Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020[Regeling vervalt per 01-01-2021.]

Geldend van 11-01-2018 t/m heden

Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 november 2017, nr. Minbuza-2017.1277810, tot vaststelling van een subsidieplafond en beleidsregels voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020)

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 8.1 en artikel 8.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het internationaal cultuurbeleid (Subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020) gelden voor het tijdvak vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels en een subsidieplafond van € 5,2 miljoen.

Artikel 2

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst.

Artikel 3

Aanvragen worden ingediend aan de hand van een daartoe door de minister vastgesteld formulier en voorzien van de op het formulier vermelde bescheiden.1

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op voor die datum verleende subsidies.

Dit besluit wordt met de bijlage in de Staatscourant geplaatst. De annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2

De Minister van Buitenlandse Zaken,

namens deze,

de Directeur-Generaal Economische Samenwerking,

M.E.C. van der Plas

Bijlage Subsidieprogramma creative twinning 2018–2020

1. Inleiding

Het subsidieprogramma vormt het richtsnoer voor de beoordeling van subsidieaanvragen die cultuur en creativiteit inzetten om sociale cohesie te stimuleren. Het subsidieprogramma is opgesteld met inachtneming van het Kabinetsstandpunt over de motie Van Veen.3

Het gaat hier om onder andere de disciplines als beeldende- en podiumkunsten, film, letteren, alsmede multidisciplinaire kunstvormen, het cultureel erfgoed en de ontwerpsectoren (architectuur, design en nieuwe media).

Het subsidietijdvak betreft de periode 2018–2020. In totaal is voor deze periode € 5,2 miljoen (non-ODA) beschikbaar.

Het internationaal cultuurbeleid(icb) 2017–2020 kent drie hoofddoelstellingen:

  • 1. een sterke (Nederlandse) cultuursector die in kwaliteit groeit door internationale uitwisseling en duurzame samenwerking en die in het buitenland wordt gezien en gewaardeerd;

  • 2. meer ruimte voor een bijdrage van cultuur aan een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld;

  • 3. cultuur wordt effectief ingezet binnen de moderne diplomatie.

Dit subsidieprogramma heeft betrekking op de tweede hoofddoelstelling.

De uitgangspunten van het icb zijn neergelegd in de Kamerbrief ‘Beleidskader internationaal cultuurbeleid 2017–2020’ van 4 mei 2016, in een aanvullende Kamerbrief over de uitwerking van het internationaal cultuurbeleid van 17 november 2016, en in een Kamerbrief op 15 februari 2017 met daarin de Kabinetsreactie op de motie Van Veen.4 Genoemde documenten vormen de basis voor dit subsidieprogramma.

2. Beleidsuitgangspunten

2.1. Relevantie

Nederland heeft belang bij een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld, een hoofddoelstelling van het buitenlands beleid van de Nederlandse regering. In zo'n wereld heeft iedere burger en kunstenaar het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven. Dat recht is een essentiële voorwaarde voor een bloeiende cultuursector met maatschappelijke betekenis.

Tegelijkertijd staan veiligheid en stabiliteit in de regio’s aan de grenzen van Europa onder grote druk. Dat geldt in toenemende mate ook voor de relaties tussen de landen in deze regio en Europa. We zien de ruimte voor cultuur in deze regio afnemen. Kunstenaars raken geïsoleerd. Burgers zien hun recht om deel te nemen aan een divers cultureel leven in het gedrang komen. Dit geldt in het bijzonder in landen en steden die te maken hebben met grote aantallen vluchtelingen en migranten. Open dialoog over culturele verschillen wordt moeilijker en maakt soms plaats voor culturele confrontatie of zelfs doelbewuste vernietiging.

Cultuur en creativiteit kunnen deze problematiek niet oplossen. Ze kunnen wel bijdragen aan wederzijds begrip en dialoog. Ze helpen ook bij het zoeken naar en verbeelden van alternatieven en oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Wederzijds begrip en vertrouwen groeien door gedeelde culturele ervaringen, niet alleen tussen gemeenschappen maar ook tussen landen.

Cruciaal daarbij zijn lokaal initiatief en draagvlak. De inzet en gedrevenheid van professionals, kunstenaars, ontwerpers en erfgoeddeskundigen daar én hier zijn het uitgangspunt. Ook jeugd verdient in dit verband speciale aandacht. Als jongeren geen toekomstperspectief in eigen land hebben, of geen verbondenheid (meer) voelen, ondergraaft dat op termijn de maatschappelijke samenhang en politieke stabiliteit. Het is daarom van groot belang ook jongeren, als kunstenaar of cultuurliefhebber, in eigen land meer kansen te geven en ze weerbaarder te maken, door hun vermogen te versterken om zelf creatieve en innovatieve oplossingen te vinden.

Zoals wordt aangegeven in voornoemde beleidsbrieven zet het icb 2017–2020 hiermee in op de verbindende rol die cultuur kan spelen op lokaal, nationaal en internationaal niveau.

