Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Verkeersregeling Defensie 2015

Geldend van 01-09-2017 t/m heden

Verkeersregeling Defensie 2015

De Minister van Defensie,

Gelet op artikel 44 Grondwet;

Paragraaf 1. Definities

Artikel 1

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • civiele dienstauto:

      personenauto of bestelauto, niet zijnde een taxi en niet bedoeld voor specifiek militair operationeel gebruik, met een toegestane maximum massa van hooguit 3.500 kilogram, die wordt gebruikt ten behoeve van de strijdkrachten;

    • civiel rijbewijs:

      rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • commandant:

      de commandant als bedoeld in de Regeling Aanwijzing commandanten defensie;

    • commandant operationeel commando:

      de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, ieder voor zover het hem aangaat; met commandant operationeel commando wordt gelijkgesteld de Commandant Dienstencentra, de Directeur van de Defensie Materieel Organisatie en de plaatsvervangend Secretaris Generaal van de Bestuursstaf, ieder voor zover het hem aangaat;

    • dubbele bediening:

      inrichtingen in een motorrijtuig waarmee degene die rijonderricht geeft of praktisch rijexamen afneemt vanaf zijn zitplaats op de passagiersstoel de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling doeltreffend kan bedienen;

    • militair rijbewijs:

      door de commandant van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden dan wel door een buitenlands militair bevoegd gezag afgegeven bevoegdheid tot het besturen van een militair motorrijtuig;

    • militair terrein:

      terrein dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie en niet openstaat voor openbaar verkeer; onder terrein wordt ook begrepen de daarop liggende wegen, paden, de daarin liggende bruggen en duikers, de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten, en parkeerplaatsen;

    • militair motorrijtuig:

      voertuig dat wordt gebruikt ten behoeve van de strijdkrachten, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders;

    • militair rupsvoertuig:

      militair motorrijtuig dat geheel of gedeeltelijk wordt voortbewogen op rupsbanden;

    • specifiek militair operationeel gebruik:

      het besturen van motorrijtuigen, gebruikt ten behoeve van de strijdkrachten, buiten verharde wegen en paden dan wel tijdens inzet bij vredesoperaties, crisisbeheersingsoperaties en andere internationale en/of humanitaire operaties;

    • toegestane maximum massa:

      ledige massa, vermeerderd met het maximum toegestane gewicht aan lading.

  • 2 De paragrafen 2 en 5 van deze regeling zijn niet van toepassing op het vliegveldgedeelte, de start- en rolbanen alsmede de platforms van militaire luchthavens. Aldaar is een door de commandant van het militair terrein vast te stellen vliegveldregeling van toepassing.

  • 3 De bepalingen in deze regeling over militaire motorrijtuigen gelden ook voor civiele dienstauto’s, tenzij anders staat aangegeven.

Paragraaf 2. Verkeersgedrag

Artikel 2

De Commandant der Strijdkrachten kan met inachtneming van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor militaire motorrijtuigen een lagere maximumsnelheid vaststellen.

Artikel 3a

  • 1 Het militair motorrijtuig voert tijdens het rijden dimlicht.

  • 2 Ten behoeve van specifiek militair operationeel gebruik kan de commandant vrijstelling verlenen van de verplichting, genoemd in het eerste lid.

  • 4 Aan de vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 5 De vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 3b

  • 1 De bestuurder en de passagiers van een militair motorrijtuig maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.

  • 2 In afwijking van het eerste lid behoeft tijdens opleiden en trainen buiten de weg alsmede bij daadwerkelijk operationeel optreden in het buitenland, de autogordel niet tijdens de uitoefening van de taak te worden gebruikt door:

    • a. bestuurders, commandanten en waarnemers voor zover ze herhaaldelijk moeten staan om beter zicht te hebben op verkeerssituaties;

    • b. schutters, daarbij assisterende militairen en gewondenverzorgers voor zover het gebruik van de autogordel voor hen een belemmering vormt voor de uitoefening van hun taak;

    • c. militairen die al rijdend lijnen ten behoeve van verbindingen uitleggen;

    • d. alle inzittenden tijdens het maken van een wateroversteek, het diepwaden of bij het varen met het motorrijtuig.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan bij daadwerkelijk operationeel optreden in het buitenland de commandant ter plaatse besluiten dat de beschikbare autogordel niet behoeft te worden gebruikt indien het motorrijtuig wordt beschoten of daarvoor reële dreiging bestaat.

