Aanpassing pensioenen en inhoudingen Appa

[Regeling vervalt per 01-01-2019.]
Geldend van 01-01-2018 t/m heden

Aanpassing pensioenen en inhoudingen Appa

De rechtspositie van politieke ambtsdragers is digitaal ontsloten op: www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich op deze website aanmelden als u digitaal op de hoogte wilt blijven van nieuwe documenten en publicaties (RSS-feed).

1. Inleiding

De pensioenen van politieke ambtsdragers zijn gebaseerd op de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). In het Besluit pensioen politieke ambtsdragers (verder: het besluit) wordt de aanpassing van de pensioenen (indexatie) en de hoogte van de bij de pensioenen en inhoudingen te hanteren franchise en het opbouwpercentage geregeld. In paragraaf 2 van deze circulaire wordt aangekondigd dat circulaires die betrekking hebben op politieke ambtsdragers vanaf 2019 uitsluitend elektronisch zullen worden aangeboden.

Paragraaf 3 betreft de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar met ingang van 1 januari 2018.

In paragraaf 4 wordt het jaarlijkse advies gegeven over hoe een bestuursorgaan de omvang van de benodigde reservering voor Appa-pensioenen en -waardeoverdracht kan berekenen.

De indexatie van de Appa-pensioenen vindt plaats in overeenstemming met de aanpassing van ABP-pensioenen. In deze jaarlijkse circulaire wordt de aanpassing bekend gemaakt van al ingegane pensioenen (paragraaf 5).

In paragraaf 6 wordt ingegaan op de verrekening van een (deeltijd)pensioen met de Appa-uitkering.

Met ingang van dit jaar wordt de ingangsleeftijd voor de voortgezette uitkering in het komende jaar opgenomen (paragraaf 7).

Ook worden de in 2018 in aanmerking te nemen inhoudingpercentages bekend gemaakt (paragraaf 8). Aldus kunnen de nodige aanpassingen in de salarisadministraties worden doorgevoerd voor de deelnemers in de Appa.

2. Van verzending circulaires naar publicatie op internet

Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Gedurende het jaar 2018 worden bij wijze van overgangsmaatregel de circulaires ook nog per post verzonden.

3. Pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar

De zogenoemde pensioenrichtleeftijd is een (reken)leeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fiscale opbouwruimte. Onder de huidige Appa is de pensioenrichtleeftijd 67 jaar. Door de stijgende levensverwachting wordt de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018 verhoogd naar 68 jaar.

Op grond van de wet is de – bij algemene maatregel van bestuur door te voeren – verhoging van de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting van de Nederlandse bevolking op 65-jarige leeftijd in het kalenderjaar dat is gelegen tien jaar na het kalenderjaar van wijziging. Op 31 oktober 2016 heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd. In het Besluit van 21 december 2016 tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen (Stb. 2016, nr. 549) is vervolgens bepaald dat de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018 omhoog gaat van 67 naar 68 jaar.

Het verhogen van de pensioenrichtleeftijd heeft gevolgen voor de maximaal toegestane opbouw- en premiepercentages. Vanaf 1 januari 2018 mag in dat geval nog steeds fiscaal gefaciliteerd een levenslange uitkering van 1,875% van het middelloon worden opgebouwd, maar daarbij dient bij de berekening te worden uitgegaan van een uitkering die ingaat vanaf de 68-jarige leeftijd. In artikel 13c, eerste lid, van de Appa is het opbouwpercentage dat voor enig dienstjaar wordt gehanteerd, het percentage dat voor dat dienstjaar voor de opbouw van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers wordt gehanteerd. Dit opbouwpercentage blijft voor overheidswerknemers in 2018 gehandhaafd op het niveau van 1,875% waarbij voor de berekening van het pensioen wordt uitgegaan van een uitkering die ingaat vanaf de leeftijd van 68 jaar.

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft geen invloed op de vóór 1 januari 2018 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Voor die opbouw blijft de pensioenrichtleeftijd van 65 jaar (voor de opbouw tot en met 31 december 2013) en 67 jaar gelden (voor de opbouw in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017).

