Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming

Geldend van 06-02-2018 t/m heden

Besluit van 23 oktober 2017, houdende vaststelling van regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 31 mei 2017, nr. IenM/BSK-2017/135624, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PbEG L 13/1) en gelet op Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PbEU 2011, L199);

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 15c, 16, eerste lid, 17, derde lid, 17a, 18a, derde lid, 21, eerste tot en met derde lid, 28, 29, eerste lid, 31, eerste lid en vierde lid jo. artikel 18a, derde lid, de artikelen 32, eerste, derde en vierde lid, 34, eerste, tweede en derde lid jo. de artikelen 16, eerste lid en 17, en achtste lid, de artikelen 37, eerste lid, 38a, eerste lid, 67, eerste lid, 68, 69, eerste, vijfde en zesde lid, 73, 74 en 75 van de Kernenergiewet;

Gelet op artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 37, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42, 8.42a en 19.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 september 2017, nr. W14.17.0180/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 oktober 2017, nr. IenM/BSK-2017/232823, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. (doelomschrijving; werkingssfeer)

  • 1 Dit besluit strekt tot bescherming van de gezondheid van personen die beroepsmatige of medische blootstelling of blootstelling als lid van de bevolking ondergaan, tegen de gevaren van die blootstelling en bevat daartoe:

    • a. basisveiligheidsnormen en daarmee verband houdende bepalingen;

    • b. een controlestelsel met een systeem van stralingsbescherming voor alle blootstellingsituaties als bedoeld in het tweede lid, gebaseerd op de beginselen rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimitering en een graduele benadering.

  • 2 Dit besluit is van toepassing op iedere geplande blootstellingsituatie, bestaande blootstellingsituatie of radiologische noodsituatie waarvan het risico op blootstelling niet-verwaarloosbaar is vanuit het oogpunt van:

    • a. stralingsbescherming of,

    • b. milieubescherming, met het oog op de gezondheidsbescherming op lange termijn.

  • 3 Dit besluit is niet van toepassing op:

    • a. blootstellingsituaties met blootstelling aan natuurlijke stralingsniveaus, waaronder in ieder geval wordt begrepen blootstelling:

      • 1°. ten gevolge van radionucliden die van nature in het menselijk lichaam aanwezig zijn;

      • 2°. aan kosmische straling ter hoogte van het aardoppervlak;

    • b. blootstelling aan kosmische straling tijdens de vlucht van een luchtvaartuig of ruimtevaartuig van leden van de bevolking of werknemers die niet behoren tot de bemanning;

    • c. bovengrondse blootstelling aan radionucliden in de onverstoorde aardkorst;

    • d. het vervoeren van een toestel of versneller, indien niet gebruikt tijdens het vervoer en voor zover het toestel of de versneller geen radioactieve stoffen, al dan niet ten gevolge van activering, bevat;

    • e. het vervoeren van radioactieve stoffen buiten een locatie en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen daarvan.

Artikel 1.2. (begripsomschrijvingen; begripsbepalingen)

De bijlagen 1 en 2 bevatten de begrippen met begripsomschrijvingen, respectievelijk de begripsomschrijvingen van grootheden en eenheden, voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk 2. Rechtvaardiging, optimalisatie, dosislimitering

§ 2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. (schakelbepaling)

  • 1 Rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimitering van beroepsmatige blootstelling vinden onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 7 plaats overeenkomstig de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4.

  • 2 Rechtvaardiging van medische blootstelling vindt onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 8 plaats overeenkomstig paragraaf 2.2.

  • 3 Optimalisatie van medische blootstelling vindt uitsluitend plaats overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 8.

§ 2.2. Rechtvaardiging

Artikel 2.2. (rechtvaardiging, algemeen)

  • 1 De volgende handelingen en maatregelen dienen voorafgaand aan het uitvoeren ervan te worden gerechtvaardigd:

    • a. handelingen in geplande blootstellingsituaties;

    • b. handelingen die leiden tot invoering of wijziging van een blootstellingsroute in krachtens artikel 6.17, tweede lid, aangewezen bestaande blootstellingsituaties, waarop het bepaalde bij en krachtens dit besluit met betrekking tot geplande blootstellingsituaties van toepassing is;

    • c. maatregelen die leiden tot invoering of wijziging van een blootstellingsroute in:

      • 1°. andere bestaande blootstellingsituaties dan bedoeld onder b;

      • 2°. radiologische noodsituaties.

  • 2 Rechtvaardiging van een handeling of maatregel geschiedt:

    • a. generiek, als categorie of soort, bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.3, en

    • b. specifiek, als toepassing, bij een aanvraag of verzoek als bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

  • 3 Het uitvoeren van een handeling of maatregel als bedoeld in het eerste lid die niet voorafgaand is gerechtvaardigd is verboden. Het verbod geldt niet voor een maatregel in een radiologische noodsituatie, indien een voorafgaande rechtvaardiging vanwege de vereiste spoed niet mogelijk is.

  • 4 Een handeling in een geplande blootstellingsituatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, of in een bestaande blootstellingsituatie als bedoeld in dat lid, onder b, kan worden gerechtvaardigd indien de individuele of maatschappelijke voordelen van de handeling opwegen tegen de gezondheidsschade die deze kan veroorzaken.

  • 5 Maatregelen in blootstellingsituaties als bedoeld in het eerste lid, onder c, kunnen worden gerechtvaardigd indien deze meer individuele of maatschappelijke voordelen dan nadelen met zich brengen.

  • 6 Als criteria met betrekking tot de afweging van voordelen ten opzichte van de gezondheidsschade of andere nadelen, bedoeld in het vierde of vijfde lid, worden in ieder geval maatschappelijke, economische, sociale en ecologische effecten in beschouwing genomen en afgewogen ten opzichte van de gezondheidsschade die een beoogde handeling of maatregel met zich kan brengen. Bij regeling van Onze Ministers kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de criteria en wijze van afweging. Voorts kunnen bij regeling van Onze Ministers regels worden gesteld omtrent de wijze waarop in een radiologische noodsituatie om rechtvaardiging van een maatregel kan worden verzocht.

  • 7 Onverminderd het Warenwetbesluit Doorstraalde waren worden handelingen waarbij de activering van materiaal een toename van de activiteit in een consumentenproduct tot gevolg heeft, die op het moment van het op de markt brengen vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet verwaarloosbaar is, niet gerechtvaardigd. In afwijking hiervan kan in specifieke gevallen een handeling worden gerechtvaardigd na een beoordeling door de Autoriteit overeenkomstig artikel 2.3, tweede lid.

Artikel 2.3. (wijze van rechtvaardiging)

  • 1 Bij regeling van Onze Ministers worden categorieën of soorten handelingen of maatregelen als bedoeld in artikel 2.2 generiek als gerechtvaardigd of als niet-gerechtvaardigd aangewezen.

  • 2 De specifieke rechtvaardiging van een handeling vindt plaats bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning of registratie of op een daartoe strekkend verzoek bij een kennisgeving, met toepassing van artikel 2.5. De specifieke rechtvaardiging van een maatregel vindt plaats bij beschikking van de Autoriteit, op een daartoe strekkend verzoek.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Defensie, die wordt bekendgemaakt op een bij die regeling te bepalen wijze, kunnen met het oog op het belang dat de krijgsmacht dient:

    • a. andere handelingen of maatregelen als gerechtvaardigd worden aangewezen dan die, aangewezen op grond van het eerste lid;

    • b. in afwijking van het eerste lid, handelingen of maatregelen als gerechtvaardigd worden aangewezen die op grond van dat lid als niet gerechtvaardigd zijn aangewezen.

  • 4 De rechtvaardiging van een categorie of soort handelingen of maatregelen of van een specifieke toepassing kan worden herzien in geval van:

    • a. nieuwe, relevante onderzoeksgegevens over de doeltreffendheid of over de mogelijke gevolgen van de desbetreffende handelingen of maatregelen;

    • b. nieuwe, relevante informatie over andere technieken en technologieën voor die handelingen of maatregelen.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een verzoek als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, en de daarbij te overleggen gegevens.

Artikel 2.4. (rechtvaardiging, meervoudige en medische blootstelling)

  • 1 Bij handelingen of maatregelen die zowel beroepsmatige blootstelling als blootstelling van leden van de bevolking met zich brengen, worden bij de beslissing omtrent rechtvaardiging beide vormen van blootstelling in aanmerking genomen.

  • 2 Bij de rechtvaardiging van een categorie of soort handelingen die medische blootstelling met zich brengen wordt rekening gehouden met medische blootstelling en, voor zover relevant, de daaraan gerelateerde beroepsmatige blootstelling en blootstelling van leden van de bevolking.

  • 3 De rechtvaardiging van handelingen die medische blootstelling met zich brengen vindt voorts plaats op het niveau van de individuele medische blootstelling, overeenkomstig de artikelen 8.2 en 8.5.

  • 4 Bij regeling van Onze Ministers kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 2.5. (rechtvaardiging handeling bij kennisgeving of autorisatie)

  • 1 Bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.5, een aanvraag om een registratie als bedoeld in artikel 3.9 of bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3.11, voor een handeling behorend tot een categorie of soort die krachtens artikel 2.3 generiek is gerechtvaardigd, wordt in de aanvraag of kennisgeving verwezen naar de desbetreffende categorie of soort handelingen.

  • 2 Indien een aanvraag om een vergunning of registratie of een kennisgeving betrekking heeft op een handeling behorend tot een categorie of soort die niet eerder generiek is gerechtvaardigd of die generiek als niet-gerechtvaardigd is aangewezen, wordt bij die aanvraag of kennisgeving tevens een verzoek om rechtvaardiging gedaan.

  • 3 Een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt afgewezen indien:

    • a. de handeling waarop de aanvraag of kennisgeving betrekking heeft na beoordeling niet kan worden gerechtvaardigd;

    • b. de handeling behoort tot een soort of categorie die generiek kan worden gerechtvaardigd, maar waarbij de specifieke handeling of toepassing gelet op artikel 2.2, vierde lid, niet kan worden gerechtvaardigd, of

    • c. indien de voor de beoordeling van de rechtvaardiging noodzakelijke gegevens niet of niet tijdig door de ondernemer zijn overgelegd.

  • 4 Een verzoek bevat de voor de beoordeling van de rechtvaardiging noodzakelijke gegevens met betrekking tot:

    • a. de individuele en maatschappelijke voordelen van de betrokken handeling, en

    • b. de gezondheidsschade die deze kan veroorzaken.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een verzoek als bedoeld in het tweede lid en de voor de beoordeling van de rechtvaardiging noodzakelijke gegevens, bedoeld in het vierde lid.

§ 2.3. Optimalisatie

Artikel 2.6. (optimalisatie, algemeen)

  • 1 Een ondernemer zorgt voor optimalisatie van de stralingsbescherming van individuele personen die beroepsmatige blootstelling of blootstelling als lid van de bevolking ondergaan of kunnen ondergaan.

  • 2 Optimalisatie als bedoeld in deze paragraaf is er op gericht de grootte van de effectieve of equivalente doses van individuele personen, de kans op het optreden van blootstelling en het aantal blootgestelde personen zo beperkt te houden als redelijkerwijs mogelijk is, rekening houdend met de actuele stand van de techniek en met economische en sociale factoren.

  • 3 Bij regeling van Onze Ministers kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld ter uitwerking van het begrip: zo laag als redelijkerwijs mogelijk, rekening houdend met de actuele stand van de techniek en met economische en sociale factoren.

Artikel 2.7. (optimalisatie, dosisbeperkingen algemeen)

  • 1 Met het oog op blootstelling in geplande blootstellingsituaties zijn dosisbeperkingen, vastgesteld overeenkomstig de hoofdstukken 7, 8 en 9, van toepassing.

  • 2 Een dosisbeperking in een geplande blootstellingsituatie, vastgesteld bij of krachtens dit besluit, heeft betrekking op de individuele effectieve of equivalente dosis voor een daarbij genoemde passende periode.

Artikel 2.8. (optimalisatie, referentieniveaus algemeen)

  • 1 Op de vaststelling van referentieniveaus voor bestaande blootstellingsituaties krachtens artikel 7.38 of 9.10 en referentieniveaus voor radiologische noodsituaties krachtens artikel 7.37 of 9.8, zijn het tweede en derde lid van toepassing.

  • 2 De waarde voor een referentieniveau is afhankelijk van het type blootstellingsituatie. Bij de bepaling van de waarde voor een referentieniveau wordt rekening gehouden met zowel de eisen inzake stralingsbescherming als met de relevante maatschappelijke omstandigheden.

  • 3 Voor bestaande blootstellingsituaties van zowel werknemers als voor leden van de bevolking die blootstelling aan radon met zich brengen, wordt het referentieniveau vastgesteld als radonactiviteitsconcentratie in de lucht.

  • 4 In een bestaande blootstellingsituatie of radiologische noodsituatie wordt voorrang gegeven aan de optimalisatie van de stralingsbescherming bij een blootstelling gelijk aan of hoger dan het desbetreffende referentieniveau.

  • 5 In een bestaande blootstellingsituatie of radiologische noodsituatie met een blootstelling tot het desbetreffende referentieniveau wordt de optimalisatie van de stralingsbescherming voortgezet.

§ 2.4. Dosislimitering

Artikel 2.9. (dosislimitering, algemeen)

In geplande blootstellingsituaties die beroepsmatige blootstelling of blootstelling van leden van de bevolking met zich brengen of kunnen brengen, bedraagt de som van de doses voor één persoon niet meer dan een in artikel 7.3, 7.34, 7.35, 7.36 of 9.1 opgenomen dosislimiet.

Hoofdstuk 3. Controlestelsel

Afdeling 3.1. Algemene bepalingen

§ 3.1.1. Algemene verboden

Artikel 3.1. (algemene verboden)

  • 1 Het is verboden om bij de productie of vervaardiging van levensmiddelen, speelgoed, sieraden, cosmetische producten en diervoeder opzettelijk radioactieve stoffen toe te voegen.

  • 2 Handelingen waardoor materialen die worden gebruikt in speelgoed of sieraden worden geactiveerd en waarbij, op het moment van het op de markt brengen of het vervaardigen van deze producten, sprake is van een toename van de activiteit die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd, zijn verboden.

§ 3.1.2. Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal

Artikel 3.2. (handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)

  • 1 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden categorieën of soorten handelingen aangewezen waarbij van nature voorkomend radioactief materiaal is betrokken en werknemers of leden van de bevolking daardoor een blootstelling ondergaan of kunnen ondergaan die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd.

  • 2 Voordat een ondernemer een krachtens het eerste lid aangewezen handeling gaat verrichten gaat hij na of van deze handeling moet worden kennisgegeven of dat daarvoor een registratie of vergunning moet worden aangevraagd.

  • 3 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt uitsluitend plaats indien een krachtens afdeling 3.3 vastgestelde vrijstellingsgrens of vrijgavegrens voor de desbetreffende handeling of het desbetreffende materiaal is of kan worden overschreden.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister worden handelingen met natuurlijke bronnen aangewezen, waarvoor vanuit het oogpunt van stralingsbescherming bezorgdheid bestaat dat een handeling kan leiden tot de aanwezigheid van in de natuur voorkomende radionucliden in het water, waardoor de kwaliteit van het drinkwater of andere blootstellingsroutes wordt of worden beïnvloed. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.2. Vergunning, registratie en kennisgeving

§ 3.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.3. (toepasselijkheid controlestelsel)

  • 1 Afdeling 3.2 is van toepassing op handelingen, maatregelen of blootstellingsituaties waarvoor op grond van artikel 3.11, eerste of derde lid, een verplichting tot kennisgeving geldt.

  • 2 Afdeling 3.2 is niet van toepassing voor zover een vrijstelling overeenkomstig paragraaf 3.3.1 of paragraaf 10.2 dan wel een vrijgave overeenkomstig paragraaf 3.3.2 van toepassing is, en wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet met het oog op stralingsbescherming gestelde regels en voorschriften.

  • 3 Afdeling 3.2 is niet van toepassing voor zover het een situatie betreft waarbij het gaat om blootstelling van vliegtuigbemanning veroorzaakt door kosmische straling als bedoeld in artikel 7.5, en wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet met het oog op stralingsbescherming gestelde regels en voorschriften.

Artikel 3.4. (algemeen)

  • 1 Met betrekking tot een in artikel 3.8, 3.10 of 3.13 genoemde categorie van handelingen, maatregelen of blootstellingsituaties waarvoor een vergunningplicht, registratieplicht of kennisgevingsplicht geldt, kunnen bij regeling van Onze Ministers de tot die categorie behorende specifieke handelingen, maatregelen of blootstellingsituaties worden aangewezen.

  • 2 In gevallen waarin:

    • a. een nieuw type handeling of maatregel of een nieuwe soort blootstellingsituatie niet kan worden aangewezen onder een categorie als bedoeld in het eerste lid, of

    • b. de bestaande indeling van een categorie niet of niet langer in een redelijke verhouding tot de aard en omvang van het risico staat,

    en de totstandkoming van een wijziging van dit besluit niet kan worden afgewacht, kan in afwijking van het eerste lid bij regeling van Onze Ministers een categorie worden toegevoegd of de bestaande indeling van een categorie worden gewijzigd.

  • 3 Onze Ministers zorgen ervoor dat tegelijk met de vaststelling van een regeling als bedoeld in het tweede lid het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud ter beoordeling aan de ministerraad wordt aangeboden. De regeling blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de algemene maatregel van bestuur in werking treedt, doch uiterlijk tot twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling.

  • 4 Indien binnen een locatie, onder verantwoordelijkheid van een ondernemer, meerdere handelingen plaatsvinden die tot verschillende in artikel 3.8 of 3.10 genoemde categorieën van handelingen behoren, is in afwijking van het eerste lid een vergunning voor het geheel van die handelingen vereist, waarbij de zwaarste bron bepalend is voor de op de aanvraag van toepassing zijnde procedure. Onze Minister kan met het oog op een goede uitvoering nadere regels stellen en bepalen dat in daarbij aangewezen gevallen een complexvergunning wordt vereist.

  • 5 Indien binnen een locatie, onder verantwoordelijkheid van een ondernemer, op enig moment handelingen met meerdere bronnen plaatsvinden vindt sommatie plaats volgens een bij verordening van de Autoriteit aan te wijzen of vast te stellen methode.

  • 6 Indien binnen een locatie in opdracht van degene die voor die locatie verantwoordelijk is handelingen worden verricht door een andere persoon die in het bezit is van een eigen vergunning of registratie voor het verrichten van de betrokken handelingen, is degene die verantwoordelijk is voor die locatie gehouden tot medewerking aan de met het oog op stralingsbescherming voor die handelingen gestelde regels en voorschriften. Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

§ 3.2.2. Vergunning

Artikel 3.5. (vergunningplicht)

  • 1 Het is verboden om een handeling met betrekking tot een toestel of versneller, behorend tot een in artikel 3.8 genoemde categorie, te verrichten:

    • a. zonder daartoe door de Autoriteit verleende vergunning;

    • b. in strijd met een aan de vergunning verbonden voorschrift of beperking of met de bij of krachtens de wet met het oog op stralingsbescherming ten aanzien van de desbetreffende handeling dan wel toestel of versneller gestelde regels en voorschriften.

  • 2 Als krachtens artikel 29 van de wet als vergunningplichtig aangewezen radioactieve stoffen en gevallen van handelingen met die stoffen worden aangewezen de radioactieve stoffen en handelingen, behorend tot een in artikel 3.8 genoemde categorie.

Artikel 3.6. (aanvraag)

  • 1 Een aanvraag maakt deel uit van de vergunning, voor zover dat in de vergunning is bepaald.

  • 2 Een aanvraag om een vergunning voor een of meer handelingen binnen een locatie heeft geen betrekking op de handelingen die binnen die locatie worden verricht door een andere persoon dan de aanvrager die in het bezit is van een eigen vergunning voor het verrichten van de betrokken handelingen.

  • 3 Een aanvraag vindt plaats langs elektronische of schriftelijke weg. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht worden bij de aanvraag de voor de beoordeling van de handeling noodzakelijke gegevens verstrekt, waaronder in ieder geval worden verstaan gegevens met betrekking tot:

    • a. het soort handeling en het voorgenomen tijdstip en de wijze van uitvoering;

    • b. het type, de aard en de plaats van de bron;

    • c. het besluit of de regeling waarbij de handeling gerechtvaardigd is of een krachtens artikel 2.5 ingediend verzoek om rechtvaardiging van die handeling;

    • d. de naam en het adres van de ondernemer onder wiens verantwoordelijkheid de handeling wordt uitgevoerd;

    • e. een beveiligingsplan als bedoeld in artikel 4.7, een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 of een beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8 in gevallen, behorend tot een bij regeling van Onze Minister aangewezen categorie. De aanwijzing staat in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van aanvragen, de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Onverminderd artikel 68 van de wet worden als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer aangewezen: een beveiligingsplan als bedoeld in artikel 4.7, een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7, een beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8, een risico-inventarisatie en evaluatie als bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en overige gegevens waarvan de openbaarmaking in strijd is met het belang van de veiligheid of beveiliging. Indien toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in artikel 19.3 van de Wet milieubeheer, wordt een aangepast rapport beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene informatie over risico’s van ongevallen, de mogelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu bij een ongeval en in voorkomende gevallen de bevindingen bevat.

  • 5 Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 7 De houder van een vergunning is verplicht zo mogelijk voorafgaand doch in elk geval binnen vier weken na een wijziging van gegevens ten opzichte van de gegevens, opgenomen in de documenten die deel uitmaken van de vergunning, aan de Autoriteit kennis te geven van die wijziging. Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld over de wijze van kennisgeving, de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

  • 8 Indien handelingen waarvoor een vergunning is verleend niet meer worden verricht, wordt door de ondernemer zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na het beëindigen van de handelingen, een kennisgeving van beëindiging aan de Autoriteit gedaan.

Artikel 3.7. (weigeringsgronden)

Een vergunning wordt geweigerd indien:

  • a. ten aanzien van de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft, niet wordt voldaan aan het bepaalde in:

    • 1°. hoofdstuk 2, 7 of 8, met betrekking tot rechtvaardiging, optimalisatie en dosislimitering, of

    • 2°. hoofdstuk 5, met betrekking tot deskundigheid;

  • b. voor een lid van de bevolking dat zich op enig punt buiten de locatie bevindt, als gevolg van de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft en ten gevolge van alle toegestane handelingen die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer worden verricht, een effectieve dosis van 0,1 millisievert in een kalenderjaar wordt overschreden of kan worden overschreden;

  • c. voor een lid van de bevolking dat zich buiten de locatie bevindt, ten gevolge van de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft en ten gevolge van andere handelingen binnen en buiten deze locatie, een van de volgende doses wordt overschreden of kan worden overschreden:

    • 1°. een effectieve dosis van 1 millisievert in een kalenderjaar en, met inachtneming daarvan:

    • 2°. een equivalente dosis van 50 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm2;

  • d. de handeling waarop de aanvraag betrekking heeft behoort tot een soort of categorie die op grond van paragraaf 2.2 generiek is gerechtvaardigd, maar het specifieke karakter van die handeling op grond van het bepaalde in die paragraaf niet gerechtvaardigd is;

  • e. niet is aangetoond dat een krachtens dit besluit vereiste financiële zekerheid is gesteld;

  • f. geen, of een ontoereikend, beveiligingsplan als bedoeld in artikel 4.7, bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 of beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8 bij de aanvraag is gevoegd, voor zover vereist krachtens artikel 3.6, derde lid, aanhef en onder e;

  • g. niet wordt voldaan aan bij of krachtens de wet met het oog op stralingsbescherming gestelde regels of voorschriften; of

  • h. internationale verplichtingen tot het weigeren van de vergunning noodzaken.