Artikel 4

  • 1 De bestuurder van een militair motorrijtuig roept bij het achteruit rijden de hulp in van een gids, tenzij:

    • a. de weg achter het motorrijtuig voor de bestuurder duidelijk en volledig is te overzien; of

    • b. er niemand aanwezig is om hulp te verlenen; of

    • c. op het militair motorrijtuig een achteruitrijbeveiliging is aangebracht.

  • 2 Degene die in dienst is van of werkzaam is bij het Ministerie van Defensie, geeft gevolg aan het verzoek van de bestuurder om als gids behulpzaam te zijn.

  • 3 Het gidsen geschiedt met tekens die voor beide partijen duidelijk zijn.

  • 4 In elk militair motorrijtuig is op het dashboard of op een andere voor de bestuurder goed waarneembare plaats, de sticker ‘Bij achteruitrijden GIDSEN’ aangebracht, waarvan het model is opgenomen in bijlage 1.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op civiele dienstauto’s.

Artikel 5

  • 1 Het slepen van een militair motorrijtuig geschiedt door een ander militair motorrijtuig dan wel door een bergingsvoertuig, aangevraagd bij de Koninklijke Marechaussee.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de civiele dienstauto waarin het telefoonnummer van de leasemaatschappij staat vermeld.

Artikel 6

  • 1 Voor het slepen van een militair motorrijtuig gelden de volgende bijzondere veiligheidsmaatregelen:

    • a. met een militair motorrijtuig wordt niet meer dan één militair motorrijtuig gesleept;

    • b. het slepende motorrijtuig bezit voldoende vermogen;

    • c. de snelheid waarmee wordt gereden wordt aangepast aan de aard en het gewicht van het gesleepte militair motorrijtuig;

    • d. het slepen geschiedt met behulp van een triangel, een sleepkabel, een sleeptouw of sleepstang, dan wel als getakelde last;

    • e. de werking van de verlichting aan de achterzijde van het gesleepte motorrijtuig komt overeen met de voorgeschreven werking van de verlichting aan de achterzijde van het slepende motorrijtuig;

    • f. de bestuurder van het slepende motorrijtuig is te allen tijde op de hoogte van de gedragingen van het gesleepte militair motorrijtuig, hetzij door visuele hulpmiddelen, hetzij door tussenkomst van een hulpbestuurder;

    • g. het motorrijtuig dat niet standaard is ingericht voor slepen, voert alarmverlichting of is voorzien van een geel gekleurd zwaailicht.

  • 2 Een militair motorrijtuig waarvan de stuur- of reminrichting ondeugdelijk is, wordt niet op een andere manier gesleept dan als getakelde last of met een triangel.

  • 3 Indien het slepende motorrijtuig niet een voor dat doel bestemd motorrijtuig met geel zwaailicht is, wordt een op een autosnelweg defect geraakt militair motorrijtuig over die autosnelweg slechts gesleept tot aan de eerste mogelijkheid de autosnelweg te verlaten.

  • 4 Een afsleepdolly of sleepas en een zich daarop bevindend motorrijtuig worden als één motorrijtuig beschouwd; de afsleepdolly of sleepas zijn in dat geval voorzien van een reminrichting.

  • 5 Een sleepas wordt slechts gebruikt als zich daarop een motorrijtuig bevindt.

  • 6 Een voertuigen dat is voorzien van een drukluchtremsysteem wordt alleen met behulp van een sleepstang gesleept.

  • 7 Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig is aangesloten op het drukluchtremsysteem van het slepende motorrijtuig.

  • 8 Met een militair motorrijtuig wordt geen tweewielig motorrijtuig voortbewogen.

  • 9 Met een tweewielig militair motorrijtuig, een geleed motorrijtuig of een samenstel van militaire voertuigen wordt geen motorrijtuig of samenstel van voertuigen voortbewogen.

Artikel 7

  • 1 Het slepen van een militair rupsvoertuig op de autosnelweg is toegestaan tot de eerste mogelijkheid de autosnelweg te verlaten.

  • 2 Het bepaalde in artikel 6 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

    • a. het slepen uitsluitend geschiedt met behulp van een triangel; en

    • b. de bestuurder op het slepende militair motorrijtuig te allen tijde visueel contact heeft met het te slepen militair rupsvoertuig.

