Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO

Geldend van 13-12-2017 t/m heden

Beleidsregel van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) inzake toepassing van de Wet wegvervoer goederen en verordening 1071/2009/EG ten aanzien van vergunningverlening (Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO)

De NIWO;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Overwegende dat het wenselijk is om de wettelijke taken van de NIWO nader te duiden;

stelt de volgende beleidsregel vast:

Hoofdstuk 1. Eisen met betrekking tot een aanvraag voor de communautaire vergunning

Artikel 0. Definitiebepaling

  • beroepsverordening voor het wegvervoer: verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PbEU L 300);

  • marktverordening voor het wegvervoer: verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PbEU L 300);

  • onderneming: elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon, met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groerping van personen zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder winstoogmerk, alsmede elke overheidsinstantie, ongeacht of zij zelf rechtspersoonlijkheid bezit dan wel afhankelijk is van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid (...) of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen vervoert als bedoeld in artikel 2 vierde lid van verordening (EG) nr. 1071/2009/ van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PbEU L 300);

  • vervoerder: de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of de maatschap voor wiens rekening en risico het beroepsvervoer wordt verricht als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen;

  • voertuigen: motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van goederen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen;

  • wet: Wet wegvervoer goederen.

Artikel 1. Eisen aanvraag

  • 1 Bij een aanvraag voor verlening of verlenging van de communautaire vergunning wordt ingevolge artikel 3 van de beroepsverordening voor het wegvervoer juncto artikel 2.8 van de wet vastgesteld of de onderneming die het beroep van wegvervoerondernemer voor rekening en risico uitoefent of wil gaan uitoefenen voldoet aan de eisen van:

    • a. werkelijke en duurzame vestiging;

    • b. betrouwbaarheid;

    • c. financiële draagkracht; en

    • d. vakbekwaamheid.

Artikel 2. Werkelijke en duurzame vestiging

  • 1 De onderneming is werkelijk en op duurzame wijze in Nederland gevestigd.

  • 2 Van de in het eerste lid bedoelde vestiging is sprake indien in onderling verband en samenhang bezien:

    • a. de onderneming staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • b. de onderneming beschikt over een BTW nummer;

    • c. de onderneming op het vestigingsadres de documenten als bedoeld in artikel 5 van de beroepsverordening voor het wegvervoer evenals overige documenten die zien op de transportactiviteiten en de voertuigen van de onderneming bewaart;

    • d. er één of meer gekentekende voertuigen ter beschikking van de onderneming staan;

    • e. de vervoersactiviteiten onder meer in Nederland plaatsvinden;

    • f. de APK-keuring of het onderhoud van de voertuigen in Nederland wordt verricht.

  • 3 Op verzoek overlegt de onderneming een overzicht van de kentekens van de voertuigen waarvoor een gewaarmerkt afschrift van de vergunning wordt aangevraagd dan wel is verstrekt.

  • 4 Op verzoek overlegt de onderneming bewijs dat de voertuigen ter beschikking van de onderneming staan.

Artikel 3. Betrouwbaarheid

  • 1 De onderneming en de vervoersmanager voldoen aan de eis van betrouwbaarheid.

  • 2 De betrouwbaarheid van natuurlijke personen en rechtspersonen wordt aangetoond met een verklaring omtrent het gedrag voor de functie van wegvervoerondernemer goederenvervoer, die niet ouder is dan twee maanden gerekend vanaf de datum van de aanvraag voor verlening of verlenging van de communautaire vergunning.

  • 3 Indien een bestuurder van een rechtspersoon niet de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt naast de verklaring omtrent het gedrag voor rechtspersonen, voor die bestuurder een aparte, door de bevoegde buitenlandse autoriteit afgegeven verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen overgelegd.

  • 4 De onderneming of de vervoersmanager wordt onbetrouwbaar verklaard, indien er jegens de vervoersmanager of de onderneming een onherroepelijke veroordeling of sanctie wegens een van de zeer ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage IV van de beroepsverordening voor het wegvervoer is opgelegd.

  • 5 Op verzoek overlegt de onderneming gedurende de looptijd van de vergunning een nieuwe verklaring omtrent het gedrag. De onderneming overlegt in elk geval een nieuwe verklaring omtrent het gedrag bij (tussentijdse) toetreding van bestuurders en vervoersmanagers.