2.2. Doel

Het subsidieprogramma is bedoeld voor het subsidiëren van projecten die cultuur inzetten bij het bevorderen van sociale cohesie (conform hoofddoelstelling 2 van het icb).

Met project wordt bedoeld een planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning en kosten daarvan, die een alliantie zal verrichten met het oog op de in het subsidieprogramma genoemde (sub)doelstellingen.

Met het subsidieprogramma worden projecten ondersteund die leiden tot of bijdragen aan één of meerdere van de volgende subdoelstellingen:

  • a. een krachtiger lokale cultuursector gericht op maatschappelijke innovatie;

  • b. meer cultuurparticipatie door jongeren;

  • c. een veiliger en duurzamer leefomgeving in steden;

  • d. duurzaam behoud van lokaal cultureel erfgoed.

Te subsidiëren projecten moeten bovendien bijdragen aan een groter vertrouwen en dialoog tussen Nederland en de betrokken landen. Daarnaast dienen de te subsidiëren projecten zich te richten op jeugd/jongeren (in de leeftijd van 15–24 jaar).

Het subsidieprogramma is bedoeld voor meerjarige en strategische samenwerkingsverbanden (‘allianties’) van Nederlandse, internationale en lokale culturele organisaties (waaronder non-profit organisaties en bedrijven met een cultureel profiel), die beschikken over een groot en relevant netwerk. Deze allianties kunnen subsidie vragen voor projecten gericht op de hierboven genoemde doelstellingen en gericht op de landen aan de grenzen van de Europese Unie, waar veiligheid en stabiliteit onder druk staan. Binnen die projecten wordt cultuur ingezet om sociale cohesie te vergroten en vertrouwen en dialoog tussen Nederland en de betrokken landen te versterken. De beoogde subsidieontvangers werken bij voorkeur regionaal. Dit is in lijn met en additioneel aan de geografische focus van andere beleidsinstrumenten op het gebied van het icb.

2.3. Opbouw subsidieprogramma

In dit subsidieprogramma worden in hoofdstuk 3 de financiële middelen en het tijdpad weergegeven. Hoofdstuk 4 bevat een algemene toelichting op de selectiecriteria en het selectieproces. In hoofdstuk 5 worden de met de te verstrekken subsidies beoogde hoofd- en subdoelstellingen uitgewerkt. Hoofdstuk 6 betreft de uitvoering van het subsidieprogramma. Hoofdstuk 7 is gewijd aan de formele vereisten aan de aanvraag en de verdere procedure. In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria (hoofdstuk 8) en inhoudelijke criteria (hoofdstuk 9) uiteen gezet.

3. Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad

3.1. Beschikbare middelen

Het totaal beschikbare subsidieplafond voor het subsidieprogramma Creative Twinning 2018–2020 bedraagt € 5,2 miljoen. Een subsidie zal minimaal € 600.000 en maximaal € 1,4 miljoen bedragen. Hiermee kunnen maximaal 8 aanvragen worden gehonoreerd. De looptijd van een project kan variëren (minimaal 24 maanden en maximaal 33 maanden), mits deze valt binnen het tijdvak van 1 april 2018 tot en met 31 december 2020 en met dien verstande dat projecten niet later dan 1 januari 2019 mogen beginnen.

3.2. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan de drempelcriteria (waaronder eisen aan de alliantie) en dient een minimumscore behaald te worden op inhoudelijke (programma)criteria. Zie hierover verder de hoofdstukken 8 en 9.

3.3 Voorkomen overschrijding plafond door gelijktijdig binnengekomen aanvragen

Indien gelijktijdig binnengekomen aanvragen bij toekenning het subsidieplafond zouden overschrijden, dan komt van die aanvragen, voor zover ze voldoen aan de maatstaven die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

3.4. (voorlopige) uitputting van de middelen

Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen op grond van drempelcriteria en inhoudelijke criteria zullen worden uitgeput, zal behandeling van later binnengekomen aanvragen worden opgeschort. Slechts indien blijkt dat eerdere aanvragen alsnog afvallen (op basis van de beoordeling aan de hand van de criteria opgenomen in hoofdstuk 8 en hoofdstuk 9, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, vanzelfsprekend op volgorde van binnenkomst.

3.5. Resterende middelen

Het is mogelijk dat na goedkeuring van een aantal aanvragen nog middelen resteren, maar dat dit restant minder bedraagt dan € 600.000 (het minimumbedrag voor een aanvraag). Hierdoor zal er geen volgend project meer kunnen worden goedgekeurd. Projecten zullen namelijk niet gedeeltelijk worden gefinancierd indien dit zou leiden tot verlening van een subsidie kleiner dan het minimumbedrag voor een aanvraag.