Artikel 8

  • 1 Bij het rijden met een militair motorrijtuig op de weg, wordt het zicht van de bestuurder op het aan het voertuig grenzende gebied uitsluitend beperkt:

  • 2 Bij een beperking van het zicht als bedoeld in het eerste lid, verschaffen de bemanningsleden aan de bestuurder de informatie die hij voor het besturen nodig heeft.

Paragraaf 3. Weggebruik

Artikel 9

  • 1 Voor verplaatsingen in of aanvangende in Nederland over de weg is voorafgaand toestemming vereist van de Commandant Landstrijdkrachten:

    • a. indien één of meer motorrijtuigen voor wat betreft lengte, breedte of hoogte niet voldoen aan het bepaalde in hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen;

    • b. in geval van een militaire colonne.

  • 2 Voor verplaatsingen over de weg in het buitenland is voorafgaand toestemming vereist van de Commandant Landstrijdkrachten, met uitzondering van verplaatsingen in missiegebieden.

  • 3 De Commandant Landstrijdkrachten beslist op het verzoek om toestemming na overleg met de Commandant Koninklijke Marechaussee.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op civiele dienstauto’s.

Artikel 10

  • 1 Verplaatsingen als bedoeld in artikel 9 worden begeleid door de Koninklijke Marechaussee.

  • 2 De Commandant Landstrijdkrachten kan in overeenstemming met de Commandant Koninklijke Marechaussee vrijstelling verlenen van de verplichting, genoemd in het eerste lid.

  • 3 Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot het type of soort motorrijtuig, het aantal motorrijtuigen, de maximumsnelheid, de te volgen route en het tijdstip van verplaatsing.

Artikel 11

  • 1 De Regionaal Militair Commandant kan in overeenstemming met de Commandant Landstrijdkrachten binnen zijn gezagsgebied het weggebruik voor het militair verkeer beperken, indien de aard van dat verkeer of de toestand van de weg daartoe aanleiding geven.

  • 2 De Regionaal Militair Commandant pleegt ter zake zo nodig overleg met de betrokken wegbeheerder, de civiele verkeersautoriteiten en de afdeling Claims van het Commando DienstenCentra.

  • 3 De Regionaal Militair Commandant draagt zorg voor de bekendmaking van de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, aan in ieder geval de Commandant Landstrijdkrachten, de betrokken Commandanten Operationeel Commando, de Commandant Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie, de wegbeheerder, de Commandant van het Landelijk Tactisch Commando Koninklijke Marechaussee en de afdeling Claims van het Commando DienstenCentra.

Artikel 12

  • 1 Degene die niet in dienst is van of werkzaam is bij het Ministerie van Defensie wordt niet vervoerd met een militair motorrijtuig, tenzij de commandant dit toestaat en

    • a. de persoon de partner is van een defensiemedewerker aan wie een dienstauto met chauffeur is toegewezen en de defensiemedewerker zich in de uitoefening van zijn functie dient te laten vergezellen door zijn partner;

    • b. de persoon op medische of sociale indicatie een defensiemedewerker vergezelt die als patiënt wordt vervoerd;

    • c. de persoon wordt vervoerd tijdens de door hem te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de strijdkrachten;

    • d. de persoon een militair is die tot een bondgenootschappelijke krijgsmacht behoort, hij in de uitoefening van zijn functie is ingedeeld bij een Defensie-eenheid en in dit kader het vervoer schriftelijk is overeengekomen; of

    • e. er sprake is van een noodgeval.

  • 2 Het aantal te vervoeren personen wordt op de rijopdracht vermeld en blijkt uit de rittenstaat.

  • 3 De rijopdracht wordt getekend door de commandant.

Paragraaf 4. Verkeersregels op militaire terreinen

Artikel 13

  • 2 Op militaire terreinen gelegen buiten Nederland is de verkeerswetgeving van het land waarin het militaire terrein is gelegen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

  • 1 De commandant van het militair terrein is bevoegd tot het plaatsen en verwijderen van borden, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, tot het plaatsen en verwijderen van onderborden en tot het plaatsen en verwijderen van de volgende verkeerstekens op het wegdek:

    • a. de aanduiding van de maximumsnelheid;

    • b. doorgetrokken strepen;

    • c. stopstrepen;

    • d. de aanduiding van fietsstroken;

    • e. voetgangersoversteekplaatsen;

    • f. haaientanden;

    • g. blokmarkeringen.