Artikel 3.8. (categorieën van vergunningplichtige handelingen)

  • 1 Onder de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.5, eerste of tweede lid, vallen handelingen, behorend tot een in het tweede, derde of vierde lid genoemde categorie.

  • 2 De hierna genoemde categorieën van handelingen met een toestel of versneller:

    • a. handelingen met een versneller, met uitzondering van een elektronenmicroscoop, inclusief de onderdelen van de installatie en bouwdelen waarin zich radioactieve stoffen bevinden die door activering zijn of kunnen ontstaan vanwege het gebruik van de versneller;

    • b. handelingen met een toestel voor industriële radiografie;

    • c. handelingen met een toestel voor de bewerking van consumentenproducten;

    • d. handelingen met een toestel voor onderwijsdoeleinden, tenzij voor de specifieke handeling een registratieplicht geldt of de handeling is vrijgesteld van kennisgeving;

    • e. handelingen met een toestel waarbij blootstelling van personen en dieren plaatsvindt voor therapeutische doeleinden;

    • f. handelingen met een toestel waarbij blootstelling van personen en dieren plaatsvindt voor diagnostische doeleinden, tenzij voor de specifieke handeling een registratieplicht geldt;

    • g. handelingen met een toestel waarbij opzettelijke blootstelling van personen plaatsvindt ten behoeve van niet-medische beeldvorming;

    • h. het verrichten van onderzoeks- en ontwikkelingswerk aan een toestel of een versneller;

    • i. het installeren, het ontmantelen en het verrichten van reparaties, onderhoud en kwaliteitscontrole aan een toestel of versneller;

    • j. alle overige handelingen met een toestel, tenzij voor de specifieke handeling een registratieplicht geldt of de handeling is vrijgesteld van kennisgeving.

  • 3 De hierna genoemde categorieën van handelingen met radioactieve stoffen:

    • a. het toedienen van radioactieve stoffen aan personen en, voor zover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor het stellen van medische of veterinaire diagnoses;

    • b. het toedienen van radioactieve stoffen aan personen en, voor zover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor therapie of medisch of biomedisch onderzoek;

    • c. het toevoegen van radioactieve stoffen aan consumentenproducten;

    • d. handelingen met radioactieve stoffen voor industriële radiografie;

    • e. handelingen met radioactieve stoffen voor de bewerking van consumentenproducten;

    • f. handelingen met radioactieve stoffen voor onderwijsdoeleinden en wetenschappelijk onderzoek;

    • g. handelingen met een hoogactieve bron;

    • h. handelingen met open bronnen, met van nature voorkomende radionucliden, waarvan de activiteitsconcentratie gelijk is aan of hoger is dan tienmaal de krachtens artikel 3.17 vastgestelde waarde;

    • i. overige handelingen met radioactieve stoffen, tenzij voor de specifieke handeling een registratieplicht geldt of de handeling is vrijgesteld van kennisgeving.

  • 4 De hierna genoemde overige categorieën van handelingen:

    • a. handelingen met radioactieve stoffen of radioactief materiaal en het bergen van bronnen of weesbronnen op locaties van derden, als gevolg van het verlenen van bijstand bij het afwikkelen van gevallen waarin de radioactieve stoffen of radioactieve materialen in niet-geautoriseerde omstandigheden aanwezig zijn, of als gevolg van ongevallen, stralingsincidenten of radiologische noodsituaties;

    • b. het zich ontdoen van radioactieve stoffen voor product- of materiaalhergebruik of als radioactieve afvalstof, behoudens artikel 10.6;

    • c. handelingen waarbij door de lucht verspreide of vloeibare radioactieve stoffen in de omgeving vrijkomen, waarbij de hoeveelheid vrijgekomen radioactieve stoffen gelijk is aan of hoger is dan de krachtens artikel 10.3, eerste lid, of 10.4, eerste lid, onder b, vastgestelde waarde.

§ 3.2.3. Registratie

Artikel 3.9. (registratie)

  • 1 Het is verboden om een handeling, behorend tot een in artikel 3.10 genoemde categorie, te verrichten:

    • a. zonder daartoe door de Autoriteit verleende registratie, of

    • b. in strijd met de bij of krachtens de wet met het oog op stralingsbescherming ten aanzien van de desbetreffende handeling of bron gestelde regels en voorschriften.

Artikel 3.10. (categorieën van registratieplichtige handelingen)

  • 1 Onder de registratieplicht, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, vallen handelingen, behorend tot een in het tweede of derde lid genoemde categorie.

  • 2 De hierna genoemde categorieën van handelingen met een toestel of versneller:

    • a. handelingen met een elektronenmicroscoop;

    • b. het uitsluitend in opslag hebben van een toestel of versneller ten behoeve van handel, distributie en het in- en uitbouwen ervan, zonder dat het toestel of de versneller onder hoogspanning gebruikt wordt;

    • c. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt voor onderwijsdoeleinden, welk toestel onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig bereikbare buitenzijde van het toestel geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 microsievert per uur en dat behoort tot een type dat bij verordening van de Autoriteit is goedgekeurd, overeenkomstig bij die verordening gestelde regels;

    • d. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt voor diergeneeskundige diagnostiek, uitsluitend voor zover het veterinaire toepassingen betreft, met een verticaal neerwaarts gerichte bundel met een vaste focus-film afstand op een vaste locatie;

    • e. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt voor tandheelkundige diagnostiek, uitsluitend voor zover het tandheelkundige toepassingen betreft waarbij blootstelling van personen of dieren plaatsvindt, op een vaste locatie, met uitzondering van een toestel dat gebruik maakt van computertomografietechniek;

    • f. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt in het kader van een bevolkingsonderzoek, met uitzondering van een toestel dat gebruik maakt van computertomografietechniek;

    • g. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt voor röntgendiffractie of spectrografie, toegepast in een gesloten veiligheidskabinet;

    • h. handelingen met een toestel in een vaste opstelling dat gebruikt wordt voor de controle van vracht, bagage en andere goederen;

    • i. handelingen met een toestel dat gebruikt wordt voor kwaliteitscontrole van levensmiddelen en andere producten.

  • 3 De hierna genoemde categorieën van handelingen met radioactieve stoffen:

    • a. handelingen met open bronnen met van nature voorkomende radionucliden, waarvan de activiteitsconcentratie lager is dan tienmaal de krachtens artikel 3.17 vastgestelde waarde;

    • b. handelingen met een ingekapselde bron waarvoor geldt dat de A/D waarde van die bron lager is dan 0,01, tenzij de specifieke handeling met betrekking tot de bron vergunningplichtig is of de handeling vrijgesteld is overeenkomstig afdeling 3.3.

§ 3.2.4. Kennisgeving

Artikel 3.11. (kennisgeving)

  • 1 Een ondernemer is verplicht tot kennisgeving aan de Autoriteit van een handeling, maatregel of blootstellingsituatie behorend tot een categorie die is genoemd in artikel 3.8, 3.10 of 3.13.

  • 2 Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.5 of een aanvraag om een registratie als bedoeld in artikel 3.9 geldt als kennisgeving.

  • 3 Een ondernemer is voorts verplicht tot kennisgeving aan de Autoriteit van een bestaande blootstellingsituatie als bedoeld in artikel 7.38, vierde lid.

  • 4 Een kennisgeving vindt plaats:

    • a. in geval van een geplande blootstellingsituatie waarvoor geen vergunning of registratie wordt vereist: ten minste drie weken voorafgaand aan de desbetreffende handeling;

    • b. in geval van een bestaande blootstellingsituatie: binnen drie maanden na het constateren ervan, dan wel overeenkomstig artikel 12.11, tweede lid.

  • 5 Indien geen kennisgevingsplichtige handelingen meer worden verricht of indien een bestaande blootstellingsituatie is geëindigd, is de ondernemer verplicht tot kennisgeving van beëindiging aan de Autoriteit. De kennisgeving van beëindiging wordt zo spoedig mogelijk gedaan, doch uiterlijk binnen zes weken na het beëindigen van de handelingen of blootstellingsituatie.

  • 7 Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing in geval van bij verordening van de Autoriteit aangewezen handelingen met natuurlijke bronnen waarvoor een registratieplicht geldt, indien van de desbetreffende handeling reeds is kennisgegeven door een andere ondernemer en aan bij die verordening gestelde regels wordt voldaan.

Artikel 3.12. (wijze van kennisgeving)

  • 1 Kennisgeving vindt plaats overeenkomstig bij verordening van de Autoriteit gestelde regels.

  • 2 Bij de kennisgeving worden gegevens verstrekt met betrekking tot:

    • a. het soort handeling of maatregel, het type blootstellingsituatie alsmede het voorgenomen tijdstip en de wijze van uitvoering daarvan;

    • b. het type, aard en plaats van de bron;

    • c. het besluit of de regeling waarbij de handeling of maatregel gerechtvaardigd is of een krachtens artikel 2.3 of 2.5 ingediend verzoek om rechtvaardiging van de handeling of maatregel;

    • d. de naam en het adres van de rechtspersoon of natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de blootstellingsituatie of onder wiens verantwoordelijkheid de handeling of maatregel wordt uitgevoerd, en

    • e. overige noodzakelijke, bij verordening van de Autoriteit aangewezen gegevens van administratieve of technische aard.

Artikel 3.13. (categorieën van kennisgevingsplichtige blootstellingsituaties, handelingen en maatregelen)

Onder de kennisgevingsplicht in gevallen waarin geen vergunning of registratie is vereist, vallen de blootstellingsituaties, handelingen en maatregelen, behorend tot een onder a, b of c genoemde categorie:

  • a. krachtens artikel 6.17 aangewezen bestaande blootstellingsituaties waarop het bepaalde bij of krachtens dit besluit met betrekking tot geplande blootstellingsituaties van toepassing is en handelingen in die situaties die leiden tot invoering of wijziging van een blootstellingsroute;

  • b. maatregelen in andere bestaande blootstellingsituaties dan bedoeld onder a, die leiden tot invoering of wijziging van een blootstellingsroute;

  • c. blootstellingsituaties ten gevolge van krachtens artikel 3.2, vierde lid, aangewezen handelingen met natuurlijke bronnen.

§ 3.2.5. Specifieke regels vergunningen

Artikel 3.14. (monitoring van radioactieve lozingen, vergunningen)

  • 1 Bij een vergunning voor het lozen van radioactieve stoffen in de lucht, het openbare riool of het oppervlaktewater ten gevolge van handelingen met radioactieve stoffen of radioactieve materialen, worden emissiegrenswaarden vastgesteld voor het lozen en worden voorwaarden gesteld die:

    • a. rekening houden met de resultaten van de optimalisatie van stralingsbescherming, en

    • b. aansluiten bij de goede praktijken in vergelijkbare situaties.

  • 2 Bij de vergunning wordt een verplichting opgelegd om het lozen van radioactieve stoffen in de lucht of het water op basis van metingen of berekeningen te beoordelen en de resultaten daarvan aan de Autoriteit kenbaar te maken.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste of tweede lid.

Artikel 3.15. (voorschriften of beperkingen vergunning hoogactieve bron)

  • 1 Onverminderd de artikelen 3.5 tot en met 3.7 omvat een vergunning voor een handeling waarbij een hoogactieve bron is betrokken voorschriften of beperkingen met betrekking tot:

    • a. de toedeling van verantwoordelijkheden;

    • b. de vereisten ten aanzien van voorlichting en opleiding;

    • c. de prestatie-eisen voor de bron, de bronhouder, de broncontainer en aanvullende uitrusting;

    • d. de eisen ten aanzien van noodprocedures en communicatieverbindingen of -kanalen;

    • e. de te volgen operationele procedures;

    • f. het onderhoud van de uitrusting, de bron en de broncontainer; en

    • g. een toereikend beheer van niet meer in gebruik zijnde bronnen, met inbegrip van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3.16, met het oog op de overdracht van een dergelijke bron aan een fabrikant, een leverancier, een andere daartoe gemachtigde ondernemer of een voorziening voor opslag of verwijdering, overeenkomstig artikel 10.9.

  • 2 Bij de beslissing op de aanvraag om vergunning wordt tevens in aanmerking genomen de constructieve veiligheid van de desbetreffende locatie of het bouwwerk en de wijze van plaatsing van een bron, mede met het oog op calamiteiten.

Artikel 3.16. (vergunning hoogactieve bronnen, vervolg)

  • 1 Onverminderd de artikelen 3.5 tot en met 3.7 en 3.15 wordt een vergunning voor een handeling waarbij een hoogactieve bron is betrokken uitsluitend verleend indien:

    • a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.17, eerste lid, aanhef en onder c, overeenkomsten zijn gesloten voor het veilig beheer en controle van de betrokken hoogactieve bronnen, ook wanneer deze bronnen niet meer in gebruik zijn. Deze overeenkomsten kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

      • 1°. overbrenging van de niet meer in gebruik zijnde bron naar de fabrikant, leverancier of een andere ondernemer die bevoegd is de bron te ontvangen;

      • 2°. plaatsing in een voorziening voor opslag of verwijdering, of

      • 3°. een verplichting voor de fabrikant of leverancier om deze in ontvangst te nemen;

    • b. er door middel van financiële zekerheid overeenkomstig de artikelen 4.15 tot en met 4.17 of op andere geschikte wijze voorzien wordt in het veilig beheer van de bron wanneer deze buiten gebruik wordt gesteld, mede met het oog op de situatie dat een ondernemer insolvent wordt of zijn activiteiten beëindigt.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de financiële zekerheidsstelling en het borgen van een veilige afvoer van een hoogactieve bron bij beëindiging van het gebruik ervan.

Afdeling 3.3. Vrijstelling en vrijgave controlestelsel

§ 3.3.1. Vrijstelling handelingen en bronnen

Artikel 3.17. (vrijstelling radioactieve materialen)

  • 1 Afdeling 3.2 is niet van toepassing op handelingen binnen een locatie met radioactieve materialen:

    • a. waarvan de totale activiteit van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel B, kolom 3, opgenomen vrijstellingswaarde; of

    • b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan:

    • c. indien het handelingen met matige hoeveelheden, tot 1.000 kg, van elk type materiaal betreft, waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de in bijlage 3, onderdeel B, tabel B, kolom 2, opgenomen vrijstellingswaarden. Deze vrijstellingswaarden zijn van toepassing in plaats van de in onderdeel b bedoelde vrijstellingswaarden. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de toepassing van dit onderdeel lagere hoeveelheidsgrenzen worden vastgesteld dan het maximum van 1.000 kg; of

    • d. waarvan de totale activiteit of activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de krachtens het vijfde lid of artikel 3.19 vastgestelde vrijstellingswaarde die met de betrokken handeling is gemoeid.

  • 2 Indien radioactief materiaal:

    • a. meerdere soorten kunstmatige radionucliden bevat, of

    • b. meerdere soorten kunstmatige of van nature voorkomende radionucliden bevat waarvoor krachtens artikel 3.19 een of meer specifieke vrijstellingswaarden zijn vastgesteld,

    wordt de activiteitsconcentratie van de radionucliden gewogen gesommeerd met overeenkomstige toepassing van artikel 3.4, vijfde lid. Aan de in het eerste lid, onderdeel b, c of d, bedoelde waarde wordt voldaan indien de uitkomst van de sommatie kleiner dan of gelijk is aan 1.

  • 3 Indien binnen een locatie op enig moment meerdere handelingen plaatsvinden, worden de activiteiten van de kunstmatige radionucliden in de bij die handelingen betrokken radioactieve materialen gewogen gesommeerd volgens de in het tweede lid bedoelde methode. Aan de in het eerste lid, aanhef en onderdeel a of d, bedoelde waarde wordt voldaan indien de uitkomst van de sommatie kleiner dan of gelijk is aan 1.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit kunnen handelingen waarbij radioactieve stoffen worden toegevoegd aan consumentenproducten, bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen, worden aangewezen:

    • a. waarbij de aan deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in het tweede lid, en

    • b. waarbij de aan deze producten toegevoegde radionucliden niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in het derde lid.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet:

    • a. voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, vrijstellingswaarden op basis van de totale activiteit of activiteitsconcentratie worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld;

    • b. vrijstellingswaarden voor handelingen met matige hoeveelheden van elk type materiaal voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden vastgesteld. De tweede en derde volzin van dat onderdeel zijn van toepassing.

  • 6 Bij verordening van de Autoriteit kunnen andere methoden dan bedoeld in het tweede of derde lid worden aangewezen voor het bepalen en toetsen van de gezondheidsschade in gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde activiteitsconcentratie, in combinatie met de in dat lid bedoelde activiteit, geen juiste indicatie geeft van de gezondheidsschade die de bij de handeling betrokken radioactieve materialen kunnen veroorzaken.

  • 7 Bij de toepassing van het vierde, vijfde of zesde lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijstelling de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen.

  • 8 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de factoren, bedoeld in het zevende lid.

  • 9 Bij verordening van de Autoriteit kan:

    • a. in afwijking van het eerste lid worden bepaald dat afdeling 3.2 van toepassing is op bij die verordening aangewezen handelingen, indien deze een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking met zich brengen of kunnen brengen;

    • b. in afwijking van artikel 3.5 of 3.9 worden bepaald dat de in die artikelen opgenomen verboden niet van toepassing zijn op bij die verordening aangewezen handelingen die een beperkt risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking met zich brengen of kunnen brengen.

  • 10 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a. het toedienen van radioactieve stoffen aan personen en, voor zover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor het stellen van medische of veterinaire diagnoses;

    • b. het toedienen van radioactieve stoffen aan personen en, voor zover het de bescherming van mensen tegen ioniserende straling betreft, aan dieren voor therapie of medisch of biomedisch onderzoek;

    • c. het toevoegen van radioactieve stoffen aan consumentenproducten.

Artikel 3.18. (vrijstelling, algemeen; toestellen en ingekapselde bronnen)

  • 1 Afdeling 3.2 is niet van toepassing op handelingen:

    • a. met apparaten die een ingekapselde bron bevatten, op voorwaarde dat:

      • 1°. het apparaat behoort tot een bij verordening of beschikking van de Autoriteit goedgekeurd type;

      • 2°. het apparaat onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 m van enige bereikbare buitenzijde daarvan geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 microsievert per uur, en

      • 3°. de Autoriteit voorwaarden voor recycling of verwijdering heeft vastgesteld;

    • b. met ieder toestel, mits:

      • 1°. deze een elektronenstraalbuis is voor visuele beeldweergave, of een ander elektrisch toestel dat werkt bij een potentiaalverschil van niet meer dan 30 kilovolt (kV), of behoort tot een bij verordening of beschikking van de Autoriteit goedgekeurd type, en

      • 2°. het toestel onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 m van enige bereikbare buitenzijde van het toestel geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 microsievert per uur;

    • c. elektrische apparatuur die ioniserende straling uitzendt, en onderdelen bevat die bij een potentiaalverschil van niet meer dan 5 kV werken.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b;

    • b. de opslag en de verwijdering van ingekapselde bronnen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 3.19. (vrijstelling specifieke handelingen of bronnen)

  • 1 Bij beschikking of verordening van de Autoriteit kunnen in afwijking van artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b of c, of vijfde lid, of artikel 3.18, voor daarbij aangewezen specifieke bronnen of handelingen specifieke vrijstellingswaarden en daarmee verbonden regels worden vastgesteld, indien naar het oordeel van de Autoriteit vrijstelling de voorkeur heeft en het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet.

  • 2 Bij een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van vrijstelling de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

§ 3.3.2. Vrijgave bronnen

Artikel 3.20. (vrijgave, radioactieve materialen)

  • 1 Afdeling 3.2 is niet van toepassing op handelingen met radioactieve materialen bestemd voor verwijdering, recycling, hergebruik of verbranding:

    • a. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan:

    • b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende krachtens het vierde lid of artikel 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1° of 2°, vrijgavewaarden op basis van de activiteitsconcentratie worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

  • 5 Bij de toepassing van het vierde lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, en het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10 in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

Artikel 3.21. (specifieke vrijgave radioactieve materialen)

  • 1 Bij beschikking of verordening van de Autoriteit kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, in afwijking van artikel 3.20, eerste of vierde lid, voor daarbij aangewezen specifieke radioactieve materialen, voor radioactieve materialen afkomstig van daarbij aangewezen specifieke soorten handelingen of voor materialen behorend tot een daarbij aangewezen specifieke categorie, specifieke vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

  • 2 Bij de toepassing van het eerste lid worden de algemene criteria, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, en het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 10 in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

Artikel 3.22. (vrijgave radioactieve materialen, vervolg)

  • 1 Afdeling 3.2 is niet van toepassing op handelingen met radioactieve materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten welke het resultaat zijn van handelingen waarvoor een vergunning krachtens artikel 15 van de wet is vereist en waarbij natuurlijke radionucliden worden verwerkt vanwege hun eigenschappen als splijtstof of kweekstof, welke materialen bestemd zijn voor verwijdering, recycling of hergebruik, en het voorhanden hebben daarvan:

    • a. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, opgenomen vrijgavewaarde, of

    • b. waarvan de activiteitsconcentratie van de radionucliden in de betrokken radioactieve stof niet hoger is dan de desbetreffende krachtens het derde lid vastgestelde vrijgavewaarde.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden vastgesteld.

  • 4 Bij de vaststelling van de in het derde lid bedoelde vrijgavewaarden en daarmee verbonden regels worden de algemene criteria voor kunstmatige radionucliden, opgenomen in bijlage 3, onderdeel A, onderdeel 3, in acht genomen en worden bij de beoordeling van de wenselijkheid van de vrijgave de met het oog op stralingsbescherming relevante factoren in aanmerking genomen. De krachtens artikel 3.17, achtste lid, gestelde regels zijn van toepassing.

Artikel 3.23. (vrijgave, verdunning of mengen)

  • 1 Het verdunnen of mengen van radioactieve stoffen of materialen met andere niet-radioactieve stoffen of materialen met het doel de radioactieve stoffen of materialen onder de desbetreffende vrijstellingswaarde of vrijgavewaarde te brengen, is verboden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor verdunning of vermenging van stoffen of materialen bij een normale bedrijfsvoering bij processen waarbij radioactiviteit geen rol speelt.