3.6. Termijn voor indiening

Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf twee weken na bekendmaking van dit subsidieprogramma in de Staatscourant, tot en met uiterlijk 31 augustus 2018, 12:00 uur Nederlandse tijd. Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag zal op de aanvraag worden beslist. De genoemde uiterste datum voor indiening laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, de beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. Indien de middelen zijn uitgeput, wordt een aanvraag afgewezen.

4. Selectiecriteria- en proces

4.1. Welke partijen kunnen subsidie aanvragen?

De subsidie is bedoeld voor projecten die worden uitgevoerd door allianties, bestaande uit zelfstandige culturele organisaties (waaronder non-profit organisaties en bedrijven met een cultureel profiel)5. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst.

Alle partijen binnen een alliantie dienen te beschikken over rechtspersoonlijkheid. Alleen rechtspersonen komen in aanmerking voor subsidie.

Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een penvoerder namens een alliantie. Dit ‘penvoerderschap’ staat open voor zowel Nederlandse als buitenlandse partijen. De penvoerder is een culturele niet-gouvernementele organisatie. Bedrijven met een cultureel profiel kunnen derhalve niet optreden als penvoerder, maar kunnen wel als mede-indiener onderdeel uitmaken van een alliantie.

Alleen bovengenoemde organisaties kunnen deel uitmaken van een alliantie (en dus niet bijvoorbeeld amateurclubs, hobbyverenigingen en particuliere initiatieven). Van de partijen die onderdeel uitmaken van de alliantie is ten minste één partij gevestigd in Nederland en één partij gevestigd in het land/één van de landen waar de projecten zich op richten.

NB: Zowel penvoerders als mede-indieners kunnen ten hoogste éénmaal in aanmerking komen voor subsidie, dan wel participeren in een alliantie die via een penvoerder subsidie ontvangt. Het is derhalve niet mogelijk om als begunstigde penvoerder dan wel als mede-indiener van een begunstigde alliantie in een andere begunstigde alliantie te participeren, of als mede-indiener van een begunstigde alliantie ook als penvoerder subsidie te ontvangen.

Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het project gebruik maken van derde partijen. Een dergelijke samenwerking betreft geen samenwerking in het kader van een alliantie zoals hiervoor bedoeld, maar samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die (in opdracht) enkele onderdelen van het project lokaal uitvoert.

Verantwoordelijkheden penvoerder

Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, zal de penvoerder de subsidieontvanger zijn en als zodanig verantwoordelijk voor de uitvoering van het project van de alliantie. Ook is hij jegens de minister ten volle aansprakelijk voor de naleving van alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ook al strekt de subsidie mede tot bekostiging van de activiteiten van mede-indieners in de alliantie en worden de activiteiten (deels) uitgevoerd door (een) mede-indiener(s). Dit geldt ook in het geval van wijzigingen in de alliantie, zoals toetredingen, uittredingen of het geheel stoppen van een alliantie.

De penvoerder dient wijzigingen in de alliantie aan de minister voor te leggen ter goedkeuring. De minister behoudt zich het recht voor om subsidiegelden geheel of gedeeltelijk terug te vorderen op de subsidieontvanger.

Samenwerkingsovereenkomst

Omdat de subsidieontvanger voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en voor de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen afhankelijk is van zijn mede-indieners, moet deze medewerking expliciet in een overeenkomst zijn vastgelegd. Tevens moet uit de samenwerkingsovereenkomst blijken dat alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Een schriftelijke en door alle participerende partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst moet de medewerking van partijen aan de uitvoering van de te subsidiëren activiteiten en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgen, evenals de naleving van de aan een subsidieverleningsbeschikking verbonden verplichtingen jegens de minister.

Doelgroep van de projecten

De doelgroep van de te subsidiëren projecten is de specifieke groep mensen op wie de activiteiten uit het voorstel gericht zijn. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie richten allianties hun activiteiten op jongeren in de leeftijd van 15–24 jaar (bijvoorbeeld als publiek, deelnemer, of beide). Individuele leden van de doelgroep kunnen geen partner zijn in de alliantie; organisatievormen die de doelgroep legitiem vertegenwoordigen (belangenorganisatie, coöperatie, formeel geregistreerd bedrijf) kunnen dat wel indien zij voldoen aan de aan penvoerders en mede-indieners gestelde vereisten. Het project moet duidelijk positieve resultaten voor de doelgroep hebben geformuleerd (zie ook criterium I.4).

4.2. Formele vereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan de formele vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 7.

4.3. Drempelcriteria

Zowel de penvoerder en alle mede-indieners, als het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria (D.1 t/m D.12, zie hoofdstuk 8) om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder (inhoudelijk) worden beoordeeld. De drempelcriteria hebben betrekking op de alliantie en het soort organisaties en op het project.

4.4. Inhoudelijke criteria

Indien voldaan is aan de drempelcriteria zal beoordeeld worden of in voldoende mate wordt voldaan aan de inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.8, hoofdstuk 9), aan de hand waarvan de kwaliteit van een aanvraag wordt beoordeeld.

