Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Inkomstenbelasting, toeslagen, partnerregeling; partnerschap pleegkind

Geldend van 30-11-2017 t/m heden

Inkomstenbelasting, toeslagen, partnerregeling; partnerschap pleegkind

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Dit besluit bevat een goedkeuring waardoor een niet-eigen kind voor wie de pleegouder of verzorgende ouder een pleegvergoeding of kinderbijslag heeft ontvangen, wordt uitgezonderd van partnerschap voor de inkomstenbelasting en voor de toeslagen. Dit besluit loopt vooruit op een wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

1. Inleiding

Voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Awir kwalificeert een kind jonger dan 27 jaar niet als partner van zijn ouder. Onder een kind wordt mede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap. Er is sprake van een pleegkind als een kind wordt opgevoed en onderhouden als een eigen kind1. Als de pleegouder voor een kind echter in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen, onderhoudt de pleegouder dat kind niet als een eigen kind. Dit kind valt dan voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Awir niet onder de definitie van een pleegkind. Gevolg hiervan is dat een meerderjarig kind voor wie de pleegouder in enig jaar een pleegvergoeding heeft ontvangen in bepaalde situaties kwalificeert als partner van de pleegouder.

Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen als een verzorgende ouder in enig jaar kinderbijslag heeft ontvangen voor een niet-eigen kind dat niet (meer) kwalificeert als pleegkind. Dit kind wordt wel geacht te zijn onderhouden als een eigen kind, maar er is geen sprake van bloed- of aanverwantschap. Ook in die situatie is het gevolg dat een meerderjarig kind in bepaalde situaties kwalificeert als partner van de verzorgende ouder.

In het Belastingplan 2018 is voorgesteld om voor de toepassing van het partnerbegrip niet-eigen kinderen voor wie in enig jaar een pleegvergoeding of kinderbijslag is ontvangen – op verzoek – hetzelfde te behandelen als een eigen kind tot 27 jaar2.

In het algemeen eindigt de pleegvergoeding wanneer het kind de leeftijd van achttien jaar bereikt. Het voorstel gaat daarmee over voormalige (pleeg)kinderen voor wie in enig jaar een pleegvergoeding is ontvangen. Voor de kinderbijslag geldt hetzelfde.

2. Goedkeuring voor uitzondering partnerschap pleegkinderen

De beoogde ingangsdatum van de wetswijziging is 1 januari 2018. In de brief van 6 september 20173 is de Tweede Kamer toegezegd de maatregel met terugwerkende kracht in te voeren vanaf het belasting- en berekeningsjaar 2017. Deze toezegging is mogelijk omdat het partnerbegrip voor 2017 nog in de helpteksten van het aangifteprogramma (definitieve aangifte 2017) van de Belastingdienst kan worden aangepast. Er zijn immers nog geen aangiften over 2017 ontvangen en er hebben nog geen definitieve toekenningen van toeslagen over dat jaar plaatsgevonden.

Vooruitlopend op de wetswijziging met ingang van 1 januari 2018 keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat tussen pleegouder of verzorgende ouder en een niet-eigen kind op verzoek geen sprake is van fiscaal partnerschap en toeslagpartnerschap voor het belasting- en berekeningsjaar 2017.

Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • a. Er is sprake van partnerschap als gevolg van artikel 1.2, eerste lid en tweede lid, van de Wet IB 2001 en artikel 3, eerste lid, tweede lid en derde lid van de Awir;

  • b. Het kind heeft bij aanvang van het kalenderjaar 2017 de leeftijd van 27 jaar nog niet bereikt;

  • c. De pleegouder en het kind hebben gezamenlijk een verzoek ingediend om te worden uitgezonderd van partnerschap bij de inspecteur respectievelijk bij de Belastingdienst/Toeslagen;

  • d. De pleegouder en het kind zijn akkoord met de volgende consequenties:

    • Een voor het belasting- en berekeningsjaar 2017 ingewilligd verzoek zal bij de inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging ook op latere jaren van toepassing zijn. De keuze om niet als partners te worden aangemerkt, kan bij inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging worden herzien voor het belasting- en berekeningsjaar 2018. Op een voor het belasting- en berekeningsjaar 2017 ingewilligd verzoek kan niet worden teruggekomen.

    • Als een belastingplichtige op basis van deze goedkeuring niet wordt aangemerkt als fiscaal partner, is hij ook voor de toeslagen geen partner en omgekeerd.

    • Als aan de belanghebbende(n) een voorschot is verleend of een toeslag is toegekend op basis van partnerschap, wordt de nieuw toe te kennen toeslag herrekend naar de situatie waarin geen partnerschap bestaat. De toepassing van deze goedkeuring kan leiden tot een lager bedrag aan toeslagen dan het bedrag waarop volgens de wet – dus uitgaande van partnerschap – aanspraak bestaat. Door een verzoek om toepassing van deze goedkeuring te doen, gaan belanghebbenden voor zover nodig akkoord met een terugvordering van toeslagen.

    • Indien belanghebbenden (beiden) niet tijdig een aanvraag om een toeslag bij de Belastingdienst/Toeslagen hebben gedaan, heeft het verzoek om niet als partners te worden aangemerkt niet tot gevolg dat alsnog een toeslag kan worden verstrekt. Indien in de periode van partnerschap een van beide belanghebbenden al een aanvraag voor een toeslag heeft ingediend, dan geldt het moment van die aanvraag ook als het moment van aanvraag voor de andere belanghebbende.

3. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 21 november 2017

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

J. de Blieck

lid van het managementteam Belastingdienst

  • ^ [1]

    Arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1968, nr. 15 911, ECLI:NL:HR:1968:AX6865

  • ^ [2]

    Kamerstukken II 2017/2018, 34 786, nr. 3 en nr. 6

  • ^ [3]

    Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 377