  • 3 Bij beschikking of verordening van de Autoriteit kan voor specifieke omstandigheden de verdunning of vermenging van radioactieve stoffen of materialen met niet-radioactieve stoffen of materialen worden toegestaan met het oog op hergebruik of recycling.

§ 3.3.3. Categorieën vrijgestelde of vrijgegeven bronnen en handelingen

Artikel 3.24. (vrijgestelde en vrijgegeven bronnen en handelingen)

  • 1 Krachtens paragraaf 3.3.1, 3.3.2 of 10.2 vrijgestelde of vrijgegeven bronnen of handelingen omvatten mede bronnen en handelingen behorend tot een categorie als genoemd in het tweede of derde lid.

  • 2 Aanwijsinstrumenten als bedoeld in artikel 4.24 waaraan uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf wordt, respectievelijk is, toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden, en waarvan het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, respectievelijk Pm-147, en er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten voorhanden zijn.

  • 3 Overige onder a tot en met d genoemde handelingen of blootstellingsituaties:

    • a. menselijke activiteiten met:

      • 1°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal dat afkomstig is van lozingen waarvoor krachtens artikel 10.3 of 10.4 een vergunning is vereist, of

      • 2°. radioactieve stoffen of radioactief materiaal, vrijgesteld of vrijgegeven overeenkomstig afdeling 3.3;

    • b. het lozen van radioactieve stoffen in de bodem als bedoeld in artikel 10.5, tweede lid, wanneer de in een kalenderjaar totaal geloosde hoeveelheid radioactieve stoffen bij het verlaten van het lozingspunt minder bedraagt dan 10-6 REing als bedoeld in bijlage 2;

    • c. het lozen van productiewater bij mijnbouw als bedoeld in artikel 10.5, derde lid, indien dit geschiedt door middel van injecteren naar een soortgelijke bodemformatie en diepte als waaruit het water afkomstig is en op een zodanige wijze dat het water niet in andere watervoerende lagen terechtkomt;

    • d. handelingen met materialen die van nature voorkomende radionucliden bevatten, welke het resultaat zijn van het mengen van radioactieve afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.7, zesde lid.

Artikel 3.25. (aanwijzing vrijgestelde of vrijgegeven bronnen en handelingen)

Artikel 3.4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van bronnen of handelingen behorend tot een bij of krachtens afdeling 3.3 vrijgestelde of vrijgegeven categorie.

Hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties

Afdeling 4.1. Algemene regels voor bronnen en handelingen

Artikel 4.1. (waarschuwingssignalering)

  • 1 Een ondernemer zorgt ervoor dat, in situaties waar ten gevolge van een handeling een in artikel 7.3 of 9.1 genoemde dosislimiet kan worden overschreden, op daarvoor geschikte plaatsen doelmatige en duidelijke waarschuwingsborden of waarschuwingstekens en opschriften worden aangebracht.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het model, de opschriften en de minimale grootte van de waarschuwingsborden of waarschuwingstekens en waar en op welke wijze deze moeten worden aangebracht.

Artikel 4.2. (administratie en dossiers bronnen)

  • 1 Een ondernemer houdt van alle bronnen waarvoor hij verantwoordelijk is dossiers bij waarin ten minste worden bijgehouden gegevens met betrekking tot:

    • a. het type, aard en plaats van de bron;

    • b. de wijze van toepassing ervan, en

    • c. de wijze van overdracht van de bron of het zich ontdoen ervan na beëindiging van het gebruik.

  • 2 De ondernemer die handelingen met de bron verricht, houdt een administratie bij van die handelingen.

  • 3 De administratie en dossiers als bedoeld in het eerste en tweede lid worden ondergebracht in een beheersysteem.

  • 4 De administratie bevat ten minste:

    • a. de naam van de rechtspersoon en van de verantwoordelijke stralingsbeschermingsdeskundige en toezichthoudend medewerker stralingsbescherming;

    • b. de plaats waar de handelingen worden verricht;

    • c. een omschrijving van de aard en de omvang van de handelingen; en

    • d. de beoordeling van de risico’s, bedoeld in artikel 7.1.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid, waaronder de bewaartermijnen van de administratie en de dossiers.

Artikel 4.3. (administratie industriële radiografie)

  • 1 De ondernemer die op wisselende plaatsen handelingen verricht ten behoeve van industriële radiografie, houdt per locatie een administratie bij van die handelingen.

  • 2 Een administratie als bedoeld in het eerste lid wordt ondergebracht in een beheersysteem.

  • 3 De ondernemer die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, bewaart de gegevens waaruit die administratie bestaat gedurende een periode van ten minste drie jaar na het kalenderjaar waarop deze gegevens betrekking hebben.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de administratie.

  • 5 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien het aantal tevoren geschatte opnamen per locatie per kalenderjaar minder dan 100 bedraagt.

Artikel 4.4. (algemene verplichtingen ondernemer)

  • 1 De ondernemer stelt, na raadpleging van een stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming, maatregelen vast om schade tegen te gaan en zorgt ervoor dat deze worden uitgevoerd.

  • 2 De ondernemer zorgt er ten aanzien van bronnen, beveiligingsmiddelen en meetinstrumenten waarvoor hij verantwoordelijk is, voor dat:

    • a. daaraan het noodzakelijke onderhoud wordt verricht;

    • b. de noodzakelijke maatregelen worden genomen om inadequate of defecte onderdelen daarvan te verbeteren of te vervangen, en

    • c. indien nodig, tot buitengebruikstelling van een bron wordt overgegaan.

  • 3 De ondernemer zorgt ervoor dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk wordt voorkomen dat een bron zoekraakt, wordt ontvreemd of ongewild wordt verspreid en neemt, indien zich een zodanige situatie voordoet, alle noodzakelijke maatregelen om de bron weer onder zijn controle of beheer te brengen en een eventuele besmetting te verwijderen of verdere blootstelling van personen te voorkomen.

  • 4 De ondernemer zorgt ervoor dat bronnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, beveiligd zijn tegen brand.

  • 5 Regels als bedoeld in dit hoofdstuk gelden onverminderd het bepaalde bij en krachtens de hoofdstukken 7 en 8 met betrekking tot bronnen en de betrokkenheid van een stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming bij handelingen met die bronnen.

  • 6 De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot de bronnen waarvoor hij verantwoordelijk is voldaan wordt aan bij verordening van de Autoriteit gestelde nadere regels met betrekking tot de eisen waaraan degene die een handeling verricht met een bron moet voldoen.

Afdeling 4.2. Toestellen en versnellers

Artikel 4.5. (verplichtingen ondernemer toestellen en versnellers)

De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot toestellen en versnellers waarvoor hij verantwoordelijk is voldaan wordt aan de bij verordening van de Autoriteit gestelde regels met betrekking tot:

  • a. het testen van een toestel of versneller voor de ingebruikname daarvan;

  • b. de afscherming van een toestel of versneller tegen ioniserende straling;

  • c. de opstelling van een toestel of versneller en de bijbehorende hulpmiddelen en beveiligingsmiddelen;

  • d. de werkwijze van een toestel of versneller;

  • e. maatregelen ter voorkoming van gebruik van een toestel of versneller door onbevoegden;

  • f. de controle op de werking van een toestel of versneller; en

  • g. het omgevingsdosisequivalenttempo dat een toestel of versneller mag veroorzaken.

Afdeling 4.3. Radioactieve stoffen

§ 4.3.1. Algemeen

Artikel 4.6. (bergplaats radioactieve stoffen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat wanneer open en ingekapselde bronnen niet worden gebruikt, deze worden opgeborgen in een daartoe geschikte bergplaats.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daartoe kunnen behoren regels die een vrijstelling inhouden of een bevoegdheid tot ontheffingverlening met het oog op gevallen waarin redelijkerwijs niet aan het eerste lid kan worden voldaan.

Artikel 4.7. (beveiliging radioactieve stoffen)

  • 1 De ondernemer zorgt in gevallen, behorend tot een bij regeling van Onze Minister aangewezen categorie, voor een beveiligingsplan waarin wordt beschreven welke voorzieningen met betrekking tot de beveiliging van een bron zijn getroffen.

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, staat in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1. Bij verordening van de Autoriteit kunnen afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit van het beveiligingsplan en de wijze van uitvoering ervan worden gesteld. Deze eisen kunnen een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten.

  • 3 Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming en beveiliging nadere regels worden gesteld ten aanzien van het beveiligingsplan en de beveiliging van het voorhanden hebben van radioactieve stoffen, bestemd voor handelingen waarvoor krachtens de wet of dit besluit een vergunning is vereist.

§ 4.3.2. Ingekapselde bronnen

Artikel 4.8. (algemene eisen ingekapselde bronnen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot ingekapselde bronnen voldaan wordt aan de bij verordening van de Autoriteit gestelde regels.

  • 2 Hiertoe behoren in ieder geval regels met betrekking tot:

    • a. maatregelen bij de binnenkomst van de bron op de locatie;

    • b. eisen aan de constructie en verpakking van de bron;

    • c. maatregelen ter voorkoming van gebruik van een bron door onbevoegden;

    • d. de controle op de werking van een bron;

    • e. het omgevingsdosisequivalenttempo dat een bron mag veroorzaken; en

    • f. het verrichten van een lek- of besmettingstest.

§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen

Artikel 4.9. (kennisgeving overdracht hoogactieve bronnen en overige ingekapselde bronnen)

  • 1 Van iedere overdracht van een hoogactieve bron wordt op een bij verordening van de Autoriteit te bepalen wijze kennisgegeven aan de Autoriteit.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid tot andere daarbij aangewezen ingekapselde bronnen indien dat noodzakelijk wordt geacht met het oog op de stralingsbescherming.

  • 3 Bij de verordening kunnen regels worden gesteld omtrent de kennisgeving en het systeem van registratie en het bijhouden van de kennisgevingen.

Artikel 4.10. (codering en markering hoogactieve bronnen)

  • 1 De fabrikant graveert in of stempelt op elke door hem gefabriceerde hoogactieve bron een code die als volgt is samengesteld:

    • a. de aanduiding: NL;

    • b. gevolgd door een aan de fabrikant door de Autoriteit toegekende vaste code;

    • c. gevolgd door een door de fabrikant te bepalen, voor de bron onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.

  • 2 Een aanvraag om de toekenning van de in het eerste lid, onder b, bedoelde code wordt ingediend bij de Autoriteit. De aanvraag bevat de nummers van de krachtens artikel 15, onder a, of 29, eerste lid, van de wet, aan de aanvrager verleende vergunningen.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de afmeting van de bron voor de in dat lid bedoelde handeling te klein is.

  • 4 De fabrikant graveert de in het eerste lid bedoelde code tevens in de bronhouder van de desbetreffende bron of stempelt die code op die bronhouder.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing indien de afmeting van de bronhouder voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is, of indien de bronhouder bedoeld is voor hergebruik als behuizing van een bron. In dat laatste geval brengt de fabrikant informatie over ten minste de aard van de hoogactieve bron aan op, of aan, de bronhouder.

  • 6 De fabrikant brengt op, of aan, de broncontainer informatie aan over de aard van de hoogactieve bron.

  • 7 De fabrikant van een hoogactieve bron zorgt ervoor dat:

    • a. de bron wordt vergezeld van:

      • 1°. schriftelijke informatie die bevestigt dat de bron voldoet aan het eerste lid en aan de krachtens artikel 4.1, tweede lid, met betrekking tot de bron of de bronhouder gestelde regels;

      • 2°. kleurenfoto’s van het ontwerp van de bron en de bijbehorende bronhouder, en, voor zover van toepassing, van het ontwerp van de bijbehorende broncontainer en de bijbehorende apparatuur;

    • b. de onder a bedoelde informatie en foto’s bij de levering van de bron worden verstrekt aan degene aan wie die bron wordt geleverd;

    • c. de in het eerste en vierde lid bedoelde code en de krachtens artikel 4.1, tweede lid, op de bron, bronhouder of broncontainer aangebrachte waarschuwingstekens en opschriften zo goed mogelijk leesbaar blijven.

Artikel 4.11. (codering en markering bronhouder)

  • 1 De leverancier graveert in, of stempelt op, de bronhouder van elke door hem te leveren hoogactieve bron een code die als volgt is samengesteld:

    • a. de aanduiding: NL,

    • b. gevolgd door een aan de leverancier door de Autoriteit toegekende vaste code,

    • c. gevolgd door een door de leverancier te bepalen voor de bron onderscheidende code in Romeinse letters of Arabische cijfers.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

    • a. op de bronhouder van een hoogactieve bron reeds de in artikel 4.10, eerste lid, bedoelde code, of een andere unieke code in Romeinse letters of Arabische cijfers is aangebracht;

    • b. de afmeting van de bronhouder voor de in het eerste lid bedoelde handeling te klein is, of deze houder bedoeld is voor hergebruik als behuizing van een bron.

Artikel 4.12. (verplichtingen ondernemer codering en markering)

Artikel 4.10, tweede, zesde en zevende lid, onderdelen a en c, en artikel 4.11, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de ondernemer die een handeling verricht met een hoogactieve bron, met dien verstande dat voor «fabrikant» en «leverancier» steeds wordt gelezen: ondernemer.

Artikel 4.13. (controle en beheer hoogactieve bronnen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat door middel van passende tests, zoals lektests, op basis van internationale normen, de integriteit van hoogactieve bronnen door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige of een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming in elk geval op de volgende momenten wordt gecontroleerd:

    • a. ten minste eenmaal per jaar, en

    • b. na elke gebeurtenis waarbij de bron of bronhouder beschadigd is of kan zijn.

  • 2 De ondernemer zorgt er ten aanzien van een hoogactieve bron en haar toebehoren voor dat, door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige of een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming:

    • a. wordt gecontroleerd of de bron en in voorkomend geval de uitrusting die de bron bevat, feitelijk aanwezig is op de plaats waar deze wordt toegepast of is opgeslagen:

      • 1°. elke drie maanden, indien de bron minder dan eens per drie maanden wordt toegepast;

      • 2°. eenmaal per jaar, indien de bron een keer of meer dan een keer per drie maanden wordt toegepast;

    • b. eenmaal per jaar wordt gecontroleerd of de bron en de bronhouder nog in goede staat zijn.

  • 3 De ondernemer:

    • a. zorgt ervoor dat ten aanzien van elke vast opgestelde of mobiele hoogactieve bron schriftelijke instructies worden vastgesteld ter voorkoming van ongeoorloofde toegang tot de bron, verlies of diefstal van de bron of beschadiging van de bron door brand;

    • b. stelt de Autoriteit overeenkomstig artikel 6.3 onmiddellijk in kennis van verlies, diefstal, lekkage of ongeoorloofd gebruik van een bron, en

    • c. laat na elke gebeurtenis, inclusief brand, waarbij de bron beschadigd kan zijn, de integriteit van elke bron controleren en informeert de Autoriteit indien een van de genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan en over de genomen maatregelen.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

Artikel 4.14. (voorlichting en instructie)

  • 1 Onverminderd artikel 7.28 zorgt de ondernemer ervoor dat degene die een handeling met een hoogactieve bron verricht, en degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt, is voorgelicht en geïnstrueerd over:

    • a. de voorschriften voor het veilig beheer van hoogactieve bronnen;

    • b. de noodzakelijke veiligheidsvoorschriften, en

    • c. de mogelijke gevolgen van het wegvallen van een passende controle op hoogactieve bronnen.

  • 2 De in het eerste lid genoemde onderwerpen worden beschreven. Deze documentatie wordt ter beschikking gesteld aan degene die een handeling met een hoogactieve bron verricht en aan degene die daaraan leiding geeft of daarop toezicht houdt.

  • 3 Voorlichting en instructies als bedoeld in het eerste lid worden ten minste elke twee jaar herhaald.

Artikel 4.15. (financiële zekerheid hoogactieve bronnen)

  • 1 De ondernemer stelt financiële zekerheid ter dekking van de kosten van het nakomen van de voor hem geldende verplichtingen met betrekking tot het veilig afvoeren van een afgedankte hoogactieve bron voor het geval:

    • a. hij failliet gaat of anderszins zijn bedrijfsactiviteiten beëindigt, of

    • b. degene met wie een overeenkomst was gesloten om de afgedankte hoogactieve bron af te nemen, niet meer tot die afname in staat is.

  • 2 De financiële zekerheid wordt gesteld op een of meer van de volgende wijzen:

    • a. een borgtocht of een bankgarantie;

    • b. het sluiten van een verzekeringsovereenkomst;

    • c. het deelnemen aan een daartoe ingesteld fonds dat naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt, of

    • d. het treffen van enige andere voorziening, waarbij de financiële zekerheid naar het oordeel van Onze Minister en Onze Minister van Financiën voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister wordt een minimumbedrag vastgesteld waarvoor per volume-eenheid af te voeren bron, de daarbij behorende bronhouder en de vaste afscherming financiële zekerheid wordt gesteld.

  • 4 De financiële zekerheid wordt gesteld ten behoeve van de Staat der Nederlanden.

Artikel 4.16. (financiële zekerheid hoogactieve bronnen, vervolg)

De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot het moment waarop de hoogactieve bron waarvoor de financiële zekerheid wordt gesteld, door de ondernemer:

  • a. wordt overgedragen aan een andere ondernemer die met betrekking tot die bron de vereiste financiële zekerheid heeft gesteld;

  • b. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 10.6, zesde lid, erkende ophaaldienst voor radioactieve afvalstoffen, of

  • c. wordt afgegeven aan een krachtens artikel 10.6, zevende lid, daartoe aangewezen instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen.

Artikel 4.17. (informatie en financiële zekerheid hoogactieve bron)

  • 1 De ondernemer verstrekt voordat hij een hoogactieve bron verwerft, aan de Autoriteit:

    • a. informatie over het volume van de verworven bron, de bronhouder en de vaste afscherming van die bron;

    • b. schriftelijk bewijs dat de krachtens artikel 4.15, eerste lid, vereiste financiële zekerheid is gesteld, en

    • c. schriftelijk bewijs van de overeenkomst die met de leverancier of fabrikant van de bron is gesloten ten aanzien van:

      • 1°. de overbrenging van de niet meer in gebruik zijnde bron naar de leverancier, fabrikant of andere ondernemer die bevoegd is de bron te ontvangen, of

      • 2°. de plaatsing van de niet meer in gebruik zijnde bron in een voorziening voor opslag of verwijdering.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de daarin bedoelde gegevens reeds bij een aanvraag om een vergunning voor de desbetreffende bron of handeling zijn verstrekt.

  • 3 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

Artikel 4.18. (hoogactieve bronnen, bijhouden dossier door de ondernemer)

  • 1 In afwijking van artikel 4.2 legt de ondernemer die de beschikking krijgt over een hoogactieve bron onmiddellijk na de verwerving daarvan het in dat artikel bedoelde dossier aan van die bron, en houdt daarin de informatie bij als bedoeld in, en overeenkomstig het model van het informatieformulier, opgenomen in bijlage 5.

  • 2 De ondernemer stelt een schriftelijke of digitale kopie van de door hem beheerde dossiers ter beschikking aan de Autoriteit:

    • a. onmiddellijk na het aanleggen van een dossier;

    • b. op de bij verordening van de Autoriteit bepaalde vaste data;

    • c. bij wijziging van de op het informatieformulier beschreven situatie;

    • d. op een daartoe strekkend verzoek van de Autoriteit;

    • e. bij het afsluiten van het dossier voor een bron, wanneer de ondernemer deze niet langer in zijn bezit heeft, waarbij de naam en het adres worden vermeld van:

      • 1°. de onderneming waaraan de bron is overgedragen, en

      • 2°. de voorziening voor opslag of verwijdering waaraan de bron is overgedragen;

    • f. bij het afsluiten van het dossier, als de ondernemer geen bronnen meer in zijn bezit heeft.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het eerste en tweede lid, waaronder de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

Artikel 4.19. (hoogactieve bronnen, register)

  • 1 De Autoriteit houdt een register bij van alle ondernemers die op grond van artikel 3.5 een vergunning hebben voor het uitvoeren van handelingen met hoogactieve bronnen en van de hoogactieve bronnen waar zij over beschikken.

  • 2 In het register worden, naast gegevens omtrent de ondernemer en de vergunning, de volgende gegevens omtrent de bron opgenomen:

    • a. het soort radionuclide;

    • b. de activiteit op het moment van productie, of, indien deze onbekend is,

    • c. de activiteit op het tijdstip waarop de bron voor het eerst op de markt is gebracht of door de ondernemer is verworven, en

    • d. het type bron.

  • 3 De Autoriteit houdt het register bij op basis van de hem bekende gegevens, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.18.

§ 4.3.4. Open bronnen

Artikel 4.20. (besmettingscontrole ruimten; handelingen met open bronnen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat ruimten en plaatsen waar handelingen met open bronnen worden verricht, de inrichting daarvan of daarin gebruikte voorwerpen, regelmatig volgens door hem schriftelijk vastgestelde procedures op basis van internationale normen worden gecontroleerd op besmetting.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van daarbij aangewezen handelingen met open bronnen, waaronder regels met betrekking tot de frequentie en de uitvoering van de controles, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.3.5. Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal

Artikel 4.21. (regels m.b.t. handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)

  • 1 Bij verordening van de Autoriteit kunnen in het belang van de stralingsbescherming regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van daarbij aangewezen handelingen met van nature voorkomende radionucliden waarvoor op grond van afdeling 3.2 een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het hergebruik van producten of materialen of de opslag van afval afkomstig van handelingen met van nature voorkomende radionucliden, voor categorieën van gevallen waarin de activiteitsconcentratie van de betrokken van nature voorkomende radionucliden hoger is dan de desbetreffende krachtens artikel 3.20 of 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde.

Afdeling 4.4. Overige algemene regels

§ 4.4.1. Algemene regels consumentenproducten

Artikel 4.22. (consumentenproducten, gegevensverstrekking)

  • 1 Een ondernemer die consumentenproducten wil vervaardigen of deze binnen Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, waarvan het beoogde gebruik kan leiden tot een nieuwe categorie of soort handelingen, verstrekt aan de Autoriteit de met het oog op rechtvaardiging benodigde gegevens met betrekking tot:

    • a. het beoogde gebruik van het consumentenproduct;

    • b. de technische kenmerken van het consumentenproduct;

    • c. de middelen om de bron vast te zetten in geval van consumentenproducten die radioactieve stoffen bevatten;

    • d. dosistempo’s op relevante afstanden voor het gebruik van het consumentenproduct, met inbegrip van dosistempo’s op 0,1 m van enig toegankelijk oppervlak, en

    • e. de verwachte doses voor regelmatige gebruikers van het product.

