een voor het instituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het instituut stelselmatig toepast wordt bedoeld dat deze gebaseerd dient te zijn op de reeds bestaande kostprijssystematiek die ook in het kader van de reguliere jaarrekening van de betreffende instelling wordt gebruikt. Kortom, het is niet toegestaan dat voor het financieel verslag andere grondslagen of methodieken worden gehanteerd dan voor de jaarrekening.

Van de overige artikelen wordt de accountant alleen geacht kennis te hebben genomen, voor zover relevant voor zijn controle.

  • b. de subsidieontvanger opgave doet van alle inkomsten, waaronder subsidies, waarmee het programma / de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft, mede is gefinancierd;

  • c. ingeval de subsidie strekt tot uitvoering van een project, het project is uitgevoerd overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft, echter uitsluitend indien en voor zover het projectplan bepalingen bevat die zijn opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening;

  • d. voor aanbestedingen die boven de Europese drempelbedragen vallen gelden de controletoleranties die in de tabel van paragraaf 2.2 van dit protocol zijn uitgewerkt. Voor de aanbestedingen onder de Europese drempelbedragen geldt een kwalitatieve tolerantie. Hiermee wordt bedoeld dat de accountant de AO/IB rondom deze aanbestedingen beoordeelt en daarover rapporteert aan het bestuur van de instelling.

2. Controleaanpak

2.1. Eisen voor de controleaanpak

De controle moet voldoen aan de nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.

2.2. Materialiteit: goedkeuringstoleranties en gewenste zekerheid

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, wordt een betrouwbaarheid van 95 procent gehanteerd.

Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de maximale afwijking niet groter is dan één procent van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat in het financieel verslag wordt verantwoord. De hierna vermelde goedkeuringstoleranties zijn van toepassing.

Aard van de aangelegenheid

Controleverklaring

 

Goedkeurend

Met beperking

Oordeelonthouding

Afkeurend

Afwijkingen in de verantwoording (fouten)

<1%

> 1% en < 3%

N.v.t.

> 3%

Het niet in staat zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen (onzekerheden in de controle)

<3%

> 3% en <10%

> 10%

N.v.t.

Genoemde percentages zijn ontleend aan het Handboek Auditing Rijksoverheid (HARo).

3. Verslaglegging

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een controleverklaring. Hiervoor wordt de meest actuele NBA voorbeeldtekst HRA 3 sectie II hoofdstuk 10.3: ‘Controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector’ gehanteerd. Verwezen wordt naar de voorbeeldtekst bij dit controleprotocol.

4. Reviewbeleid

De Auditdienst Rijk (ADR) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle uitvoert, verstrekt de ADR desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden1. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van EZK of LNV.

Voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek

Afgegeven ten behoeve van ... (naam subsidiegever)

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Aan: Opdrachtgever

Ons oordeel

Wij hebben bijgaand, in de aanvraag tot subsidievaststelling opgenomen financieel verslag 2 ingevolge de beschikking tot subsidieverlening (kenmerk en datum) van .. (naam subsidieontvanger) te .. (vestigingsplaats) over 201X inzake3.. gecontroleerd.

Naar ons oordeel is financieel verslag ingevolge de beschikking tot subsidieverlening (kenmerk en datum) van (naam subsidieontvanger) over 201X inzake .. 4 in alle van materieel belang zijnde aspecten opgesteld in overeenstemming met ..5

De basis voor ons oordeel

Wij hebben onze controle uitgevoerd volgens het Nederlands recht, waaronder ook de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek vallen. Onze verantwoordelijkheden op grond hiervan zijn beschreven in de sectie ‘Onze verantwoordelijkheden voor de controle van het financieel verslag’.

Wij zijn onafhankelijk van .. (naam subsidieontvanger) zoals vereist in de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) en andere voor de opdracht relevante onafhankelijkheidsregels in Nederland. Verder hebben wij voldaan aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Wij vinden dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel.

Andere informatie

De aanvraag tot subsidievaststelling omvat andere informatie, die bestaat uit een activiteitenverslag.

Op grond van onderstaande werkzaamheden zijn wij van mening dat de andere informatie met het financieel verslag verenigbaar is en geen materiële afwijkingen bevat.

Wij hebben de andere informatie gelezen en hebben op basis van onze kennis en ons begrip, verkregen vanuit de controle of anderszins, overwogen of de andere informatie materiële afwijkingen bevat. Met onze werkzaamheden hebben wij voldaan aan de vereisten in de Nederlandse Standaard 720. Deze werkzaamheden hebben niet dezelfde diepgang als onze controlewerkzaamheden bij het financieel verslag.

Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van de andere informatie in overeenstemming met ..6].

Beperking in gebruik en verspreidingskring

Het financieel verslag is opgesteld voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat / het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit7 met als doel ... (Naam subsidieontvanger) in staat te stellen te voldoen aan ... (omschrijving vereisten, doel, contract, etc.). Hierdoor is het financieel verslag mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. Onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam subsidieontvanger) en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat / het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit8 en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen. Ons oordeel is niet aangepast als gevolg van deze aangelegenheid.