Artikel 4. Financiële draagkracht

  • 1 De onderneming beschikt ter voldoening aan de eis van financiële draagkracht over kapitaal en reserves van € 9.000,– wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en € 5.000,– voor ieder volgend voertuig.

  • 2 Bij een aanvraag voor verlening en verlenging van de communautaire vergunning wordt als kapitaal en reserves aangemerkt het beschikbaar risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen eventueel aangevuld met een achtergestelde lening, eventuele overwaardes of een bankgarantie.

  • 3 De onderneming toont zijn financiële draagkracht aan door overlegging van een (openings)balans, een tussentijdse balans of de jaarcijfers, voorzien van een vermogensopstelling indien het eigen vermogen onvoldoende is.

  • 4 Bij de in het derde lid bedoelde financiële stukken wordt een verklaring gevoegd, inhoudende dat de waardering van het beschikbaar risicodragend vermogen is geschied volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en dat dit vermogen voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen.

  • 5 De in het vierde lid bedoelde verklaring wordt afgegeven door een accountant of deskundige aangesloten bij:

    • a. Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants;

    • b. Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen; of

    • c. Register Belastingadviseurs.

  • 6 Op verzoek overlegt de onderneming ter onderbouwing van de in het vierde lid bedoelde verklaring achterliggende stukken.

  • 7 In geval sprake is van een achtergestelde lening, wordt een afschrift van de achterliggende leningsovereenkomst tot achterstelling overgelegd. In de leningsovereenkomst zijn in ieder geval de volgende elementen opgenomen:

    • a. NAW-gegevens van de geldnemer en de geldgever;

    • b. bedrag waarover de geldlening is aangegaan;

    • c. wijze van een eventueel vervroegde aflossing;

    • d. rentevergoeding;

    • e. termijn waarvoor de lening is aangegaan; en

    • f. achterstelling van de geldlening ten aanzien van alle bestaande en toekomstige crediteuren.

  • 8 Op verzoek toont de onderneming gedurende de looptijd van de vergunning van een onderneming aan dat nog steeds wordt voldaan aan de eis van financiële draagkracht.

  • 9 De onderneming toont haar financiële draagkracht in ieder geval opnieuw aan indien een uitbreiding van het aantal gewaarmerkte afschriften leidt tot overschrijding van het door de onderneming eerder aangetoonde risicodragend vermogen.

Artikel 5. Vakbekwaamheid

  • 1 De vakbekwaamheid wordt ingebracht door een natuurlijk persoon, de vervoersmanager, die door overlegging van een erkend vakdiploma aantoont dat hij de vereiste kennis bezit.

  • 2 Een interne vervoersmanager:

    • a. heeft een woonplaats in de Europese Unie;

    • b. geeft daadwerkelijk en permanent leiding aan de vervoersactiviteiten van de onderneming; en

    • c. heeft een reële band met de onderneming.

  • 3 Een externe vervoersmanager:

    • a. heeft een woonplaats in de Europese Unie;

    • b. geeft daadwerkelijk en permanent leiding aan de vervoersactiviteiten van de onderneming;

    • c. is werkzaam op grond van een overeenkomst waarin in ieder geval diens verantwoordelijkheden als vervoersmanager zijn bepaald en de taken worden omschreven die die persoon moet uitvoeren; en

    • d. is niet tevens werkzaam bij of voor de opdrachtgever van de onderneming waarbij hij de vakbekwaamheid inbrengt.

  • 4 De inzet van de vervoersmanager wordt beoordeeld aan de hand van te overleggen bewijsstukken die betrekking hebben op:

    • a. een arbeids- of managementovereenkomst, waarin in ieder geval diens verantwoordelijkheden als vervoersmanager zijn bepaald en de taken worden omschreven die deze persoon daadwerkelijk en op permanente wijze uitvoert;

    • b. een redelijke beloning, waarbij wordt aangesloten bij de relevante functieklassen uit de CAO;

    • c. een in het Handelsregister ingeschreven volmacht ten aanzien van de vervoersactiviteiten van de onderneming; en

    • d. de wijze waarop de vervoersmanager gemiddeld per week daadwerkelijk vorm en inhoud geeft aan een overeenkomst als bedoeld in sub a.

  • 5 De vervoersmanager mag bij maximaal vier vervoersondernemingen zijn vakbekwaamheid inbrengen zolang het wagenpark van de vervoersondernemingen bij elkaar niet meer bedraagt dan vijftig voertuigen.

