Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport[Regeling vervalt per 01-10-2021.]

Geldend van 17-10-2017 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 16 oktober 2017, nr. IENM/BSK-2017/164339, houdende vaststelling van regels voor subsidies ter bevordering van de totstandkoming van klimaattechnologieën en – innovaties in transport (Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • alternatieve brandstoffen: brandstoffen of energiebronnen die, althans gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele bronnen in de energievoorziening voor vervoer en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de vervoersector verbeteren, waarbij biobrandstoffen voldoen aan artikel 17 van de Richtlijn hernieuwbare energie;

  • hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare, niet-fossiele bronnen, te weten wind- en zonne-energie, aerothermische, geothermische en hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas;

  • emissiearm vervoermiddel voor vervoer over de weg:
    • personenauto’s en bestelbussen, met voertuigkwalificaties M of N, met een tank-to-wheel-emissie van maximaal 50 gram CO2 per kilometer en die voldoen aan de emissienormen van Euro 6d voor NOx en fijn stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 715/2007 en Verordening (EG) nr. 692/2008, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646, en

    • vrachtauto’s en personenbussen, met voertuigkwalificaties M of N, die beschikken over een elektrisch aandrijflijn, een hybride aandrijflijn, of geschikt zijn voor het rijden op een brandstofmengsel dat voor ten minste 30 procent bestaat uit een alternatieve brandstof die volledig is gemaakt met behulp van hernieuwbare energiebronnen, en voldoen aan de emissienormen van Euro VI als bedoeld in Verordening (EG) nr. 595/2009;

  • haveninfrastructuur: infrastructuur en faciliteiten, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 157 van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor het verrichten van vervoer gerelateerde havendiensten, zoals ligplaatsen die voor het afmeren van schepen worden gebruikt, kademuren, aanlegsteigers en drijvende pontons in getijdegebieden, dokken, gedempte gronden en landaanwinningen, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en ontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen;

  • investering lokale infrastructuurvoorziening: een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van het bouwen of upgraden van lokale infrastructuurvoorzieningen voor infrastructuur die op het lokale niveau bijdraagt tot het verbeteren van het ondernemings- en consumentenklimaat en het moderniseren en ontwikkelen van de industriële basis;

  • investering milieubescherming: een project inhoudende een investering in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 en artikel 2, onderdeel 101, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • luchthaveninfrastructuur: infrastructuur en uitrusting als bedoeld in artikel 2, onderdeel 144, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor het verrichten van luchthavendiensten door de luchthaven voor luchtvaartmaatschappijen en de diverse dienstverrichters, met inbegrip van start- en landingsbanen, terminals, platforms, taxibanen, gecentraliseerde grondafhandelingsinfrastructuur en alle andere voorzieningen die de luchthavendiensten rechtstreeks ondersteunen, evenwel met uitsluiting van infrastructuur en uitrusting die in hoofdzaak noodzakelijk is voor het uitoefenen van niet-luchtvaart gebonden activiteiten;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • niet-gouvernementele organisatie: een niet op winst gerichte organisatie die onafhankelijk is van de overheid en beschikt over rechtspersoonlijkheid;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • project cofinanciering: een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen die valt binnen het niet gesubsidieerde deel van een plan waarvoor ten dele subsidie vanuit een Europees subsidieprogramma van de Europese Unie is toegekend;

  • project experimentele ontwikkeling: een project inhoudende experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;

  • project haalbaarheidsstudie: een project inhoudende een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een onderzoek of analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat de uiteindelijke slaagkansen zijn;

  • project innovatiecluster: het organiseren van een innovatiecluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, en artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een structuur of georganiseerde groepering van onafhankelijke partijen die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster;

  • project proeftuin: een project experimentele ontwikkeling dat wordt gecombineerd met een investering lokale infrastructuur, een investering milieubescherming of beide;

  • Richtlijn hernieuwbare energie: Richtlijn 2009/28/EG van het Europees parlement en de raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

  • Verordening (EG) nr. 715/2007 en Verordening (EG) nr. 692/2008, gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646: Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2007, L 171) en Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PbEU 2008, L 199), als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (PbEU 2016, L 109);

  • Verordening (EG) 595/2009: Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEU 2009, L 188);

  • Voertuigkwalificaties M, M2, N, N1, N2 en N3: de voertuigkwalificaties M en N als bedoeld in bijlage II, onderdeel A, van de Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn)(PbEU 2007, L 263).