  • 2 De commandant van het militair terrein oefent de bevoegdheden uit na overleg met de commandant Landelijk Tactisch Commando van de Koninklijke Marechaussee.

Artikel 15

Bij de in- en uitgang van een militair terrein is een aanduidingsbord geplaatst, waarvan het model is opgenomen in bijlage 2.

Artikel 16

  • 1 De commandant van het militair terrein stelt de maximumsnelheid voor het militair terrein, of bepaalde gedeelten ervan, vast met dien verstande dat deze snelheid de 70 kilometer per uur niet mag overschrijden.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan ten aanzien van het militair verkeersoefenterrein van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden door de commandant van dat centrum de maximumsnelheid voor wegen met een ontsluitingsfunctie op 80 kilometer per uur worden vastgesteld.

Artikel 17

  • 1 Het is niet toegestaan te parkeren buiten de als zodanig aangeduide parkeerplaatsen.

  • 2 De commandant van het militair terrein kan hiervan ontheffing verlenen.

  • 3 Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 4 De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 18

  • 2 Aan deze vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3 De vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 19

Op militaire terreinen wordt onder alle omstandigheden vrije doorgang verleend aan getrokken of zich op eigen kracht voortbewegende luchtvaartuigen.

Artikel 20

De commandant van het militair terrein kan een persoon de toegang met een motorrijtuig tot dat militair terrein ontzeggen indien het verkeersgedrag van deze persoon daartoe aanleiding geeft.

Paragraaf 5. Registratie- en aanduidingstekens

Artikel 21

  • 1 Een militair motorrijtuig voert een militair registratieteken.

  • 3 Het registratieteken bestaat uit een combinatie van zes karakters, bestaande uit letters en cijfers die zwart en onuitwisbaar zijn aangebracht op een metalen rechthoekige plaat met een gele achtergrond.

  • 4 Het Kentekenreglement en de daarop gebaseerde regelgeving, die betrekking hebben op de afmetingen van de kentekenplaat en de kentekens, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Aan de voor- en achterzijde van het militair motorrijtuig wordt een militair registratieteken op een zodanige goed zichtbare plaats aangebracht dat het registratieteken onverminderd duidelijk leesbaar en juist te interpreteren is.

  • 6 Indien de constructie van het militair motorrijtuig de bevestiging van een registratieplaat niet toelaat, wordt het militair registratieteken op het motorrijtuig geschilderd in zwarte, onuitwisbare tekens op een gele achtergrond; dit registratieteken is onverlicht.

  • 7 Bij een militair motorrijtuig op twee wielen volstaat een militair registratieteken op de achterzijde.

  • 8 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een militaire aanhangwagen, met dien verstande dat een militair registratieteken op de achterzijde van de aanhangwagen volstaat.

  • 9 Dit artikel is niet van toepassing op civiele dienstauto’s die geen eigendom zijn van Defensie.

Artikel 22

  • 1 De Commandant Defensie Uitleen Organisatie geeft een militair registratiebewijs, waarvan het model is opgenomen in bijlage 3, af voor het militair motorrijtuig of de militaire aanhangwagen waarvoor een registratieplicht geldt.

  • 2 Het militair registratiebewijs is 145 millimeter hoog en 103 millimeter breed en vervaardigd van 240 grams natuurkarton met zwarte opdruk.

  • 3 Het militair registratiebewijs is bij uitgifte gevat in een doorschijnende plastic hoes.

Artikel 23

  • 1 De bestuurder van het militair motorrijtuig draagt het registratiebewijs, genoemd in artikel 22, bij zich en toont dit op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar of een militair van de Koninklijke Marechaussee.

  • 2 De in het eerste lid genoemde verplichtingen berusten bij de rijinstructeur of de rij-examinator gedurende de periode dat met het militair motorrijtuig rijonderricht wordt gegeven of een rijexamen wordt afgelegd.

Artikel 24

  • 1 Een militair motorrijtuig dat is voorzien van een militair registratieteken, voert een nationaliteitsteken bestaande uit de Nederlandse vlag.

  • 2 Het nationaliteitsteken wordt aangebracht linksvoor en rechtsachter op het militair motorrijtuig.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing op civiele dienstauto’s.