  • 6 In afwijking van het vijfde lid mag een interne vervoersmanager een onbeperkt aantal voertuigen beheren indien hij in de hoedanigheid van vervoersmanager werkzaam is bij één vervoersonderneming of binnen de context van één holding waartoe meerdere vervoersondernemingen behoren.

Artikel 6. Vrijstelling van het afleggen van examens van vakbekwaamheid

Indien als gevolg van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid van de vervoersmanager niet meer wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid, wordt op verzoek en ten behoeve van de voortzetting van de desbetreffende onderneming een persoon door de NIWO vrijgesteld van het afleggen van examens van vakbekwaamheid indien aangetoond wordt dat:

  • a. hij voor een periode van tien jaar voorafgaand aan 4 december 2009 ononderbroken in de desbetreffende vervoersonderneming een leidinggevende functie heeft bekleed;

  • b. hij op basis van een overeenkomst werkzaamheden verrichtte voor de betrokken onderneming op het moment dat een in dit artikel bedoelde omstandigheid zich voordeed; en

  • c. die vervoersonderneming in die periode de beschikking heeft gehad over een vergunning.

Hoofdstuk 2. Het indienen van een aanvraag

Artikel 7. Indienen aanvraag

  • 1 Een aanvraag tot verlening of verlenging van een vergunning kan langs elektronische weg worden ingediend, mits dit via het daartoe ingerichte ondernemersloket geschiedt.

  • 2 Nadat voor de in het eerste lid bedoelde aanvraag de verschuldigde vergoeding is ontvangen, wordt de aanvraag binnen acht weken behandeld en beslist.

  • 3 Indien een aanvraag niet voorzien is van alle noodzakelijke stukken om tot een inhoudelijke behandeling van de aanvraag te komen, wordt om overlegging van aanvullende stukken verzocht binnen een daartoe te stellen redelijke termijn.

  • 4 De behandeltermijn wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop de aanvrager is verzocht de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

  • 5 Indien de gegeven termijn als bedoeld in het vierde lid ongebruikt is verstreken, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.

  • 6 Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het indienen van bezwaarschriften.

  • 7 Ingeval een aanvraag voor verlenging van de communautaire vergunning na de expiratiedatum van de communautaire vergunning wordt ingediend, wordt deze aanvraag als een nieuwe aanvraag voor verlening van de communautaire vergunning beschouwd en is hoofdstuk één van toepassing.

  • 8 Ingeval van wijzigingen met betrekking tot de rechtsvorm van de onderneming dient de onderneming een nieuwe aanvraag voor verlening van de communautaire vergunning in.

Artikel 8. Nieuwe aanvraag na vervallen binnenlandse vergunning

  • 1 Ingeval van wijzigingen met betrekking tot de vakbekwaamheid en de rechtsvorm van de onderneming wordt de binnenlandse vergunning ingetrokken respectievelijk komt deze van rechtswege te vervallen en dient de onderneming een aanvraag voor verlening van de communautaire vergunning in.

  • 2 Ingeval van wijzigingen met betrekking tot de naam en het adres van de onderneming vervallen de verstrekte vervoersdocumenten en vraagt de onderneming ter vervanging nieuwe vervoersdocumenten aan. Voor deze documenten is de vergoeding verschuldigd zoals vastgesteld in artikel 4 van het Besluit vergoedingen NIWO.

Hoofdstuk 3. Onderzoek en termijnen

Artikel 9. Onderzoek naar naleving van vergunningeisen

  • 2 Indien de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraagprocedure voor verlening van een communautaire vergunning daartoe aanleiding geven, wordt binnen één jaar na vergunningverlening een nader onderzoek ingesteld.

  • 3 In de in het tweede lid bedoelde gevallen wordt een gewaarmerkt afschrift afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar. Indien uit onderzoek blijkt dat aan alle vergunningeisen wordt voldaan, wordt een nieuw gewaarmerkt afschrift verstrekt voor de resterende geldigheidsduur van de communautaire vergunning.

  • 4 Indien gedurende de looptijd van de vergunning wordt vastgesteld dat de onderneming niet meer aan één of meer vergunningeisen voldoet, kan op verzoek van de onderneming een overbruggingstermijn van maximaal zes maanden worden verleend om opnieuw aan alle vergunningeisen te voldoen. Ten aanzien van de eisen van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid, kan deze termijn met drie maanden worden verlengd bij overlijden of lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager.