Om voor subsidieverlening in aanmerking te kunnen komen dient de kwaliteit van een aanvraag goed te zijn. Dit wordt uitgedrukt in een score. De minimaal te behalen score bedraagt 70% van de maximaal te behalen totaalscore, waarbij bovendien voor enkele individuele criteria (zie hoofdstuk 9) ook een minimum aantal punten moet worden behaald (het aantal wordt aangegeven in de aanvraagdocumenten). Beoogd wordt op deze manier de aanvragen te selecteren die niet slechts van voldoende kwaliteit zijn, maar die zich ook daadwerkelijk in positieve zin onderscheiden bij de inzet van cultuur voor de bij 2.2 genoemde (sub)doelstellingen.

4.5. Organisatorische capaciteit

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient de penvoerder in staat te zijn tot een adequaat financieel beheer en dient hij door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot het project waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten te kunnen waarborgen.6

4.6. Vereisten na subsidieverlening

In geval een aanvraag wordt gehonoreerd en er subsidie wordt verleend, dient de penvoerder te rapporteren over de voortgang van het project. De eisen die gesteld worden aan deze rapportages worden neergelegd in de verleningsbeschikking, evenals overige aan de subsidieverlening te verbinden verplichtingen.

5. De Programmalogica

Zoals eerder vermeld is voor de tweede doelstelling van het icb 2017–2020 een zogenoemde Programmalogica7 opgesteld. Deze sluit aan bij het huidige icb 2017–2020 8. Voor een verdere toelichting op het Nederlandse internationale cultuurbeleid wordt in algemene zin verwezen naar eerder genoemde Kamerbrieven (zie 1. Inleiding).

Opzet Programmalogica: logische samenhang tussen activiteiten en doelstellingen

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dienen de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zoals ook aangegeven in hoofdstuk 2, zich te richten op één of meerdere van de in 2.2 geformuleerde subdoelstellingen.

Projecten dienen derhalve in ieder geval te leiden tot het leveren van een bijdrage aan of bereiken van één of meerdere van de volgende subdoelstellingen (outcomes):

  • a. een krachtiger lokale cultuursector gericht op maatschappelijke innovatie;

  • b. meer cultuurparticipatie door jongeren;

  • c. een veiliger en duurzamer leefomgeving in steden;

  • d. duurzaam behoud van lokaal cultureel erfgoed.

Activiteiten die hier onder kunnen vallen (outputs), richten zich bijvoorbeeld op ontwikkeling, productie en presentatie van cultuuruitingen; op samenwerking rondom sociale/maatschappelijke innovaties; op het bieden van oplossingsrichtingen voor stedelijke uitdagingen; en op kennisuitwisseling bij en ontwikkeling van herbestemmingsprojecten voor cultureel erfgoed.

Bovenstaande elementen bieden ruimte voor allianties om verschillende invalshoeken voor het inhoudelijke en praktische ontwerp van projecten te kiezen. Dit laat onverlet dat binnen een voorstel inzichtelijk moet worden gemaakt in hoeverre de gekozen benadering aansluit bij de Programmalogica en op welke wijze de voorgestelde activiteiten zich verhouden tot de beoogde (sub)doelstellingen en de gewenste uitkomsten (criterium D.9 en I.2).

Subsidiabele kosten

Subsidie wordt conform artikel 14 Subsidiebesluit BZ slechts verstrekt voor de noodzakelijke kosten van de voorgenomen activiteiten in het licht van de beoogde doelstellingen en resultaten voor zover redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat deze uit eigen middelen of anderszins bekostigd worden. Er moet door de penvoerder aangetoond worden dat de kosten waar de subsidieaanvraag betrekking op heeft, redelijkerwijs zijn toe te kennen aan de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Daarvan is in ieder geval geen sprake voor zover kosten hoger zijn dan de bestaande normen of anderszins afwijken van wat de gangbare praktijk is in het maatschappelijke of culturele veld. Subsidie wordt niet verstrekt ter dekking van tekorten na afloop van de activiteiten.

Voor subsidiering komen in het kader van dit subsidieprogramma uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

  • personeelskosten;

  • ontwikkelings- en uitvoeringskosten van het project (uitgezonderd de voorbereidingskosten voor het opstellen van de aanvraag);

  • bureau- en huisvestingskosten;

  • kosten voor marketing en publiciteit;

  • kosten voor monitoring en evaluatie.

Overige kosten die niet in aanmerking komen voor subsidie:

  • voorbereidingskosten voor het opstellen van de aanvraag;

  • kosten voor activiteiten die op het moment van indiening van de subsidieaanvraag al zijn gerealiseerd;

  • structurele investeringen, zoals kosten die betrekking hebben op de exploitatie;

  • bouw- en restauratiekosten, behalve indien en voor zover deze kosten projecten op het gebied van cultureel erfgoed betreffen, mits deze kosten zich redelijk verhouden tot de gewenste doelstellingen;

  • studiereizen;

  • haalbaarheidsonderzoeken;

  • arbeidskosten voor medewerkers van rijks-, provinciale- en gemeentelijke instellingen;

  • het verwerven van eigendommen.

