Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Instructie handhaving rijden onder invloed

Geldend van 01-10-2017 t/m heden

Instructie handhaving rijden onder invloed

Samenvatting

In deze instructie worden regels gegeven voor het opsporen van rijden onder invloed van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het wegverkeer.

1. Begripsbepalingen

2. Opsporing

2.1. Algemeen: voorlopige onderzoeken alcohol, drugs en combinatiegebruik

Vanaf 1 juli 2017 is het voor opsporingsambtenaren, zoals bedoeld in artikel 1, onder a van het Besluit mogelijk om naast de handhaving met voorlopige selectiemiddelen op alcoholgebruik in het verkeer ook met andere voorlopige selectiemiddelen, zoals de speekseltester en het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties (hierna: afgekort de pmt) op drugsgebruik in het wegverkeer te controleren. De pmt is ook geschikt als voorselectiemiddel op alcoholgebruik.

Het primaat van handhaving op rijden onder invloed ligt ook na 1 juli 2017 op handhaving van alcoholgebruik. Dit betekent dat bij een ad random controle eerst het voorlopig onderzoek op alcohol plaatsvindt en dat daarna de speekseltester of de pmt wordt ingezet. Hierna wordt ingegaan op de controlebevoegdheden alsmede de wijze waarop een verdenking kan worden verkregen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8, vijfde lid WVW 1994, voorziet artikel 2 en 3 van het Besluit in de aanwijzing van drugs en de grenswaarden die gelden voor strafbaar gebruik van die drugs. In artikel 3 staat ook de grenswaarde zoals die geldt voor alcoholgebruik in combinatie met één of meer drugs. Artikel 8 vijfde lid WVW 1994 onderscheidt enkel- en meervoudig drugsgebruik en gecombineerd gebruik van alcohol en drugs. De grenswaarden voor meervoudig of gecombineerd gebruik zijn lager gesteld dan de grenswaarden voor enkelvoudig gebruik, omdat juist de combinatie of meervoudig gebruik een aanmerkelijk groter risico vormt voor de verkeersveiligheid dan het gebruik van één drug of alleen alcohol. Dat aanmerkelijk grotere risico komt ook tot uiting in het strafvorderingsbeleid, te weten in de richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed.

Uitsluitend aangewezen drugs zijn voorzien van een grenswaarde. Aangewezen drugs zijn de in het verkeer in Nederland meest aangetroffen drugs, zoals amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4 butaandiol (art. 2 Besluit). Bij enkelvoudig gebruik van deze stoffen geldt een gedragsgerelateerde grenswaarde. Daarbij is het effect van de concentratie van de gebruikte stof op de rijvaardigheid van belang. Bij meervoudig gebruik of combinatiegebruik speelt dat effect op de rijvaardigheid niet, maar geldt als uitgangspunt de analytische grenswaarde of nullimiet. Echter nul is niet meetbaar. Het komt daardoor neer op de minimaal meetbare hoeveelheid, die geldt als grenswaarde bij meervoudig- of combinatiegebruik van drugs. E.e.a. is geregeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 jo artikel 3 van het Besluit.

Voor de niet in artikel 2 van het Besluit aangewezen stoffen blijft artikel 8, eerste lid WVW 1994 gelden. Weliswaar geldt daarvoor geen gedragsgerelateerde grenswaarde of nullimiet, maar die stoffen zoals geneesmiddelen kunnen ook rijgevaarlijk zijn. In het geval van een verdenking van gebruik van niet aangewezen stoffen dient d.m.v. een aanvullend bloedonderzoek een bloedanalyse aan het NFI te worden verzocht door de hulpofficier van justitie. De uitslag van de bloedanalyse wordt in dat geval in de rapportage van het NFI wegens het ontbreken van een kwantitatieve grenswaarde niet uitgedrukt in een getal, maar als ‘waarschijnlijkheidsgradatie’.

Indien uit de bloedanalyse blijkt dat zowel een strafbare niet-aangewezen stof als een aangewezen drug zijn aangetroffen, is de grondslag voor de aanpak zowel artikel 8, eerste lid WVW 1994 als artikel 8, vijfde lid van de WVW 1994. Voor de aangewezen drug geldt de nullimiet en voor de niet aangewezen drug dient te worden beoordeeld welk effect de drug had op het gedrag van de bestuurder in het verkeer. Dit laatste op grond van de ‘waarschijnlijkheidsgradatie’ zoals door het NFI verwoord in hun rapportage omtrent de bloedanalyse.

Voor geneesmiddelen is het niet mogelijk om eenduidig grenswaarden te bepalen, omdat e.e.a. afhangt van persoonlijke factoren (ziektebeeld, duur van het geneesmiddel gebruik etc.) Geneesmiddelen blijven daarom onder de strekking van artikel 8, eerste lid WVW 1994 vallen.

2.2. Controlebevoegdheden en verdenking (160, vijfde lid WVW 1994)

2.2.1. Controlebevoegdheden

De controlebevoegdheden op het rijden onder invloed zijn geregeld in artikel 160, vijfde lid WVW 1994.

Op eerste vordering van één van de in artikel 159, onderdeel a van de WVW 1994 bedoelde personen, zijn bestuurders of degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen, verplicht medewerking te verlenen aan:

en de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.

2.2.2. Controlesituaties

A. De opsporing van alcohol in het verkeer

• Voorlopig ademonderzoek

Op eerste vordering van één van de in artikel 159, onderdeel a van de WVW 1994 bedoelde personen, zijn bestuurders of degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen, verplicht medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid WVW 1994.

Het voorlopig ademonderzoek is geregeld in paragraaf 3.2. van het Besluit. Het voorlopig ademonderzoek is niet bestemd als bewijsmiddel, maar heeft de functie van selectiemiddel. Voorts is van belang dat bij inzet van dit voorlopig ademonderzoek het mondstuk telkens wordt gewisseld (HR 8 juli 1997,VR1998, 1).

Op het voorselectieapparaat verschijnen voor alcohol in het verkeer de volgende relevante aanduidingen

P (pass)

Indicatie alcohol onder de vervolgingsgrens van 95 ug/l

P/A (pass/alert)

Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 95 ug/l wordt aangetroffen (170-300 ug/l)

A (alert)

Indicatie dat bij ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 235 ug/l wordt aangetroffen (300-650 ug/l)

F (fail)

Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de 570 ug/l (> 650 ug/l) wordt aangetroffen

• Verdenking

Een verdenking ontstaat wanneer de uitslag van het voorlopig ademonderzoek F of A inhoudt. Bij een P/A houdt de aanduiding P van pass voor de ervaren bestuurder in dat hij niet verdacht is. Daarentegen geeft de uitslag A in de combinatieaanduiding P/A bij beginnende bestuurders wel voldoende grond voor een verdenking en volgt een bevel medewerking ademanalyse, nadat eerst het resultaat van dat vooronderzoek direct aan de verdachte is meegedeeld.

Indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft is toch verdenking mogelijk, namelijk op grond van uiterlijke kenmerken, zoals een dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak (trias alcoholica) In die omstandigheden volgt eveneens een bevel medewerking ademanalyse Zie wat betreft adem, die ruikt naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank: (HR 3 maart 1981, VR 1981, 70).

Wanneer een bestuurder van een voertuig niet meewerkt aan het voorlopig ademonderzoek levert dat enkele feit niet een verdenking van rijden onder invloed op, omdat dan uiterlijke kenmerken nodig zijn waardoor de verdenking daarvoor ontstaat. Zie verderop bij 2.3.4.; een aanstaltenmaker kan een WAHV beschikking en/of rijverbod krijgen.

• Bevel medewerking ademanalyse

In het geval van voldoende verdenking voor rijden onder invloed van alcohol, volgt een bevel medewerking ademanalyse door een opsporingsambtenaar. Dat bevel brengt een medewerkingsplicht mee voor de verdachte o.a. om ademlucht in de apparatuur te blazen alsmede aanwijzingen die de opsporingsambtenaar aan hem geeft op te volgen, zoals het meegaan naar de plaats waar de ademanalyse plaatsvindt.

• Bijzondere geneeskundige redenen

De verplichting om ademlucht te blazen geldt niet indien e.e.a. om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Daarvan kan sprake zijn bij astmatische bronchitis, specifieke spieraandoeningen, gezichtsletsel. Maar ook bij opgelopen letsel en onderzoek in het ziekenhuis (HR 14 maart 2016, NJ 2006, 207).

Wanneer een verdachte een beroep doet op een bijzondere geneeskundige reden moet dat door hem aan de opsporingsambtenaar op niet voor misverstand vatbare wijze kenbaar worden gemaakt (HR 17 augustus 2004, NJ 2004, 550).

Of terecht een beroep is gedaan op een bijzondere geneeskundige reden moet in beginsel worden beoordeeld door een arts, tenzij het beroep de opsporingsambtenaar aanstonds ongerechtvaardigd voorkomt (HR 6 april 1999, NJ 1999, 452).

