Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling vaststelling regels betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp verwarmingstoestellen

Geldend van 01-10-2017 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 augustus 2017, nr. IENM/BSK-2017/28365, houdende regels betreffende de eisen inzake ecologisch ontwerp van verwarmingstoestellen

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, handelende in overeenstemming met de Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op Richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels (PbEG 1992, L167), Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L239) en de artikelen 9.4.4, eerste lid, 9.4.5, eerste lid en 11a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aangemelde instantie: conformiteitsbeoordelingsinstantie waaraan ter krachtens artikel 2 een erkenning is verleend en die overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn 92/42/EEG bij de Europese Commissie is aangemeld;

  • accreditatie: accreditatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van verordening (EG) Nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L218;

  • conformiteitsbeoordelingsinstantie: instantie die een EU-typeonderzoek verricht en verklaring van EU-typeonderzoek afgeeft;

  • erkenning: erkenning als bedoeld in artikel 11a.2, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer;

  • EU-typeonderzoek: onderzoek of een representatief exemplaar van een type verwarmingstoestel dat valt binnen het toepassingbereik van richtlijn 92/42/EEG, voldoet aan de op grond van verordening (EU)813/2013 voor dat type verwarmingstoestellen geldende eisen inzake ecologisch ontwerp;

  • fabrikant: fabrikant van een verwarmingstoestel of zijn in de Europese Unie gevestigde gemachtigde;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • richtlijn 92/42/EEG: de artikelen 7, tweede lid, en 8 van richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende de rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale-verwarmingsketels (PbEG 1992, L167), en de bij deze artikelen behorende bijlagen III, IV en V, en de voor de toepassing van de genoemde artikelen en bijlagen relevante andere artikelen van de genoemde richtlijn, zoals die richtlijn luidde onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van die andere artikelen als gevolg van de inwerkingtreding van verordening (EU)813/2013;

  • verklaring van EU-typeonderzoek: op grond van een EU-typeonderzoek afgegeven verklaring dat een representatief exemplaar van een type verwarmingstoestel dat valt binnen het toepassingsbereik van richtlijn 92/42/EEG, voldoet aan de op grond van verordening (EU)813/2013 voor dat type verwarmingstoestellen geldende eisen inzake ecologisch ontwerp;

  • verordening (EU)813/2013: verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L239).

Artikel 2

  • 1 Alvorens de CE-markering en de conformiteitsverklaring overeenkomstig artikel 9.4.5, tweede lid, eerste volzin, van de Wet milieubeheer worden aangebracht op onderscheidenlijk bijgevoegd bij in serie geproduceerde centrale-verwarmingsketels die vallen binnen het toepassingsbereik van richtlijn 92/42/EEG, toont de fabrikant de overeenstemming van de ketels met de eisen inzake ecologisch ontwerp die voor de desbetreffende categorie van ketels gelden op grond van verordening (EU)813/2008, aan door:

    • a. een rendementsonderzoek van een standaardketel van het desbetreffende type centrale-verwarmingsketels die door de aangemelde instantie wordt verricht volgens module B als beschreven in bijlage III bij de richtlijn, en

    • b. een verklaring van overeenstemming van de in serie geproduceerde ketels met het goedgekeurde type volgens module C, D of E als beschreven in bijlage IV bij de richtlijn.

  • 2 Een conformiteitsbeoordeling als bedoeld in het eerste lid, van het rendement van een gasgestookte ketel wordt verricht met toepassing van de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming van een dergelijke ketel met de veiligheidsvoorschriften voor gastoestellen die zijn voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, van het Besluit gastoestellen.

Artikel 3

  • 1 De minister kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een conformiteitsbeoordelingsinstantie voor het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid.

  • 2 Een erkenning kan worden verleend voor de volgende werkzaamheden:

    • a. het verrichten van EU-typeonderzoek en het verstrekken van verklaringen van EU-typeonderzoek overeenkomstig de procedure die is beschreven in bijlage III bij richtlijn 92/42/EEG;

    • b. het verrichten van de overige werkzaamheden die voor een aangemelde instantie voortvloeien uit de bijlagen III en IV bij richtlijn 92/42/EEG;

    • c. het verrichten van de controles en beoordelingen, bedoeld in bijlage IV bij richtlijn 92/42/EEG.

  • 3 Een erkenning wordt uitsluitend verleend indien een instantie voldoet aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in bijlage V bij richtlijn 92/42/EEG.

  • 4 Een krachtens het eerste lid verleende erkenning is gebaseerd op een accreditatie die aan de verzoeker is verleend voor het uitvoeren van de in het tweede lid omschreven werkzaamheden waarvoor een erkenning is aangevraagd.

  • 5 Een krachtens het eerste lid erkende instantie verricht alle werkzaamheden waarvoor de erkenning is verleend, naar behoren en voldoet daarbij aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit artikel 7, tweede lid, van richtlijn 92/42/EEG en de bijlagen III, IV en V bij die richtlijn.

  • 6 Het is verboden een werkzaamheid als omschreven in het tweede lid, uit te voeren zonder dat daarvoor wordt beschikt over een krachtens het eerste lid verleende erkenning.

Artikel 4

  • 1 Een aanvraag om een erkenning wordt ingediend bij de minister.

  • 2 Bij de aanvraag wordt ten minste de volgende informatie verstrekt:

    • a. de naam en de vestigingsplaats van de verzoeker;

    • b. de werkzaamheden waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • c. de accreditatie die voor de werkzaamheden aan de verzoeker is verleend.

Artikel 5

  • 1 De minister beslist binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2 Een erkenning wordt niet verleend indien de aanvrager in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert.

  • 4 De minister meldt de erkende instantie overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn 92/42/EEG aan bij de Europese Commissie.

Artikel 6

  • 1 Een erkenning vermeldt ten minste de naam en de vestigingsplaats van de erkende instantie en de werkzaamheden waarvoor de erkenning is verleend.

  • 2 Een erkenning geldt voor onbepaalde tijd.

  • 3 De minister maakt het besluit in de Staatscourant bekend.

Artikel 7

  • 1 Een erkenning wordt gewijzigd, geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken indien:

    • a. de erkende instantie niet voldoet aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in bijlage V bij richtlijn 92/42/EEG;

    • b. de erkende instantie de werkzaamheden waarvoor de erkenning is verleend, heeft beëindigd.

  • 3 Een erkende instantie stelt de minister onverwijld in kennis van:

    • a. elke wijziging, schorsing of beëindiging van haar accreditatie;

    • b. overige omstandigheden die van invloed zijn op het voldoen aan de vereisten voor erkenning;

    • c. een voornemen tot beëindiging van de werkzaamheden waarvoor de erkenning is verleend.

Artikel 8

Kiwa Nederland B.V. is ten behoeve van het uitvoeren van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde werkzaamheden aangewezen als instantie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van richtlijn 92/42/EEG, tot een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling of het eerdere tijdstip waarop aan die instantie op grond van artikel 3, eerste lid, een erkenning is verleend.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

S.A.M. Dijksma