Artikel 25

  • 1 Een militair motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven, voert gedurende dat rijonderricht zichtbaar aan de voor- en achterzijde een fluorescerend oranje teken met daarop een zwarte letter ‘L’ of in zwarte letters het woord ‘LES’ of de op basis van artikel 8, onder c, van het Reglement rijbewijzen vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven; indien met het lesvoertuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, wordt het teken aan de voorzijde van het militair motorrijtuig en aan de achterzijde van de aanhangwagen aangebracht.

  • 2 In afwijking van het eerste lid voert een militair motorrijtuig dat behoort tot motorrijtuig categorie A, alleen aan de achterzijde een fluorescerend oranje teken met daarop een zwarte letter ‘L’.

  • 3 De hoogte en de breedte van het teken ‘L’ zijn in beginsel respectievelijk 170 millimeter en 120 millimeter.

  • 4 De hoogte en de breedte van het teken ‘LES’ zijn in beginsel respectievelijk 200 millimeter en 340 millimeter.

  • 5 De hoogte, breedte en dikte van een letter zijn in beginsel respectievelijk 101 millimeter, 52 millimeter en 16 millimeter.

Artikel 26

  • 1 Een militair motorrijtuig kan een eenheidsidentificatieteken of één of meerdere technische tekens voeren.

  • 2 Een eenheidsidentificatieteken kan bestaan uit:

    • a. het teken van het wapen, het dienstvak of de eenheid waarbij het militair motorrijtuig is ingedeeld;

    • b. een volgnummer.

  • 3 Het eenheidsidentificatieteken, genoemd in het tweede lid, onder a, wordt aangebracht rechtsvoor en linksachter op het militair motorrijtuig.

  • 4 Het eenheidsidentificatieteken, genoemd in het tweede lid, onder b, wordt aangebracht linksvoor en rechtsachter op het militair motorrijtuig.

  • 5 Technische tekens kunnen betrekking hebben op de maximale snelheid, technische eigenschappen van het motorrijtuig en de aard van de lading.

  • 6 De Commandant der Strijdkrachten kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Paragraaf 6. Rijvaardigheid en rijbevoegdheid

Artikel 27

  • 1 De bestuurder van een militair motorrijtuig is in het bezit van een geldig civiel of militair rijbewijs van de betreffende rijbewijscategorie.

  • 2 De bestuurder van een militair motorrijtuig dat specifiek militair operationeel gebruikt wordt, is in het bezit van een geldig militair rijbewijs, waarvan het model is opgenomen in bijlage 4.

  • 3 Een bevoegdheid, behaald na gevolgde verplichte bijscholing, wordt geregistreerd in het personeelssysteem en aangetekend op het eventuele militair rijbewijs.

  • 4 De bestuurder van een militair motorrijtuig toont op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar of een militair van de Koninklijke Marechaussee, de bevoegdheid tot het besturen van het militair motorrijtuig.

Artikel 28

  • 2 In het geval, genoemd in het eerste lid, onder b, is de bestuurder evenwel in het bezit van een rijbewijs categorie B en heeft hij met goed gevolg een scholing afgerond die voor het specifieke voertuig is aangewezen.

Artikel 29

  • 1 Militaire rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van militaire motorrijtuigen, in de volgende categorieën:

    • a. motorrijtuigen op twee wielen, waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 of de door de constructie bepaalde maximumsnelheid meer dan 45 kilometer per uur bedraagt, al dan niet met zijspanwagen of aanhangwagen (rijbewijscategorie A);

    • b.

      • 1. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën A of F, waarvan de toegestane maximum massa hooguit 3.500 kilogram bedraagt en dat niet is ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, exclusief de bestuurder (rijbewijscategorie B);

      • 2. motorrijtuigen genoemd onder b, onderdeel 1, waarvan de toegestane maximum massa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte bepantsering meer dan 3.500 kilogram bedraagt (rijbewijscategorie B);

      • 3. motorrijtuigen genoemd onder b, onderdeel 1 en 2, en daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa hooguit 750 kilogram bedraagt (rijbewijscategorie B);

      • 4. motorrijtuigen genoemd onder b, onderdeel 1 en daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kilogram, op voorwaarde dat de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger hooguit 3.500 kilogram bedraagt (rijbewijscategorie B);

    • c.