• Bestuurderschap

Ingevolge artikel 168 WVW 1994, wordt met de bestuurder van een motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in artikel 1 onder n van de WVW 1994 bedoelde voorwaarde geacht wordt het motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de juridische bestuurder (rij-instructeur) te besturen.

• Dubbele Verdenking

Bij rijden onder invloed in artikel 8 WVW 1994 gaat het om een dubbele verdenking, namelijk wegens het verkeren onder invloed, alsmede wegens verdenking van het bestuurderschap.

Wat betreft het bestuurderschap is een verdenking voldoende; daadwerkelijk besturen hoeft niet vast te staan (HR 11 december 2007, NJ 2008, 23 en HR 27 september 2005, VR 2006, 18). Voorts kan een bevel medewerking ademanalyse ook worden gegeven bij een poging ex. artikel 8 WVW 1994 (HR 17 september 2002,NJ 2004, 352) en ook kan een bevel medewerking ademanalyse worden gegeven aan een leerling bestuurder (168 WVW 1994).

• Het bevel

Het bevel medewerking ademanalyse wordt door een opsporingsambtenaar aan een bestuurder van een voertuig gegeven. Het bevel moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn. Onvoldoende is een verzoek om ‘even te blijven wachten’ (HR 12 september 2006, NJ 2006, 564).

• Medewerkingsplicht

Dit wil zeggen dat de verdachte voldoende ademlucht in het ademanalyseapparaat blaast, d.w.z. een zodanige hoeveelheid ademlucht dat voor een voltooid onderzoek nodig is (HR 2 juni 1992, NJ 1992, 733).

• Niet functionerend ademanalyseapparaat

Wanneer de verdachte naar een politiebureau is gebracht en het daar aanwezige ademanalyse-apparaat niet naar behoren functioneert, mag gebruik worden gemaakt van een apparaat in de nabije omgeving. Wat nog wel en wat niet meer onder nabije omgeving kan worden verstaan is niet uitgewerkt in de jurisprudentie. Het zal een feit van algemene bekendheid zijn dat verschillende plaatsen al dan niet in elkaars nabije omgeving liggen. De onderlinge afstand is daartoe het criterium. Ook dan is de verdachte verplicht om daaraan zijn medewerking te verlenen en alle aanwijzingen die hem worden gegeven om dat onderzoek te verrichten op een apparaat in de nabije omgeving, op te volgen (HR 3 juli 2001, NJ 2001, 554).

• Strikte waarborgen

Indien een of meer strikte waarborgen niet zijn nageleefd is geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid WVW 1994 en mag het resultaat van de ademanalyse niet voor het bewijs worden gebruikt. Dan kan vrijspraak het gevolg zijn. (HR 22 mei 2012, NJ 2012, 350 en HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 486) omdat artikel 359a Sv niet van toepassing is. Daarentegen moet altijd worden bezien of een eventueel proces-verbaal terzake artikel 8 lid 1 WVW1994 in die situatie alsnog mogelijk is.

Elk proces- verbaal dient tenminste aan de volgende waarborgen te voldoen.

  • Art. 10, eerste lid v/h Besluit: apparaat is bij MR aangewezen.

  • Art. 10, eerste en vijfde lid v/h Besluit: zo nodig viermaal blazen, tot twee geldige meetresultaten zijn verkregen. Let op! Vanaf HR 24 november 2015, NJ 2016, 114, heeft de HR ontkent dat dit voorschrift nog langer hoort tot het stelsel van strikte waarborgen. Dit betekent dat het voorgeschreven aantal keren blazen niet strekt de juistheid van het resultaat van de ademanalyse te waarborgen. De procedure uit het eerste lid kan eenmaal opnieuw worden verricht. Het is geen verplichting, maar een bevoegdheid van de opsporingsambtenaar. Het bevel medewerking betreft ook dit herhaalde onderzoek.

  • Art. 10 tweede lid v/h Besluit: 20 minutentermijn. Dit betreft de eis dat minimaal 20 minuten moet zitten tussen het eerste contact wanneer de vordering niet is gedaan danwel de eerste vordering om te blazen op straat op de ademtester en het latere ademonderzoek aan het ademanalyseapparaat. In de praktijk brengt dat mee dat tussen beide momenten 21 minuten moet zitten. Wanneer de termijn niet in acht is genomen is geen sprake van een geldig resultaat van de ademanalyse en is dat niet voor het bewijs bruikbaar. Het is dan geen onderzoek in de zin van artikel 8 WVW1994. De ratio hierachter is dat het resultaat van de ademanalyse niet mag worden vervuild door resten alcohol in de mond van de verdachte. De HR houdt zeer streng de hand aan deze voorwaarde (HR 28-6-1994.VR 1994, 189). Dat het hier gaat om een strikte waarborg vindt zijn oorzaak in de verregaande inbreuk op de persoonlijke vrijheid en ten doel heeft zoveel als mogelijk is, fouten en onvolkomenheden die ten nadele van de verdachte strekken, uit te schakelen. (Conclusie AG Leijten bij HR 17-6-1986,VR 1986, 140 en NJ 1987, 152).

  • Art.10 derde lid v/h/ Besluit: onderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar in de zin van art. 1 onder a v/h Besluit.

  • Art. 11 eerste lid v/h Besluit: de strafbare resultaten volgend uit het onderzoek worden door de opsporingsambtenaar in het proces-verbaal vermeld.

  • Art. 11 tweede lid v/h Besluit: de opsporingsambtenaar deelt het resultaat direct mee aan de verdachte en zal in het geval van een strafbaar resultaat de verdachte direct wijzen op zijn recht op een tegenonderzoek. Let op! Het gaat erom dat de verdachte uitdrukkelijk wordt gewezen op dit recht!

  • Art. 11 derde lid onder a en b v/h Besluit: Na de mededeling omtrent de uitslag dient verdachte direct nadat hij heeft vernomen over zijn recht op tegenonderzoek aan de opsporingsambtenaar te kennen te geven, dat hij van het recht op tegenonderzoek gebruik maakt. Ook dient direct bloed van de verdachte te worden afgenomen. Daarmee wordt bedoeld dat er geen uren of dagen over heen mogen gaan. De bloedafname moet binnen redelijke termijn plaatsvinden want verdachte mag niet onnodig van zijn vrijheid worden beroofd, Ook is het van belang te zorgen dat de hoeveelheid alcohol in het bloed zich laat vergelijken met het ademanalyseresultaat. Let op! De verdachte moet uitdrukkelijk kenbaar maken dat hij van zijn recht gebruik maakt. Wanneer verdachte uitdrukkelijk afziet van het recht op tegenonderzoek dient dit eveneens in het proces-verbaal te worden vermeld. De bloedafname geschiedt voor rekening van de verdachte. Wanneer verdachte die kosten niet aan de politie betaalt, kan geen bloedafname ten behoeve van tegenonderzoek plaatsvinden. Bloedonderzoek.

Er is sprake van een bloedonderzoek:

  • wanneer de ademanalyse om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is,

  • wanneer de medewerking niet heeft geleid tot een voltooid onderzoek, als gevolg van onvermogen van verdachte, technische gebreken of verkeerde bediening van het ademanalyseapparaat,

  • bij een vermoeden dat de verdachte onder invloed is van andere stoffen zoals drugs en medicijnen naast alcohol.

• Toestemming vragen

De opsporingsambtenaar vraagt verdachte om toestemming tot het verrichtten van een bloedonderzoek. Daarbij kan de verdachte geen voorwaarden aan die toestemming verbinden (HR 5 januari 1982, VR 1982, 47). Denk bij voorwaarden aan: alleen een eigen huisarts, alleen na overleg met cardioloog, venapunctie alleen in been, maar niet in arm etc. Die toestemming heeft ook betrekking op een eventuele tweede venapunctie door een andere arts of verpleegkundige (HR 3 maart 1987, NJ 1987, 774).

• Bevel medewerking bloedonderzoek; geen bijzondere geneeskundige reden; geen urineonderzoek

Wanneer de verdachte geen toestemming verleent tot bloedonderzoek volgt een bevel medewerking bloedonderzoek door een OvJ, een Hovj of een andere bevoegde politieambtenaar (politieambtenaar in schaal 8 of hoger). Het bevel brengt een verplichting tot medewerking mee. Het is niet langer mogelijk om een beroep te doen op bijzondere geneeskundige redenen en ook is als alternatief niet langer een urineonderzoek mogelijk. Volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Medisch Genootschap (NMG) zijn geen aandoeningen bekend waarbij bloedafname bij een verdachte niet mogelijk of onverantwoord is, maar waarbij betrokkene wel een voertuig kan rijden en mag rijden. Medische bezwaren die de verdachte aanvoert tegen een bloedafname zijn om die reden niet meer door de arts of verpleegkundige te honoreren. Een arts kan echter wel oordelen dat om gezondheidsredenen van de verdachte, die tevens slachtoffer is bij een verkeersongeval (tijdelijk) geen bloed kan worden afgenomen. Indien daarvan sprake is dient de opsporingsambtenaar daarover een verklaring van de arts in het proces-verbaal op te nemen, inhoudende de reden voor het niet afnemen van bloed. Indien bloed om gezondheidsredenen na 1,5 uur wordt afgenomen is de analyse van het bloed op de aanwezigheid van drugs niet mogelijk, maar op de aanwezigheid van alcohol wel. Dat verschil is verklaarbaar. Het NFI kan namelijk alcoholgebruik anders dan drugsgebruik wel terugrekenen tot het moment van afname van het bloed.