  • 2 Bij de beoordeling met het oog op rechtvaardiging wordt in het bijzonder gelet op de vereisten dat:

    • a. de prestaties van het consumentenproduct het beoogde gebruik ervan rechtvaardigen;

    • b. het ontwerp volstaat om blootstellingen bij normaal gebruik en de kans op en de gevolgen van misbruik of toevallige blootstellingen te minimaliseren, dan wel of voorwaarden moeten worden opgelegd met betrekking tot de technische en fysieke eigenschappen van het product;

    • c. het consumentenproduct qua ontwerp voldoet aan de vrijstellingscriteria, bedoeld in paragraaf 3.3.1, en in voorkomend geval, of het van een erkend type is en geen specifieke voorzorgsmaatregelen vereist zijn voor de verwijdering ervan wanneer het niet langer in gebruik is, en

    • d. het consumentenproduct van een correct etiket is voorzien en er passende documentatie aan de klant is verstrekt met instructies voor een correct gebruik en verwijdering.

  • 3 Indien een verzoek met gegevens als bedoeld in het eerste lid is ontvangen wordt dit door de Autoriteit medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten van de Europese Unie. Op verzoek wordt voorts mededeling gedaan van de beslissing omtrent rechtvaardiging en de daaraan ten grondslag liggende redenen.

  • 4 Het aan consumenten verkopen of ter beschikking stellen van consumentenproducten waarvan het gebruik niet is gerechtvaardigd of die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling als bedoeld in paragraaf 3.3.1 is verboden.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot vereisten voor handelingen met gerechtvaardigde consumentenproducten als bedoeld in het tweede lid. Daartoe kunnen in elk geval behoren regels met betrekking tot het gebruik en de verwijdering van die producten.

§ 4.4.2. Algemene regels aanwijsinstrumenten

Artikel 4.23. (verbod toevoeging radionucliden – aanwijsinstrumenten)

In afwijking van het in artikel 3.5, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, derde lid, onder c, bedoelde verbod, op het zonder of in strijd met een vergunning toevoegen van radioactieve stoffen aan consumentenproducten, is het verboden:

  • a. voor verlichtingsdoeleinden radionucliden toe te voegen aan een aanwijsinstrument;

  • b. handelingen te verrichten met een aanwijsinstrument waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd.

Artikel 4.24. (specifieke vrijstelling van verbod – aanwijsinstrumenten)

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 4.23, is niet van toepassing voor zover:

    • a. het product een aanwijsinstrument betreft;

    • b. uitsluitend H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is of wordt toegevoegd voor verlichtingsdoeleinden;

    • c. het aanwijsinstrument in totaal een lagere activiteit bevat dan de desbetreffende krachtens artikel 3.17, eerste lid, onder a, vastgestelde waarde voor H-3, onderscheidenlijk Pm-147;

    • d. het aanwijsinstrument voldoet aan in het belang van de bescherming tegen ioniserende straling bij verordening van de Autoriteit gestelde regels met betrekking tot de constructie;

    • e. op het aanwijsinstrument de bij verordening van de Autoriteit aangewezen merk- of waarschuwingstekens zijn aangebracht;

    • f. herstel- en onderhoudswerkzaamheden aan het aanwijsinstrument worden verricht overeenkomstig de bij verordening van de Autoriteit vastgestelde regels, en

    • g. er per locatie op enig moment niet meer dan 500 aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf is toegevoegd, voorhanden zijn.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 4.23 en het eerste lid.

Artikel 4.25. (verbod voorhanden hebben aanwijsinstrumenten; ontheffing Defensie)

  • 1 Het is verboden buiten Nederland vervaardigde aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, voorhanden te hebben met het doel deze binnen Nederland in de handel te brengen, indien deze instrumenten niet voldoen aan de bij of krachtens de artikelen 4.23 en 4.24 gestelde regels.

  • 2 Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid en artikel 4.23 gestelde verboden indien het aanwijsinstrumenten betreft waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd en die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de krijgsmacht onder operationele omstandigheden.

  • 3 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot aanwijsinstrumenten.

§ 4.4.3. Algemene regels niet-medische beeldvorming

Artikel 4.26. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming)

  • 1 De Autoriteit inventariseert handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming die leiden tot blootstelling.

  • 2 Bij de inventarisatie van handelingen waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt wordt in het bijzonder gelet op de volgende handelingen:

    • a. radiologische keuringen, onder andere bij aanstelling, immigratie of verzekering;

    • b. radiologisch onderzoek met betrekking tot de fysieke ontwikkeling van kinderen en adolescenten, met het oog op een loopbaan;

    • c. radiologische leeftijdsbepaling;

    • d. het gebruik van ioniserende straling voor het opsporen van verborgen voorwerpen in het menselijk lichaam.

  • 3 Bij de inventarisatie van handelingen waarbij geen medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt wordt in het bijzonder gelet op:

    • a. gebruik van ioniserende straling voor het opsporen van verborgen voorwerpen aan of op het menselijk lichaam;

    • b. het gebruik van ioniserende straling bij controles van vracht en laadruimten voor het opsporen van verstekelingen;

    • c. het gebruik van ioniserende straling voor wettelijke of beveiligingsdoeleinden.

  • 4 Onverminderd artikel 2.4 wordt elke procedure van individuele niet-medische beeldvorming gerechtvaardigd met inachtneming van de specifieke doelstellingen van die procedure en de kenmerken van de betrokken persoon.

  • 5 De generieke en specifieke rechtvaardiging van handelingen met blootstelling bij niet-medische beeldvorming kan worden herzien overeenkomstig artikel 2.3.

  • 6 De omstandigheden voor blootstelling bij niet-medische beeldvorming worden regelmatig door de ondernemer geëvalueerd.

Artikel 4.27. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, vervolg)

  • 1 Gerechtvaardigde handelingen met blootstelling bij niet-medische beeldvorming, waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt, kunnen bij regeling van Onze Minister worden vrijgesteld van:

    • a. dosisbeperkingen voor blootstelling van een lid van de bevolking, opgenomen in artikel 9.5;

    • b. dosislimieten voor blootstelling van een lid van de bevolking, opgenomen in artikel 9.1.

  • 2 De Autoriteit stelt bij verordening of beschikking regels of voorschriften vast voor handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, met inbegrip van criteria voor de individuele toepassing.

  • 3 Bij procedures waarbij medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt zorgt de ondernemer voor:

    • a. naleving van de relevante bepalingen inzake medische blootstelling als bedoeld in hoofdstuk 8, waaronder in elk geval worden begrepen de bepalingen met betrekking tot:

      • 1°. de apparatuur;

      • 2°. optimalisatie;

      • 3°. de verantwoordelijkheden;

      • 4°. de opleidingsvereisten;

      • 5°. bijzondere bescherming tijdens zwangerschap;

    • b. een passende betrokkenheid van een klinisch fysicus;

    • c. het toepassen van specifieke protocollen al naar gelang het doel van de blootstelling en de vereiste beeldkwaliteit;

    • d. het voldoen aan de op grond van artikel 4.28 vastgestelde specifieke diagnostische referentieniveaus, indien redelijkerwijs uitvoerbaar.

  • 4 Voor procedures waarbij geen medisch-radiologische apparatuur wordt gebruikt zorgt de ondernemer ervoor dat de dosisbeperkingen zo ruim mogelijk onder de dosislimieten voor blootstelling van leden van de bevolking, opgenomen in artikel 9.1, liggen.

  • 5 De ondernemer zorgt ervoor dat adequate informatie wordt verstrekt aan, en toestemming wordt gevraagd aan een persoon die de blootstelling zal ondergaan.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover in het kader van de rechtshandhaving een instemming niet bij of krachtens de wet wordt vereist.

Artikel 4.28. (handelingen ten behoeve van niet-medische beeldvorming, vervolg)

Bij regeling van Onze Minister kunnen specifieke diagnostische referentieniveaus voor de in artikel 4.27 bedoelde handelingen worden vastgesteld.

Afdeling 4.5. Meet- en rekenmethoden

Artikel 4.29. (meet- en rekenmethoden)

  • 1 Bij verordening van de Autoriteit worden methoden aangewezen of vastgesteld:

    • a. ter bepaling van de omgevingsdosisequivalenten;

    • b. ter bepaling van de equivalente en de effectieve doses, met inachtneming van passende standaardwaarden en standaardrelaties;

    • c. ter bepaling van de waarden voor de activiteitsconcentratie en de totale activiteit of de waarden voor de activiteit per oppervlakte-eenheid ten gevolge van radionucliden;

    • d. betreffende de aanwijzing van radionucliden die bij de toetsing van van nature voorkomende radionucliden zijn vrijgesteld van sommatie;

    • e. voor de bepaling van de activiteitsconcentratie, de activiteit per oppervlakte-eenheid en de totale activiteit voor radionucliden.

  • 2 Bij de verordening kunnen in elk geval:

    • a. methoden worden aangewezen voor de wijze waarop de in het eerste lid, onder b, bedoelde doses worden getoetst aan de in dit besluit opgenomen dosislimieten, dosisbeperkingen of referentieniveaus;

    • b. regels worden gesteld voor de meetmethoden van activiteiten, activiteitsconcentratie of activiteit per oppervlakte-eenheid.

  • 4 Ten behoeve van de toetsing aan waarden voor de activiteitsconcentratie, de totale activiteit of de waarden voor de activiteit per oppervlakte-eenheid ten gevolge van radionucliden, worden alle activiteiten die zich op enig moment binnen een locatie bevinden of worden geloosd, gewogen en gesommeerd overeenkomstig de methoden, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid.

  • 5 In afwijking van het vierde lid worden de activiteiten of activiteitsconcentratie in natuurlijke bronnen niet gesommeerd met de activiteiten of activiteitsconcentratie in kunstmatige bronnen.

Hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid

§ 5.1. Informatie

Artikel 5.1. (transparantie)

  • 1 Onze Ministers die het aangaat en de Autoriteit zorgen ervoor dat aan leden van de bevolking, ondernemers, werknemers alsmede patiënten en andere personen die medische blootstelling ondergaan, informatie ter beschikking wordt gesteld met betrekking tot:

    • a. categorieën of soorten handelingen die gerechtvaardigd zijn overeenkomstig de paragrafen 2.1 en 2.2;

    • b. de regelgeving met betrekking tot bronnen en stralingsbescherming.

  • 2 De informatie wordt ter beschikking gesteld overeenkomstig de vereisten van nationaal en internationaal recht, tenzij dat strijdig zou zijn met een nationaal of internationaal erkend belang, waaronder in ieder geval worden begrepen de belangen inzake veiligheid en beveiliging.

Artikel 5.2. (informatie over apparaten en toestellen)

  • 1 Degene die apparatuur die radioactieve bronnen bevat, of een toestel of versneller waardoor ioniserende straling wordt uitgezonden of kan worden uitgezonden op de markt brengt of overdraagt aan een ondernemer zorgt ervoor dat aan de ondernemer aan wie een toestel of versneller wordt overgedragen passende voorlichting wordt verstrekt over de mogelijke radiologische gevaren en het juiste gebruik ervan alsmede het testen en het onderhoud ervan, met inbegrip van een document waaruit blijkt dat het ontwerp het mogelijk maakt de blootstelling te beperken tot een niveau dat zo laag als redelijkerwijs mogelijk is.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, zorgt degene die medisch-radiologische apparatuur, toestellen of versnellers op de markt brengt of overdraagt aan een andere ondernemer er overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Besluit medische hulpmiddelen voor, dat aan elke ondernemer aan wie de overdracht plaatsvindt passende voorlichting wordt verstrekt over de risicobeoordeling voor patiënten, en over de beschikbare elementen van de klinische evaluatie.

  • 3 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 5.3. (informatie radon in woningen en andere gebouwen)

  • 1 Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat zorgen ervoor dat lokaal en nationaal informatie beschikbaar is over:

    • a. de blootstelling aan radon in woningen en andere gebouwen en de bijbehorende gezondheidsrisico’s;

    • b. over het belang van radonmetingen, en

    • c. over de beschikbare technische middelen om bestaande radonconcentraties terug te dringen.

  • 2 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding en uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.

§ 5.2. Diensten en deskundigen

Artikel 5.4. (stralingsbeschermingsdeskundige)

  • 1 Ten aanzien van de stralingsbeschermingsdeskundige zijn naast de algemene bepalingen van deze paragraaf de specifieke bepalingen van de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 van toepassing.

  • 2 De ondernemer die een handeling uitvoert of laat uitvoeren waarvoor een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist, zorgt ervoor dat een stralingsbeschermingsdeskundige hem adviseert over, dan wel toezicht uitoefent op, de naleving van de bij of krachtens de wet en dit besluit gestelde regels en voorschriften met betrekking tot die handeling, indien deze beroepsmatige blootstelling of blootstelling van een lid van de bevolking met zich brengt of kan brengen. De eerste volzin is mede van toepassing op een maatregel of blootstellingsituatie waarvoor een kennisgeving is vereist.

  • 3 Ten aanzien van handelingen als bedoeld in het tweede lid is deskundigheid vereist overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgesteld passend niveau, welke in verhouding staat tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s.

  • 4 Bij de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de passende niveaus van deskundigheid, bedoeld in dat lid.

  • 5 Aan een stralingsbeschermingsdeskundige kan door een in artikel 58 van de wet aangewezen ambtenaar worden opgedragen om werknemers en leden van de bevolking te beschermen tegen ioniserende straling.

Artikel 5.5. (erkenning stralingsbeschermingsdeskundige)

  • 1 De ingevolge dit besluit door een stralingsbeschermingsdeskundige te verrichten taken worden uitsluitend uitgevoerd door een persoon die als een zodanige deskundige voor de uitvoering van de betrokken taken op aanvraag door de Autoriteit is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet.

  • 2 Een inschrijving als bedoeld in het eerste lid geldt als erkenning in de zin van artikel 79, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de richtlijn.

  • 3 Bij regeling van Onze Ministers worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden waaraan moet worden voldaan om als stralingsbeschermingsdeskundige in het register te worden ingeschreven. De eisen kunnen verschillen voor de verschillende niveaus van deskundigheid, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, afhankelijk van de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige, of de specifieke toepassing. Bij de regeling worden tevens eisen gesteld met betrekking tot de herregistratie. Daartoe kunnen behoren eisen met betrekking tot het volgen van opleidingen.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit worden regels gesteld omtrent:

    • a. de wijze van inschrijving;

    • b. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving worden verstrekt, waaronder in elk geval kan worden verstaan een diploma van een erkende instelling als bedoeld in artikel 5.11 met betrekking tot een opleiding tot coördinerend deskundige of algemeen coördinerend deskundige als bedoeld in artikel 7b van het Besluit stralingsbescherming, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit.

  • 5 Een inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald, indien niet of niet volledig voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet of dit besluit gestelde eisen, met dien verstande dat alvorens een inschrijving wordt geweigerd of doorgehaald de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een daarbij gestelde redelijke termijn aan te tonen dat alsnog aan de eisen wordt voldaan.

Artikel 5.6. (inschrijving persoon als stralingsbeschermingsdeskundige bij voldoen aan erkende EU-beroepskwalificaties)

Artikel 5.7. (toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)

  • 1 Ten aanzien van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zijn naast de algemene bepalingen van deze paragraaf de specifieke bepalingen van de hoofdstukken 6 en 7 van toepassing.

  • 2 De ondernemer die een handeling uitvoert of laat uitvoeren die beroepsmatige blootstelling of blootstelling van een lid van de bevolking met zich brengt of kan brengen, zorgt ervoor dat deze handeling wordt uitgevoerd door of onder toezicht van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming.

  • 3 De taken van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming kunnen worden uitgevoerd door een stralingsbeschermingsdeskundige of een stralingsbeschermingseenheid.

  • 4 De ondernemer zorgt ervoor dat aan een in zijn onderneming werkzame toezichthoudend medewerker stralingsbescherming:

    • a. adequate opleiding, training en voorlichting op het gebied van de stralingsbescherming specifiek voor de toepassing wordt gegeven, en

    • b. regelmatig toepassingspecifieke bij- en nascholing wordt gegeven.

  • 5 De ondernemer houdt een administratie bij waarin de wijze van uitvoering van het vierde lid wordt gedocumenteerd en houdt deze ter beschikking van de krachtens artikel 58 van de wet aangewezen ambtenaren.

  • 6 Bij regeling van Onze Ministers kunnen eisen worden vastgesteld met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor daarbij genoemde toepassingen en de opleiding, training en voorlichting, bedoeld in het vierde lid. Daartoe kunnen behoren eisen met betrekking tot het volgen van opleidingen.

  • 7 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld.

Artikel 5.8. (vereisten toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)

De ingevolge dit besluit door een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming te verrichten taken worden uitsluitend uitgevoerd door een persoon die beschikt over een diploma, certificaat of een ander getuigschrift ter afsluiting van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming, specifiek voor de toepassing, behaald bij:

  • a. een erkende instelling als bedoeld in artikel 5.11, of

  • b. een door een andere lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland erkende of aangewezen instelling of opleiding.

Artikel 5.9. (stralingsbeschermingseenheid)

  • 1 Bij regeling van Onze Minister kunnen soorten ondernemingen of locaties waar zeer diverse of omvangrijke handelingen worden uitgevoerd of handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende straling vereisen worden aangewezen, waarin de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, waarin tevens een stralingsbeschermingsdeskundige van een krachtens artikel 5.5 vereist niveau van deskundigheid beschikbaar is. Daartoe behoren in elk geval gevallen waarin op grond van artikel 3.4, vierde lid, een complexvergunning is vereist. Bij de regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken, bevoegdheden en werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, het op peil blijven van de expertise van de eenheid en de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige in die eenheid.

  • 2 Indien op grond van het eerste lid de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, zorgt de ondernemer ervoor dat deze operationeel is en dat in ieder geval:

    • a. daarbij een stralingsbeschermingsdeskundige aanwezig of beschikbaar is en daarin voldoende ondersteunend personeel werkzaam is;

    • b. daarin het krachtens artikel 5.5 vereiste niveau van deskundigheid met betrekking tot stralingsbescherming aanwezig is;

    • c. de stralingsbeschermingseenheid functioneel en organisatorisch gescheiden is van productie- en technische eenheden;

    • d. de stralingsbeschermingseenheid aan hem adviezen verstrekt met betrekking tot de bescherming tegen ioniserende straling, en

    • e. de stralingsbeschermingsdeskundige in die afdeling toestemming geeft voor een handeling.

  • 4 Een stralingsbeschermingseenheid kan de taken van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming verrichten.

Artikel 5.10. (middelen en faciliteiten)

De ondernemer stelt financiële middelen en faciliteiten voor een passende bescherming tegen ioniserende straling ter beschikking aan de stralingsbeschermingsdeskundige, de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de stralingsbeschermingseenheid, die met de uitvoering van die stralingsbescherming zijn belast.

§ 5.3. Opleiding, training en voorlichting

Artikel 5.11. (erkende instellingen)

  • 1 Instellingen waar personen overeenkomstig artikel 5.5, 5.8 of 8.4, derde lid, een diploma, certificaat of een ander getuigschrift ter afsluiting van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming kunnen behalen dienen te zijn erkend door de Autoriteit. De erkenning geldt voor een tijdvak van vijf jaar en kan daarna telkens voor een tijdvak van vijf jaar worden verlengd indien aan de met het oog op erkenning gestelde eisen, bedoeld in het derde lid, wordt voldaan. Een erkenning of verlenging daarvan wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2 De erkenning kan worden geschorst of ingetrokken door de Autoriteit indien de opleiding ook na herhaalde waarschuwing niet, of niet langer, voldoet aan een of meer krachtens het derde lid gestelde eisen.

  • 3 Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot:

    • a. eisen aan de kwaliteit en kwaliteitsborging van de opleiding;

    • b. eisen aan de examinering, toetsing en het vaststellen van eindtermen;

    • c. eisen voor beroep en klachten.

  • 4 Bij verordening van de Autoriteit worden eisen gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.

Artikel 5.12. (informatie, advies en bijstand in verband met weesbronnen)

  • 1 De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt er, onverminderd artikel 7.30, voor dat de bedrijfsleiding van ondernemingen waarvan het aannemelijk is dat er weesbronnen worden aangetroffen of verwerkt, geïnformeerd wordt over de mogelijkheid van een confrontatie met een weesbron.

  • 2 Onder bedrijven als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan inrichtingen en installaties waar aanzienlijke hoeveelheden metaalfabricaten, metaalafval of schroot worden opgeslagen, bewerkt, verwerkt of overgeslagen.

  • 3 De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt ervoor dat:

    • a. informatie beschikbaar wordt gesteld waarmee de bevolking bewust wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van weesbronnen en de risico’s daarvan;

    • b. richtsnoeren worden uitgevaardigd voor werknemers en leden van de bevolking over de te nemen maatregelen bij het aantreffen van een weesbron of vermoeden daarvan, waaronder het informeren van de Autoriteit.

  • 4 De Autoriteit of Onze Minister die het aangaat zorgt voor het onmiddellijk na een aangifte als bedoeld in artikel 22 of 33 van de wet ter beschikking stellen van specifieke technische adviezen en assistentie in situaties als bedoeld in het derde lid, onder b.

Artikel 5.13. (voorlichting en opleiding van hulpverleners)

  • 1 De Autoriteit zorgt ervoor dat de hulpverleners die zijn opgenomen in een nationaal crisisplan als bedoeld in artikel 6.5:

    • a. worden voorgelicht over stralingsbescherming, over de risico’s die hun inzet voor hun gezondheid met zich brengt en over de bij een stralingsincident, radiologische noodsituatie of ongeval te nemen voorzorgsmaatregelen,

    • b. regelmatig een passende opleiding met betrekking tot stralingsbescherming volgen;

    • c. regelmatig een passende opleiding met betrekking tot rampenbestrijding volgen overeenkomstig de afspraken, bedoeld in artikel 40 van de wet.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de ondernemer die verantwoordelijk is voor hulpverleners die zijn opgenomen in een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7.

  • 3 Zodra zich een stralingsincident, radiologische noodsituatie of ongeval voordoet wordt specifieke en passende informatie omtrent het stralingsincident, de radiologische noodsituatie of het ongeval en de omstandigheden daarvan aan de hulpverleners verstrekt.

  • 4 De voorlichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, betreft in elk geval de verschillende mogelijke stralingsincidenten, radiologische noodsituaties of ongevallen en het soort inzet.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister die het aangaat kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aard en inhoud van de voorlichting en opleiding, bedoeld in het eerste lid, en de specifieke informatie, bedoeld in het derde lid.

Artikel 5.14. (opleiding, training en voorlichting op het gebied van medische blootstelling)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat medisch deskundigen en andere personen die betrokken zijn bij de praktische onderdelen van medisch-radiologische procedures, een passende opleiding, training en voorlichting krijgen met het oog op medisch-radiologische handelingen en passende bekwaamheden met betrekking tot stralingsbescherming ontwikkelen. Medisch deskundigen volgen deze opleiding, training en voorlichting bij een erkende instelling als bedoeld in artikel 5.11.