De pensioenrichtleeftijd staat los van de feitelijke ingangsdatum van het pensioen. De ingangsdatum van het pensioen is in de Appa vastgesteld op de AOW-ingangsdatum maar kan ook eerder of later ingaan.

Een voorbeeld kan de consequenties van de verhoging van de pensioenricht-leeftijd voor de berekening van het pensioen op de pensioendatum verduidelijken. Het gaat om een Appa-gerechtigde die twee jaren pensioen heeft opgebouwd in een tijd waarin de pensioenrichtleeftijd 67 jaar was en vervolgens twee jaren waarin die leeftijd 68 jaar was. Betrokkene kiest voor de ingang van zijn pensioen op de leeftijd van 66-jaar.

De opbouw over de eerste twee jaren geeft aanleiding tot pensioen op 67-jarige leeftijd van twee maal het opbouwpercentage van de pensioengrondslag. Maar de betrokkene gaat al op 66-jarige leeftijd met pensioen. Dat betekent dat dit deel actuarieel herrekend wordt van 67 jaar naar 66 jaar. Dat heeft een verlaging tot gevolg.

De opbouw over de laatste twee jaren geeft aanleiding tot pensioen op 68-jarige leeftijd van tweemaal het opbouwpercentage van die pensioengrondslag. Maar de betrokkene gaat al op 66-jarige leeftijd met pensioen. Dat betekent dat dit deel actuarieel herrekend wordt van 68 naar 66 jaar. Dat heeft een nog wat sterker verlaging tot gevolg dan die over het eerder genoemde deel.

Het pensioen bestaat vervolgens uit de som van deze twee herrekende delen.

4. Voorzieningen voor pensioen en waardeoverdracht van Appa-gerechtigden

In de circulaire Wijzigingen Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers van 16 januari 2012, kenmerk 2011-2000577103, is in paragraaf 6 in algemene zin ingegaan op de door de decentrale bestuursorganen in te stellen voorziening voor pensioenen en waardeoverdracht ten behoeve van hun Appa-gerechtigden. Er blijkt behoefte aan verduidelijking welke reservering een bestuursorgaan zou moeten aanhouden. Voor de voorziening adviseert BZK uit te gaan van de benodigde individuele overdrachtswaarde. Voor de bij waardeoverdrachten te hanteren rekenrente geldt het volgende.

In artikel 160a van de Appa is geregeld dat het desbetreffende bestuursorgaan op aanvraag van een gewezen politieke ambtsdrager de waarde van de door de aanvrager krachtens de vijfde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken overdraagt, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht. Daarbij zijn de bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.

In het zevende lid van artikel 71 van de Pensioenwet is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken alsmede de in acht te nemen procedures. In hoofdstuk 6 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn deze nadere regels opgenomen. In artikel 25 is de bepaling van de waarde geregeld:

‘De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.’

De in aanmerking te nemen rente is opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 18 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling:

  • 2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Deze rente is inmiddels bekend voor 2018, namelijk: 1,648%. Deze is te vinden op: http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-markten/rentes/index.jsp, onder het kopje downloads. De van toepassing zijnde tabel is T1.3.1 (zie genoemde link). Dit percentage is derhalve van toepassing op waardeoverdrachten met een overdrachtsdatum in het kalenderjaar 2018.

Niet alleen bij waardeoverdrachten, maar ook bij de waardering van de reeds vóór 2018 ingegane pensioenen wordt u ook geadviseerd hierbij aan te sluiten. Ofwel door toepassing van hetzelfde percentage (1,648 %), dan wel door aan te haken bij een kortere gemiddelde duur van bijvoorbeeld 10 jaar (0,927%).

5. Aanpassing ingegane pensioenen

In artikel 2.1.8 van het besluit is bepaald dat de door een betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken jaarlijks worden gewijzigd voor zover het ABP in het desbetreffende jaar de pensioenaanspraken van overheidswerknemers voor voorwaardelijke indexatie in aanmerking laat komen. Bij de wijziging worden het percentage, de bedragen en de ingangsdatum gehanteerd die het ABP toepast ten aanzien van een overheidswerknemer in de sector Rijk.