• Medewerkingsplicht

De verdachte moet meewerken om de voor het onderzoek vereiste hoeveelheid bloed te verkrijgen. Wanneer hij tijdens de bloedafname zijn arm wegtrekt weigert hij medewerking. (HR 2 juli 1990 VR 1991, 7)

• Strikte waarborgen bij bloedafname

Indien een of meer strikte waarborgen niet zijn nageleefd, is geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 eerste lid, tweede lid onderdeel b, derde lid onderdeel b of vijfde lid WVW 1994 en mag het resultaat van het bloedonderzoek niet voor het bewijs worden gebruikt. Vrijspraak kan dan het gevolg zijn. Art 359a Sv is niet van toepassing (HR 22 mei 2012, NJ 2012, 350 en HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 486). In die situatie moet worden beoordeeld of toch proces-verbaal terzake artikel 8, lid 1 WVW1994 mogelijk is.

Art. 12 v/h Besluit: venapunctie door arts of verpleegkundige. Twee buisjes bloed tenzij uit medisch oogpunt met een buisje moet worden volstaan of uit medisch oogpunt (i.v.m. ziekenhuisopname) via een infuus bloed bij verdachte wordt afgenomen. De hoeveelheid bloed is in de MR geregeld.

Art. 13 v/h Besluit: bij de bloedafname is een opsporingsambtenaar aanwezig

Art. 12 derde lid v/h Besluit: Bij een verdenking ter zake gebruik van drugs en/of geneesmiddelen dient het bloed te worden afgenomen, uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd tot medewerking aan een voorlopig onderzoek of indien die vordering niet is gedaan binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Afwijking van de termijn is mogelijk vanwege bijzonder omstandigheden. Voorts is de termijn van 1,5 uur niet van toepassing bij een verdenking ter zake het uitsluitend rijden onder invloed van alcohol. Dan geldt geen fatale termijn, maar een redelijke termijn.

Art. 13 eerste lid onder a, c en d v/h Besluit: Van de bloedafname maakt de opsporingsambtenaar een proces-verbaal op, met daarin voorgeschreven gegevens die de identiteit van degene van wie het bloed is afgenomen buiten twijfel stellen. Ook voorziet de opsporingsambtenaar elk van de twee afgenomen buisjesbloed van een SIN. Tot slot verstuurt hij e.e.a. naar het laboratorium in de voorgeschreven verpakking voorzien van een fraudebestendige sluiting.

Artikel 13 tweede lid v/h Besluit: De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname op diens recht op tegenonderzoek zodra het verslag van het NFI bevestigt dat sprake is van en strafbare hoeveelheid drugs en/of alcohol in het bloed.

B. De opsporing van drugs in het wegverkeer

Hierbij kunnen zich de volgende acht situaties voordoen:

1. Het voorlopig ademonderzoek op alcohol is positief => ademanalyse volgt

De ademtester geeft een P/A- A of F aanduiding bij beginnende bestuurders alleen A-aanduiding of F-aanduiding bij ervaren bestuurders. Dan volgt gewoonlijk de ademanalyse, tenzij al direct duidelijk is dat naast alcohol ook andere stoffen zijn gebruikt In dat laatste geval volgt i.v.m. een vermoeden van drugsgebruik in beginsel eerst de speekseltest eventueel de pmt als de speekseltest niet positief selecteert, maar wel is waargenomen dat vermoedelijk drugs zijn gebruikten vervolgens het bloedonderzoek i.v.m. een verdenking voor zowel alcohol als drugs.

Indien de ademtester niet voorhanden is of dienst weigert, is als voorlopig onderzoek ook de pmt mogelijk. Bij een positieve pmt voor alcohol kan, hetzij een bloedonderzoek, hetzij de ademanalyse volgen. Dat laatste is het geval indien de pmt niet tevens positief is voor drugsgebruik. Anders volgt een bloedonderzoek.

2. Het voorlopig ademonderzoek op alcohol is negatief => vooronderzoek speeksel kan volgen

Na een negatieve selectie op alcohol kan het speekselonderzoek volgen. In deze situatie ontbreekt een vermoeden van alcoholgebruik. De bestuurder kan op grond van de controlebevoegdheid uit artikel 160, vijfde lid WVW 1994 gevorderd worden om medewerking te verlenen aan een speekseltest.

3. Het voorlopig onderzoek op speeksel is positief => bloedonderzoek kan volgen

Wanneer uit de speekseltest volgt dat andere stoffen zijn gebruikt, volgt bloedafname. In deze situatie geeft de tester immers aan dat één van de door middel van de speekseltester te testen stoffen is gebruikt. Om voor dat gebruik bewijs te verkrijgen volgt afname van bloed, gevolgd door de analyse van het bloed door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

4. Het voorlopig onderzoek op speeksel is negatief => de pmt kan volgen voor alcohol, mits daarvoor voldoende aanwijzingen bestaan

Wanneer de uitslag van de speekseltest negatief is en overigens bij de bestuurder geen kenmerken waar te nemen zijn die duiden op gebruik van drugs of medicijnen, kan de bestuurder diens weg vervolgen en volgt geen proces-verbaal voor drugs of medicijngebruik, tenzij de pmt op alcohol wel positief was. In dat geval volgt het ademanalyseonderzoek.

Wanneer de verdachte ondanks de negatieve uitslag op de speekseltest toch verschijnselen heeft die duiden op mogelijk gebruik van drugs of geneesmiddelen waarop de speekseltester niet test volgt de pmt. Na een positieve pmt, volgt het bloedonderzoek.

5. De pmt is negatief => geen verdenking

Wanneer de pmt negatief is en de bestuurder geen kenmerken heeft die duiden op gebruik van alcohol kan betrokkene zijn weg vervolgen, omdat geen verdenking bestaat.

6. De pmt is positief => wel verdenking

Wanneer de pmt duidt op gebruik van stoffen en mogelijk ook alcohol, volgt een bloedonderzoek. Het is dan van belang dat de kenmerken die duiden op verdenking van dat gebruik minutieus worden gerelateerd in het proces-verbaal dan wel in een bijlage die deel uitmaakt van het proces-verbaal.

7. Geen medewerking aan ademtest, speekseltest of pmt => geen verdenking

Wanneer de bestuurder geen medewerking verleent aan de voorselectie en geen aanwijzingen voor de politie bestaan om te vermoeden dat rijvaardigheid beïnvloedende middelen zijn gebruikt, volgt een WAHV beschikking.

8. Geen medewerking aan ademtest, speekseltest of pmt => wel verdenking

Wanneer de bestuurder geen medewerking verleent aan de voorselectie en er voor de politie zodanige aanwijzingen voor een verdenking bestaan dat de rijvaardigheid beïnvloedende middelen zijn gebruikt, volgt een bevel tot medewerking aan de ademanalyse of het bloedonderzoek. In dat geval dient de politie de waarnemingen, die de grondslag voor deze verdenking vormden in het proces-verbaal op te nemen. Bij niet opvolgen van dat bevel is sprake van een weigering ex artikel 160, lid 5 WVW1994 en volgt voorgeleding aan de hulp officier van justitie.

2.3. Combinatiegebruik drugs en alcohol; bloedafname.

Bij verdenking ter zake combinatiegebruik van drugs met alcohol hoeft niet langer de ademanalyse te worden ingezet als bewijs, maar kan bloed worden afgenomen voor zowel de verdenking terzake het rijden onder invloed van drugs als alcohol. Artikel 163 vierde lid WVW 1994 is in die zin aangepast. De reden daarvoor is dat bij de ademanalyse uitslag in het geval van een ervaren bestuurder bij waarden tussen 88 ug/l (Adem Alcohol Gehalte) en 220 ug/l resp. 0,2 en 0,5 promille niet duidelijk is of sprake is van een strafbare waarde. Bij voldoende bewijs voor gebruik van strafbare hoeveelheden drugs is de grenswaarde voor alcohol namelijk voor alle bestuurders 0,2 promille en niet langer 0,5 promille voor ervaren bestuurders omdat bij dit combinatiegebruik de kans op betrokkenheid bij een ongeval aanmerkelijk toeneemt en een lagere grenswaarde daarmee is te verklaren.

2.3.1. Toelichting voorlopige selectiemiddelen

Met de uitbreiding van de handhaving op het rijden onder invloed van drugs worden, zoals hierboven onder 2.1. uiteen is gezet, twee nieuwe voorlopige selectiemiddelen geïntroduceerd. Dat betreft het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties (de pmt) en de speekseltest.