Verantwoordelijkheden van het bestuur voor het financieel verslag

Het bestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van financieel verslag in overeenstemming met ..9 Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing die het bestuur noodzakelijk acht om het opstellen van het financieel verslag mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Onze verantwoordelijkheden voor de controle van het financieel verslag

Onze verantwoordelijkheid is het zodanig plannen en uitvoeren van een controleopdracht dat wij daarmee voldoende en geschikte controle-informatie verkrijgen voor het door ons af te geven oordeel.

Onze controle is uitgevoerd met een hoge mate maar geen absolute mate van zekerheid waardoor het mogelijk is dat wij tijdens onze controle niet alle materiële fouten en fraude ontdekken.

Afwijkingen kunnen ontstaan als gevolg van fraude of fouten en zijn materieel indien redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze, afzonderlijk of gezamenlijk, van invloed kunnen zijn op de economische beslissingen die gebruikers op basis van dit financieel verslag nemen. De materialiteit beïnvloedt de aard, timing en omvang van onze controlewerkzaamheden en de evaluatie van het effect van onderkende afwijkingen op ons oordeel.

Wij hebben deze accountantscontrole professioneel kritisch uitgevoerd en hebben waar relevant professionele oordeelsvorming toegepast in overeenstemming met de Nederlandse controlestandaarden, het Controleprotocol Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek, ethische voorschriften en de onafhankelijkheidseisen. Onze controle bestond onder andere uit:

  • het identificeren en inschatten van de risico’s dat het financieel verslag afwijkingen van materieel belang bevat als gevolg van fouten of fraude, het in reactie op deze risico’s bepalen en uitvoeren van controlewerkzaamheden en het verkrijgen van controle-informatie die voldoende en geschikt is als basis voor ons oordeel. Bij fraude is het risico dat een afwijking van materieel belang niet ontdekt wordt groter dan bij fouten. Bij fraude kan sprake zijn van samenspanning, valsheid in geschrifte, het opzettelijk nalaten transacties vast te leggen, het opzettelijk verkeerd voorstellen van zaken of het doorbreken van de interne beheersing;

  • het verkrijgen van inzicht in de interne beheersing die relevant is voor de controle met als doel controlewerkzaamheden te selecteren die passend zijn in de omstandigheden. Deze werkzaamheden hebben niet als doel om een oordeel uit te spreken over de effectiviteit van de interne beheersing van de organisatie;

  • het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van het financieel verslag en het evalueren van de redelijkheid van schattingen door het bestuur en de toelichtingen die daarover in het financieel verslag staan;

  • het evalueren van de presentatie, structuur en inhoud van het financieel verslag en de daarin opgenomen toelichtingen; en

  • het evalueren of het financieel verslag de onderliggende transacties en gebeurtenissen zonder materiële afwijkingen weergeeft.

Plaats en datum

... (naam accountantspraktijk)

... (naam accountant)

  • ^ [1]

    Krachtens de Comptabiliteitswet 2001 (artikelen 43, 43a) heeft EZ bij rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan wie door de Staat of een derde voor rekening of risico van de Staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, een lening of garantie wordt verstrekt het recht kennis te nemen van jaarrekeningen, jaarverslagen en daaraan toegevoegde overige gegevens, verantwoordingen, gegevens en documenten nodig voor vaststelling van subsidies, leningen en garanties en verslagen van onderzoeken van accountants hiernaar en naar aanleiding hiervan nadere inlichtingen in te winnen en is EZK of LNV bevoegd inzage te vorderen in de controledossiers van de accountant die de betreffende bescheiden heeft gecontroleerd om te bepalen of bij de vaststelling kan worden gesteund op de door deze accountant uitgevoerde controle. Met betrekking tot het verlenen van inzage in het controledossier kan de accountant zich niet beroepen op de omstandigheid dat hij op grond van andere bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot geheimhouding is verplicht van in dit dossier opgenomen vertrouwelijke gegevens. EZK of LNV is bevoegd van stukken inzake de betreffende controle uit de controledossiers kopieën te maken.

  • ^ [2]

    Afhankelijk van de subsidieregeling te vervangen door een andere benaming. Deze opmerking geldt voor elke plaats in deze voorbeeldtekst waar de term 'financieel verslag’ wordt gebruikt.

  • ^ [3]

    Optioneel, bijvoorbeeld naam project zoals vermeld in het financieel verslag, afhankelijk van de beschikking tot subsidieverlening.

  • ^ [4]

    Optioneel, bijvoorbeeld naam project zoals vermeld in het financieel verslag, afhankelijk van de beschikking tot subsidieverlening.

  • ^ [5]

    Aan te vullen met een verwijzing naar de betreffende subsidieregeling en zo nodig (aanvullende) subsidievoorwaarden.

  • ^ [6]

    Aan te vullen met een verwijzing naar de betreffende subsidieregeling en zo nodig (aanvullende) subsidievoorwaarden.

  • ^ [7]

    Doorhalen wat niet van toepassing is.

  • ^ [8]

    Doorhalen wat niet van toepassing is.

  • ^ [9]

    Aan te vullen met een verwijzing naar de betreffende subsidieregeling en zo nodig (aanvullende) subsidievoorwaarden.