  • 2 Personen die opleidingen en trainingen als bedoeld in het eerste lid volgen, kunnen deelnemen aan de toepassing in de praktijk van de in hoofdstuk 8 genoemde medisch-radiologische procedures.

  • 3 Deskundigen en personen als bedoeld in het eerste lid volgen passende bij- en nascholing.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste tot en met derde lid. Daartoe kunnen behoren regels omtrent de organisatie van een opleiding in verband met het klinische gebruik van nieuwe technieken en de relevante eisen op het gebied van de stralingsbescherming.

Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling

Afdeling 6.1. Stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties

§ 6.1.1. Meldingen en maatregelen

Artikel 6.1. (meldplicht stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties)

De ondernemer meldt elk stralingsincident, ongeval of radiologische noodsituatie onmiddellijk aan de Autoriteit.

Artikel 6.2. (uitvoering meldingen en maatregelen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling waarbij er een te voorzien risico is dat personen onbedoeld aan overmatige blootstelling kunnen worden blootgesteld, slechts wordt verricht nadat een stralingsbeschermingsdeskundige hierover is geraadpleegd.

  • 2 Indien naar het oordeel van een stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming de blootstelling, bedoeld in het eerste lid, zich voordoet of dreigt voor te doen, zorgt de ondernemer ervoor dat onmiddellijk:

    • a. de handeling wordt gestaakt;

    • b. gevaarlijke plaatsen worden ontruimd, en

    • c. deze situatie overeenkomstig artikel 6.1 wordt gemeld.

  • 3 De Autoriteit stelt de krachtens artikel 58 of 65 van de wet aangewezen toezichthouders en andere betrokken instanties zo spoedig mogelijk op de hoogte van een melding als bedoeld in artikel 6.1. Onze Minister kan instanties als bedoeld in de eerste volzin aanwijzen.

  • 4 De ondernemer beëindigt de maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, slechts in overeenstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en niet eerder dan een week nadat de melding is gedaan, tenzij de Autoriteit of een ander bevoegd bestuursorgaan of instantie die ingevolge het derde lid van de melding op de hoogte is gebracht, binnen die termijn een andere termijn voor het beëindigen van de maatregelen heeft gesteld.

  • 5 De ondernemer neemt de maatregelen die nodig zijn om nieuwe stralingsincidenten, ongevallen of radiologische noodsituaties te voorkomen en doet zo nodig onderzoek. Zo spoedig mogelijk na de melding wordt de Autoriteit of het andere bevoegde bestuursorgaan of de instantie in kennis gesteld van de onderzoeksresultaten en corrigerende maatregelen.

  • 6 In gevallen behorend tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, is de ondernemer verplicht tot het invoeren en in werking houden van een systeem voor het registreren en analyseren van stralingsincidenten, ongevallen of radiologische noodsituaties.

  • 7 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van artikel 6.1 en het eerste tot en met zesde lid.

Artikel 6.3. (meldingen bronnen)

  • 1 De ondernemer meldt de volgende gebeurtenissen en maatregelen onmiddellijk aan de Autoriteit:

    • a. een verlies, diefstal of significante lekkage van een bron die leidt of kan leiden tot een blootstelling die niet mag worden verwaarloosd, of ongeoorloofd gebruik of de ongewilde verspreiding van die bron;

    • b. de getroffen maatregelen na een verlies, diefstal, significante lekkage, ongeoorloofd gebruik of ongewilde verspreiding als bedoeld onder a of elke gebeurtenis waarbij een bron kan zijn beschadigd.

  • 2 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.

§ 6.1.2. Ongevallenbestrijding en nationale crisisplannen

Artikel 6.4. (radiologische noodsituaties)

  • 1 De krachtens artikel 9.8 vastgestelde referentieniveaus zijn van toepassing in een radiologische noodsituatie.

  • 2 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot optimalisatie in een radiologische noodsituatie.

Artikel 6.5. (ongevallenbestrijding en nationale crisisplannen)

  • 3 Onze Minister en Onze Minister die het aangaat zorgen voor een of meer nationale crisisplannen voor ongevallen of radiologische noodsituaties, rekening houdend met de algemene beginselen van stralingsbescherming van hoofdstuk 2 en de referentieniveaus, vastgesteld krachtens artikel 9.8.

  • 4 Een nationaal crisisplan bevat de in bijlage 6, onderdeel B, genoemde elementen en, voor zover van toepassing, de elementen, bedoeld in het eerste lid. Een nationaal crisisplan heeft tevens betrekking op de overgang van een radiologische noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie.

  • 6 Een nationaal crisisplan wordt regelmatig getest, geëvalueerd en, voor zover de resultaten daartoe aanleiding vormen, verbeterd. Daarbij wordt rekening gehouden met inzichten en ervaringen uit eerdere blootstellingsituaties bij ongevallen en in radiologische noodsituaties en de resultaten van oefeningen met ongevallen en radiologische noodsituaties op nationaal en internationaal niveau.

  • 7 Bij regeling van Onze Minister kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde, vierde en zesde lid.

Artikel 6.6. (internationale samenwerking)

  • 1 Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie zorgen voor samenwerking met andere lidstaten en andere betrokken landen met het oog op de aanpak van mogelijke radiologische noodsituaties op Nederlands grondgebied die deze staten kunnen treffen.

  • 2 In geval van een radiologische noodsituatie op het grondgebied van een andere lidstaat of ander betrokken land zorgen Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor samenwerking met die lidstaat of dat land met het oog op de stralingsbescherming op Nederlands grondgebied.

  • 3 In geval van een radiologische noodsituatie op het eigen grondgebied of een radiologische noodsituatie die radiologische gevolgen op het eigen grondgebied kan hebben, zorgen Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie ervoor dat de andere betrokken lidstaten en andere landen die betrokken kunnen zijn of kunnen worden getroffen onmiddellijk worden geïnformeerd en dat met hen contact wordt opgenomen, teneinde de blootstellingsituatie gezamenlijk te beoordelen en de beschermingsmaatregelen alsmede de voorlichting van leden van de bevolking te coördineren. Deze coördinatieactiviteiten mogen niet leiden tot belemmering of vertraging van de noodzakelijke op nationaal niveau te nemen maatregelen.

  • 5 Onze in het eerste lid genoemde Ministers zorgen ervoor dat in geval van verlies, diefstal of ontdekking van hoogactieve ingekapselde bronnen, van andere radioactieve bronnen of van tot bezorgdheid aanleiding gevende radioactieve stoffen, voor zover dat verenigbaar is met nationale regels inzake geheimhouding, veiligheid en beveiliging:

    • a. informatie onmiddellijk wordt gedeeld en dat wordt samengewerkt met andere betrokken lidstaten, andere betrokken landen en betrokken internationale organisaties, en

    • b. dat verdere informatie en onderzoeksresultaten worden gedeeld.

  • 6 Onze Minister en Onze Minister die het aangaat zorgen waar nodig voor samenwerking met andere lidstaten en andere betrokken landen bij de transitie van een noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie.

§ 6.1.3. Bedrijfsnoodplannen en interventies ondernemer

Artikel 6.7. (bedrijfsnoodplannen)

  • 1 De ondernemer zorgt in gevallen, behorend tot een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen categorie, voor een bedrijfsnoodplan voor:

    • a. de door hem geïnventariseerde risico’s op voorzienbare ongevallen en radiologische noodsituaties, en

    • b. de voor zijn onderneming relevante voorzienbare ongevallen en radiologische noodsituaties die zijn geïnventariseerd in het kader van het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s en de nationale crisisafspraken, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid.

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, staat in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1. Bij verordening van de Autoriteit kunnen afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit van het bedrijfsnoodplan worden gesteld en aan de wijze van uitvoering ervan. Deze eisen kunnen een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten.

  • 3 Een bedrijfsnoodplan bevat in ieder geval:

    • a. voor zover betrekking hebbend op, of relevant voor, de onderneming, de in bijlage 6, onderdeel B, genoemde elementen en de elementen van de nationale crisisafspraken;

    • b. maatregelen voor de overgang van een radiologische noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde lid.

Artikel 6.8. (interventies ondernemer)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat voorzieningen worden getroffen ter voorbereiding op het verrichten van een interventie voor het geval dat zich binnen de locatie een ongeval of radiologische noodsituatie voordoet. Indien hij op grond van artikel 6.7 over een bedrijfsnoodplan dient te beschikken neemt hij in het bedrijfsnoodplan een onderdeel «interventies» op, dat hij regelmatig test.

  • 2 Indien zich binnen de locatie een ongeval of radiologische noodsituatie voordoet, treft de ondernemer onmiddellijk alle passende maatregelen om de gevolgen daarvan te beperken.

  • 3 Naast de melding, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, brengt de ondernemer het ongeval of de radiologische noodsituatie onmiddellijk ter kennis van de burgemeester van de gemeente waar die situatie zich voordoet.

  • 4 De ondernemer maakt onmiddellijk een voorlopige beoordeling van de omstandigheden en de gevolgen van die situatie en meldt deze aan de burgemeester en de Autoriteit.

  • 5 De ondernemer zorgt ervoor dat alle medewerking wordt verleend aan een interventie die door een bestuursorgaan wordt verricht.

  • 6 Onverminderd artikel 6.2 treft de ondernemer, indien zich binnen de locatie een ongeval of radiologische noodsituatie voordoet, onmiddellijk beschermingsmaatregelen met betrekking tot:

    • a. de stralingsbron, om de straling evenals de lozing van radionucliden te beperken of te beëindigen;

    • b. het milieu, om de blootstelling van personen aan radioactieve stoffen via relevante blootstellingsroutes te beperken;

    • c. personen, om hun blootstelling te beperken.

  • 7 Bij verordening van de Autoriteit kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid.

Artikel 6.9. (individuele monitoring)

Bij een ongeval of radiologische noodsituatie binnen zijn locatie zorgt de ondernemer ervoor dat, indien een lid van de bevolking binnen of buiten die locatie, ten gevolge daarvan is of kan worden blootgesteld, individuele monitoring wordt uitgevoerd of dat de effectieve of equivalente doses die door de betrokken persoon zijn ontvangen op een andere passende wijze worden bepaald.

§ 6.1.4. Interventies overheid bij ongevallen en bij radiologische noodsituaties

Artikel 6.10. (regels met betrekking tot interventies en beschermingsmaatregelen)

  • 1 Onze Ministers die het aangaat stellen regels met betrekking tot het uitvoeren van interventies, bedoeld in artikel 6.11, en passende beschermingsmaatregelen.

  • 2 Bij het vaststellen van regels als bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met de feitelijke kenmerken van het ongeval of de radiologische noodsituatie. De regels zijn voorts in overeenstemming met de geoptimaliseerde beschermingsstrategie die deel uitmaakt van het nationale crisisplan, bedoeld in artikel 6.5.

  • 3 In geval van een ongeval of radiologische noodsituatie binnen of buiten het Nederlandse grondgebied nemen de ondernemer, het bestuur van de veiligheidsregio en Onze in het eerste lid bedoelde Ministers, passende beschermingsmaatregelen overeenkomstig het toepasselijke nationale crisisplan. Daarbij wordt rekening gehouden met de feitelijke kenmerken van het ongeval of de radiologische noodsituatie en de geoptimaliseerde beschermingsstrategie, opgenomen in het nationale crisisplan.

  • 4 Degene onder wiens verantwoordelijkheid een interventie wordt verricht, zorgt ervoor dat de gevolgen en de doeltreffendheid van een interventie worden beoordeeld en geregistreerd.

  • 5 Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zorgen voor de organisatie van de medische behandeling van personen die getroffen zijn door het ongeval of de radiologische noodsituatie.

Artikel 6.11. (uitvoering interventie)

  • 1 Een interventie wordt slechts verricht indien de daarvan verwachte beperking van de schade en de nadelige sociale en maatschappelijke gevolgen, veroorzaakt door ioniserende straling, voldoende is om de schade, de nadelige sociale en maatschappelijke gevolgen en de kosten van de interventie te rechtvaardigen.

  • 2 De vorm, de omvang en de duur van de interventie zijn zodanig, dat het voordeel van de daarmee te bereiken beperking van de gezondheidsschade, rekening houdend met de schade die aan de interventie is verbonden, zo groot is als redelijkerwijs mogelijk is.

Artikel 6.12. (voorzieningen interventie)

Onze Ministers die het aangaat als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, zorgen ervoor dat er voorzieningen voor technische en medische interventie en voor het verwijderen van radioactieve besmetting beschikbaar zijn.

Artikel 6.13. (uitvoering interventies)

De artikelen 7.12, 7.13, 7.14, 7.16, 7.19, 7.20 en 7.21 zijn van toepassing met betrekking tot de leden van interventieteams, met dien verstande dat de daar bedoelde verplichtingen rusten op degene onder wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht.

Artikel 6.14. (interventie bij langdurige blootstelling)

  • 1 Door Onze Ministers, bedoeld in artikel 6.12, of de ondernemer kan een situatie worden aangemerkt als een situatie die leidt tot langdurige blootstelling als gevolg van een radiologische noodsituatie of een vroegere handeling.

  • 2 Onze Ministers, bedoeld in artikel 6.12, kunnen in het geval dat de situatie als bedoeld in het eerste lid onder de verantwoordelijkheid van een ondernemer valt, de ondernemer verplichten een interventie uit te voeren.

  • 3 In een geval als bedoeld in het eerste lid, zorgt degene onder wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht, voor zover noodzakelijk met het oog op het gevaar van blootstelling, voor:

    • a. de afbakening van het desbetreffende gebied;

    • b. de invoering van een bewakingssysteem voor de blootstelling;

    • c. de uitvoering van de interventie, overeenkomstig een door Onze Ministers als bedoeld goedgekeurd plan van aanpak;

    • d. het regelen van de toegang tot of het gebruik van de locaties, woningen of andere gebouwen, die zich in het afgebakende gebied bevinden.

Afdeling 6.2. Bestaande blootstellingsituaties

§ 6.2.1. Bestaande blootstellingsituaties

Artikel 6.15. (inventarisatie bestaande blootstellingsituaties)

  • 1 De Autoriteit in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat is belast met het inventariseren van mogelijke bestaande blootstellingsituaties met een blootstelling die niet veronachtzaamd kan worden vanuit het oogpunt van stralingsbescherming, alsmede het bepalen van die blootstelling. Hij kan daartoe gebruik maken van het monitoringprogramma, bedoeld in artikel 6.24.

  • 2 Bij de inventarisatie wordt rekening gehouden met alle mogelijke bestaande blootstellingsituaties, genoemd in bijlage 7.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat kunnen specifieke gevallen of specifieke categorieën van bestaande blootstellingsituaties met een blootstelling lager dan 1 millisievert in een kalenderjaar worden aangewezen die niet veronachtzaamd kunnen worden.

Artikel 6.16. (beoordeling bestaande blootstellingsituaties)

  • 1 Indien uit de inventarisatie, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, aannemelijk wordt of vast komt te staan dat sprake is van een of meer bestaande blootstellingsituaties waarvoor vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming bezorgdheid bestaat, stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat een programma van maatregelen vast, om deze blootstellingsituaties te beoordelen en de blootstelling te bepalen.

  • 3 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding, het opstellen en het mede uitvoeren van een programma als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 In geval van een bestaande blootstellingsituatie als bedoeld in het eerste lid kunnen Onze in dat lid bedoelde Ministers, gelet op het risico en het vereiste van rechtvaardiging, bedoeld in de paragrafen 2.1 en 2.2, besluiten dat die blootstellingsituatie geen grond is voor het nemen van beschermingsmaatregelen of remediëringsmaatregelen.

Artikel 6.17. (bestaande blootstellingsituaties waarop regels geplande blootstellingsituatie van toepassing zijn)

  • 1 Op krachtens de artikelen 6.15 en 6.16 geïnventariseerde en beoordeelde bestaande blootstellingsituaties die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming aanleiding geven tot bezorgdheid en waarvoor een ondernemer verantwoordelijk is, is in afwijking van de artikelen 6.18 en 6.19 het bepaalde bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 3 met betrekking tot de rechtvaardiging, autorisatie en het beheer van geplande blootstellingsituaties van toepassing.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kunnen met het oog op een goede uitvoering bestaande blootstellingsituaties als bedoeld in het eerste lid worden aangewezen en kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 6.18. (strategie voor overige bestaande blootstellingsituaties)

  • 1 Krachtens de artikelen 6.15 en 6.16 geïnventariseerde en beoordeelde bestaande blootstellingsituaties die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming aanleiding geven tot bezorgdheid en waarvoor niet een ondernemer verantwoordelijk is, worden bij regeling van Onze Ministers aangewezen.

  • 2 Voor krachtens het eerste lid aangewezen blootstellingsituaties stellen Onze Ministers een strategie vast die voorziet in een passend beheer van die blootstellingsituaties.

  • 3 Een strategie als bedoeld in het tweede lid staat in een redelijke verhouding tot de risico’s en doeltreffendheid van de te nemen beschermingsmaatregelen.

  • 5 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding en het opstellen van een strategie als bedoeld in het tweede lid.

  • 6 Een strategie kan worden opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 6.19.

Artikel 6.19. (uitvoering strategie)

  • 1 Ter uitvoering van een strategie als bedoeld in artikel 6.18, tweede lid, stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat een uitvoeringsprogramma vast.

  • 2 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding, het opstellen en het uitvoeren of mede uitvoeren van een uitvoeringsprogramma. Een strategie en uitvoeringsprogramma kunnen tegelijk worden voorbereid, vastgesteld en uitgevoerd.

  • 4 In een uitvoeringsprogramma wordt in ieder geval opgenomen een beschrijving van:

    • a. de te nemen maatregelen en de verantwoordelijkheidsverdeling, met zo nodig een werkwijze om daartoe te komen;

    • b. de wijze van coördinatie tussen de bestuursorganen en andere instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van remediëringsmaatregelen en beschermingsmaatregelen.

  • 5 De vorm, omvang en duur van de in het vierde lid bedoelde beschermingsmaatregelen ter uitvoering van de strategie worden geoptimaliseerd.

  • 6 De gerealiseerde doses ten gevolge van de uitvoering van de strategie worden bepaald en beoordeeld door de Autoriteit en andere betrokken bestuursorganen. Daarbij worden, indien daar vanuit het oogpunt van stralingsbescherming aanleiding toe is, volgens een in het uitvoeringsprogramma vastgestelde of aangewezen methode verdere maatregelen overwogen om de bescherming te optimaliseren en blootstelling boven de referentieniveaus te verminderen.

  • 7 De voor de uitvoering van een strategie verantwoordelijke bestuursorganen en andere instanties:

    • a. beoordelen periodiek op een in het uitvoeringsprogramma beschreven wijze de mate waarin de beschikbare corrigerende en beschermingsmaatregelen bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen, alsmede de doeltreffendheid van geplande en toegepaste maatregelen;

    • b. zorgen voor het verstrekken van informatie aan leden van blootgestelde bevolkingsgroepen over de mogelijke gezondheidsrisico’s en over de beschikbare middelen om hun eigen blootstelling te beperken;

    • c. verschaffen leidraden voor het beheer van blootstellingen op individueel of lokaal niveau, en

    • d. verschaffen informatie aan ondernemingen over passende manieren om concentraties en blootstellingen te controleren en om beschermingsmaatregelen te treffen in blootstellingsituaties met handelingen waarbij van nature voorkomend radioactief materiaal betrokken is en die niet als geplande blootstellingsituaties worden beheerd.

§ 6.2.2. Nationaal actieprogramma radon; gammastraling bouwmaterialen

Artikel 6.20. (nationaal actieprogramma radon)

  • 1 Met toepassing van artikel 6.16 stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat een nationaal actieprogramma radon vast. Op de voorbereiding is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het programma wordt geactualiseerd indien daar vanuit het oogpunt van stralingsbescherming aanleiding toe is.

  • 2 Het nationale actieprogramma radon heeft als doel het overeenkomstig de referentieniveaus, bedoeld in artikel 9.10, zesde of zevende lid, respectievelijk artikel 7.38, eerste of zevende lid, beheersen van langetermijnrisico’s door blootstelling aan radon, waaronder radon dat vrijkomt uit de bodem, bouwmaterialen of water in woningen, in gebouwen met toegang voor het publiek, respectievelijk op werkplekken.

  • 3 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding, het opstellen en het mede uitvoeren van het nationaal actieprogramma radon.

  • 4 Het nationaal actieprogramma radon bevat in ieder geval de volgende elementen en kan indien passend een of meer van de overige elementen, genoemd in bijlage 8, omvatten:

    • a. het identificeren van gebieden waar de radonconcentratie als jaargemiddelde het nationale referentieniveau, bedoeld in het tweede lid, in een significant aantal woningen en voor het publiek toegankelijke gebouwen of werkplekken kan overschrijden;

    • b. het identificeren van woningen, gebouwen met toegang voor het publiek en werkplekken in deze gebieden waar de radonconcentratie als jaargemiddelde hoger is dan het toepasselijke nationale referentieniveau, bedoeld in het tweede lid;

    • c. waar nodig, voorstellen voor maatregelen gericht op het verlagen van de radonconcentratie in deze woningen, gebouwen en werkplekken met technische en andere maatregelen;

    • d. het waar nodig, nemen of laten nemen van passende maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat radon nieuwe woningen, gebouwen met toegang voor het publiek en werkplekken binnendringt.

  • 5 Het nationale actieprogramma radon bevat voorts de volgende elementen:

    • a. het beschikbaar stellen van informatie over de blootstelling aan radon in woningen, gebouwen met toegang voor het publiek en werkplekken en over de bijbehorende gezondheidsrisico’s;

    • b. het beschikbaar stellen van informatie over het belang van radonmetingen;

    • c. het beschikbaar stellen van informatie over de beschikbare technische middelen om bestaande radonconcentraties in woningen en gebouwen met toegang voor het publiek en op de werkplek terug te dringen.

Artikel 6.21. (gammastraling van bouwmaterialen)

  • 1 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kunnen, rekening houdend met de in bijlage 9 genoemde materialen, bouwmaterialen worden aangewezen die aandacht behoeven vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming, vanwege de door deze materialen uitgezonden gammastraling, die bij toepassing van deze bouwmaterialen kan leiden tot een overschrijding van het referentieniveau van 1 millisievert binnenshuis in een kalenderjaar, bedoeld in artikel 9.10, achtste lid.

  • 2 Alvorens krachtens het eerste lid aangewezen bouwmaterialen in de handel te brengen bepaalt de ondernemer met toepassing van een bij verordening van de Autoriteit aangewezen methode of de door deze bouwmaterialen uitgezonden gammastraling, bovenop de externe blootstelling buitenshuis, binnenshuis het referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, niet overschrijdt.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat wordt, in geval van de kans dat het referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar mogelijkerwijs wordt overschreden, bepaald hoe de ondernemer kan voorkomen dat het referentieniveau wordt overschreden ten gevolge van de externe blootstelling binnenshuis aan door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling.