Wanneer een sterke aanwijzing bestaat dat de bestuurder drugs heeft gebruikt, zoals bij opvallend afwijkend rijgedrag en a-selecte drugscontroles in het verkeer of bestuurders die aanstalten maken te gaan rijden, gebruiken de politie en de Kmar (hierna: politie) primair de voor de handhaving door de Minister van Ven J aangewezen speekseltester, omdat die tester bij positief resultaat aangeeft welke stof is aangetroffen in speeksel. Die stof wordt vermeldt op het aanvraagformulier bloedonderzoek en maakt dat het NFI adequaat kan onderzoeken of die stof in het bloed is aan te treffen. Een dergelijke aanwijzing voor een gebruikte stof is na inzet van de pmt echter niet voorhanden, reden waarom de inzet van de speekseltester prevaleert.

Speekseltest en pmt zijn niet inzetbaar in het kader van de Scheepvaartverkeerswet, Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart. In die wetten ontbreekt daarvoor anders dan voor de ademtest de grondslag.

Indien de uitslag van de speekseltester duidt op gebruik van drugs, wordt die uitslag direct aan de verdachte meegedeeld en vervolgens de verdachte gevraagd om toestemming aan een bloedonderzoek te geven. Uit artikel 163 WVW 1994 volgt echter dat het bevel tot afstaan van bloed niet kan worden gegeven aan degene die aanstalten maakte een voertuig te gaan besturen, waaronder ook wordt begrepen de op grond van artikel 168 WVW 1994 daarmee gelijk te stellen rijinstructeur of doen bestuurder. Indien de speekseltester geen indicatie geeft voor het gebruik van door die tester te detecteren drugs, maar de politie op andere wijze blijkt dat vermoedelijk andere dan de door de speekseltester te selecteren drugs zijn gebruikt, zoals bijvoorbeeld GHB of geneesmiddelen, volgt de pmt.

Wanneer een speekseltester niet voor handen is, niet meer voorradig is of betrokkene onvoldoende speeksel voor een speekselonderzoek levert, volgt evenees de pmt.

2.3.2. Aanwijzingen

Bij aanwijzingen in de zin van artikel 160, vijfde lid van de WVW 1994 moet worden gedacht aan de mededelingen door de verbalisant dat op een specifieke wijze moet worden geblazen, de mond moet worden geopend voor speekselafname, dan wel handelingen in het kader van de pmt moeten worden verricht, zoals het openen van de ogen.

Het formulier over de pmt vermeldt de diverse kenmerken om tot verdenking te komen (zie bijlage). De betrokkene zal moeten meewerken om de politie de gelegenheid te geven die kenmerken te kunnen duiden.

De wijze waarop de politie door de interpretatie van de uitgevoerde pmt tot verdenking komt, wordt in het proces-verbaal vermeld. Het pmt-formulier houdt o.a. een instructie aan de politie in over de wijze waarop tot verdenking kan worden gekomen bij drugsgebruik, alcoholgebruik of combigebruik. In de MR is e.e.a. nader uitgewerkt.

2.3.3. Verdenking en eisen aan het proces-verbaal bij een vermoeden van drugsgebruik

Bij de voorlopige selectie d.m.v. de speekseltest of de pmt is voor de bewijsvoering van belang dat voor zover van toepassing het volgende in het proces-verbaal of een daarbij behorende bijlage worden vermeld:

  • De stoffen of hoofdgroepen van stoffen waarop de speekseltest positief selecteert;

  • De uitvoering van de pmt en de analyse van de uitvoering van de test die aanleiding vormt voor verdenking ter zake artikel 8 eerste lid en/of vijfde lid van de WVW 1994;

  • De mededeling van het resultaat van het voorlopig onderzoek aan degene bij wie dat onderzoek is verricht, met vermelding daarvan in het proces-verbaal;

  • De vermelding van alle overige waargenomen aanwijzingen die duiden op gebruik van drugs en/of alcohol, e.e.a. ter ondersteuning van de verdenking;

  • De vermelding van de naam van de verbalisant die het voorlopig onderzoek uitvoerde en interpreteerde;

  • - Dagtekening en ondertekening, met vermelding van naam en functie van de verbalisant op de bijlage met resultaat van de pmt.

NB 1 Bij geen goed resultaat van het speekselonderzoek vanwege braken, kan de voorlopige selectie nog eenmaal worden verricht. Dit wordt in het proces-verbaal vermeld. Deze mogelijkheid van het andermaal mogen verrichten van het voorlopig onderzoek is ook geregeld bij de ademtest. Het betreft echter geen verplichting omdat bij bewuste en kenbare frustratie door verdachte, herhaling van het voorlopig onderzoek niet zinvol zou kunnen zijn.

NB 2 Voor drugs of geneesmiddelen die bestuurders op doktersrecept zijn voorgeschreven geldt geen uitzondering. Ook dat gebruik boven de grenswaarde is dus strafbaar.

Indien na onderzoeken met de speekseltester of de pmt geen andere aanwijzingen voor verdenking ter zake drugsgebruik bestaan, zoals opvallend afwijkend waargenomen rijgedrag kan de betrokkene zijn weg vervolgen en volgt geen proces-verbaal en doorgaans evenmin een rijverbod. Indien de speekseltest of de pmt indiceerden dat naast alcohol mogelijk ook drugs zijn gebruikt, volgt echter geen bevel medewerking aan de ademanalyse, maar een verzoek om toestemming voor het bloedonderzoek. Zie hiervoor 2.3.

De medewerking aan de ademanalyse betreft ook het meegaan naar het politiebureau of een andere plaats 1. In het tweede lid van artikel 163 WVW 1994 is immers opgenomen dat de bestuurder ook gevolg moet geven aan alle door de opsporingsambtenaar i.v.m. het onderzoek gegeven aanwijzingen. Wordt hier niet aan voldaan dan is sprake van overtreding van artikel 163, tweede lid, WVW 1994, strafbaar gesteld als misdrijf in artikel 176, derde lid, WVW 19942 (weigeren ademanalyse).

2.3.4. De aanstaltenmaker

Echter iemand die na mogelijk alcohol- of drugsgebruik aanstalten maakt om een voertuig te gaan besturen kan niet gevraagd of verplicht worden om mee te werken aan een bloedonderzoek of de ademanalyse. Wel kan de WAHV beschikking worden opgelegd bij niet meewerken aan voorlopige onderzoeken. (Feitcode K155 a tot en met c). Ook een rijverbod is mogelijk (zie 2.3.3.).

2.3.5. Vragen om toestemming voor bloedonderzoek

Indien de uitslagen van de pmt en/of de speekseltest indiceren dat één of meer drugs of geneesmiddelen bedoeld in artikel 8 eerste of vijfde lid, WVW 1994 of een combinatie van die middelen met alcohol zijn gebruikt, kan de opsporingsambtenaar op grond van artikel 163, vierde lid, WVW 1994 de verdachte vragen om toestemming tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder b of artikel 8, derde lid onder b, vijfde lid WVW 1994, het zgn. bloedonderzoek. Zie ook 2.3.

2.3.6. Geen toestemming, weigeren en een bevel bloedonderzoek

Wanneer de verdachte de i.v.m. het bloedonderzoek gevraagde toestemming niet verleent, geeft de hulpofficier van justitie of een daartoe specifiek aangewezen politieambtenaar de verdachte een bevel bloedonderzoek. Daaraan dient de verdachte gevolg te geven. Zo niet, dan is sprake van weigering van het bloedonderzoek. (artikel 163, zesde lid WVW 1994.)

2.3.7. Gezondheidsredenen

Volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Medisch Genootschap (NMG) zijn geen aandoeningen bekend waarbij bloedafname bij een verdachte niet mogelijk of onverantwoord is, maar waarbij betrokkene wel een voertuig kan rijden en mag rijden. Medische bezwaren die de verdachte aanvoert tegen een bloedafname zijn om die reden niet meer door de arts of verpleegkundige te honoreren. Een arts kan echter wel oordelen dat om gezondheidsredenen van de verdachte, die tevens slachtoffer is van een verkeersongeval (tijdelijk) geen bloed kan worden afgenomen. Indien daarvan sprake is dient de opsporingsambtenaar daarover een verklaring van de arts in het proces-verbaal op te nemen, inhoudende de reden voor het niet afnemen van bloed. Indien bloed om gezondheidsredenen na 1,5 uur wordt afgenomen is de analyse van het bloed op de aanwezigheid van drugs niet mogelijk, maar op de aanwezigheid van alcohol wel. Dat verschil is verklaarbaar. Het NFI kan namelijk alcoholgebruik anders dan drugsgebruik wel terugrekenen tot het moment van afname van het bloed.

2.3.8. Zelfstandige bevoegdheid verpleegkundige

Een daarvoor bevoegde verpleegkundige mag zonder toezicht of tussenkomst van een arts d.m.v. de venapunctie of indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, door middel van een infuus, bloed afnemen. Dit is in art 2 onder c Besluit functionele zelfstandigheid jo. art 39, eerste lid, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregeld. Een arts is eveneens bevoegd tot bloedafname.

3. Niet aanhouden, tenzij (bij alcohol)

3.1. Niet aanhouden na het voorlopig ademonderzoek

Hoofdregel is dat aanhouding van de verdachte geen voorwaarde is voor het verrichten van de ademanalyse en de overbrenging van de verdachte naar een daartoe bestemde plaats.