      • 1. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën D of F, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kilogram alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa hooguit 750 kilogram bedraagt (rijbewijscategorie C);

      • 2. motorrijtuigen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kilogram en die beurtelings kunnen worden ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen exclusief bestuurder, en voor het vervoer van goederen (rijbewijscategorie C);

    • d.

      • 1. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de categorie F, die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, exclusief bestuurder (rijbewijscategorie D);

      • 2. motorrijtuigen, genoemd onder d, onderdeel 1, die een aanhangwagen of oplegger voortbewegen, waarvan de toegestane maximum massa hooguit 750 kilogram bedraagt (rijbewijscategorie D);

    • e. motorrijtuigen van de categorie B, C of D, niet zijnde motorrijtuigen van de categorie F, voor het besturen waarvan de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere aanhangwagen of oplegger dan op grond van dat rijbewijs mag worden voortbewogen (rijbewijscategorie E);

    • f. motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens die zijn aangewezen door de Commandant der Strijdkrachten en waarvoor speciale eisen zijn gesteld in verband met de besturing of bediening (rijbewijscategorie F);

  • 2 In afwijking van het eerste lid worden militaire voertuigen van de rijbewijscategorie C die een middenas-aanhangwagen voortbewegen, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 750 kilogram maar niet meer dan 6.500 kilogram bedraagt, begrepen onder de rijbewijscategorie C indien de bevoegdheid daartoe op het militair rijbewijs is aangegeven met de aantekening ‘Cat C + MA max 6.500 kilogram’ of met de aantekening ‘Cat C + 15 kN’.

Artikel 30

  • 2 Voor toelating tot het praktische examen voor rijbewijscategorie F is een militair rijbewijs categorie B vereist.

Artikel 31

  • 1 Een militair motorrijtuig waarmee rijonderricht wordt gegeven of het praktische rijexamen wordt afgenomen, is voorzien van:

    • a. een dubbele bediening, en;

    • b. extra spiegels waarmee degene die rijonderricht geeft of het praktisch rijexamen afneemt het weggedeelte kan overzien dat links en rechts naast hem en achter hem ligt.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op een militair motorrijtuig van de rijbewijscategorie A of op door de commandant van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden aangewezen motorrijtuigen.

Artikel 32

  • 1 De Commandant der Strijdkrachten kan aan de rij-examenkandidaat voor het theoretische en praktische examen aanvullende eisen stellen.

  • 2 Deze eisen hebben onder andere betrekking op:

    • a. het behoorlijk rijden door gebaand en ongebaand terrein;

    • b. het behoorlijk rijden op visuele signalen;

    • c. het rijden bij duisternis;

    • d. kennis van voertuigadministratie.

  • 3 De aanvullende eisen worden de rij-examenkandidaat tijdig bekendgemaakt.

  • 4 Het praktisch examen voor de aantekening, genoemd in artikel 29, derde lid, wordt afgelegd met een combinatie van een motorrijtuig rijbewijscategorie C en genoemde middenas-aanhangwagen die ten minste 4,5 meter en hooguit 5 meter lang is.

Artikel 33

De rij-examenkandidaat die niet voldoet aan de basis- of aanvullende eisen, kan in de gelegenheid worden gesteld het theoretische en/of het praktische examen opnieuw af te leggen.

Artikel 34

De Commandant der Strijdkrachten kan nadere regels stellen met betrekking tot het type motorrijtuig waarvoor bijscholing moet worden gevolgd en de wijze waarop die bijscholing moet plaatsvinden.

Artikel 35

  • 1 Een militair rijbewijs wordt afgegeven aan degene die:

    • a. de vereiste rijopleiding met succes heeft afgerond;

    • b. blijk geeft van verkeersverantwoordelijk gedrag, en;

    • c. voldoet aan de gestelde lichamelijke en geestelijke eisen ten aanzien van het besturen van motorrijtuigen van de desbetreffende categorie.

  • 2 Een militair rijbewijs wordt aangevraagd met een formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage 5.

Artikel 36

  • 1 Het militair rijbewijs kan ongeldig worden verklaard indien de houder verdacht wordt van verkeersgedrag dat als onverantwoordelijk kan worden beschouwd of indien hij niet voldoet aan de lichamelijke of geestelijke eisen die gelden voor het besturen van militaire motorrijtuigen in de desbetreffende categorie.