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderbesluit

In afwijking van artikel 2, tweede lid, onder c, van het Kaderbesluit zijn de hoofdstukken 3 tot en met 11 van het Kaderbesluit van toepassing op de bepalingen in deze regeling omtrent subsidies die worden verstrekt met het oog op cofinanciering van een door de Commissie van de Europese Unie goedgekeurd programma.

Artikel 3. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van projecten gericht op technologie- en innovatieontwikkeling in de pre-commerciële fase, die een bijdrage leveren aan het bereiken van een reductie van met name de emissie van CO2, alsmede de emissies van NOx, fijn stof en geluid, in de sector mobiliteit en transport door het gebruik van vervoermiddelen die in hun energiebehoefte worden voorzien door alternatieve brandstoffen.

Artikel 4. Verstrekken van subsidie voor een project cofinanciering

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project cofinanciering dat:

  • a. bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b. gericht is op de uitrol van een lokale infrastructuurvoorziening die gebruikt wordt voor alternatieve brandstoffen;

  • c. de gerealiseerde lokale infrastructuurvoorziening op open, transparante en niet-discriminerende basis beschikbaar stelt als bedoeld in artikel 56, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. geen investering in luchthaveninfrastructuur of haveninfrastructuur betreft;

  • e. er in voorziet dat iedere vorm van toewijzing aan een derde om de lokale infrastructuurvoorzieningen te exploiteren op open, transparante en niet-discriminerende basis plaatsvindt als bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • f. in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel 5. Verstrekken van subsidie voor een project innovatiecluster

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project innovatiecluster dat:

  • a. bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b. zich richt op de alternatieve brandstoffen waterstof, biobrandstof of elektriciteit in de sector transport en mobiliteit;

  • c. er in voorziet dat toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het cluster openstaat voor meerdere gebruikers en op transparante en niet-discriminerende basis wordt verleend als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. er in voorziet dat de vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs of de kosten ervan weerspiegelen, als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en

  • e. in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel 6. Verstrekken van subsidie voor een project experimentele ontwikkeling

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project experimentele ontwikkeling dat in Nederland wordt uitgevoerd en bijdraagt aan:

  • a. het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

  • b. het versnellen van de ontwikkeling van emissiearme vervoermiddelen voor vervoer over de weg van goederen en personen met voertuigkwalificaties N1, N2, N3 of M2, en

  • c. de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen.

Artikel 7. Verstrekken van subsidie voor een project haalbaarheidsstudie

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project haalbaarheidsstudie dat:

  • a. bijdraagt aan het realiseren de doelstelling van deze regeling;

  • b. bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling van emissiearme vervoermiddelen voor vervoer over de weg van goederen en personen met voertuigkwalificaties N1, N2, N3 of M2;

  • c. bijdraagt aan de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;

  • d. inhoudt een onderzoek of analyse van het potentieel van een project experimentele ontwikkeling, en

  • e. in Nederland wordt uitgevoerd.

Artikel 8. Verstrekken van subsidie voor een project proeftuin

  • 1 Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een project proeftuin dat:

    • a. bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van deze regeling;

    • b. bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling van emissiearme vervoermiddelen voor vervoer over de weg van goederen en personen met voertuigkwalificaties N1, N2, N3 of M2 en bijdraagt aan de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;

    • c. voor wat betreft het projectonderdeel dat het project experimentele ontwikkeling inhoudt, voldoet aan artikel 6;

    • d. voor wat betreft een projectonderdeel dat een investering lokale infrastructuurvoorziening inhoudt, voldoet aan artikel 9;

    • e. voor wat betreft een projectonderdeel dat een investering milieubescherming inhoudt, voldoet aan artikel 10, en

    • f. in Nederland wordt uitgevoerd.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder b, kan subsidie voor een project, dat bijdraagt aan de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor waterstof, ook worden verstrekt voor een investering lokale infrastructuurvoorziening die gebruikt wordt voor waterstof uit niet-hernieuwbare bronnen.

Artikel 9. Verstrekken van subsidie voor een investering lokale infrastructuurvoorziening als onderdeel van een project proeftuin

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een investering lokale infrastructuurvoorziening als onderdeel van een project proeftuin die:

  • a. voldoet aan de in artikel 4, onder c tot en met e, bedoelde voorwaarden;

  • b. in Nederland wordt uitgevoerd, en

  • c. indien het een investering in infrastructuur voor waterstof betreft, plaatsvindt in:

    • 1°. de provincie Groningen, de provincie Brabant,

    • 2°. de gemeenten Amsterdam, Den Haag of Utrecht, of

    • 3°. de Luchthaven Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer of de Haven van Rotterdam in de gemeente Rotterdam.