De verdachte is zonder meer strafbaar als hij bijvoorbeeld – door weg te lopen – weigert medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevel ex artikel 163, tweede lid, WVW 1994. Het is van belang dat de opsporingsambtenaar het bevel en de daarbij behorende aanwijzingen ondubbelzinnig in het proces-verbaal formuleert, wil een vervolging voor weigeren van de ademanalyse kansrijk zijn.

3.2. Wel aanhouden bij een verdenking voor alcoholgebruik na interpretatie van gedrag

Aanhouding van de verdachte bij een vermoeden van alcoholgebruik verdient echter wel de voorkeur in die gevallen waarbij de verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994 op interpretatie van gedrag is gebaseerd. Hierbij is het oordeel van de hulpofficier van justitie van belang ter toetsing van de vraag of inderdaad gelet op de gedane waarnemingen sprake is van voldoende verdenking. Het betreft met name de gevallen waarbij het vooronderzoek d.m.v. de ademtest niet heeft plaatsgevonden of ook na herhaling geen geldig resultaat kon worden verkregen of het vooronderzoek om andere reden niet is of kon worden verricht. In dat geval kan de pmt worden gedaan in de plaats van het voorlopig ademonderzoek.

3.3. Wel aanhouden bij fysieke tegenwerking of bij capaciteit overstijgend aanbod

Daarnaast heeft de politie de mogelijkheid voor aanhouding als verdachtes gedrag (bijv. fysieke tegenwerking) daartoe aanleiding geeft. Tot slot is aanhouding mogelijk indien op enig moment het aanbod van verdachten voor de ademanalyse of de bloedafname de verwerkingscapaciteit van de politie overstijgt of wachtrijen met oplopende wachttijden ontstaan en ordeverstoringen dreigen of ontstaan.

3.4. Wel aanhouden bij verdenking van drugsgebruik na interpretatie van gedrag of de uitslag van despeekseltest

Aanhouding van de verdachte bij een vermoeden van drugsgebruik verdient de voorkeur in die gevallen waarbij de verdenking van overtreding van artikel 8 eerste lid of vijfde lid WVW 1994 op interpretatie van gedrag is gebaseerd. Dat zal het geval zijn bij de pmt zowel in het geval van gebruik van aangewezen als niet aangewezen drugs, maar ook in het geval van een pmt bij een vermoeden van combinatiegebruik van drugs met drugs of alcohol met drugs.

Aanhouding bij een vermoeden van drugsgebruik n.a.v. de interpretatie van de uitslag van de speekseltest is eveneens aan te bevelen, omdat een positieve uitslag (een vermoeden van gebruik van een de door de speekseltester geteste stoffen) leidende tot verdenking telkens een bloedonderzoek meebrengt. Dit bloedonderzoek is voor de verdachte ingrijpend en daarom is zorgvuldige toetsing vooraf door een hulpofficier van justitie vereist.

3.5. Strafvorderlijke verplichtingen na aanhouding ex. artikel 27c, derde lid, Sv

In het geval de verdachte wel is aangehoudenzal deze ingevolge artikel 27c, derde lid, Sv, onverwijld daarna en in elk geval voorafgaand aan zijn eerste inhoudelijke verhoor schriftelijk mededeling gedaan worden van o.a.

  • het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht,

  • het recht op consultatie en vertolking en vertaling.

  • de cautie

  • recht op kennisneming processtukken

Wat betreft consultatiebijstand en bijstand bij politieverhoor wordt op deze plaats verwezen naar de informatie daarover op JKS respectievelijk KOMPOL.

4. Bloedafname en verdenking drugsgebruik; samenloop met geweld onder invloed van drugs en/of alcohol

4.1. Verplichte termijn bloedafname bij verdenking ter zake drugsgebruik: binnen 1,5 uur

Bij verdenking ter zake drugsgebruik dient een arts of verpleegkundige binnen 1,5 uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek, zoals de pmt, en de speekseltest met de venapunctie (of uit medisch oogpunt noodzakelijk, een infuus) bloed af te nemen en de voorgeschreven hoeveelheden bloed te verdelen over twee buisjes. Let op die termijn van 1,5 uur geldt dus niet voor een verdenking ter zake alcohol. Daar geldt geen uitdrukkelijke termijn. Daarentegen moet de betrokkene niet langer dan nodig worden opgehouden en geldt wel een redelijke termijn van afnemen van bloed.

Indien de vordering voorlopig onderzoek niet is gedaan begint de termijn van 1,5 uur vanaf het moment van het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vorderen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek om een arts of een verpleegkundige met de venapunctie (of uit medisch oogpunt noodzakelijk, middels een infuus) bloed af te laten nemen en de voorgeschreven hoeveelheden bloed te verdelen over in beginsel twee buisjes. Eén buisje is bestemd voor het bloedonderzoek en/of een eventueel aanvullend bloedonderzoek en het andere voor het tegenonderzoek.

4.2. Samenloop

In de praktijk doen zich situaties voor waarbij de aanpak van zowel geweld onder invloed als rijden onder invloed spelen.

Bij een gewone verkeerscontrole wordt eerst de inzet gepleegd op rijden onder invloed van alcohol d.m.v. ademtest en ademanalyse, wanneer daarbij ook blijkt dat de bestuurder wordt verdacht van een geweldsdelict onder invloed van alcohol is het resultaat van de ademanalyse bewijs in de verkeerszaak, maar in de geweldzaak een strafverhogende omstandigheid, mits in dat laatste geval betrokkene ten tijde van het geweld ook onder invloed van alcohol was en derhalve tussen het moment van staandehouding en het gewelddelict niet te veel tijd is verstreken. Verdachte moet kenbaar worden gemaakt dat de uitslag van de ademanalyse twee doelen dient. Dit laatste wordt ook in het proces-verbaal vermeld.

Wanneer echter bij die gewone controle blijkt dat zowel alcohol als drugs zijn gebruikt, wordt eerst in het kader van het verkeersdelict 2 buizen bloed van de verdachte afgenomen. Wanneer blijkt dat door de bestuurder kort te voren onder invloed van drugs ook een gewelddelict is begaan, wordt echter in het kader van de bloedproef, het bevel daartoe door de Ovj of wanneer diens komst niet kan worden afgewacht, door de Hovj gegeven. Totaal worden dan 4 = 2 x 2 buizen bloed afgenomen; twee voor geweld onder invloed en twee voor rijden onder invloed.

Buiten gewone verkeerscontroles doen zich ook bijzondere situaties voor zoals verkeersruzies met geweld of aangehouden bestuurders na een melding over geweld. In die zaken is de directe aanleiding voor de aanhouding het gepleegde geweld door de dader. Bij voldoende verdenking voor geweld onder invloed van drugs of alcohol, wordt niet eerst de ademanalyse ingezet, maar volgt direct een bevel bloedonderzoek, met afname van 4 = 2 x 2 buizen bloed. Twee buizen voor verdenking rijden onder invloed en twee buizen voor de verdenking van geweld onder invloed. Het bevel wordt door de Ovj gegeven, tenzij diens komst niet kan worden afgewacht. In dat geval is de Hovj bevoegd. Verdachte moet kenbaar worden gemaakt dat de buizen bloed twee doelen dienen. E.e.a. wordt in het proces-verbaal vermeld.

4.3. Eén buisje bloed uit medisch oogpunt toegestaan

Uit medisch oogpunt is het toegestaan om met één buisje bloed van de verdachte te volstaan. In dat geval dient de verklaring voor gebruik van één buisje bloed die de arts of de verpleegkundige aan de politie geeft in het proces-verbaal te worden vermeld. Bij één buisje bloed streeft de onderzoeker van het bloed er naar dat na het onderzoek nog voldoende bloed overblijft voor het tegenonderzoek.

4.4. Fatale termijn van 1,5 uur

Indien de termijn van 1,5 uur wordt overschreden volgt in beginsel geen proces-verbaal voor rijden onder invloed van drugs, maar volgt heenzending van de verdachte. In de toelichting op het Besluit staat: ‘’ Na die termijn mag geen bloed meer worden afgenomen en gaat hij vrijuit’. Daarop gelden de hierna onder 4.5 vermelde uitzonderingen.

De politie dient met artsen en verpleegkundigen vooraf afspraken te maken over aanrijtijden, inzet en vergoedingen. Deze afspraken bevatten in ieder geval de garantie dat bij een verdenking ter zake drugsgebruik bloedafname binnen 1,5 uur plaats zal vinden. Zie voor de looptijd van die termijn hierboven bij 4.1.

4.5. Afwijken van de termijn van 1,5 uur om bijzondere omstandigheden

Een bijzondere omstandigheid waarbij wel na 1,5 uur bloed kan worden afgenomen is de situatie waarbij i.v.m. de gezondheid van de verdachte (na een ongeval!) door een arts was besloten om tijdelijk geen bloed af te nemen. In dat geval is van belang om duidelijk in het proces-verbaal te relateren wanneer en waarom bloedafname later plaatsvond onder vermelding van het tijdstip van dat besluit, het moment van afname van het bloed, alsmede de naam van de arts. Bij de aanvraag van het bloedonderzoek aan het NFI dient dit latere tijdstip tevens duidelijk te worden vermeld.