  • 5 De overbruggingstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop is vastgesteld en in de vorm van een voornemen aan de onderneming kenbaar is gemaakt, dat niet meer aan één of meer vergunningeisen wordt voldaan.

  • 6 Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, schorst de behandeltermijn van een eventueel al ingediende aanvraag van de betreffende onderneming voor verlenging van de communautaire vergunning.

  • 8 Indien de onderneming, ingeval geen bezwaar wordt ingediend, niet binnen één week na de inwerkingtreding van de beschikking tot intrekking de vergunning en de gewaarmerkte afschriften inlevert, kan de NIWO een last onder dwangsom opleggen op grond van artikel 5.2 van de wet en de Beleidsregel last onder dwangsom van de NIWO.

Artikel 10. Risicobedrijven

  • 1 Een onderneming die beschikt over een communautaire vergunning wordt beschouwd als risicobedrijf, als bedoeld in artikel 12 van de beroepsverordening voor het wegvervoer, indien sprake is van:

    • a. een solvabiliteitsratio lager dan 20%; of

    • b. een achtergestelde lening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van deze beleidsregel, die gebruikt wordt om aan de eis van financiële draagkracht te voldoen.

  • 2 Een risicobedrijf toont jaarlijks aan dat zij voldoet aan de eis van financiële draagkracht op de wijze als bedoeld in artikel 4, derde lid van deze beleidsregel.

  • 3 Een onderneming wordt niet langer als risicobedrijf beschouwd indien:

    • a. er sprake is van een minimale solvabiliteitsratio van 20%; of

    • b. de achtergestelde lening is afgelost en er wordt voldaan aan de eis van financiële draagkracht.

Hoofdstuk 4. Financiële verstrengeling

Artikel 11. Voor rekening en risico van de vervoerder

  • 1 Indien wordt onderzocht of er sprake is van vervoer voor rekening en risico van de onderneming wordt de mate van financiële verstrengeling beoordeeld. Bij dit onderzoek wordt in ieder geval gekeken naar de volgende elementen:

    • a. er is sprake van één of meer rijdende deelnemer(s);

    • b. de voor het vervoer bestemde voertuigen staan ter beschikking van de onderneming;

    • c. de winstgerechtigdheid per deelnemer is niet in overwegende mate gerelateerd aan de aan deze deelnemer toe te rekenen omzet en kosten;

    • d. de onderneming draagt in overwegende mate het arbeidsongeschiktheidsrisico van de deelnemers;

    • e. de onderneming kent een regeling waarmee eventuele knelpunten in het vervoersschema kunnen worden opgevangen;

    • f. opdrachtgevers geven hun opdracht aan de onderneming;

    • g. facturatie geschiedt uit naam van de onderneming;

    • h. de onderneming draagt het debiteurenrisico;

    • i. de onderneming neemt de gebruikelijke verzekeringen uit.

  • 2 Onder deelnemers als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan: de vennoten van een vennootschap onder firma, de beherende en stille vennoten van een commanditaire vennootschap, de maten van een maatschap, de leden van een coöperatie, de leden van een vereniging en de bestuurders van een stichting.

  • 3 Een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een maatschap, een coöperatie en een stichting overleggen op verzoek een verklaring gezamenlijk vervoer.

Artikel 12. Wijzigingen in het vennootschapsbestand

  • 1 Zodra een vergunning is verleend geeft een vennootschap onder firma wijzigingen in het vennootschapsbestand onverwijld door.

  • 2 Bij uittreden of overlijden van een vennoot blijft de vennootschap onder firma als vervoerder in de zin van artikel 1.1 van de wet aangemerkt, indien:

    • a. een vennootschapsakte wordt overgelegd, waarin een voortzettingsbeding is opgenomen, en

    • b. aangetoond wordt dat aan de eis van financiële draagkracht wordt voldaan.

  • 3 Bij het ontbreken van de in het tweede lid, onder a bedoelde vennootschapsakte, wordt verondersteld dat de vennootschap onder firma is ontbonden.

  • 4 Indien de vennootschap onder firma door het uittreden of overlijden van één of meer vennoten nog uit slechts één persoon bestaat waardoor deze van rechtswege ophoudt te bestaan en de overgebleven persoon de vervoersactiviteiten van de voormalige vennootschap onder firma wenst voort te zetten, dient de onderneming een nieuwe aanvraag voor verlening van de communautaire vergunning in.