  • 2 In afwachting van een besluit tot ongeldigverklaring kan de commandant het militaire rijbewijs innemen.

Artikel 37

  • 1 De houder levert het militaire rijbewijs door tussenkomst van zijn commandant in bij de commandant van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden indien:

    • a. de houder onvoorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd ingevolge enig onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, op de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, voor de duur van die ontzegging;

    • b. de houder onvoorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd ingevolge enig onherroepelijk geworden strafbeschikking, op de dag waarop deze onherroepelijk is geworden, voor de duur van die ontzegging;

    • c. het civiel rijbewijs van de houder op grond van artikel 130 Wegenverkeerswet 1994 is ingevorderd, voor de duur van die invordering;

    • d. het civiel rijbewijs van de houder op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 is ingevorderd, voor de duur van die invordering;

    • e. het civiel rijbewijs van de houder op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 voor één of meerdere categorieën is geschorst, voor de duur van die schorsing;

    • f. het civiel rijbewijs van de houder op grond van artikel 132, 132b of 134 van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig is verklaard, voor de duur van die ongeldigverklaring;

    • g. de aanvraag van een civiel rijbewijs, voor een categorie waarvoor de houder tevens beschikt over een militair rijbewijs, vanwege lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid niet leidt tot afgifte van een civiel rijbewijs dan wel leidt tot enige beperking van de rijbevoegdheid van de houder.

  • 2 Indien de ongeldigverklaring of schorsing van het civiel rijbewijs niet geldt voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, verstrekt de commandant van het Opleidings- en trainingscentrum Rijden de houder een nieuw militair rijbewijs waarop de nog geldige categorieën staan vermeld.

Artikel 38

De commandant van het Opleidings- en Trainingscentrum Rijden:

  • a. is namens de Minister van Defensie bevoegd tot afgifte, registratie, ongeldigverklaring, inname en vernietiging van militaire rijbewijzen;

  • b. is bevoegd tot registratie van de verklaring van rijvaardigheid in het Register Rijbewijzen van de Dienst Wegverkeer;

  • c. plaatst de aantekening op het militair rijbewijs, als bedoeld in de artikelen 27, derde lid en 29, tweede lid;

  • d. registreert de gegevens over de afgegeven militaire rijbewijzen;

  • e. registreert gegevens over beperkingen van de rijbevoegdheid die voortvloeien uit de gevallen, genoemd in artikel 37, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor een goede handhaving van deze regeling en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 39

  • 2 De registratie geeft tot 3 jaar na het moment van registratie de mogelijkheid tot verkrijging van het civiel rijbewijs van de betreffende rijbewijscategorie.

Paragraaf 7. Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 40

Registratiebewijzen en militaire rijbewijzen en daarop geplaatste aantekeningen, die voor 1 oktober 2015 zijn uitgegeven op grond van de Verkeersregeling Defensie en die op 30 september 2015 geldig zijn, behouden hun geldigheid voor de duur waarvoor zij zijn afgegeven of zoveel korter als zij worden vervangen door een nieuw militair rijbewijs dan wel ongeldig worden verklaard.

Artikel 41

De Verkeersregeling Defensie wordt ingetrokken.

Artikel 42

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2015.

Artikel 43

Deze regeling wordt aangehaald als: Verkeersregeling Defensie 2015.

Artikel 44

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 september 2015

De Minister van Defensie,

J.A. Hennis-Plasschaert

Bijlage 1. Afbeelding gidsen

Bijlage 259035.png

Bijlage 2. Aanduidingsborden

Duidelijk leesbaar bord.

De tekst geldt als voorbeeld.

Bijlage 259036.png

Wit onderbord met zwarte letters.

 
U verlaat een uitrit
 

Bijlage 3. Model militair registratiebewijs

Model militair registratiebewijs tot 1 september 2017

Bijlage 259041.png

Model militair registratiebewijs per 1 september 2017

Bijlage 259042.png

Bijlage 4. Model militair rijbewijs

Model militair rijbewijs tot 1 oktober 2014

Bijlage 259043.png

Model militair rijbewijs per 1 oktober 2014

Bijlage 259044.png
Bijlage 259045.png

Bijlage 5. Model aanvraagformulier militair rijbewijs

Model aanvraagformulier militair rijbewijs per 1 september 2017

Bijlage 259046.png
Bijlage 259047.png