Indien de verdachte actief de bloedafname vertraagt en /of de overschrijding of een dreigende overschrijding van de termijn samenhangt met de vertragende opstelling van de verdachte, volgt een proces-verbaal wegens weigeren bloedproef. Ook dan dient nauwgezet in het proces-verbaal te worden gerelateerd welke gedrag door verdachte aanleiding vormde voor termijnoverschrijding.

4.6. Waarborgen authenticiteit van het bloed en voorkomen van verwisselingen van identiteit en onderzoeksvragen

De opsporingsambtenaar is verplicht aanwezig bij de afname van het bloed en dat geldt ook voor bloedafname ten behoeve van het tegenonderzoek. Die ambtenaar dient ook het afgenomen bloed administratief te koppelen aan de persoon van wie het is afgenomen. Daarom dient telkens proces-verbaal te worden opgemaakt, voorzien van sporenidentificatienummer (hierna: SIN) met bijbehorende barcode, naam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, geboorteland en burgerservicenummer (BSN) van de verdachte van wie bloed is afgenomen. Ook worden de buisjes bloed voorzien van een SIN en ten spoedigste daarna verpakt en met fraudebestendige verzegeling naar het onderzoekslaboratorium gezonden. Indien twijfels over de identiteit van de verdachte bestaan, kunnen op grond van artikel 55c, derde lid Sv, foto’s of vingerafdrukken worden genomen. Wanneer de politie bij een bloedonderzoek particuliere laboratoria inzet, die niet zijn belast met de toepassing van strafrecht geldt de procedure van artikel 27b, eerste tot en met derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

De politieorganisatie draagt zorg voor betaling van de vergoeding aan de arts of verpleegkundige die bloed heeft afgenomen. De kosten voor het tegenonderzoek komen voor rekening van de verdachte zelf.

• Formuleren onderzoeksvraag en bloedblok NFI

De opsporingsambtenaar formuleert de onderzoeksvraag aan het NFI door gebruik te maken van het formulier aanvraag bloedonderzoek. Dat betreft een onderzoek naar de aanwezigheid van alcohol of aangewezen drugs. Let op de bijzondere situatie van samenloop met geweld. In dat geval formuleert nl de Ovj of de Hovj die het bevel heeft gegeven de onderzoeksvraag (art. 15, eerste lid Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers)

Een zgn. aanvullend bloedonderzoek wordt aangevraagd door de hulpofficier van justitie en betreft het uitgebreide onderzoek naar de niet aangewezen stoffen. Dat onderzoek kan zowel een eerste onderzoek naar die stoffen zijn als een onderzoek dat volgt op een bloedonderzoek.

Een eerste onderzoek, wanneer de hulpofficier van justitie op grond van het opsporingsonderzoek oordeelt dat reden bestaat om een breed onderzoek naar stoffen door het NFI te doen. Bijvoorbeeld als uit de verklaring van verdachte of getuigen volgt dat vermoedelijk niet aangewezen stoffen zijn gebruikt.

Een tweede onderzoek in aanvulling op het primaire bloedonderzoek, zodra de Hovj tijdens het opsporingsonderzoek uit aanwijzingen is gebleken dat door de verdachte mogelijk nog niet eerder onderzochte stoffen (drugs, of medicijnen) zijn gebruikt.

De onderzoeksopdracht wordt met het bloedblok inhoudende de twee bloedbuisjes (tenzij uit medisch oogpunt met één buisje is volstaan) met de wettelijke minimale hoeveelheid afgenomen bloed, behoorlijk verpakt en verzegeld, voorzien van SIN- stickers terstond naar het NFI of een ander geaccrediteerd laboratorium in de zin van artikel 14 van het Besluit verzonden.

Indien met het oog op het promillage ex artikel 164, tweede lid WVW1994 een rijbewijs is ingevorderd dient e.e.a. op het formulier bloedonderzoek te worden vermeld, omdat de 10 dagen termijn, waarbinnen het OM ex art. 164, lid 6 WVW1994 dient te beslissen tot inhouding dan wel teruggave van het rijbewijs onverkort geldt. Het NFI zorgt dan voor een versnelde analyse van het bloed.

Indien de verdachte voorafgaand aan de bloedafname niet in staat was zijn wil kenbaar te maken en daarom vervangende toestemming is verleend ex artikel 163, zevende lid WVW1994, dient de politie te bewaken dat de verdachte achteraf alsnog om toestemming wordt gevraagd. Pas nadat de verdachte toestemming heeft verleend wordt de opdracht met het bloed van verdachte aan het NFI gestuurd.

Voor verzending dient het afgenomen bloed altijd in de daarvoor voorgeschreven verpakking te worden verpakt. Het laboratorium dient het onderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed te verrichten. Het schriftelijke verslag van het resultaat van het bloedonderzoek wordt z.s.m. aan de politie gestuurd. De uitslag wordt door de politie binnen één week na ontvangst van het verslag schriftelijk aan verdachte gestuurd, met vermelding van de mogelijkheid van tegenonderzoek indien de uitslag van het onderzoek positief is. Vermelding van die mogelijkheid hoeft niet te gebeuren als het bloedonderzoek een tegenonderzoek is dat na een positief resultaat van een ademonderzoek heeft plaatsgevonden.

Ook de bloeduitslagen n.a.v. het aanvullende onderzoek worden door de politie binnen een week na ontvangst van de onderzoeksrapportage van het NFI schriftelijk aan de verdachte ter kennis gebracht, met vermelding van de mogelijkheid van tegenonderzoek. In het geval van een aanvullend onderzoek kan die kennisgeving ook worden gedaan door een ander dan de hulpofficier van justitie.

• Welke laboratoria?

Als laboratorium komen alleen in aanmerking door de Raad van Accreditatie geaccrediteerde laboratoria dan wel daarmee vergelijkbare laboratoria in het buitenland. Die laboratoria verrichten bloedonderzoek volgens NEN-EN ISO/IEC 17 025. Het moet bovendien gaan om laboratoria die een geldige accreditatie bezitten. Een accreditatie is vier jaar geldig. Wanneer die niet is verlengd, is ingetrokken of is geschorst, kan een onderzoek niet aan een dergelijk laboratorium worden verzocht.

• Het onderzoekslaboratorium

Het laboratorium aan wie een verzoek is gericht legt na ontvangst van het verzoek en de buis of buisjes bloed een register aan. Daarin worden de volgende gegevens genoteerd zoals: datum ontvangst v/d buisjes, SIN, naam, geslacht, geboortedatum, BSN, alsmede de naam van de opdrachtgever tot het bloedonderzoek.

• Termijn onderzoek laboratorium

Het laboratorium dient binnen twee weken na ontvangst van de bloedbuizen, het bloedonderzoek te verrichten. In het geval van een aanvullend bloedonderzoek dient het onderzoek niet binnen twee weken, maar binnen vier weken na ontvangst van het bloed te worden verricht of 6 weken wanneer wegens bijzondere omstandigheden de termijn van vier weken in redelijkheid niet haalbaar zou zijn. Van het resultaat van het onderzoek wordt een verslag opgemaakt in de Nederlandse taal, tenzij het een onderzoek door een buitenlands laboratorium betreft. In dat geval volgt een verslag in de Engelse taal. Het verslag bevat o.a. het volgende: naam, geslacht, geboortedatum, BSN, SIN, methode van onderzoek en het resultaat van het bloedonderzoek. Het verslag van het onderzoek wordt z.s.m. aan de verzoeker van het bloedonderzoek teruggestuurd nadat het onderzoek is verricht.

• Kennisgeving en termijn van uitslag aan verdachte

Nadat de opsporingsambtenaar het verslag over de uitslag van het bloedonderzoek heeft ontvangen, dient hij de uitslag binnen 1 week schriftelijk ter kennis te brengen aan de verdachte en tevens daarbij de verdachte op diens recht op tegenonderzoek te wijzen, tenzij het al een uitslag van een tegenonderzoek betreft, n.a.v. het ademanalyse onderzoek. E.e.a. onder vermelding van het SIN. Bij een aanvullend onderzoek is de kennisgeving aan de verdachte ook mogelijk door een andere opsporingsambtenaar dan de hulpofficier.

5. Het verhoor

A. Na ademanalyse

Het verhoor wordt afgenomen na voltooiing van de ademanalyse en niet tijdens de 20 minuten wachttijd voorafgaand aan de ademanalyse. Het bevel medewerking heeft namelijk betrekking op de ademanalyse en eindigt wanneer die is voltooid en de uitslag is meegedeeld. Daarna kan worden verhoord.

Voor het overige dient hierbij rekening te worden gehouden met de aanwijzing politieverhoor en de mogelijkheid van consultatiebijstand en de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor.