Hoofdstuk 5. Vervoersdocumenten

Artikel 13. Communautaire vergunning en gewaarmerkte afschriften

  • 1 Indien een aanvraag voor verlening of verlenging van de communautaire vergunning of een verzoek om uitbreiding van het aantal gewaarmerkte afschriften is ingewilligd, worden gewaarmerkte afschriften verstrekt overeenkomstig het aantal ter beschikking staande voertuigen tot een maximum aantal dat wordt bepaald door de eis van financiële draagkracht.

  • 3 Een gewaarmerkt afschrift bevindt zich in originele staat aan boord van elk voertuig die door de onderneming wordt ingezet voor het beroepsgoederenvervoer.

  • 4 Ingeval van wijzigingen met betrekking tot de naam en het adres van de onderneming vervallen de verstrekte vervoersdocumenten en vraagt de onderneming ter vervanging nieuwe vervoersdocumenten aan. Voor deze documenten is de vergoeding verschuldigd zoals vastgesteld in artikel 4 van het Besluit vergoedingen NIWO.

Artikel 14. Overbruggingsbewijzen

  • 1 Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 7, zevende lid van deze beleidsregel worden op verzoek van de onderneming overbruggingsbewijzen verstrekt gedurende de aanvraagprocedure voor maximaal zes maanden waarbij de geldigheid van het overbruggingsbewijs ingaat vanaf de datum van uitgifte van het overbruggingsbewijs.

  • 2 Ingeval een aanvraag voor verlenging van de communautaire vergunning vóór de expiratiedatum wordt ingediend, en waarop ten tijde van de expiratiedatum nog niet is beslist, worden op verzoek van de onderneming overbruggingsbewijzen verstrekt voor maximaal zes maanden.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde overbruggingsbewijzen zijn geldig vanaf de expiratiedatum van de communautaire vergunning.

Artikel 15. Vermissing gewaarmerkte afschriften

  • 1 Bij vermissing van gewaarmerkte afschriften wordt door de onderneming terstond een verklaring van vermissing bij de politie of de gemeente aangevraagd, waarna een kopie van deze verklaring door de onderneming wordt overgelegd.

  • 2 Indien de in het voorgaande lid bedoelde verklaring van vermissing wordt overgelegd, wordt een vervangend gewaarmerkt afschrift verstrekt. Voor dit gewaarmerkte afschrift is de vergoeding verschuldigd zoals vastgesteld in artikel 4 van het Besluit vergoedingen NIWO.

Artikel 16. Faillissement

  • 1 Indien de NIWO constateert dat een onderneming in staat van faillissement is verklaard, wordt de verleende vergunning ingetrokken waarvan mededeling wordt gedaan aan de curator.

  • 2 Indien sprake is van tijdelijke voortzetting van de vervoersactiviteiten van de gefailleerde onderneming, behoudt de gefailleerde onderneming de vergunning en het aantal gewaarmerkte afschriften dat nodig is voor die voortzetting voor de duur van maximaal acht weken, gerekend vanaf het moment van de mededeling als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien de termijn van acht weken is verstreken, wordt de vergunning van de gefailleerde onderneming ingetrokken.

  • 4 Indien de curator, ingeval geen bezwaar tegen de intrekking van de vergunning wordt ingediend, niet binnen één week na de inwerkingtreding van de beschikking tot intrekking de vergunning en de gewaarmerkte afschriften van de gefailleerde inlevert, kan de NIWO een last onder dwangsom opleggen op grond van artikel 5.2 van de wet en de Beleidsregel last onder dwangsom van de NIWO.

  • 5 Indien een doorstart van de gefailleerde onderneming plaatsvindt, dient de doorstartende onderneming een nieuwe aanvraag voor verlening van de communautaire vergunning in.

Hoofdstuk 6. Bezwaar en beroep

Artikel 17. Bezwaar

  • 1 In afwijking van artikel 6:16 Awb, schorst het bezwaar, indien ontvankelijk, de werking van het besluit tot afwijzing of intrekking waartegen het is gericht gedurende de bezwaarprocedure.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de werking van het besluit waartegen een bezwaar is ingediend niet geschorst indien er feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen of redelijkerwijze doen vermoeden dat de verleende communautaire vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 19. Intrekking

De beleidsregel van 2 januari 2017 (Stcrt. 2 januari 2017, nr. 53) wordt ingetrokken.

Artikel 20. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel vergunningverlening van de NIWO’.

Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie,

De directeur,

G.J. Olthoff