    Bijlage 259667.png

6. Uitvoerder

De minister van Buitenlandse Zaken heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zal het programma uitvoeren namens de minister van Buitenlandse Zaken op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.

7. Formele vereisten aanvraag en verdere procedure

7.1. Indieningstermijn

Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf twee weken na publicatie van dit subsidieprogramma in de Staatscourant9 tot en met uiterlijk 31 augustus 2018 12:00 uur Nederlandse tijd. Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen, ook als de beschikbare middelen dan nog niet zijn uitgeput. Deze uiterste datum laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, de beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. De penvoerder is als enige verantwoordelijk voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.

7.2. Overzicht formele vereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag te voldoen aan de volgende formele eisen:

  • De aanvragen zijn door RVO.nl ontvangen voor het verstrijken van de hierboven vermelde deadline;

  • De aanvragen zijn volledig, in de zin dat alle hieronder genoemde formulieren en bijlagen zijn ingediend en alle velden zijn ingevuld;10

  • De aanvragen zijn ondertekend op de daarvoor aangewezen plaatsen door de daartoe bevoegde medewerker van de aanvrager.

De volgende documenten dienen deel uit te maken van de aanvraag:

  • Aanvraagformulier;

  • Projectvoorstel, dat in elk geval omvat: i) samenvatting, ii) context- en actorenanalyse, iii) activiteiten in relatie tot beoogde doelstellingen, iv) projectimplementatie en -management, v) informatie met betrekking tot de overige criteria op grond waarvan de aanvraag zal worden beoordeeld;

  • Projectbudget (result based) dat inzicht geeft in opbouw van projectkosten en financiering, inclusief onderbouwing van de financiering van de eigen bijdrage;

  • Maximaal twee referentieprojecten (casussen) van penvoerder/mede-indieners in de alliantie;

  • Samenwerkingsovereenkomst;

  • Monitoring- en evaluatieplan;

  • COCA-toets (indien aanwezig).

7.3. Herstelperiode

Aanvragen die niet aan de in 7.2 vermelde vereisten voldoen, worden vooralsnog niet in behandeling genomen. De penvoerder krijgt in dat geval de gelegenheid om binnen een daarbij aan te geven termijn het verzuim te herstellen conform artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de penvoerder niet binnen de gegeven termijn op adequate wijze het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen.

In dit kader wordt nadrukkelijk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet voldoen aan drempel- of inhoudelijke criteria.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op een minder aantal punten of zelfs afwijzing van de aanvraag.

7.4. Moment en wijze van indiening

Uiterste termijn van indiening subsidieaanvragen is 31 augustus 2018, 12:00 uur Nederlandse tijd. Aanvragen dienen uiterlijk op voornoemde datum en tijd door RVO.nl te zijn ontvangen.

Indienen via website

Aanvragen worden bij voorkeur ingediend via de website: www.rvo.nl/CreativeTwinning.

Indienen via mail

Tevens kunnen aanvragen per e-mail worden ingediend via: ct@rvo.nl

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de aanvraag (e-mail) door het systeem voor gegevensverwerking van RVO.nl ontvangen is. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerpregel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst.

Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

Indienen via post

Indiening van aanvragen per post wordt afgeraden. Indien u daar niettemin voor kiest dient de aanvraag per aangetekende post gestuurd te worden naar:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Internationale ontwikkeling

o.v.v. ‘Creative Twinning 2018–2020

Postbus 93144

2509 AC Den Haag

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de volledige aanvraag door RVO.nl is ontvangen.

NB: Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door RVO.nl bij de aanvrager.

Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald’) wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd, als de aanvraag voor het einde van de termijn (31 augustus 2018, 12:00 uur Nederlandse tijd) ter post is bezorgd, waarbij het datumstempel van de post doorslaggevend is, en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

7.5. Overige bepalingen

  • a. Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de penvoerder bevoegde persoon met vermelding van naam en functie.

  • b. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • c. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal. Ook bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dienen voorzien te zijn van een vertaling in het Nederlands of Engels. Additionele informatieve en illustratieve boekwerken, websites, CD-roms, USB-sticks of dvd’s van een organisatie worden niet betrokken bij de beoordeling van een aanvraag.

  • d. De behandeling van aanvragen die binnenkomen nadat op basis van de uitkomsten van de beoordeling van eerder ontvangen aanvragen aannemelijk is dat de middelen zullen worden uitgeput, wordt opgeschort, totdat zekerheid bestaat over de uitputting van de middelen.

  • e. Ook op artikel 9 van het Subsidiebesluit wordt in het bijzonder gewezen. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen.

  • f. Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail aan bovenstaand adres richten. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan eens per week plaats op de website www.rvo.nl/CreativeTwinning, in de vorm van een aanvulling op de al gepubliceerde Q&A’s.