De ABP-pensioenen worden met ingang van 1 januari 2018 niet aangepast doordat de dekkingsgraad van het ABP te laag is. Dat betekent dat de berekeningsgrondslagen en de pensioenen die vóór 1 januari 2018 zijn vastgesteld en toegekend ingevolge de Appa met ingang van 1 januari 2018 ook niet worden aangepast.

6. Verrekening pensioen met een Appa-uitkering

Er blijkt behoefte aan duidelijkheid hoe de verrekening plaatsvindt van een (deeltijd)pensioen met een Appa-uitkering.

Hiervoor wordt de WW-systematiek gehanteerd. Voor de Appa wordt hier het Algemeen Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB) gevolgd, zoals dat in dit verband laatstelijk in 2015 is gewijzigd (Stb. 2015, nr. 43).

De hoofdregel van het AIB is dat ouderdomspensioen in mindering gebracht wordt op de WW-uitkering. Deze is te vinden in artikel 3.5, vierde lid, van dat besluit. In het vijfde lid van dit artikel is een uitzondering opgenomen op deze hoofdregel. Een (deeltijd)pensioen wordt niet gekort op de WW-uitkering die samenhangt met dezelfde (resterende) dienstbetrekking waaruit de werknemer vervolgens (volledig) werkloos wordt. Het zevende lid bepaalt dat het ouderdomspensioen niet met een WW-uitkering wordt verrekend wanneer dit ouderdomspensioen voortvloeit uit een naastgelegen (parallelle) dienstbetrekking ten opzichte van de dienstbetrekking waaruit betrokkene werkloos is geworden.

Het toepassen van de WW-systematiek op de Appa heeft dus als consequentie dat onder de te verrekenen inkomsten in de Appa “inkomen in verband met arbeid” in principe wel het ouderdomspensioen wordt verstaan, tenzij er sprake is van één of meer van de volgende situaties:

  • 1. Voor zover de uitkeringsgerechtigde een (deeltijd)pensioen ontving vóór het intreden van de werkloosheid en dat (deeltijd)pensioen samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren. Wanneer de uitkeringsgerechtigde vervolgens (volledig) werkloos wordt, vindt geen verrekening plaats van dit ingegane (deeltijd)pensioen met de Appa-uitkering.

  • 2. Wanneer het ouderdomspensioen voortvloeit uit een parallelle dienstbetrekking ten opzichte van de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, hoeft deze niet verrekend te worden met de Appa-uitkering.

  • 3. Ouderdomspensioen dat al werd ontvangen voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden, hoeft niet gekort te worden op de Appa-uitkering. Voor de betrokkene was er dan geen aanleiding om zich uit het arbeidsproces terug te trekken, aldus de toelichting op het AIB.

7. Ingangsleeftijd voortgezette uitkering

In de Appa is in artikel 7, derde lid, artikel 52, derde lid, of artikel 132, tweede lid, bepaald dat een van de voorwaarden voor een recht op voortgezette uitkering, is dat belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd moet zijn van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd. Wat deze pensioengerechtigde leeftijd is, wordt bepaald in de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Voor de periode tot 1 januari 2022 is de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar. Ingevolge artikel 7a, tweede lid, van AOW is de AOW-gerechtigde leeftijd met ingang van 1 januari 2022 gekoppeld aan de door het CBS geraamde macro gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd zoals die wordt verwacht in het jaar van wijziging. Door de toegenomen levensverwachting is de AOW-gerechtigde leeftijd met ingang van 1 januari 2022 gestegen van 67 jaar naar 67 jaar en 3 maanden. Met ingang van 1 januari 2023 is de ingangsleeftijd voor de AOW-gerechtige leeftijd ongewijzigd gebleven en blijft deze 67 jaar en 3 maanden.

Het bovenstaande betekent voor de Appa dat de minimale ingangsleeftijd voor de toekenning van een recht op de voortgezette uitkering in 2018, 67 jaar en 3 maanden is minus vijf jaar. Dat is dus 62 jaar en 3 maanden.