Artikel 10. Verstrekken van subsidie voor een investering milieubescherming als onderdeel van een project proeftuin

Onze Minister kan subsidie verstrekken voor een investering milieubescherming als onderdeel van een project proeftuin die:

  • a. de aanvrager in staat stelt het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende normen van de Europese Unie, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de normen van de Europese Unie, of de aanvrager, bij ontstentenis van normen van de Europese Unie, in staat stelt het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen, en

  • b. geen investering bevat die wordt uitgevoerd om te voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden normen van de Europese Unie, met uitzondering van:

    • 1°. de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde normen van de Europese Unie voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn, of

    • 2°. het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de normen van de Europese Unie nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn.

Artikel 11. Maximale projectduur

De maximale duur van projecten waarvoor subsidie kan worden verstrekt is:

  • a. bij een project cofinanciering: de duur van het project waar het project cofinanciering deel van uitmaakt en waarvoor subsidie vanuit een Europees subsidieprogramma is toegekend;

  • b. bij een project innovatiecluster: 2 jaar;

  • c. bij een project experimentele ontwikkeling: 2 jaar;

  • d. bij een project haalbaarheidsstudie: 6 maanden;

  • e. bij een project proeftuin: 3 jaar.

Artikel 12. Subsidieplafonds

  • 1 Het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 4 bedraagt voor 2017/2018 € 7.753.000,–.

  • 2 Het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 5 bedraagt voor 2018 € 900.000,–.

  • 3 Het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8 bedraagt gezamenlijk voor 2018 € 8.100.000,–.

  • 4 De Minister stelt het subsidieplafond voor de jaren na 2018 vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

  • 5 Indien een subsidieplafond niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, kan de Minister het resterende bedrag beschikbaar stellen voor aanvragen vallend onder een subsidieplafond dat reeds voor het aflopen van het tijdvak volledig is uitgeput.

Artikel 13. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag tot subsidieverlening voor een project kan worden ingediend vanaf de dag na inwerkingtreding van deze regeling tot en met 21 december 2017 17:00 uur.

  • 2 De Minister kan voor de jaren na 2017 per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen en maakt die bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld.

Artikel 14. Aanvragers

  • 1 Bij een project cofinanciering kan een aanvraag worden ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband van ondernemingen.

  • 2 Bij een project innovatiecluster kan een aanvraag worden ingediend door een onderneming of een niet-gouvernementele organisatie die het innovatiecluster opereert als bedoeld in artikel 27 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Bij een project experimentele ontwikkeling en project haalbaarheidsstudie kan een aanvraag worden ingediend door een onderneming, een samenwerkingsverband van ondernemingen of een samenwerkingsverband van een onderneming met een onderzoeksorganisatie of een niet-gouvernementele organisatie.

  • 4 Bij een project proeftuin kan een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend door een samenwerkingsverband van ondernemingen of van een onderneming met een onderzoeksorganisatie of een niet-gouvernementele organisatie.

  • 5 Een aanvraag tot subsidieverlening kan niet worden ingediend door een rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht.

Artikel 15. Aanvraagvereisten

  • 1 Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 2 Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat een aanvraag:

    • a. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b. de gegevens, bedoeld in bijlage III van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien het een aanvraag tot subsidieverlening betreft van meer dan € 500.000,–.

    • c. voor een project cofinanciering:

      • 1°. een verklaring dat nog niet gestart is met het project cofinanciering;

      • 2°. een afschrift van het besluit en bijlagen van de bevoegde autoriteit van het Europese programma waarvan het project cofinanciering deel uitmaakt, en

      • 3°. een overzicht van de verwachte exploitatiewinsten en -verliezen van de investering voor een periode van 5 jaar, gerekend vanaf de ingebruikname van de investering.

    • d. voor een project proeftuin dat mede inhoudt een investering lokale infrastructuurvoorzieningen: een overzicht van de verwachte exploitatiewinsten en -verliezen van de investering voor een periode van 5 jaar, gerekend vanaf de ingebruikname van de investering;

Artikel 16. Wijze van verdelen

  • 1 Voor projecten cofinanciering vindt de subsidieverdeling plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 2 Voor projecten innovatiecluster vindt de subsidieverdeling plaats aan de hand van een rangschikking van de aanvragen die voor subsidieverstrekking in aanmerking komen, per alternatieve brandstof, genoemd in artikel 5, onder b, waarbij uitsluitend de hoogst gerangschikte aanvraag per alternatieve brandstof in aanmerking komt voor subsidieverstrekking. Als het subsidieplafond ontoereikend is om voor ieder brandstofspoor één innovatiecluster een subsidie te verlenen gaat de aanvraag met het hoogste aantal punten voor.