8. Drempelcriteria (D.1 t/m D.12)

Voor de drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder wordt beoordeeld. De drempelcriteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

Drempelcriteria ten aanzien van de alliantiepartners

  • Criterium D.1 – Aanvragers
    • a) De aanvraag wordt ingediend door een penvoerder namens een alliantie.

    • b) De penvoerder is een Nederlandse, internationale of lokale culturele niet-gouvernementele organisatie.

    • c) Mede-indieners zijn Nederlandse, internationale of lokale culturele organisatie(s).

      Begripsomschrijving aanvragende partijen

      Onder een culturele organisatie wordt verstaan een organisatie die als kernactiviteiten heeft het produceren of presenteren van cultuur, het ontwikkelen van artistieke innovaties, of het ondersteunen van het culturele veld en die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld niet-gouvernementele organisaties, kennisinstellingen en bedrijven met een cultureel profiel.

      Onder niet-gouvernementele organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

      Onder cultuur wordt het geheel van de verschillende kunstvormen verstaan (podiumkunsten, beeldende kunsten, film, letteren, crosssectoraal), cultureel erfgoed en ontwerpsectoren (architectuur, design, nieuwe media).

      • Onder Nederlandse organisatie wordt verstaan: opgericht in Nederland, volgens Nederlands recht en statutair in Nederland gevestigd.

      • Onder internationale organisatie wordt verstaan: een organisatie die statutair buiten de grenzen van Nederland is gevestigd.

      • Onder lokale organisatie wordt verstaan: een organisatie die statutair is gevestigd binnen de grenzen van een land waar de beoogde activiteiten zich op richten.

    • d) Van de partijen die onderdeel uitmaken van de alliantie is ten minste één partij gevestigd in Nederland. Ten minste één van de mede-indieners betreft een lokale danwel internationale partij, gevestigd in het land dan wel één van de landen waar de activiteiten zich op richten.

  • Criterium D.2 – Omvang van de alliantie

    De uitgaven van de penvoerder en mede-indieners gezamenlijk in de laatste 2 jaren waarover een jaarverslag is gepubliceerd, bedragen ten minste € 1,4 miljoen per jaar.

    NB. Dit criterium ziet op de uitgaven van de alliantiepartners tezamen. De omvang van de uitgaven van samenwerkingspartners, niet zijnde een alliantiepartner zoals bedoeld in criterium D.3b, zoals (een) lokale uitvoerende organisatie(s), maakt geen onderdeel uit van dit criterium en kan niet worden aangehaald om aan dit criterium te voldoen.

  • Criterium D.3 – Vereisten aan samenwerking
    • a) Samenwerkingsovereenkomst

      De aanvraag omvat een door alle betrokken alliantiepartners getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

      • i. de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband;

      • ii. de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt;

      • iii. de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers; en

      • iv. de wijze waarop de penvoerder naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister waarborgt, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages.

    • b) Lokale uitvoerende organisatie(s)

      Indien in het kader van de uitvoering van de activiteiten wordt samengewerkt met (een) lokale uitvoerende organisatie(s), niet zijnde een mede-indiener zoals bedoeld in criterium D.1 is deze organisatie:

      • i. een rechtspersoon,

      • ii. geschikt voor het uitvoeren van (delen van) het project gelet op zijn ervaring met het beoogde thema dan wel in de beoogde regio, of beide, en

      • iii. betrouwbaar en stabiel.

  • Criterium D.4 – Mate van financiële onafhankelijkheid van de organisatie

    Gedurende de periode 2014–2016 was ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten afkomstig uit bronnen anders dan subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. ambassades). Dit criterium geldt voor de gehele alliantie in gezamenlijkheid.

  • Criterium D.5 – Uitgesloten organisaties

    Organisaties die niet in aanmerking komen voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma, en op generlei wijze onderdeel mogen uitmaken van de alliantie namens welk de aanvraag wordt ingediend, zijn:

    • a) amateurclubs, hobbyverenigingen en particuliere initiatieven;

    • b) organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop dit beleidskader betrekking heeft.

Drempelcriteria ten aanzien van het project

  • Criterium D.6 – Omvang van de subsidie
    • a) Minimale en maximale gevraagde subsidiebedrag

      De gevraagde subsidie per aanvraag bedraagt ten minste € 600.000 en ten hoogste € 1.4 miljoen voor de duur van het project.

    • b) Maximale subsidie in relatie tot omvang van de alliantie

      Gemiddelde jaarlijkse subsidiebedragen zullen nooit meer bedragen dan 50% van de gemiddelde totale jaarlijkse inkomsten van de alliantieleden gezamenlijk, gemeten over de periode 2014–2016.