B. Na vermoedelijk drugsgebruik

In het geval van verdenking ter zake gebruik van drugs op grond van een positieve uitslag van de speekseltest, wordt de verdachte die uitslag meegedeeld en vraagt de politie de verdachte om toestemming tot bloedonderzoek.

In het geval de verdenking voor drugsgebruik ontstaat na de pmt of in het geval na de voorlopige onderzoeken ter zake combinatiegebruik van drugs met alcohol verdenking is ontstaan, wordt de verdachte eerst de mededeling omtrent de uitslag (en) bericht en volgen daarna aanhouding, voorgeleiding en inhoudelijk verhoor.

6. Recht op tegenonderzoek

Tijdens de bloedafname wordt de verdachte uitdrukkelijk erop gewezen dat hij recht op tegenonderzoek heeft indien het laboratoriumverslag van het bloedonderzoek dan wel het aanvullend onderzoek later bevestigt dat de verdachte een strafbare hoeveelheid van een stof of combinatie van stoffen in zijn bloed had. In het geval van de ademanalyse wordt de verdachte direct nadat aan hem het ademanalyseresultaat is bericht geïnformeerd over het recht op tegenonderzoek. In het van de verklaring van de verdachte opgemaakte proces-verbaal wordt over de gedane mededeling over het recht op tegenonderzoek melding gemaakt. Tevens ondertekent de verdachte die verklaring en wordt deze op het bureau van politie bewaard.

Tegenonderzoek

In het Besluit is het tegenonderzoek nader uitgewerkt. Een essentieel verschil met het voormalige tegenonderzoek, betreft dat de verdachte geheel zelfstandig gebruik dient te maken van het recht op tegenonderzoek en niet meer kan volstaan met een verzoek daartoe dat hij richt aan het OM. Verdachte krijgt zelf de regie tot het instellen en betalen van het tegenonderzoek. Voorts kent het tegenonderzoek een aantal fatale termijnen waaraan de verdachte zich dient te houden wat betreft het instellen van het recht op tegenonderzoek. Hieronder wordt op de regeling tegenonderzoek ingegaan en een onderscheid gemaakt wat betreft tegenonderzoek tegen de uitslag van de ademanalyse en tegenonderzoek tegen het bloedonderzoek. Voorts wordt ingegaan op de specifieke regels waaraan laboratoria zich hebben te houden.

A. Tegenonderzoek na ademonderzoek.

(artikel 11 tweede lid van het Besluit)

• Mededeling uitslag en recht op tegenonderzoek

De opsporingsambtenaar dient de strafbare waarde van de uitslag van het ademonderzoek direct aan de verdachte mee te delen en wijst hem tevens op het recht op tegenonderzoek.

• Tegenonderzoek d.m.v. bloedafname

Dat tegenonderzoek geschiedt door een bloedonderzoek, waarvan de bloedafname voor rekening komt van de verdachte zelf. Dat onderzoek zal niet eerder plaatsvinden dan nadat de verdachte het daarvoor bij de MR vastgesteld bedrag aan de politie heeft betaald.

• Ophouden verdachte

Verdachte dient zich daartoe op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen ruimte, e.e.a. ter voorkoming van beïnvloeding van het onderzoek/tegenonderzoek

• Afstand

Wanneer de verdachte afziet van de mogelijkheid tot tegenonderzoek dient de politie e.e.a. uitdrukkelijk in het proces-verbaal op te nemen.

• Bloedafname

Een arts of verpleegkundige neemt met de venapunctie bloed af, tenzij dat uit medisch oogpunt niet verantwoord is. In dat geval volgt afname van bloed d.m.v. een infuus. Bij bloedafname wordt telkens twee buisjes bloed afgenomen. Wanneer afname van de hoeveelheid bloed voor twee buisjes om medische reden niet verantwoord is, kan met één buisje bloed worden volstaan.

De termijn van 1,5 uur start vanaf het tijdstip waarop de verdachte is gevorderd tot medewerking aan een voorlopig onderzoek of indien die vordering niet is gedaan binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek.

• Aanwezigheid opsporingsambtenaar

Bij de bloedafname door een arts of verpleegkundige dient een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn, die daarvan een proces-verbaal opmaakt (zie 4.6). Ook kan de arts of verpleegkundige worden gevraagd om een schriftelijke verklaring betreffende de waarnemingen ten aanzien van de verdachte, zoals kenmerken die duiden op het gebruik van geneesmiddelen of drugs. E.e.a. wordt als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd.

De opsporingsambtenaar plakt op elk vol bloed buisje een zelfde SIN- sticker.

De opsporingsambtenaar verpakt het buisje of de buisjes bloed in de voorgeschreven verpakking en sluit deze af met fraudebestendige sluitzegels. Voorts zorgt de opsporingsambtenaar voor bezorging bij het laboratorium dat het onderzoek uitvoert.

B. Tegenonderzoek na bloedonderzoek

• Het laboratorium van het tegenonderzoek

De verdachte dient het verzoek om tegenonderzoek te richtten aan een laboratorium van tegenonderzoek onder vermelding van naam, geslacht, geboortedatum, BSN alsmede SIN.

Bovendien vervalt het recht op tegenonderzoek indien de verdachte niet binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving omtrent de uitslag van het bloedonderzoek de kosten van het bloedonderzoek heeft betaald aan het laboratorium dat het tegenonderzoek verricht.

De verdachte kan het bedrag van kosten van het tegenonderzoek terugkrijgen uit de Rijkskas indien uit het resultaat van het tegenonderzoek niet blijkt van een strafbare waarde in diens bloedMaar dat geldt bijvoorbeeld niet indien later blijkt dat het laboratorium het tegenonderzoek bijvoorbeeld met een methode heeft uitgevoerd die niet aan de bij de MR gestelde eisen voldoet of. Dat geldt bijvoorbeeld ook indien door tijdsverloop rekenkundig te verklaren is waarom het alcoholpromillage in het bloed van de verdachte bij het tegenonderzoek lager uitvalt dan bij het primaire onderzoek.

Het laboratorium dat het primaire onderzoek verrichtte dient het bloed alsmede het verslag van het onderzoek door te sturen aan het laboratorium van het tegenonderzoek.

Het laboratorium van het tegenonderzoek legt eveneens een registratie aan en dient eveneens binnen twee weken nadat het buisje is ontvangen het onderzoek te verrichten. Het laboratorium van het tegenonderzoek stuurt na het tegenonderzoek het restant van het bloed met de bloedbuis terug aan het primaire onderzoekslaboratorium.

Het primaire laboratorium vernietigt het bloed binnen een half jaar na datering van het verslag van het primaire onderzoek. E.e.a. indien het resultaat van het onderzoek negatief is. Het afschrift van het verslag wordt door het laboratorium vernietigd een half jaar na datering van het verslag indien e.e.a. het vermoeden niet bevestigd dat sprake is van een strafbare hoeveelheid van die stof in het bloed. Indien het verslag dat vermoeden wel bevestigt, vernietigt het laboratorium dat verslag niet eerder dan na verloop van vijf jaar na de datum van dagtekening daarvan. Het laboratorium van het tegen onderzoek stuurt het verslag van het tegenonderzoek door naar de verdachte.

Het primaire laboratorium van onderzoek houdt aantekening van iedere vernietiging.

Echter het tegenonderzoek wordt niet verricht dan nadat de verdachte een bij MR vastgesteld bedrag heeft betaald aan het laboratorium van tegenonderzoek.

Indien een laboratorium zijn werkzaamheden beëindigt, draagt dat laboratorium verslagen, bestanden en gegevens over aan het NFI.

7. Rijverbod; geen invordering van het rijbewijs, tenzij

Direct na het verhoor wordt aan de bestuurder een beschikking met het rijverbod uitgereikt Indien bloed is afgenomen na verdenking van strafbaar gebruik van zowel alcohol, drugs als een combinatie van die stoffen wordt in de beschikking rijverbod verwezen naar het recht op tegenonderzoek.

In de WVW 1994 is geen strafrechtelijke grond opgenomen om bij overschrijdingen van de grenswaarden voor drugs al dan in combinatie met een of meer andere drugs of met alcohol, in het verkeer een rijbewijs in te vorderen. De wetenschap is namelijk nog niet zover dat kan worden aangegeven vanaf welke grenswaarde per drug of combinatie van drugs met drugs of drugs met alcohol, de rijvaardigheid zodanig in gevaar is dat het rijbewijs moet worden ingevorderd en ingehouden.

Wanneer daarentegen uit de ademtest blijkt dat een verdachte ervaren bestuurder een waarde F (= fault) blaast en daarnaast een vermoeden van drugsgebruik bestaat, is het rijbewijs enkel op grond van het ernstige vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed (artikel 164 tweede lid WVW 1994) in te vorderen. Het is dan gewenst dat ook de overige omstandigheden die aanleiding vormden tot de verdenking zoals bloeddoorlopen ogen, dubbele tong, onzekere gang etc. in het proces-verbaal worden vermeld.