  • 4 Op verzoek van de Autoriteit of een ander bevoegd bestuursorgaan verstrekt de ondernemer de resultaten van de krachtens het tweede lid uitgevoerde bepaling alsmede de overige bij verordening van de Autoriteit of door een ander bevoegd bestuursorgaan aangewezen gegevens.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 6.3. Besmette gebieden

Artikel 6.22. (besmette gebieden)

  • 1 Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kunnen besmette gebieden worden aangewezen.

  • 2 Voor het beheer van een besmet gebied stelt Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat een programma met een geoptimaliseerde beschermingsstrategie vast.

  • 3 De Autoriteit is belast met de gecoördineerde voorbereiding, het opstellen en het mede uitvoeren van het programma.

  • 4 Het programma wordt afgestemd met omringende landen en waar nodig geactualiseerd op grond van nieuwe internationale inzichten op dit gebied.

  • 5 Met het oog op blootstelling in radiologische noodsituaties in een besmet gebied en bestaande blootstellingsituaties omvat een programma in ieder geval de volgende elementen:

    • a. doelstellingen, met inbegrip van langetermijndoelen, alsook de overeenkomstige referentieniveaus, vastgesteld op grond van de paragrafen 2.4 en 9.2 voor:

      • 1°. blootstelling in radiologische noodsituaties;

      • 2°. bestaande blootstellingsituaties;

      • 3°. het vrijgeven van besmette gebieden voor bewoning en voor het hervatten van de sociale en economische activiteiten;

    • b. te nemen maatregelen om de begrenzing van de getroffen gebieden te bepalen en getroffen leden van de bevolking te kunnen identificeren;

    • c. bepaling van de noodzaak, aard en omvang van beschermingsmaatregelen die in de getroffen gebieden en voor de getroffen leden van de bevolking moeten worden genomen;

    • d. bepaling van de noodzaak om de toegang tot de getroffen gebieden te verhinderen of te controleren, dan wel om beperkingen op te leggen aan de leefomstandigheden in deze gebieden;

    • e. bepaling en beoordeling van de blootstelling van verschillende bevolkingsgroepen en van de middelen die individuele personen ter beschikking hebben om hun eigen blootstelling te beheren.

Artikel 6.23. (besmette gebieden, vervolg)

Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat zorgt er in overleg met bewoners en andere belanghebbenden voor dat in besmette gebieden waarvoor bewoning en sociale en economische activiteiten weer worden toegestaan, voor zover nodig voorzieningen worden getroffen voor een zodanige en voortgaande beheersing van de blootstelling dat normale leefomstandigheden mogelijk worden, met inbegrip van:

  • a. de vaststelling van passende referentieniveaus;

  • b. de totstandkoming van voorzieningen ter ondersteuning van door leden van de bevolking zelf te nemen beschermingsmaatregelen in de getroffen gebieden, zoals informatieverstrekking, advies en monitoring;

  • c. indien passend, remediëringsmaatregelen;

  • d. indien passend, begrenzing van de vrij te geven getroffen gebieden.

Afdeling 6.4. Monitoring

Artikel 6.24. (milieumonitoring)

  • 1 Onze Minister zorgt voor een passend milieumonitoringprogramma.

  • 2 Een of meer door Onze Minister aangewezen diensten of instanties is of zijn belast met de coördinatie en het uitvoeren of mede uitvoeren van het programma, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij verordening van de Autoriteit worden regels gesteld betreffende de opzet en inhoud van het milieumonitoringprogramma, de taakverdeling en de wijze van uitvoering.

Hoofdstuk 7. Beroepsmatige blootstelling

Afdeling 7.1. Algemene bepalingen voor beroepsmatige blootstelling

§ 7.1.1. Verplichtingen ondernemer

Artikel 7.1. (toezicht door en raadpleging van de stralingsbeschermingsdeskundige)

  • 1 De ondernemer is verplicht, met het oog op de bescherming van werknemers en leden van de bevolking tegen ioniserende straling, de stralingsbeschermingsdeskundige toezicht te laten uitvoeren dan wel deze te raadplegen en stelt hem de middelen ter beschikking die hij nodig heeft om zijn taken goed te kunnen vervullen.

  • 2 Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op de volgende onderwerpen, die voor een handeling van belang zijn:

    • a. het onderzoeken en testen van beschermingsmiddelen en technieken en meetinstrumenten ter waarborging van de bescherming van personen;

    • b. de kritische beoordeling van de plannen voor handelingen en nieuwe of aangepaste bronnen in relatie tot ontwerpkenmerken, veiligheidskenmerken, waarschuwingsmiddelen en technieken, voorafgaand aan de uitvoering ervan;

    • c. de kritische beoordeling van de risico’s van de plannen, bedoeld in onderdeel b, en het verlenen van toestemming voordat met de handelingen wordt aangevangen;

    • d. de inhoud van de acceptatietest, bedoeld in het vijfde lid;

    • e. de periodieke controle van de doeltreffendheid en het juiste gebruik van beschermingsmiddelen en -technieken ter waarborging van de bescherming van personen; en

    • f. de periodieke controle van de goede werking en het juiste gebruik van bronnen en meetinstrumenten voor de meting van ioniserende straling en de periodieke kalibratie van deze instrumenten.

  • 3 De raadpleging, bedoeld in het eerste lid, heeft, voor zover van toepassing, in ieder geval betrekking op de volgende onderwerpen:

    • a. de optimalisatie, en de vaststelling van passende dosisbeperkingen en de blootstellingsituaties waarin kan worden afgeweken van de referentieniveaus, bedoeld in artikel 7.37, tweede en derde lid;

    • b. waar nodig de indeling van ruimten in gecontroleerde of bewaakte zone en de inrichting van deze ruimten;

    • c. de indeling van de werknemers;

    • d. de werkplekgerelateerde en individuele monitoringsprogramma’s en de bijhorende persoonlijke dosimetrie;

    • e. de kwaliteitsborging;

    • f. het milieumonitoringprogramma;

    • g. de afspraken betreffende het beheer van radioactieve afvalstoffen;

    • h. de afspraken betreffende de preventie van ongevallen en incidenten;

    • i. de voorbereiding en reactie op ongevallen en stralingsincidenten en blootstelling in radiologische noodsituaties;

    • j. de programma’s voor opleiding en bij- en nascholing van werknemers;

    • k. het onderzoek en de analyse van ongevallen en incidenten en passende herstelmaatregelen;

    • l. de arbeidsomstandigheden van zwangere werknemers en werknemers die borstvoeding geven; en

    • m. passende documentatie zoals een voorafgaande beoordeling van de risico’s en schriftelijke procedures.

  • 4 Daar waar nodig werkt de stralingsbeschermingsdeskundige samen met en onderhoudt hij contact met de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de klinisch fysicus.

  • 5 De ondernemer zorgt ervoor dat een nieuwe of aangepaste bron niet in gebruik wordt genomen dan na een acceptatietest, anders dan die genoemd in de artikelen 8.8 en 8.15, verricht door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige, gevolgd door diens toestemming om de bron in gebruik te nemen.

  • 6 De ondernemer legt de toedeling van taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en middelen met betrekking tot de stralingsbeschermingsdeskundige schriftelijk vast. Dit document is toegankelijk voor alle in de onderneming werkzame werknemers en de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Arbeidsomstandighedenwet.

  • 7 De ondernemer zorgt ervoor dat alle bevindingen van de stralingsbeschermingsdeskundige ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, worden vastgelegd in een beheerssysteem.

  • 8 Bij regeling van Onze Minister kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede, derde, vierde en vijfde lid, voor zover dit niet betreft de veiligheid en gezondheid van werknemers, en het zevende lid.

  • 9 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede, derde, vierde en vijfde lid, voor zover dit de veiligheid en gezondheid van werknemers betreft.

Artikel 7.2. (uitvoering taken en toezicht door de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat een handeling wordt uitgevoerd door of onder toezicht van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en stelt hem de middelen ter beschikking die hij nodig heeft om zijn uitvoerende en toezichthoudende taken goed te kunnen vervullen.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming door werkgevers van externe werknemers om relevante stralingsbeschermingstaken met betrekking tot de bescherming van hun werknemers te verrichten.

  • 3 De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming rapporteert periodiek en rechtstreeks aan de ondernemer over de uitvoering van de taken, genoemd in het vierde lid, en legt de rapportage schriftelijk vast.

  • 4 Afhankelijk van de aard van de handeling bevatten de uitvoerende en toezichthoudende taken van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor zover van toepassing, in ieder geval de volgende elementen:

    • a. het ervoor zorgen dat de handelingen die blootstelling aan ioniserende straling met zich brengen of met zich kunnen brengen, worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke vastgestelde procedures en ter plekke geldende regelgeving;

    • b. het toezien op de uitvoering van het werkplekgerelateerde monitoringsprogramma;

    • c. het bijhouden van een adequate administratie betreffende alle bronnen;

    • d. het uitvoeren van periodieke beoordelingen van de toestand van de van belang zijnde veiligheids- en waarschuwingssystemen;

    • e. het toezien op de uitvoering van het individuele monitoringsprogramma;

    • f. het toezien op de uitvoering van het gezondheidskundig toezicht, bedoeld in artikel 7.21;

    • g. het voorlichten van werknemers over de toepasselijke vastgestelde procedures en ter plekke geldende regelgeving;

    • h. het geven van advies en commentaar bij werkplannen;

    • i. het opstellen van werkplannen;

    • j. het regelmatig rapporteren betreffende de uitvoering van de taken, genoemd in dit lid, aan het lokale management, en het schriftelijk vastleggen ervan;

    • k. het deelnemen aan afspraken betreffende de preventie, voorbereiding en reactie op blootstelling in noodsituaties;

    • l. het verzorgen van opleiding en bij- en nascholing van werknemers; en

    • m. het samenwerken met en onderhouden van contact met de stralingsbeschermingsdeskundige.

  • 5 De ondernemer legt de toedeling van taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en middelen met betrekking tot de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming schriftelijk vast. Dit document is toegankelijk voor alle in de onderneming werkzame werknemers en de externe hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Arbeidsomstandighedenwet.

  • 6 Bij regeling van Onze Minister kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde en het vierde lid, voor zover dit niet betreft de veiligheid en gezondheid van werknemers.

  • 7 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen met het oog op een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde en vierde lid, voor zover dit de veiligheid en gezondheid van werknemers betreft.

Artikel 7.3. (blootstelling werknemers, algemeen)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat voor een werknemer die geen blootgestelde werknemer is, ten gevolge van een handeling die onder zijn verantwoordelijkheid wordt verricht, de volgende dosislimieten niet worden overschreden:

    • a. een effectieve dosis van 1 millisievert in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:

    • b. een equivalente dosis van:

      • 1°. 15 millisievert in een kalenderjaar voor de ooglens;

      • 2°. 50 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2; en

      • 3°. 50 millisievert in een kalenderjaar voor de extremiteiten.

  • 2 In geval van inwendige besmetting wordt de effectieve volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.

  • 3 Indien een van de in het eerste lid genoemde dosislimieten overschreden wordt, rapporteert de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 7.4. (blootstelling jeugdige werknemers)

De ondernemer zorgt ervoor dat voor werknemers die jonger zijn dan 18 jaar geen arbeid krijgen toegewezen of verrichten waarbij de mogelijkheid bestaat dat de dosislimieten, genoemd in artikel 7.3, worden overschreden, tenzij artikel 7.35, eerste lid, van toepassing is.

Artikel 7.5. (vliegtuigbemanning)

  • 1 Voor zover het een situatie betreft waarbij het gaat om blootstelling van vliegtuigbemanning veroorzaakt door kosmische straling, zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen alleen van toepassing voor zover zulks in dit artikel is bepaald.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat met betrekking tot een blootgestelde werknemer die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning:

    • a. deze voor zijn indiensttreding of tewerkstelling wordt ingelicht omtrent de risico’s van blootstelling aan kosmische straling;

    • b. de grootte van de door hem ontvangen effectieve dosis ten gevolge van kosmische straling wordt bepaald door middel van een bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde berekeningsmethode;

    • c. ter voldoening aan de in artikel 2.6 gestelde verplichting, dat er rekening wordt gehouden met de blootstelling bij het opstellen van de werkroosters teneinde de doses van A-werknemers te beperken; en

    • d. de door hem ten gevolge van kosmische straling ontvangen effectieve dosis tezamen met de effectieve doses ten gevolge van handelingen die onder verantwoordelijkheid van de ondernemer worden verricht, niet hoger is dan 20 millisievert in een kalenderjaar.

  • 4 Indien de dosislimiet, genoemd in het tweede lid, onder d, overschreden wordt, meldt de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 5 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

Artikel 7.6. (nadere eisen risico-inventarisatie en -evaluatie)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, de beoordeling van de risico’s en alle overige bevindingen van de stralingsbeschermingsdeskundige ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 7.1, tweede, derde en vijfde lid, voor zover die de veiligheid en gezondheid van de werknemers betreffen, worden meegenomen en vastgelegd.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere eisen worden vastgesteld met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel 7.7. (zones)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat, indien dat nodig is met het oog op de bescherming tegen ioniserende straling:

    • a. een ruimte wordt aangemerkt als gecontroleerde zone, indien:

      • 1°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen effectieve dosis groter is dan 6 millisievert in een kalenderjaar;

      • 2°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen equivalente dosis voor de ooglensdosis groter is dan 15 millisievert in een kalenderjaar;

      • 3°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen equivalente dosis voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2, groter is dan 150 millisievert in een kalenderjaar;

      • 4°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen equivalente dosis voor de extremiteiten groter is dan 150 millisievert in een kalenderjaar; of

      • 5°. er een mogelijkheid is van verspreiding van radioactieve stoffen vanuit de ruimte zodanig dat personen een dosis hoger dan de effectieve of equivalente dosis, genoemd in artikel 7.3, eerste lid, kunnen ontvangen;

    • b. een ruimte wordt aangemerkt als bewaakte zone, indien:

      • 1°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen effectieve dosis groter is dan 1 millisievert in een kalenderjaar en kleiner of gelijk is aan 6 millisievert in een kalenderjaar;

      • 2°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen equivalente dosis voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2, groter is dan 50 millisievert in een kalenderjaar en kleiner of gelijk is aan 150 millisievert in een kalenderjaar; of

      • 3°. de mogelijke door een werknemer in de ruimte te ontvangen equivalente dosis voor de extremiteiten groter is dan 50 millisievert in een kalenderjaar en kleiner of gelijk is aan 150 millisievert in een kalenderjaar.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat in een gecontroleerde en een bewaakte zone passend toezicht wordt gehouden op de arbeidsomstandigheden met het oog op de bescherming tegen ioniserende straling.

  • 3 De ondernemer zorgt ervoor dat de omvang en kwaliteit van de maatregelen ten behoeve van de bescherming tegen ioniserende straling zijn afgestemd op de risico’s die aan de bronnen en de betrokken handeling verbonden zijn.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.

  • 5 Indien blijkt dat een ruimte niet langer voldoet aan de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, om als gecontroleerde zone dan wel bewaakte zone te worden aangemerkt, zorgt de ondernemer ervoor dat de betrokken ruimte niet langer wordt aangemerkt als gecontroleerde zone dan wel bewaakte zone.

Artikel 7.8. (gecontroleerde zone)

  • 1 Met betrekking tot een gecontroleerde zone zorgt de ondernemer ervoor dat:

    • a. deze is afgebakend en de toegang ertoe beperkt blijft tot door hem daartoe aangewezen werknemers die passende schriftelijke instructies hebben ontvangen, en dat zij worden gecontroleerd overeenkomstig de door hem daartoe vastgestelde schriftelijke procedures;

    • b. specifieke afspraken zijn gemaakt voor die gevallen waarin een aanzienlijk risico op verspreiding van radioactieve stoffen bestaat. Deze afspraken omvatten ook maatregelen betreffende de toegang tot en het verlaten van de zone door werknemers en goederen en het monitoren van de besmetting in de zone en, in voorkomend geval, de aangrenzende zone;

    • c. er, met inachtneming van de aard en omvang van de stralingsrisico’s in de zone, toezicht op de werkomgeving is;

    • d. op de daarvoor geschikte plaatsen waarschuwingsborden en -tekens als bedoeld in I zijn aangebracht;

    • e. de betrokken werknemers passende schriftelijke werkinstructies zijn gegeven, toegesneden op de met de binnen de zone aanwezige bron en de aan de daar te verrichten handeling verbonden risico’s van ioniserende straling;

    • f. de werknemer een specifieke opleiding ontvangt toegesneden op de bijzonderheden van werkplek en de handeling; en

    • g. de werknemer de beschikking heeft over passende beschermingsmiddelen en deze gebruikt overeenkomstig de gebruiksaanwijzing en de overigens gegeven instructies.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gecontroleerde zone, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien blijkt dat niet aan alle criteria, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, zorgt de ondernemer ervoor dat de betrokken ruimte niet langer wordt aangemerkt als gecontroleerde zone en worden de verrichte handelingen met bronnen, voor zover die plaats dienen te vinden in een gecontroleerde zone, in die ruimte gestaakt.

Artikel 7.9. (bewaakte zone)

  • 1 Met betrekking tot een bewaakte zone zorgt de ondernemer ervoor dat er:

    • a. met inachtneming van de aard en omvang van de stralingsrisico’s in de zone, toezicht op de werkomgeving is;

    • b. op de daarvoor geschikte plaatsen waarschuwingsborden en -tekens als bedoeld in artikel 4.1 zijn aangebracht; en

    • c. passende schriftelijke werkinstructies zijn gegeven, toegesneden op de met de binnen de zone aanwezige bron en aan de daar te verrichten handeling verbonden risico’s van ioniserende straling.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de bewaakte zone, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien blijkt dat niet aan alle criteria, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, zorgt de ondernemer ervoor dat de betrokken ruimte niet langer wordt aangemerkt als bewaakte zone en worden de verrichte handelingen met bronnen, voor zover die plaats dienen te vinden in een bewaakte zone, in die ruimte gestaakt.

Artikel 7.10. (metingen in zones)

  • 1 Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in de artikelen 7.8 en 7.9, zorgt de ondernemer ervoor dat op passende wijze, meting of monitoring plaatsvindt binnen de gecontroleerde en de bewaakte zone van:

    • a. de relevante dosistempi, met opgave van de aard en kwaliteit van de desbetreffende ioniserende straling; en

    • b. bij de aanwezigheid van een open bron, de activiteitsconcentratie in de lucht en de oppervlaktebesmetting met opgave van de aard en fysische en chemische toestand en vorm ervan.

  • 2 De resultaten van een meting als bedoeld in het eerste lid, worden geregistreerd door de ondernemer en kunnen waar nodig gebruikt worden voor het schatten van de individuele doses, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid.

Artikel 7.11. (indeling blootgestelde werknemers in categorie A en B)

  • 1 De ondernemer deelt, voor aanvang van het verrichten van de handelingen, ten behoeve van de individuele monitoring en het gezondheidskundig toezicht elke blootgestelde werknemer in als A- of B-werknemer. Voor elke externe werknemer geschiedt de indeling in samenspraak tussen de ondernemer en de werkgever.

  • 2 Een A-werknemer is een blootgestelde werknemer, die:

    • 1°. een effectieve dosis kan ontvangen die groter is dan 6 millisievert in een kalenderjaar;

    • 2°. een equivalente dosis kan ontvangen die groter is dan 15 millisievert in een kalenderjaar voor de ooglens;

    • 3°. een equivalente dosis kan ontvangen die groter is dan 150 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2; of

    • 4°. een equivalente dosis kan ontvangen die groter is dan 150 millisievert in een kalenderjaar voor de extremiteiten.

  • 3 Een B-werknemer is een blootgestelde werknemer die niet als A-werknemer wordt ingedeeld.

  • 4 De indeling wordt met passende frequentie heroverwogen en in ieder geval opnieuw uitgevoerd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of wanneer de resultaten van het gezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7.21, dit nodig maken.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en vierde lid.

§ 7.1.2. Bepaling van blootstelling

Artikel 7.12. (persoonlijk dosiscontrolemiddel (PDC))

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat aan de volgende blootgestelde werknemers een passend persoonlijk dosiscontrolemiddel ter beschikking wordt gesteld, dat wordt betrokken van een dosimetrische dienst als bedoeld in artikel 7.15:

    • a. iedere A-werknemer; en

    • b. iedere blootgestelde werknemer die bij de arbeid een blootstelling kan ondergaan die kan leiden tot een dosis hoger dan de dosislimiet, genoemd in artikel 7.3, eerste lid, onder a.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat een passend persoonlijk dosiscontrolemiddel door de blootgestelde werknemer gedurende de tijden van mogelijke blootstelling op de juiste plaats wordt gedragen en dat het dosiscontrolemiddel periodiek wordt uitgelezen.

  • 3 De ondernemer zorgt ervoor dat de dosimetrische dienst periodiek, met behulp van de met een passend dosiscontrolemiddel verkregen gegevens, bepaalt in welke mate de werknemer aan ioniserende straling blootgesteld is geweest.

  • 4 De ondernemer zorgt ervoor dat voor gevallen waarin een blootgestelde werknemer onder voor de werksituatie normale condities een aanzienlijke inwendige besmetting kan ondergaan, een passend monitoringsysteem is.

  • 5 De ondernemer zorgt ervoor dat voor gevallen waarin een blootgestelde werknemer, die geen A-werknemer is, onder voor de werksituatie normale condities een blootstelling van de ooglens of extremiteiten kan ondergaan, er een passend monitoringsysteem is waarmee in ieder geval kan worden aangetoond dat de blootstelling niet hoger is dan de doses, genoemd in artikel 7.11, tweede lid, onder 2°, 3° en 4°.

  • 6 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel.

Artikel 7.13. (ontheffing PDC)

  • 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken, een door Onze Minister van Defensie aan te wijzen autoriteit, kan, indien het meten van blootstelling aan ioniserende straling aan de hand van het persoonlijk controlemiddel, bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, niet of niet goed mogelijk is of als de effectieve of equivalente dosis op andere passende wijze wordt bepaald, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 7.12.

  • 2 Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, worden voorschriften verbonden die inhouden dat de effectieve of equivalente dosis geschat wordt aan de hand van de individuele metingen bij andere blootgestelde werknemers, of aan de hand van de zonemonitoring, bedoeld in artikel 7.10, of in het geval van een vliegtuigbemanning op een wijze als bedoeld in artikel 7.5.

Artikel 7.14. (overmatige blootstelling, een stralingsincident, of een radiologische noodsituatie)

  • 1 Indien sprake is of kan zijn van een overmatige blootstelling meldt de ondernemer dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 24 uur, aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

  • 2 Indien er sprake is of kan zijn van een overmatige blootstelling, zorgt de ondernemer ervoor dat de effectieve en equivalente doses worden bepaald die door de betrokken werknemer zijn ontvangen.