    • c) Eigen bijdrage

      De alliantie (of derden anders dan de minister van Buitenlandse Zaken) financiert zelf minimaal 25% van de totale hoeveelheid middelen die zijn benodigd voor de uitvoering van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd. Het toegekende subsidiebedrag beslaat dus maximaal 75% van de kosten van uitvoering van de in het project opgenomen subsidiabele activiteiten.

  • Criterium D.7 – Additionele middelen

    De middelen die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het project zijn gewaarborgd.

  • Criterium D.8 – Thematische focus en doelgroep
    • a) 100% van de hoeveelheid middelen die voor de uitvoering van het project worden aangevraagd (m.a.w. de gevraagde subsidie) dient zich te richten op de (sub)doelstellingen van het subsidieprogramma. Dit betreft:

      • 1. de tweede hoofddoelstelling van het icb 2017–2020, namelijk het inzetten van cultuur voor een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld; én

      • 2. een groter vertrouwen tussen Nederland en de betrokken landen; én

      • 3. één of meerdere van de volgende sub-doelstellingen:

        • i. een krachtiger lokale cultuursector die kan bijdragen aan maatschappelijke innovatie;

        • ii. meer cultuurparticipatie door jongeren;

        • iii. een veiliger en duurzamer leefomgeving in steden;

        • iv. duurzaam behoud van lokaal cultureel erfgoed.

    • b) Het project waarvoor subsidie wordt gevraagd richt zich op jongeren tussen 15 en 24 jaar als doelgroep.

  • Criterium D.9 – Looptijd van het project

    Het project waarvoor subsidie wordt gevraagd heeft een minimale looptijd van 24 maanden en een maximale looptijd van 33 maanden.

  • Criterium D.10 – Start- en einddatum van het project

    De uitvoering van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd start niet eerder dan 1 april 2018 en niet later dan 1 januari 2019. Het project is uiterlijk 31 december 2020 afgerond.

  • Criterium D.11 – Landen van uitvoering
    • a) Het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd richt zich op de landen aan de grenzen van de Europese Unie.

    • b) Activiteiten gericht op landen waar géén Nederlandse ambassade operationeel is, op landen die vallen onder de DAC-classificering minst ontwikkelde landen (LDC’s)11, op de landen Libanon, Mali en de Palestijnse Gebieden12 of op EER-lidstaten13, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma.

  • Criterium D.12 – Niet-subsidiabele activiteiten

De activiteiten die zijn uitgesloten van subsidie betreffen:

  • initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

  • (financiering van) commerciële dienstverlening of commerciële activiteiten;

  • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

  • activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen;

  • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot het tijdvak waarop dit beleidskader betrekking heeft.

9. Inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.8)

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient de kwaliteit van de aanvraag, beoordeeld aan de hand van de hierna volgende inhoudelijke criteria, goed te zijn. De minimaal te behalen score bedraagt 70% van de maximaal te behalen totaalscore. Bij criterium I.1a en I.2 geldt dat een minimumscore behaald moet worden (zie hiervoor de aanvraagdocumenten). Wordt aan de vereiste minimumscores niet voldaan, dan wordt de aanvraag afgewezen.

Inhoudelijke criteria ten aanzien van de alliantie

  • Criterium I.1a – Track record
    • a. De penvoerder en mede-indieners zijn in staat gebleken om geplande outputs en outcomes te realiseren die aansluiten bij de genoemde (sub)doelstellingen van het icb-beleid (zie D.8 sub a) en beschikken over minimaal twee jaar ervaring met de geselecteerde sub-doelstelling(en) en één jaar ervaring in de landen in de in D.11 genoemde regio.

    • b. De alliantie beschikt over een groot en relevant netwerk, dat wordt ingezet bij de uitvoering van haar activiteiten.

    • c. De alliantie werkt bij voorkeur regionaal (in twee of meer landen in de in D.11 genoemde regio).

  • Criterium I.1b – Inclusiviteit, wederkerigheid, USP’s
    • a. Uit de samenwerkingovereenkomst blijkt dat bij de samenstelling van de alliantie rekening is gehouden met onderlinge complementariteit, wederkerigheid tussen en diversiteit van de deelnemende organisaties.

    • b. De alliantiepartners hebben een visie op het hanteren van een inclusieve aanpak.

    • c. De alliantie benoemt voor haar specifieke unique selling points.

Inhoudelijke criteria ten aanzien van het project

Ingediende aanvragen zullen worden beoordeeld op hun beleidsrelevantie aan de hand van de hiernavolgende criteria:

  • Criterium I.2 – Ontwerp van het project: context, risico’s en haalbaarheid
    • a. Het project is gebaseerd op een gedegen context- en actoranalyse, waaruit een adequate probleemstelling, de voorgestelde (innovatieve) interventiestrategie en outcomes logisch voortvloeien; duidelijk is hoe hiermee aan één of meerdere sub-doelstellingen voor Creative Twinning 2018–2020 (zie D.8 sub a) in ieder gekozen land wordt bijgedragen.