  • 3 Voor projecten experimentele ontwikkeling, projecten haalbaarheidsstudie en projecten proeftuin vindt de subsidieverdeling plaats aan de hand van een gezamenlijke rangschikking van de aanvragen die voor subsidieverstrekking in aanmerking komen.

  • 4 Indien twee of meer aanvragen voor projecten op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

  • 5 In afwijking van het eerste tot en met derde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager over het al dan niet geven van een beschikking houdende een afwijking van het subsidiebedrag dat is aangevraagd.

Artikel 17. Beoordelingscriteria

  • 1 De aanvragen, met uitzondering van aanvragen voor een project cofinanciering, worden beoordeeld op excellentie, impact en uitvoering van het project, zoals omschreven in bijlage 1 voor projecten innovatiecluster en in bijlage 2 voor projecten proeftuin, experimentele ontwikkeling en haalbaarheidsstudie

  • 2 Bij de beoordeling worden punten toegekend, wat kan leiden tot een maximum van 100 punten per aanvraag.

Artikel 18. Weigeringsgronden

Een subsidieaanvraag wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:

  • a. er al een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor hetzelfde project;

  • b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. indien de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt;

  • e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de algemene groepsvrijstellingsverordening, of

  • f. een project minder dan 70 punten heeft behaald in de rangschikking.

Artikel 19. Hoogte van de subsidie

  • 1 Het maximale percentage subsidie en het maximale subsidiebedrag bedragen:

    • a. bij een project cofinanciering: maximaal 90 procent van het maximale bedrag als bedoeld in artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en maximaal € 1.000.000,–, of maximaal € 1.620.000,– voor infrastructuur met lokale productie uit hernieuwbare energiebronnen, na aftrek van de Europese cofinanciering;

    • b. bij een project innovatiecluster: de maximale percentages genoemd in artikel 27, zesde en negende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en gemiddeld maximaal € 150.000,– per projectjaar.

    • c. bij een project experimentele ontwikkeling: het maximale percentage genoemd in artikel 25, vijfde lid, onderdeel c, en zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening van de in aanmerking komende kosten en maximaal € 500.000,–;

    • d. bij een project haalbaarheidsstudie: het maximale percentage genoemd in artikel 25, vijfde lid, onderdeel d, en zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening van de in aanmerking komende kosten en maximaal € 50.000,–;

    • e. bij een project proeftuin: de toepasselijke maximale bedragen en percentages als bedoeld en genoemd in artikel 25, vijfde lid, onderdeel c, en zesde lid, en maximaal € 2.000.000,–, en:

      • indien het project mede inhoudt een investering lokale infrastructuurvoorziening: het maximale bedrag bedoeld in artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en maximaal € 1.000.000,– voor die investering, of

      • indien het project mede inhoudt een investering milieubescherming: de maximale percentages bedoeld in artikel 36, zesde en zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Bij een investering lokale infrastructuurvoorziening bedraagt de subsidie maximaal het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering bedoeld in artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Voor onderzoeksorganisaties en niet-gouvernementele organisaties, niet handelend als onderneming, geldt een maximaal percentage subsidie van 100%.

Artikel 20. Subsidiabele kosten

  • 1 Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking:

    • a. bij een project cofinanciering: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b. bij een project innovatiecluster: de kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde en achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • a. bij een project experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b. bij een project haalbaarheidsstudie: de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsordening;

    • c. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering lokale infrastructuurvoorzieningen: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • d. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering milieubescherming: de kosten als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • 2 Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:

    • a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.

  • 3 De subsidiabele kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 21. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 22. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

    • a. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten;

    • b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en

    • c. aan derden betaalde kosten.

  • 3 Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 60,– per uur.

Artikel 23. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 60,– per uur.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

    • a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en

    • b. aan derden betaalde kosten.

Artikel 24. Verplichtingen

  • 2 In het verslag als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval opgenomen:

    • a. de mate waarin technologische belemmeringen zijn opgelost;

    • b. de mate waarin organisatorische belemmeringen zijn opgelost;

    • c. de mate waarin wet- en regelgeving als belemmerend is ervaren;

    • d. de invloed die het project heeft gehad op energieverbruik, emissies, kostprijs en toepasbaarheid van de innovatieve techniek ten opzichte van het conventionele alternatief waarvoor deze in de plaats komt.