  • 3 Indien er sprake is van een stralingsincident, zorgt de ondernemer ervoor dat de effectieve en equivalente doses worden bepaald die door de betrokken werknemer zijn ontvangen.

  • 4 Indien een werknemer of hulpverlener bij een radiologische noodsituatie aan ioniserende straling kan worden blootgesteld, zorgt de ondernemer, die voor de handeling die de radiologische noodsituatie heeft veroorzaakt verantwoordelijk is, ervoor dat passende individuele monitoring wordt uitgevoerd en dat de effectieve en equivalente doses worden bepaald die door de betrokken werknemer of hulpverlener zijn ontvangen.

Artikel 7.15. (dosimetrische dienst)

  • 1 Er zijn een of meer dosimetrische diensten die tot taak hebben:

    • a. het bepalen van de inwendige of uitwendige doses voor blootgestelde werknemers die een individuele monitoring ondergaan;

    • b. het verstrekken van persoonlijke dosiscontrolemiddelen als bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, en het, door het uitlezen van deze persoonlijke dosiscontrolemiddelen bepalen in welke mate de betreffende werknemers aan ioniserende straling blootgesteld zijn geweest.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening, de werkwijze en deskundigheid van de dienst, waaraan moet worden voldaan om krachtens het tweede lid te kunnen worden erkend.

§ 7.1.3. Registreren gegevens blootgestelde werknemers

Artikel 7.16. (gegevens dosisregistratie)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat afzonderlijk van iedere blootgestelde werknemer wordt geregistreerd:

    • a. de naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit en het geslacht;

    • b. gegevens omtrent het dienstverband van de werknemer;

    • c. de indeling in categorie A- of B- werknemer;

    • d. de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14 en 7.31, inclusief de begin- en indien beschikbaar de einddatum van de individuele monitoring;

    • e. de resultaten van de zonemonitoring, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, die zijn gebruikt bij de bepaling van de effectieve of equivalente doses;

    • f. in het geval van de in de artikelen 7.14 en 7.31 bedoelde blootstellingen, rapporten met betrekking tot de omstandigheden en genomen maatregelen.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval worden bewaard totdat de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat deze persoon de handelingen heeft beëindigd.

  • 3 Wat betreft externe werknemers rust de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, op hun werkgever.

  • 4 Indien nodig werken de ondernemer en de werkgever samen bij de uitvoering van dit artikel.

Artikel 7.17. (registratie gegevens)

  • 1 Er is een dosisregistratiesysteem voor individuele radiologische controle ten behoeve van het bewaren van de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14 en 7.31.

  • 2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wijst een instelling aan die belast is met het beheren van het in het eerste lid bedoelde systeem.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde instelling bewaart de geregistreerde gegevens in ieder geval totdat de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat deze persoon de handelingen heeft beëindigd.

  • 4 Bij de verwerking van persoonsgegevens in het systeem als bedoeld in het eerste lid, maakt de instelling, bedoeld in het tweede lid, in voorkomend geval gebruik van het burgerservicenummer met het oog op de vaststelling van de identiteit van de persoon, bedoeld in het derde lid.

  • 5 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting, toegankelijkheid, werkwijze en het beheer, waaronder wijziging van het gegevenssysteem.

Artikel 7.18. (stralingsbeschermingseenheid)

De artikelen 6.13 en 6.14 zijn van overeenkomstige toepassing voor de stralingsbeschermingseenheid, bedoeld in artikel 5.9, met dien verstande dat de daar bedoelde verplichtingen rusten op degene onder wiens verantwoordelijkheid de interventie wordt verricht.

Artikel 7.19. (aanvullende voorschriften individuele monitoring en registratie)

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat een blootgestelde werknemer bij handelingen buiten Nederland zijn persoonlijk dosiscontrolemiddel, bedoeld in artikel 7.12, gebruikt tijdens die handelingen.

  • 3 Een werkgever zorgt ervoor dat zijn blootgestelde werknemer bij handelingen onder de verantwoordelijkheid van een buitenlandse ondernemer, zijn persoonlijk dosiscontrolemiddel, bedoeld in artikel 7.12, gebruikt tijdens die handelingen.

Artikel 7.20. (verstrekking gegevens individuele monitoring)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14 en 7.31 en desgevraagd de gegevens van onderliggende metingen worden verstrekt aan:

    • a. de betrokken werknemer;

    • b. de stralingsbeschermingsdeskundige en de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming;

    • c. de arbodienst en de stralingsarts, indien het een A-werknemer betreft;

    • d. de werkgever, indien het een externe werknemer betreft.

  • 2 De ondernemer rapporteert de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikel 7.14, tweede, derde en vierde lid, onverwijld aan de in het eerste lid bedoelde personen en arbodienst en aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

  • 3 Wat betreft externe werknemers rust de verplichting tot het verstrekken van de resultaten van de individuele monitoring, bedoeld in het eerste lid onder a, op de werkgever.

  • 4 Wat betreft externe werknemers werken de ondernemer en de werkgever samen bij de uitvoering van dit artikel.

§ 7.1.4. Gezondheidskundig toezicht op blootgestelde werknemers

Artikel 7.21. (gezondheidskundig toezicht arbodienst en stralingsarts)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat de stralingsarts, bedoeld in artikel 7.22, gezondheidskundig toezicht op een A-werknemer uitoefent.

  • 2 Voor zover de A-werknemer een externe werknemer is rust de verplichting, bedoeld in het eerste lid, mede op zijn werkgever. Indien nodig werken de ondernemer en werkgever samen bij de uitvoering van het eerste lid.

  • 3 De ondernemer zorgt ervoor dat aan de arbodienst en stralingsarts alle gegevens worden verstrekt die zij nodig hebben om inzicht te krijgen in de gezondheidstoestand van de onder hun toezicht staande werknemers en om zich een oordeel te vormen over de omstandigheden op de arbeidsplaats voor zover deze van invloed kunnen zijn op de gezondheidstoestand van die werknemers. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Het gezondheidskundig toezicht, bedoeld in het eerste lid, omvat:

    • a. de medisch onderzoeken door de stralingsarts die plaatsvinden ten behoeve van de indeling als A-werknemer en voor aanvang van de arbeid als A-werknemer en hebben ten doel na te gaan of de werknemer geschikt is voor de functie, bedoeld in artikel 7.25;

    • b. periodieke keuringen waarbij zo vaak als de stralingsarts dit nodig acht en ten minste eenmaal per jaar wordt nagegaan of de A-werknemer nog geschikt is voor het uitvoeren van de betreffende functie; en

    • c. het medisch onderzoek door de stralingsarts van werknemers die niet langer arbeid verrichten als A-werknemer.

  • 5 Een medisch onderzoek van elke werknemer door een stralingsarts vindt voorts plaats indien daartoe door een blootstelling waarbij de dosislimieten, genoemd in artikel 7.34, 7.35 of 7.36, zijn overschreden of wanneer door een blootstelling door een stralingsincident, een radiologische noodsituatie of een andere gebeurtenis daartoe aanleiding bestaat.

  • 6 Indien de arbodienst, in samenspraak met de stralingsarts, dat noodzakelijk acht, wordt een onderzoek gevolgd door maatregelen van de ondernemer of werkgever in verband met de bescherming van de gezondheid van de werknemer. Voor zover de A-werknemer een externe werknemer is, geldt het bepaalde in de eerste zin mede voor zijn werkgever. Indien nodig werken de ondernemer en de werkgever samen bij de uitvoering van dit lid.

  • 7 De stralingsarts deelt de uitslag van een onderzoek of keuring als bedoeld in het vierde of vijfde lid, onverwijld schriftelijk mee aan degene die het onderzoek of de keuring heeft ondergaan.

  • 8 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden regels gesteld betreffende de inschakeling van de arbodienst, de door deze ten aanzien van een blootgestelde werknemer te nemen aanvullende maatregelen en de door deze, in samenspraak met de stralingsarts, te verlenen toestemming bij verdere blootstellingsvoorwaarden.

Artikel 7.22. (stralingsarts)

  • 1 Als stralingsarts kan uitsluitend optreden een persoon die door de Autoriteit als stralingsarts is ingeschreven in een door de Autoriteit gehouden register.

  • 2 Een inschrijving als bedoeld in het eerste lid, geldt als erkenning in de zin van artikel 79, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de richtlijn.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden eisen vastgesteld met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden waaraan moet worden voldaan om als stralingsarts in het register, bedoeld in het eerste lid, te worden ingeschreven en de gronden waarop en de gevallen waarin de inschrijving kan worden geweigerd of doorgehaald, met dien verstande dat alvorens een inschrijving wordt geweigerd of doorgehaald de desbetreffende persoon in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bij de regeling gestelde termijn aan te tonen dat alsnog aan de eisen wordt voldaan.

  • 4 Een inschrijving in een register als bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd of doorgehaald, indien niet of niet volledig is voldaan aan de bij of krachtens de wet of dit besluit gestelde eisen.

  • 5 Bij verordening van de Autoriteit worden nadere regels gesteld omtrent:

    • a. de wijze van inschrijving;

    • b. de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag tot inschrijving worden verstrekt.

Artikel 7.23. (inschrijving persoon als stralingsarts bij voldoen aan erkende EU-beroepskwalificaties)

  • 2 Artikel 7.22, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot inschrijving als bedoeld in de eerste volzin.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 7.24. (indeling A-werknemers op basis van gezondheidskundig onderzoek)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat de arbodienst, in samenspraak met de stralingsarts, met betrekking tot de geschiktheid van A-werknemers voorafgaand aan de aanwijzing als A-werknemer op basis van het gezondheidskundig onderzoek de volgende indeling toepast:

    • a. geschikt;

    • b. onder bepaalde omstandigheden geschikt, of

    • c. ongeschikt.

  • 2 De stralingsarts deelt de indeling van de geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onverwijld schriftelijk mee aan degene die het onderzoek heeft ondergaan.

  • 3 Degene die het onderzoek heeft ondergaan kan binnen zes weken na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een nieuw onderzoek verzoeken aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken. Onze betrokken Minister deelt de uitslag van het nieuwe onderzoek onverwijld schriftelijk mee aan de onderzochte persoon, de arbodienst, de stralingsarts en de ondernemer.

Artikel 7.25. (geschiktheid A-werknemer)

Een werknemer wordt niet in een specifieke functie als A-werknemer tewerkgesteld indien hij blijkens de uitslag van het gezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7.24, eerste lid, ongeschikt is voor die functie.

Artikel 7.26. (medisch dossier)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat de stralingsarts een medisch dossier bijhoudt van elke A-werknemer en werknemer als bedoeld in artikel 7.21, vijfde lid, en dat dit in ieder geval wordt bewaard totdat de persoon op wie de gegevens betrekking hebben de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat deze persoon de handelingen heeft beëindigd.

  • 2 In het medisch dossier, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste geregistreerd:

    • a. de aard van het werk;

    • b. de uitslagen van de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 7.21 en 7.24;

    • c. de resultaten van de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig de artikelen 7.12, 7.13, 7.14 en 7.31;

    • d. indien van toepassing, de gegevens met betrekking tot de omstandigheden waarbij het gaat om blootstellingsituaties als bedoeld in artikel 7.14; en

    • e. overige relevante medische onderzoeken, uitgevoerd voorafgaand aan en tijdens de tewerkstelling als A-werknemer.

  • 3 Wat betreft externe werknemers werken de ondernemer en de werkgever samen bij de uitvoering van dit artikel.

  • 4 De werknemer heeft inzage in zijn medisch dossier en ontvangt hiervan op zijn verzoek een afschrift.

Artikel 7.27. (externe werknemer)

  • 1 De werkgever van de externe werknemer ziet er op toe dan wel zorgt ervoor dat:

    • a. ten aanzien van de externe werknemer de individuele monitoring, bepaald overeenkomstig artikelen 7.12, 7.13, 7.14 en 7.31, en de dosislimieten en referentieniveaus, genoemd in de artikelen 7.3 en 7.34 tot en met 7.38, in acht worden genomen;

    • b. de externe werknemer passende voorlichting en opleiding over stralingsbescherming als bedoeld in paragraaf 7.1.5, wordt verstrekt;

    • c. de externe werknemer op juiste wijze is ingedeeld als bedoeld in artikel 7.24, en aan het bijbehorende gezondheidskundig toezicht, bedoeld in artikel 7.21, is onderworpen.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt vastgesteld welke gegevens door de werkgever van de externe werknemer aan de ondernemer ter beschikking worden gesteld voorafgaand aan de te verrichten arbeid.

§ 7.1.5. Onderricht

Artikel 7.28. (voorlichting en instructies)

  • 1 Een ondernemer zorgt voor passende opleidings- en voorlichtingsprogramma’s voor werknemers, in voorkomend geval toegespitst op hoogactieve bronnen.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat de werknemers meewerken aan de voor hen georganiseerde informatiebijeenkomsten en trainingen en de instructies naleven die hen ingevolge dit besluit worden verstrekt.

Artikel 7.29. (voorlichting vrouwelijke werknemers)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat vrouwelijke werknemers die bij de arbeid kunnen worden blootgesteld aan ioniserende straling, voor aanvang van het verrichten van de handeling passend worden geïnformeerd over:

    • a. de noodzaak om een zwangerschap in een vroeg stadium te melden met het oog op de risico’s van blootstelling aan ioniserende straling voor het ongeboren kind; en

    • b. de risico’s die een kind dat borstvoeding krijgt, loopt door besmetting van het lichaam van de moeder.

  • 2 Wat betreft externe werknemers zorgt de werkgever dat de informatie, genoemd in het eerste lid, onder a en b, aan hen wordt verstrekt.

Artikel 7.30. (voorlichting en opleiding van werknemers die aan weesbronnen kunnen worden blootgesteld)

De exploitant van een inrichting of andere installaties waarvan het aannemelijk is dat er weesbronnen worden aangetroffen of verwerkt, draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat, wanneer in zijn inrichting of installatie een werknemer kan worden blootgesteld aan een weesbron, deze werknemer, onverminderd artikel 5.12:

  • a. passend geïnformeerd is over de elementaire eigenschappen van ioniserende straling en de effecten daarvan;

  • b. passend geïnformeerd en getraind is met betrekking tot het visueel herkennen van weesbronnen en broncontainers; en

  • c. passend geïnformeerd en getraind is met betrekking tot de maatregelen die ter plaatse getroffen moeten worden wanneer een weesbron of een vermoedelijke weesbron wordt aangetroffen.

§ 7.1.6. Bijzondere situaties

Artikel 7.31. (ontheffing dosislimieten uitzonderlijke omstandigheden)

  • 1 In uitzonderlijke omstandigheden, met uitzondering van radiologische noodsituaties, kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken, op verzoek van een ondernemer ontheffing van de dosislimieten, genoemd in artikel 7.34, verlenen, mits:

    • a. het een A-werknemer betreft of een bemanningslid van een ruimtevaartuig;

    • b. de betrokken werknemer zijn toestemming heeft gegeven;

    • c. de blootstelling beperkt is in tijd;

    • d. de blootstelling alleen in nader vast te stellen ruimten plaatsvindt;

    • e. het geen leerling of studerende, of zwangere werknemer betreft;

    • f. het geen werknemer betreft die borstvoeding geeft, terwijl er risico bestaat op besmetting van het lichaam;

    • g. de blootstelling van te voren door de ondernemer wordt gemotiveerd en de blootstelling en de risico’s van te voren door de ondernemer worden besproken met de betrokken werknemer, de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, de arbodienst, de stralingsarts en de stralingsbeschermingsdeskundige; en

    • h. de betrokken werknemers vooraf door de ondernemer worden ingelicht over de tijdens de handeling te nemen voorzorgsmaatregelen.

  • 2 Met betrekking tot de blootstelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maximale te ontvangen effectieve en equivalente dosis en de wijze waarop deze worden vastgesteld.

  • 3 Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 5 In de situatie, bedoeld in het eerste lid, rapporteert de ondernemer na afloop aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken, over de uitgevoerde handelingen, de wijze waarop bescherming tegen ioniserende straling is uitgevoerd en de door de werknemer ontvangen effectieve en equivalente dosis.

  • 6 De met deze blootstelling verband houdende dosis wordt afzonderlijk opgenomen in het medisch dossier, bedoeld in artikel 7.26.

Artikel 7.32. (verrichten arbeid na ontheffing)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat een werknemer voor wie een ontheffing als bedoeld in artikel 7.31 is verleend, indien ten gevolge van de in dat artikel bedoelde blootstelling een van de dosislimieten, genoemd in artikel 7.34, is overschreden, niet eerder weer aan ioniserende straling ten gevolge van een handeling die onder zijn verantwoordelijkheid wordt verricht, wordt blootgesteld dan nadat door de arbodienst, in samenspraak met de stralingsarts, is verklaard dat daartegen geen bezwaar bestaat.

  • 2 Tenzij de arbodienst, in samenspraak met de stralingsarts, hiertoe op grond van dringende medische redenen adviseert, wordt de werknemer niet vanwege de in het eerste lid bedoelde overschrijding van een dosislimiet zonder diens toestemming van zijn normale beroepsbezigheden uitgesloten of op een andere plaats te werk gesteld.

Afdeling 7.2. Beroepsmatige blootstelling in geplande blootstellingsituaties

Artikel 7.33. (dosisbeperkingen werknemers)

  • 1 Met het oog op beroepsmatige blootstelling stelt de ondernemer de dosisbeperking vast als operationeel instrument voor optimalisatie van de bescherming van de werknemers.

  • 2 Voor externe werknemers wordt de dosisbeperking, bedoeld in het eerste lid, in samenspraak tussen de ondernemer en hun werkgever vastgesteld.

  • 3 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, waaronder de methode ter bepaling van de dosisbeperking en de vaststelling van dosisbeperkingen voor de daarbij genoemde handelingen, functies of taken.

Artikel 7.34. (dosislimieten blootgestelde werknemer)

  • 1 De dosislimieten voor beroepsmatige blootstelling zijn van toepassing op de som van de beroepsmatige blootstelling van een werknemer bij elke geplande handeling, bij blootstelling aan radon als bedoeld in artikel 7.38, zesde lid, en elke andere beroepsmatige blootstelling aan bestaande blootstellingsituaties.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat voor een blootgestelde werknemer ten gevolge van een handeling die onder zijn verantwoordelijkheid wordt verricht, de volgende doses niet worden overschreden:

    • a. een effectieve dosis van 20 millisievert in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:

    • b. een equivalente dosis van:

      • 1°. 20 millisievert in een kalenderjaar voor de ooglens;

      • 2°. 500 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2; of

      • 3°. 500 millisievert in een kalenderjaar voor de extremiteiten.

  • 3 In geval van inwendige besmetting wordt de effectieve volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.

  • 4 Indien een van de dosislimieten, genoemd in het tweede lid, overschreden wordt, rapporteert de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 7.35. (dosislimieten leerlingen en studerenden)

  • 1 Artikel 7.4 is niet van toepassing op leerlingen en studerenden die ten minste 16 jaar, maar nog geen 18 jaar zijn, en die uit hoofde van hun opleiding verplicht zijn een handeling te verrichten en die daarbij een blootstelling kunnen ondergaan die hoger is dan een van de dosislimieten, genoemd in artikel 7.3.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat voor de leerlingen en studerenden, bedoeld in het eerste lid, ten gevolge van handelingen die onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht, de volgende individuele doses niet worden overschreden:

    • a. een effectieve dosis van 6 millisievert in een kalenderjaar, en met inachtneming daarvan:

    • b. een equivalente dosis van:

      • 1°. 15 millisievert in een kalenderjaar voor de ooglens;

      • 2°. 150 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig blootgesteld huidoppervlak van 1 cm2; of

      • 3°. 150 millisievert in een kalenderjaar voor de extremiteiten.

  • 3 In geval van inwendige besmetting wordt de effectieve volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.

  • 4 Indien een van de dosislimieten, genoemd in het tweede lid, overschreden wordt, rapporteert de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 7.36. (zwangere en borstvoedinggevende werknemers)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat de arbeidsomstandigheden voor de zwangere werknemer zodanig zijn dat de equivalente dosis ten gevolge van het werk voor het ongeboren kind zo laag is als redelijkerwijs mogelijk is en dat het onwaarschijnlijk is dat de dosis vanaf het moment van melding van de zwangerschap aan de ondernemer tot aan het einde van de zwangerschap hoger zal zijn dan 1 millisievert.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat een werknemer, indien zij hem in kennis heeft gesteld dat zij borstvoeding geeft, gedurende deze periode geen arbeid verricht waarbij op basis van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, een relevant risico bestaat op besmetting van het lichaam.

  • 3 Indien de dosis, genoemd in het eerste lid, wordt overschreden rapporteert de ondernemer dit aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

Afdeling 7.3. Beroepsmatige blootstelling in radiologische noodsituaties

Artikel 7.37. (beroepsmatige blootstelling in radiologische noodsituaties)

  • 1 In geval van beroepsmatige blootstelling in radiologische noodsituaties gelden voor zover mogelijk voor werknemers die als hulpverlener optreden de dosislimieten, genoemd in artikel 7.34.

  • 2 Voor radiologische noodsituaties waarin niet aan het bepaalde in het eerste lid kan worden voldaan, geldt voor werknemers die als hulpverlener optreden een referentieniveau van 100 millisievert voor de effectieve dosis.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, geldt in uitzonderlijke situaties een referentieniveau van:

    • a. 250 millisievert voor de effectieve dosis voor uitwendige bestraling van werknemers die als hulpverlener optreden voor het redden van uitermate belangrijke materiële belangen; en

    • b. 500 millisievert voor de effectieve dosis voor uitwendige bestraling van werknemers die als hulpverlener optreden voor levensreddend werk, het voorkomen van ernstige gezondheidseffecten door straling of om de ontwikkeling van catastrofale omstandigheden te voorkomen.

  • 4 De ondernemer zorgt ervoor dat een werknemer die als hulpverlener optreedt en die activiteiten zou kunnen ondernemen waarbij een effectieve dosis van meer dan 100 millisievert kan worden ontvangen van tevoren duidelijk en uitvoerig is ingelicht over de bijbehorende gezondheidsrisico’s en de betreffende activiteiten vrijwillig uitvoert.

Afdeling 7.4. Beroepsmatige blootstelling in bestaande situaties

Artikel 7.38. (radon op het werk)

  • 1 Het referentieniveau voor het jaargemiddelde van radonconcentratie in de lucht op werkplekken bedraagt 100 becquerel/m3.

  • 2 De werkgever zorgt ervoor dat metingen voor het bepalen van de radonconcentratie worden uitgevoerd:

    • a. op werkplekken die zich bevinden op de benedenverdieping of in de kelder in gebieden genoemd in het nationaal actieprogramma radon, bedoeld in artikel 6.20; en

    • b. op specifieke soorten werkplekken als bedoeld in het nationaal actieprogramma radon, bedoeld in artikel 6.20.