Is verdachte beginnend bestuurder, dan is een ernstig vermoeden van meer dan 350 µg/l nodig en moet in elk geval één van de volgende (combinaties van) kenmerken naar voren komen:

  • F-indicatie

  • A-indicatie + slingerend rijgedrag

  • A-indicatie + 2 kenmerken van de Trias alcoholica

Onder ‘slingerend rijgedrag’ wordt mede verstaan het zonder verkeersnoodzaak aanmerkelijk langzamer rijden dan de maximumsnelheid en/of het zonder verkeersnoodzaak veelvuldig remmen.

‘Trias alcoholica’ is aanwezig bij drie van de volgende vier kenmerken: Adem riekt naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank, spraak met dubbele tong, onvast ter been en bloeddoorlopen ogen.

Ook is denkbaar dat na mogelijk gebruik van drugs al dan niet in combinatie met alcohol in het geval van de de situatie waarin de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht (artikel 164, derde lid WVW 1994) en sprake is van verkeersfeiten met een zwaarwegend gevaar zettend karakter/geconcretiseerde ernstige gevaarzetting, het rijbewijs wordt ingevorderd.

Let op! Indien uit de uitslag van het NFI blijkt dat in het geval van combinatiegebruik van drugs met alcohol het alcoholgehalte meer dan 0,8 promille bedraagt dient het rijbewijs te worden ingevorderd. De invordering van het rijbewijs beperkt zich niet tot het moment direct na de staandehouding, maar is ook later mogelijk. Zeker in het geval van een ongeval en een verdenking ter zake artikel 6 WVW 1994 dient te worden voorkomen dat bij dit combigebruik van drugs en alcohol, slachtoffers van het ongeval of hun nabestaanden verdachten nog zien rijden omdat het rijbewijs van de verdachte niet is ingevorderd. Uitreiking van de uitslag van de bloedanalyse en gelijktijdige vordering tot overgifte van het rijbewijs prevaleren dan derde lid WVW 1994.

In het geval de ademanalyse-uitslag reden is voor het opleggen van een rijverbod (een beschikking in de zin van de Awb) zal de opsporingsambtenaar de duur daarvan moeten bepalen aan de hand van een door de politieorganisatie daarvoor vastgestelde tabel. In het geval van een verdenking ter zake van enkelvoudig drugsgebruik dan wel een combinatie van drugs en andere drugs of drugs en alcohol is de duur van het rijverbod gemaximeerd op 24 uur. Welke duur in dat geval het meest passend is, is voorbehouden aan de opsporingsambtenaar. Daarbij wordt ingeschat hoe lang die toestand van niet voldoende rijvaardigheid duurt. Betrokkene heeft de mogelijkheid van administratief bezwaar en beroep tegen het rijverbod, alsmede de duur daarvan. (zie ook 2.3.3).

8. Weigering ademanalyse/bloedproef

Indien de opsporingsambtenaar een bevel tot medewerking aan de ademanalyse geeft of de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een aangewezen ambtenaar van politie een bevel bloedonderzoek geeft waaraan de verdachte geen gevolg geeft, volgt aanhouding en voorgeleiding en wordt proces-verbaal voor weigering van de ademanalyse respectievelijk het bloedonderzoek opgemaakt, alsmede een inhoudelijk verhoor dat wordt voorafgegaan door een mededeling door de opsporingsambtenaar omtrent o.a. het consultatierecht en bijstand bij het politieverhoor(zie daarvoor de aanwijzing politieverhoor).

Indien de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd kunnen twee situaties worden onderscheiden:

• Weigering ademanalyse/bloedonderzoek i.v.m. alcohol

Alvorens pv op te maken voor weigering moet er voldoende verdenking zijn om het bevel tot medewerking aan de ademanalyse of het bloedonderzoek te geven.

Bij een A of F als resultaat op het voorlopig ademonderzoek (dan wel een P/A, A of F bij een BB-er), is sprake van voldoende verdenking.

Dat geldt ook wanneer er geen voorlopig ademonderzoek is verricht en de politie ademalcohol ruikt of voor het stopteken slingerend rijgedrag constateerde en verder is voldaan aan de zogenaamde trias alcoholica kenmerken, zoals praten met dikke tong, bloed doorlopen ogen en een onzekere gang.

Het enkele feit dat de betrokkene bij een controle niet heeft meegewerkt aan het voorlopig (adem)onderzoek is onvoldoende voor die verdenking (dit levert een muldergedraging op (feitcodes K155 a t/m c)).

Bij een weigering van het bloedonderzoek ter zake alcohol volgt invordering van het rijbewijs. Weliswaar is de weigering geen afzonderlijke inhoudingsgrond, maar is inhouding van het rijbewijs toch mogelijk bij recidivegevaar, wanneer de ademtest een F- indicatie geeft dan wel een ernstig vermoeden bestaat dat het AAG hoger is dan 570 ug/l respectievelijk 350 ug/l.

• Weigering bloedonderzoek i.v.m. drugs of andere stoffen

Evenals bij alcoholgebruik in het verkeer, moet, voordat proces-verbaal kan worden opgemaakt voor weigering van het bloedonderzoek, sprake zijn van voldoende verdenking om het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek te kunnen geven.

Daarvoor is de positieve uitslag van de speekseltest bepalend dan wel van belang dat het formulier ter zake de waarnemingen omtrent de pmt goed en volledig wordt ingevuld en in het pv wordt opgenomen dat aan de hand van de toelichting daarop wordt gecontroleerd of de interpretatie van het gedrag zodanig is dat sprake is van verdenking. Tussen ervaren en beginnende bestuurders wordt -anders dan bij alcohol- geen onderscheid gemaakt. 0,2 BAG geldt generiek voor alle bestuurders in het geval van combinatiegebruik met drugs en alcohol.

Bij een weigering van het bloedonderzoek i.v.m. drugs- of combinatiegebruik van drugs met alcohol, volgt invordering van het rijbewijs, maar weigering vormt geen zelfstandige inhoudingsgrond. Wanneer bij de ademtest een F is geblazen (zie hierboven) dan wel een ernstig vermoeden bestaat dat het AAG hoger is dan 570 ug/l respectievelijk 350 ug/l of sprake is van recidivegevaar is inhouding wel mogelijk.

Het enkele feit dat de betrokkene bij een controle niet heeft meegewerkt aan het voorlopig speekselonderzoek of het pmt, is onvoldoende voor verdenking (dit levert een muldergedraging op K 155 a t/m c). Wanneer is geconstateerd dat opvallend afwijkend is gereden (verschillen in snelheid, langzaam rijden, slingeren) en de verdachte in het bezit is, of ruikt naar en verklaart over gebruik van verdovende middelen, zijn ook deze gegevens van belang voor de verdenking.

9. Handhaving beginnende bestuurders en afleesindicatie ademtester

De door de politie gebruikte ademtesters zijn voorzien van een afleesindicatie voor beginnende bestuurders tussen 88 ug/l of 0,2promille en 220 ug/l of 0,5 promille. Voor de ervaren bestuurders geldt een afleesindicatie vanaf 0,5 promille en hoger. De afleesindicatie is niet numeriek, maar voorzien van de volgende indicaties:

  • P + pass.

  • A/P staat voor alert bij BB en pass bij ervaren bestuurders en duidt bij eventueel combinatiegebruik met drugs op een strafbare verdenking ter zake alcoholgebruik boven de wettelijke limiet van 0,2 promille of 88 ug/l;

  • A staat voor alert bij alle bestuurders;

  • F staat voor fail bij alle bestuurders.

De politie maakt alleen gebruik van numerieke afleesindicaties, op grond van een ontheffing voor wetenschappelijk onderzoek door de SWOV. In dat geval is wel een numerieke afleesindicatie toegestaan. Als hiervan sprake is, dan moet dit in het proces-verbaal worden vermeld.

De opsporingsambtenaar zal alvorens proces-verbaal te kunnen opmaken, zich altijd vooraf moeten vergewissen van de status van de bestuurder. Is sprake van een beginnende bestuurder en een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist? Als het rijbewijs wel is vereist, maar niet kan worden getoond, zal de opsporingsambtenaar het rijbewijzenregister kunnen raadplegen om duidelijkheid te krijgen over de vraag of sprake is van een beginnende bestuurder. In het rijbewijzenregister is vanaf 1 juni 1986 de historische datum van eerste afgifte geregistreerd. In het rijbewijzenregister is voor de opsporingsambtenaar tevens zichtbaar of sprake is van andere maatregelen op het rijbewijs, zoals een ontzegging van de rijbevoegdheid.

10. Overgangsrecht

Deze instructie is geldig met ingang van de datum van inwerkingtreding.

Bijlage PMT-formulier

Bijlage 259205.png
  • ^ [1]

    Conclusie AG Fokkens onder 8 H.R. 3.7.2001, LJN: ZD2847; Zie ook HR 12 september 2006, 564, LJN AV6178.

  • ^ [2]

    Dit artikel kan als een lex specialis worden gezien ten opzichte van artikel 184Sr. Weliswaar bevat art. 176, derde lid (jo art 163, tweede lid) WVW 1994 niet het bestanddeel opzet, maar dit wordt wel geïmpliceerd. (HR 13-3-2007, NJ 2007m 166, LJN AZ6664)