Artikel 25. Adviescommissie

  • 1 De Minister stelt een adviescommissie in, die tot taak heeft hem op diens verzoek te adviseren omtrent aanvragen voor subsidie voor projecten experimentele ontwikkeling, projecten haalbaarheidsstudie en projecten proeftuin als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8.

  • 2 De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste acht andere leden.

  • 3 De adviescommissie stelt een reglement van orde op en legt dit ter goedkeuring voor aan de Minister.

  • 4 De voorzitter en de leden van de adviescommissie nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien zij persoonlijk belang hebben bij de ingediende aanvraag of anderszins persoonlijk of zakelijk bij de ingediende aanvraag zijn betrokken.

Artikel 26. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor 1 oktober 2021 zijn verstrekt.

Artikel 27. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

S.A.M. Dijksma

Bijlage 1. Beoordelingscriteria projecten innovatiecluster

Criterium

Omschrijving

Punten

Excellentie

• De kwaliteit en duidelijkheid van de doelstellingen van het innovatiecluster in relatie tot het bepaalde in de artikelen 3 en 5 van de regeling

• De kwaliteit van de voorgestelde aanpak van het innovatiecluster: de mate waarin het project bijdraagt aan het stimuleren van innovatieve activiteiten door:

• het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen,

• daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het innovatiecluster

40

Impact

• Effectiviteit van de voorgestelde activiteiten van het innovatiecluster: de manier waarop het innovatiecluster gaat bijdragen aan het bepaalde in de artikel 3 en 5 van de regeling

• Kennisoverdracht en communicatie: de mate waarin het project bijdraagt aan publieke kennis en publieke inzichten, en de mate waarin het innovatiecluster een positieve bijdrage levert aan de acceptatiegraad van het onderwerp dat het innovatiecluster vertegenwoordigt

40

Uitvoering

• Projectmanagement: de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project en het projectmanagement in het licht van de samenwerking tussen de bij het project betrokken partijen, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management

• Begroting: is de begroting voldoende duidelijk uitgewerkt, staan de opgevoerde kosten in redelijke verhouding tot de omschreven activiteiten en is het voldoende onderbouwd dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren

• Samenwerking: kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende (keten-) partners en de mate waarin de partners een representatieve afspiegeling zijn van de markt van het betreffende onderwerp

20

Bijlage 2. Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsstudie en proeftuin

Criterium

Omschrijving

Project experimentele ontwikkeling

Project haalbaarheidsstudie

Project proeftuin

Excellentie

TOTAAL:

30

40

40

 

De kwaliteit en duidelijkheid van de doelstellingen van het project in relatie tot het bepaalde in artikelen 3, 6, 7 en 8 van de regeling

8 10 20

De kwaliteit van de voorgestelde aanpak van het project en de mate waarin de samenhang tussen technologie en andere aspecten zoals gedrag en regelgeving in het project worden geadresseerd, zowel ten aanzien van de inhoudelijke projectaanpak als de samenwerking tussen relevante partijen

12 10 20

De mate waarin technologische vernieuwing wordt gerealiseerd of wezenlijke nieuwe toepassingen worden gerealiseerd van een bestaande technologie

10 20 n.v.t.
Impact

TOTAAL:

50

40

40

 

Vervolgpotentieel: De manier waarop het project gaat bijdragen aan het bepaalde in artikel 4 en artikel 5, eerste lid, onder a, van de regeling, en hoe het projectresultaat zelf een vervolg krijgt, op basis van o.a. een exploitatie- of businessplan, bijdragen aan de ontwikkeling van wet- en regelgeving, normen en standaarden

20 10 20

Verdienpotentieel: de mate waarin het project kansen creëert voor de Nederlandse economie, o.a. groei van omzet en werkgelegenheid en exportkansen

10 20 20

Kennisoverdracht en communicatie: de mate waarin het project bijdraagt aan publieke kennis en publieke inzichten, de wijze waarop resultaten worden gecommuniceerd en de mate waarin het project een positieve bijdrage levert aan de acceptatiegraad van de voorgestelde innovatie

15 5 n.v.t.

Neveneffecten: de effecten van het project op niet klimaat-gerelateerde uitlaatgasemissies en geluid

5 5 n.v.t
Uitvoering

TOTAAL:

20

20

20

 

Projectmanagement: de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management

8 8 10

Begroting: is de begroting voldoende duidelijk uitgewerkt, staan de opgevoerde kosten in redelijke verhouding tot de omschreven activiteiten en is voldoende onderbouwd dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren

6 6 10

Samenwerking: kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende (keten-)partners

6 6 n.v.t.
  TOTAAL 100 100 100