    • b. Bij het projectontwerp is rekening gehouden met de lessen en uitkomsten uit evaluaties, pilots, (wetenschappelijke) studies, etc.

    • c. Het project is SMART14 uitgewerkt in middelen, activiteiten, outputs, outcomes, assumpties en indicatoren, en houdt rekening met de risicoanalyse (criterium I.7), waarbij een logische en duidelijk weergegeven samenhang bestaat tussen deze onderdelen.

    • d. Het project is haalbaar en de gewenste resultaten staan in een realistische verhouding tot de beschikbare capaciteit (kennis, mensen, middelen, netwerken e.d.).

    • e. De kosten voor projectmanagement en andere overhead staan in een redelijke verhouding tot de middelen die voor de uitvoering van activiteiten worden aangewend.15

  • Criterium I.3 – Aansluiten op lokale vraag- en context
    • a. Het project (inclusief de voorgestelde activiteiten) sluit aan bij thema’s die lokaal relevant zijn en sluit aan bij een lokale vraag.

    • b. Alle alliantieleden 1) hebben effectieve invloed (gehad) op de totstandkoming en inhoud van het project; 2) hebben effectieve invloed op de monitoring en sturing van de activiteiten; en 3) leveren een bijdrage in kind of financieel aan het project.

  • Criterium I.4 – Inclusiviteit
    • a. Binnen het project wordt rekening gehouden met inclusiviteit.

    • b. De alliantie beoogt inclusiviteit te bewerkstelligen in relatie tot: 1) betrokkenheid van jeugd/jongeren in de leeftijdsgroep 15–24 jaar; 2) gekozen (sub)doelgroep(en); 3) mate waarin projecten gebruikmaken van een inclusieve benadering; 4) keuze voor eventuele (uitvoerings)partners.

  • Criterium I.5 – Langetermijn-perspectief van de samenwerking (duurzaamheid)

    Het project is duurzaam, hetgeen wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:

    • a. Het langetermijnperspectief voor de samenwerking tussen alliantiepartners en met de beoogde uitvoerende organisaties;

    • b. De beoogde effecten op de langere termijn voor wederzijds begrip en vertrouwen tussen lokale, internationale en Nederlandse organisaties en de achterban die zij vertegenwoordigen;

    • c. De wijze waarop het project wordt ingezet binnen lokale creatieve, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen.

Technische criteria voor het project

  • Criterium I.6 – Gehanteerde PM&E systematiek

    De gehanteerde planning-, monitoring- en evaluatiesystematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes en onderliggende assumpties.

  • Criterium I.7 – Risicomanagement

    Er is sprake van (1) een adequate analyse van de interne en externe risico’s van de uitvoering van het project voor de organisaties en de activiteiten (2) inclusief stappen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

  • Criterium I.8 – Begroting en proportionaliteit

    Het project legt een helder en realistisch verband tussen de benodigde middelen en de uit te voeren activiteiten en de te realiseren outputs en outcomes.

  • ^ [1]

    Het aanvraagformulier wordt geplaatst op www.rvo.nl/CreativeTwinning.

  • ^ [2]

    www.rvo.nl/CreativeTwinning.

  • ^ [3]

    Kamerstukken II 2015/16, 31 482, nr. 103.

  • ^ [4]

    Kamerstukken II 2015/2016, 31 482, nr. 97; nr. 101; nr. 103.

  • ^ [5]

    Zie voor een begripsomschrijving hoofdstuk 8.

  • ^ [6]

    Artikel 4, eerste lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

  • ^ [7]

    De term Programmalogica volgt de opzet en uitgangspunten van een zgn. Theory of Change.

  • ^ [8]

    Kamerstukken II 2015/2016, 31 482, nr. 97; nr. 101; nr. 103.

  • ^ [9]

    De Staatscourant wordt op werkdagen uitgebracht op www.officielebekendmakingen.nl. Het subsidieprogramma wordt tevens bekendgesteld op www.rvo.nl/CreativeTwinning.

  • ^ [10]

    Het aanvraagformulier en formats voor de bij dit formulier te voegen documenten zijn geplaatst op ww.rvo.nl/CreativeTwinning.

  • ^ [11]

    Zie https://www.un.org/development/desa/dpad/wp-content/uploads/sites/45/publication/ldc_list.pdf. Binnen deze landengroep wordt instrumentarium ingezet door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, dat vanuit de ODA-middelen wordt gefinancierd.

  • ^ [12]

    Zie de Kamerbrief op 15 februari 2017 met daarin de Kabinetsreactie op de motie Van Veen.

  • ^ [13]

    Bij de Europese Economische Ruimte (EER) horen alle EU-landen plus Liechtenstein, Noorwegen en IJsland.

  • ^ [14]

    SMART staat voor: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

  • ^ [15]

    Voor een definitie van wat wordt verstaan onder overheadkosten wordt verwezen naar de ‘definition of administrative costs allowance’ zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2017/04/20/definition-of-administrative-costs-allowance.