Voor een belanghebbende die op 1 januari 2016 een Appa-functie vervulde, geldt in dit verband overgangsrecht (artikel 36a, derde, vierde en vijfde lid, artikel 84c, vierde, vijfde en zesde lid, artikel 163 ca, zesde en zevende lid en artikel 163cb, eerste en tweede lid). Voor het overgangsrecht geldt een ingangsleeftijd die minimaal negen jaar en zeven maanden of minder verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd die is vastgesteld voor het kalenderjaar vijf jaren na het ontslag of aftreden. Dit betekent dat voor een Appa-gerechtigde die ontslagen wordt of aftreedt in 2018, de minimale ingangsleeftijd voor de voortgezette uitkering op grond van het overgangsrecht 67 jaar en 3 maanden is minus negen jaar en zeven maanden; dat is 57 jaar en 8 maanden.

8. Franchise en inhoudingen

In het besluit wordt de hoogte van de bij de pensioenen en inhoudingen te hanteren franchise geregeld. In artikel 2.1.4 van het besluit is bepaald dat voor de Appa de franchise geldt die in een kalenderjaar ten aanzien van de beroepsmilitairen, gewezen beroepsmilitairen en gepensioneerde beroepsmilitairen wordt gehanteerd.

In artikel 2.1.6 van het besluit is bepaald dat het opbouwpercentage, bedoeld in artikel 13c, eerste lid, van de Appa, het opbouwpercentage is dat het ABP hanteert voor het desbetreffende jaar voor een overheidswerknemer die niet valt in een van de overgangsvoorzieningen ten aanzien van dat percentage.

In het eerste lid van artikel 2.2.1 van het besluit is bepaald dat de inhouding op de bezoldiging ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de Appa, gelijk is aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de Anw-compensatie, met inachtneming van de franchise, bedoeld in artikel 2.1.4.

In het tweede lid van artikel 2.2.1 van het besluit is bepaald dat de inhouding op de bezoldiging ter zake van aanspraken bij arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de artikelen 106 en 160, eerste lid, van de Appa, gelijk is aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen, met inachtneming van de daarvoor geldende franchise.

De franchise, het opbouwpercentage en de inhoudingen bedragen met ingang van 1 januari 2018:

  • Franchise: € 19.450 (was € 19.100);

  • OP/NP-premie: 6,87 % van de pensioengrondslag met een maximum pensioengrondslag van (€ 105.075 - € 19.450) = € 85.625,00 (was per 1 januari 2017 6,33% met een maximum pensioengrondslag van € 84.217);

  • Opbouwpercentage ouderdomspensioen: 1,875% van de pensioengrondslag met een maximum van € 105.075 (was 1,875% van de pensioengrondslag met een maximum van € 103.317);

  • Anw-reparatie: In het eerste lid van artikel 2.2.1 van het Besluit pensioenen politieke ambtsdragers is bepaald dat de inhouding op de bezoldiging gelijk is aan het premieverhaal op een overheidswerknemer ter zake van de premie die aan het ABP verschuldigd is voor de Anw-compensatie. Nu de inhouding voor de Anw-reparatie bij het ABP met ingang van 1 januari 2018 is komen te vervallen, wordt deze inhouding per 1 januari 2018 bij de Appa op 0% gesteld. De Anw-reparatie blijft vooralsnog in de Appa-regeling tot nadere berichtgeving bestaan.

  • IP-premie: 0,15 % (was 0,12%) van de berekeningsgrondslag na vermindering met de franchise van € 20.450 (was € 20.100).

  • Zorgverzekeringswet: de percentages van de inkomensafhankelijke bijdrage worden gewijzigd in 5,65% (was 5,40%) en 6,90% (was 6,65%). Het maximale bijdrage inkomen waarover Zvw-bijdrage verschuldigd is, wordt € 54.614 (was € 53.701) per jaar (Stcrt. 2017, nr. 69987).

8*. Nadere informatie

Voor eventuele nadere vragen kunt u contact opnemen met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

namens deze,

R. Bagchus

Directeur Democratie & Burgerschap

Terug naar begin van de pagina