  • 3 Indien de radonconcentratie op de werkplekken, bedoeld in het tweede lid, het referentieniveau, bedoeld in het eerste lid of in het achtste lid indien daaraan uitvoering is gegeven, overschrijdt, neemt de werkgever maatregelen om te zorgen dat de radonconcentratie wordt teruggebracht tot onder dit referentieniveau.

  • 4 Indien de radonconcentratie op werkplekken ondanks de maatregelen, bedoeld in het derde lid, het referentieniveau, bedoeld in het eerste lid of in het achtste lid indien daaraan uitvoering is gegeven, blijft overschrijden, is de werkgever verplicht tot kennisgeving hiervan aan de Autoriteit.

  • 5 Op de werkplekken, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, is dit hoofdstuk, met uitzondering van dit artikel, niet van toepassing, met dien verstande dat voor de werkplekken, bedoeld in het vierde lid, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een of meer artikelen van dit hoofdstuk van toepassing kunnen worden verklaard.

  • 6 De werkgever zorgt ervoor dat voor de werkplekken waarbij het referentieniveau genoemd in het eerste lid, blijvend wordt overschreden:

    • a. de blootstelling van de werknemers aan radon wordt vastgesteld en met passende frequentie wordt gemonitord en de gegevens geregistreerd;

    • b. maatregelen worden genomen om de blootstelling van de werknemers aan radon tot een minimum te beperken; en

    • c. op daarvoor geschikte plaatsen doelmatige en duidelijke waarschuwingsborden of waarschuwingstekens en opschriften worden aangebracht.

  • 7 De werkgever bewaart de geregistreerde gegevens in ieder geval totdat de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, de leeftijd van vijfenzeventig jaar heeft bereikt of zou hebben bereikt, maar ten minste dertig jaar nadat deze persoon de handelingen heeft beëindigd.

  • 8 Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan in afwijking van het eerste lid voor bij die regeling aangewezen werkplekken als bedoeld in het vierde lid, een referentieniveau worden vastgesteld van ten hoogste 300 becquerel/m3 als jaargemiddelde van de radonconcentratie in de lucht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede, derde, vierde en zesde lid.

Hoofdstuk 8. Medische blootstelling

§ 8.1. Algemene bepalingen

Artikel 8.1. (delegatiebepalingen)

Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van:

§ 8.2. Algemene bepalingen over bescherming bij medische blootstellingen

Artikel 8.2. (rechtvaardiging medische blootstelling)

  • 1 Een medische blootstelling vindt uitsluitend plaats indien zij gerechtvaardigd is.

  • 2 Een medische blootstelling is gerechtvaardigd indien zij per saldo voldoende voordeel oplevert wanneer het totale potentiële diagnostische of therapeutische voordeel, waaronder de gezondheidsvoordelen voor de persoon die de behandeling ondergaat en het maatschappelijk voordeel, opweegt tegen de gezondheidsschade die de persoon die de blootstelling ondergaat, kan ondervinden, rekening houdend met de doeltreffendheid, de voordelen en de risico’s van beschikbare alternatieve technieken die hetzelfde doel hebben maar geen of minder blootstelling aan ioniserende straling met zich meebrengen.

Artikel 8.3. (optimalisatie medische blootstelling)

  • 1 Alle doses ten gevolge van medische blootstellingen voor radiodiagnostiek, interventieradiologie en planning, sturing en verificatiedoeleinden, worden zo laag gehouden als redelijkerwijs mogelijk is, gelet op de noodzaak om de vereiste medische gegevens te verkrijgen en rekening houdend met economische en sociale factoren.

  • 2 De optimalisatie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. omvat, met inachtneming van economische en sociale factoren, de keuze van de apparatuur, de consistente productie van adequate diagnostische gegevens of behandelingsresultaten, de praktische aspecten van medisch-radiologische procedures, de kwaliteitsborging, de beoordeling en evaluatie van patiëntdoses en de controle van toegediende activiteit;

    • b. heeft betrekking op de omvang van de individuele doses en hangt samen met het medische doel van de blootstelling;

    • c. wordt, indien dat passend is, tevens toegepast op orgaandoses.

  • 3 De medisch deskundige, de klinisch fysicus en de personen die bevoegd zijn om de praktische aspecten van de medisch-radiologische procedure uit te voeren, worden betrokken bij de optimalisatie, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevordert de vaststelling, de regelmatige herziening en het gebruik van diagnostische referentieniveaus voor radiodiagnostisch onderzoek, indien gepast voor interventieradiologische procedures, en de beschikbaarheid van richtlijnen op dit gebied.

Artikel 8.4. (verantwoordelijkheid)

  • 1 De ondernemer draagt ervoor zorg dat elke medische blootstelling plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van een medisch deskundige die voldoet aan artikel 5.14.

  • 3 Voorts draagt de ondernemer ervoor zorg dat de medisch deskundige of de persoon die in opdracht van die deskundige de blootstellingen, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, verricht, hiervoor een passende opleiding heeft gevolgd.

§ 8.3. Bijzondere bepalingen over bescherming bij medische blootstellingen

Artikel 8.5. (rechtvaardiging bij individuele medische blootstellingen)

  • 1 De verwijzende persoon en de medisch deskundige beoordelen ieder op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid en vooraf of een individuele medische blootstelling gerechtvaardigd is, met inachtneming van het specifieke doel van de blootstelling en de kenmerken van de betrokken persoon.

  • 2 In afwijking van artikel 8.2, tweede lid, kan een medische blootstelling van een soort die ingevolge dat lid verboden is, in bijzondere omstandigheden en in afzonderlijk te beoordelen specifieke gevallen gerechtvaardigd worden. De afzonderlijke beoordeling van de rechtvaardiging, bedoeld in het eerste lid, wordt geregistreerd in het dossier van de betrokkene.

  • 3 De verwijzende persoon en de medisch deskundige verkrijgen, indien dat uitvoerbaar is, eerdere diagnostische of medische gegevens met betrekking tot de voorgenomen blootstelling en houden rekening met deze gegevens om onnodige blootstelling te voorkomen.

Artikel 8.6. (rechtvaardiging medisch-radiologische procedure bij asymptomatische personen)

Een medisch-radiologische procedure bij een asymptomatische persoon die vroege opsporing van een ziekte tot doel heeft, vindt uitsluitend plaats nadat bijzondere aandacht is besteed aan de voorlichting van deze persoon en:

  • a. in het kader van een bevolkingsonderzoek; of

  • b. indien er een specifieke, gedocumenteerde rechtvaardiging aanwezig is die is opgesteld door de medisch deskundige in samenspraak met de verwijzende persoon en in overeenstemming met de toepasselijke richtlijnen van de beroepsgroep en met het bepaalde bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 8.7. (rechtvaardiging en blootstelling van verzorgers en van proefpersonen bij wetenschappelijk onderzoek)

  • 1 De medisch deskundige laat de blootstelling van een verzorger uitsluitend toe indien die blootstelling per saldo voldoende voordeel oplevert, waarbij hij rekening houdt met het directe gezondheidsvoordeel voor de patiënt, het voordeel voor de verzorger en de schade die de blootstelling kan veroorzaken.

  • 2 De medisch deskundige verstrekt een verzorger voorafgaand aan de blootstelling adequate informatie over de voordelen en de risico’s van de stralingsdosis bij medische blootstelling.

Artikel 8.8. (klinisch fysicus)

  • 1 De klinisch fysicus:

    • a. treedt op inzake aangelegenheden betreffende stralingsfysica of brengt daarover specialistisch advies uit met het oog op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en van artikel 4.27, derde lid, onderdeel b;

    • b. werkt samen en onderhoudt contact met de stralingsbeschermingsdeskundige.

  • 2 Afhankelijk van de medisch-radiologische handeling, neemt de klinisch fysicus de verantwoordelijkheid voor de dosimetrie op zich, met inbegrip van fysische metingen voor de beoordeling van de door de patiënt en andere personen die een medische blootstelling ondergaan ontvangen dosis, adviseert hij over medisch-radiologische apparatuur en draagt hij in het bijzonder bij tot:

    • a. de optimalisatie van de stralingsbescherming van patiënten en andere personen die een medische blootstelling ondergaan, met inbegrip van de toepassing en het gebruik van diagnostische referentieniveaus;

    • b. de bepaling en uitvoering van kwaliteitsborging van de medisch-radiologische apparatuur;

    • c. acceptatietests voor medisch-radiologische apparatuur;

    • d. de uitwerking van technische specificaties voor medisch-radiologische apparatuur en het ontwerp van de inbouw en opstelling daarvan;

    • e. het toezicht op het medisch-radiologische ontwerp van de inbouw en opstelling van medisch-radiologische apparatuur;

    • f. de analyse van gebeurtenissen die tot toevallige of onbedoelde blootstellingen leiden of kunnen leiden;

    • g. de selectie van noodzakelijke apparatuur om metingen ten behoeve van stralingsbescherming uit te voeren;

    • h. de opleiding van medische deskundigen en ander personeel in relevante aspecten van stralingsbescherming.

Artikel 8.9. (optimalisatie in bijzondere omstandigheden)

  • 1 De ondernemer draagt ervoor zorg dat voor medische blootstellingen voor radiotherapeutische doeleinden de te bestralen doelvolumes individueel worden gepland en de toediening op passende wijze wordt gecontroleerd, ermee rekening houdend dat de doses voor niet-doelvolumes en -weefsels zo laag zijn als redelijkerwijs mogelijk is, zonder aan het beoogde radiotherapeutische effect afbreuk te doen.

  • 2 De ondernemer draagt ervoor zorg dat aan een patiënt die een behandeling of diagnose met radionucliden ondergaat of diens vertegenwoordiger:

    • a. informatie wordt verstrekt over de risico’s van ioniserende straling; en

    • b. passende instructies worden verstrekt om de doses voor personen die met de patiënt in contact komen zo laag te houden als redelijkerwijs mogelijk is.

  • 3 De instructies, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden verstrekt voordat de betrokkene het ziekenhuis, kliniek of een vergelijkbare instelling verlaat waar de behandeling of diagnose heeft plaatsgevonden. Bij een behandeling met radionucliden worden de instructies schriftelijk verstrekt.

Artikel 8.10. (dosisbeperking bij wetenschappelijk onderzoek)

Onverminderd artikel 8.7, derde lid, onderdeel b, en het bepaalde bij of krachtens de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen:

  • a. draagt de ondernemer er zorg voor dat een dosisbeperking wordt vastgesteld voor personen die worden betrokken bij wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, voor wie geen direct medisch voordeel van de blootstelling verwacht wordt;

  • b. beschouwt de medisch deskundige voordat de blootstelling plaatsvindt de betrokken dosisniveaus op individuele basis, in het geval van patiënten die toestemming hebben gegeven om een experimentele medische behandeling te ondergaan en die naar verwachting hiervan diagnostisch of therapeutisch voordeel zullen ondervinden.

Artikel 8.11. (medische blootstelling van vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven)

  • 1 De verwijzende persoon of de medisch deskundige informeert bij een vrouw die een medische blootstelling ondergaat of zij zwanger is of borstvoeding geeft, tenzij dat om duidelijke redenen kan worden uitgesloten of niet relevant is voor de radiologische procedure.

  • 2 Indien zwangerschap niet kan worden uitgesloten, wordt afhankelijk van de medisch-radiologische procedure en met name wanneer het gaat om de buik- en bekkenstreek, bijzondere aandacht geschonken aan:

    • a. de rechtvaardiging van de blootstelling, met name in verband met de urgentie van het uitvoeren van de procedure;

    • b. de optimalisatie van de stralingsbescherming, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de vrouw als met het ongeboren kind.

  • 3 Indien de vrouw die een medische blootstelling ondergaat borstvoeding geeft, wordt in de nucleaire geneeskunde bijzondere aandacht geschonken aan:

    • a. de rechtvaardiging van de blootstelling, met name in verband met de urgentie van het uitvoeren van de procedure;

    • b. de optimalisatie van de stralingsbescherming, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de vrouw als met het kind.

  • 4 De ondernemer neemt maatregelen die bijdragen tot bewustmaking van de vrouwen, bedoeld in het eerste lid, over medische blootstellingen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 8.12. (toevallige of onbedoelde blootstellingen en significante gebeurtenissen)

  • 1 De ondernemer draagt ervoor zorg dat:

    • a. alle redelijke maatregelen worden genomen om de waarschijnlijkheid en de omvang van toevallige of onbedoelde blootstellingen van personen die medische blootstelling ondergaan tot een minimum te beperken;

    • b. bij radiotherapeutische handelingen het programma voor kwaliteitsborging een onderzoek naar het risico van toevallige of onbedoelde blootstellingen bevat;

    • c. voor alle medische blootstellingen een passend systeem wordt ingevoerd ten behoeve van de registratie en analyse van gebeurtenissen die tot toevallige of onbedoelde blootstellingen leiden of kunnen leiden, dat in verhouding staat tot het radiologische risico van de handeling;

    • d. maatregelen worden getroffen om de verwijzende persoon en de medisch deskundige alsmede de patiënt of zijn vertegenwoordiger in te lichten over een klinisch significante toevallige of onbedoelde blootstelling en over de resultaten van de analyse.

  • 2 Voorts draagt de ondernemer ervoor zorg dat het Staatstoezicht op de volksgezondheid:

    • a. zo spoedig mogelijk op de hoogte wordt gebracht van significante gebeurtenissen;

    • b. binnen redelijke termijn na de gebeurtenissen op de hoogte wordt gebracht van de onderzoeksresultaten en de genomen maatregelen om dergelijke gebeurtenissen in de toekomst te vermijden.

Artikel 8.13. (individuele dosisschattingen)

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport draagt zorg voor de verdeling van individuele dosisschattingen als gevolg van medische blootstelling voor radiodiagnostiek en interventieradiologie. Indien nodig, wordt rekening gehouden met de leeftijdsverdeling en het geslacht van de blootgestelde populatie.

§ 8.4. Eisen aan procedures en apparatuur

Artikel 8.14. (procedures)

  • 1 De ondernemer draagt ervoor zorg dat:

    • a. schriftelijke protocollen worden uitgewerkt voor elk soort standaard medisch-radiologische procedure, voor elke apparatuuropstelling en voor relevante categorieën patiënten;

    • b. informatie over de blootstelling van de patiënt deel uitmaakt van het verslag over de medisch-radiologische procedure;

    • c. passende controle wordt uitgevoerd en zo nodig passende maatregelen worden getroffen bij een stelselmatige overschrijding van de diagnostische referentieniveaus;

    • d. klinische audits plaatsvinden in overeenstemming met de nationale procedures.

  • 2 Voorts draagt de ondernemer ervoor zorg dat een klinisch fysicus:

    • a. nauw wordt betrokken bij radiotherapeutische handelingen, met uitzondering van standaard therapeutische nucleairgeneeskundige handelingen;

    • b. wordt betrokken bij standaard therapeutische nucleairgeneeskundige handelingen, alsmede radiodiagnostische en interventieradiologische handelingen met hoge doses;

    • c. wordt betrokken voor advies over aangelegenheden betreffende stralingsbescherming in verband met medische blootstelling bij overige medisch-radiologische handelingen.

  • 3 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, draagt zorg voor de beschikbaarstelling van verwijzingsrichtsnoeren voor medische beeldvorming aan verwijzende personen, waarbij rekening is gehouden met stralingsdoses.

  • 4 Na de klinische audit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden, indien nodig, de betreffende handelingen gewijzigd of worden nieuwe normen toegepast.

Artikel 8.15. (apparatuur)

De ondernemer draagt ervoor zorg dat:

  • a. op alle radiologische apparatuur die in gebruik is streng toezicht wordt uitgeoefend inzake de stralingsbescherming;

  • b. voor elke medisch-radiologische instelling een bijgewerkte inventaris van medisch-radiologische apparatuur ter beschikking wordt gehouden van de Autoriteit en van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;

  • c. passende programma’s voor kwaliteitsborging en evaluaties van doses en toegediende hoeveelheden worden toegepast;

  • d. acceptatietests worden uitgevoerd voor de ingebruikneming van de apparatuur voor klinische doeleinden en daarna periodiek en na elke onderhoudsprocedure die de werking kan aantasten prestatietests worden uitgevoerd;

  • e. de nodige maatregelen worden getroffen om de werking van medisch-radiologische apparatuur te verbeteren die in gebruik is en die niet voldoet aan bij regeling van Onze Minister gestelde eisen aan het functioneren van die apparatuur;

  • f. apparatuur voor uitwendige bestraling met een nominale stralingsenergie van meer dan 1 mega-elektronvolt is voorzien van een voorziening om de belangrijkste behandelingsparameters te controleren;

  • g. alle voor interventieradiologie gebruikte apparatuur is voorzien van een voorziening of een functie die de medisch deskundige en de personen die onderdelen van de medische procedures uitvoeren, informeert over de hoeveelheid straling die door de apparatuur tijdens de procedure wordt uitgezonden;

  • h. alle voor interventieradiologie en computertomografie gebruikte apparatuur en nieuwe apparatuur voor planning, sturing en verificatiedoeleinden zijn voorzien van een voorziening of een functie die de medisch deskundige aan het einde van de procedure informeert over de relevante parameters voor het bepalen van de patiëntdosis en die deze informatie doorstuurt naar het onderzoeksdossier;

  • i. onverminderd het bepaalde in de onderdelen g en h, nieuwe medische radiodiagnostische apparatuur die ioniserende straling uitzendt, is voorzien van een voorziening of functie die de medisch deskundige in staat stelt de voor het bepalen van de patiëntdosis relevante parameters te kennen en die, indien nodig, deze informatie doorstuurt naar het onderzoeksdossier;

  • j. geen gebruik gemaakt wordt van fluoroscopie-apparatuur zonder voorziening voor de automatische regeling van het dosistempo of zonder beeldversterker, dan wel van een soortgelijk toestel.

Artikel 8.16. (apparatuur in bijzondere gevallen)

  • 1 De ondernemer draagt ervoor zorg dat passende medisch-radiologische apparatuur, technieken en randapparatuur worden gebruikt voor medische blootstellingen:

    • a. van kinderen;

    • b. in het kader van een bevolkingsonderzoek;

    • c. waarbij de patiënt hoge doses krijgt toegediend.

  • 2 Bij de blootstellingen, bedoeld in het eerste lid, wordt bijzondere aandacht besteed aan de programma’s voor kwaliteitsborging en de evaluatie of verificatie van doses en toegediende hoeveelheden activiteit voor deze handelingen.

Artikel 8.17. (verspreiding medisch-radiologische apparatuur)

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan regels stellen om onnodige verspreiding van medisch-radiologische apparatuur te voorkomen.

Hoofdstuk 9. Blootstelling van leden van de bevolking

Afdeling 9.1. Blootstelling van leden van de bevolking in geplande blootstellingsituaties

§ 9.1.1. Dosislimieten

Artikel 9.1. (dosislimieten leden van de bevolking)

  • 1 Dosislimieten voor blootstelling van leden van de bevolking als bedoeld in het tweede of derde lid hebben betrekking op de som van de jaarlijkse blootstellingen van een lid van de bevolking ten gevolge van alle ingevolge dit besluit toegestane handelingen.

  • 2 Voor blootstelling van leden van de bevolking geldt een individuele effectieve dosislimiet van 1 millisievert in een kalenderjaar.

  • 3 Naast de dosislimiet, bedoeld in het tweede lid, gelden de volgende individuele equivalente dosislimieten:

    • a. een equivalente dosislimiet van 15 millisievert in een kalenderjaar voor de ooglens;

    • b. een equivalente dosislimiet van 50 millisievert in een kalenderjaar voor de huid, gemiddeld over enig huidoppervlak van 1 cm2 en ongeacht welk deel van de huid is blootgesteld.

  • 4 In het geval van besmetting die leidt tot inwendige blootstelling wordt de effectieve volgdosis toegewezen aan het jaar van inname.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van personen, voor zover zij hulp en bijstand verlenen als bedoeld in artikel 7.37 of 9.9.

Artikel 9.2. (verplichtingen ondernemer, dosislimiet leden van de bevolking)

  • 1 De ondernemer zorgt ervoor dat voor een lid van de bevolking als gevolg van handelingen als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, die onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht, op enig punt buiten de locatie ten gevolge van die handelingen een effectieve dosis van 0,1 millisievert in een kalenderjaar niet wordt overschreden.

  • 2 De ondernemer zorgt ervoor dat voor een lid van de bevolking die zich binnen de locatie bevindt, als gevolg van handelingen, die onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht, de in artikel 9.1, tweede en derde lid, genoemde individuele dosislimieten niet worden overschreden.

§ 9.1.2. Dosisbeperkingen

Artikel 9.3. (dosisbeperkingen geplande blootstelling leden van de bevolking, algemeen)

Dosisbeperkingen voor blootstelling van leden van de bevolking zijn in overeenstemming met de dosislimiet voor de som van de doses voor eenzelfde persoon uit alle ingevolge dit besluit toegestane handelingen.

Artikel 9.4. (optimalisatie, dosisbeperkingen buiten een locatie)

De ondernemer zorgt ervoor dat bij het verrichten van een handeling, behorend tot een categorie als genoemd in artikel 3.10, tweede lid, waarvoor een registratie is vereist, voor personen op enig punt buiten de locatie ten gevolge van die handelingen tezamen een dosisbeperking van 10 microsievert effectieve dosis in een kalenderjaar wordt gehanteerd.

Artikel 9.5. (blootstelling leden van de bevolking, dosisbeperkingen in specifieke gevallen)

Met het oog op blootstelling van leden van de bevolking kunnen bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat voor specifieke gevallen dosisbeperkingen worden vastgesteld voor de individuele dosis die leden van de bevolking ontvangen uit het geplande gebruik van bij die regeling aangewezen stralingsbronnen.

§ 9.1.3. Bescherming onder normale omstandigheden

Artikel 9.6. (algemene zorgplichten ondernemer t.a.v. de bevolking en het milieu en advisering door de stralingsbeschermingsdeskundige)

Een ondernemer zorgt voor:

  • a. de totstandkoming en instandhouding van een optimale bescherming van leden van de bevolking tegen blootstelling als gevolg van handelingen die onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht;

  • b. de acceptatie en goedkeuring voor ingebruikneming van adequate apparatuur en methoden voor het meten en bepalen van de blootstelling van leden van de bevolking en de radioactieve besmetting van het milieu;

  • c. de controle van de effectiviteit en het onderhoud van de in onderdeel b bedoelde apparatuur en het toezicht op de periodieke kalibratie van meetinstrumenten, en

  • d. advisering door de stralingsbeschermingsdeskundige bij de uitvoering van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde verplichtingen.

Artikel 9.7. (raming van de door leden van de bevolking ontvangen doses)