Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022[Regeling vervalt per 01-09-2022.]

Geldend van 01-09-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 juli 2017, nr. HOenS/1188771 houdende voorschriften inzake stimulering open en online hoger onderwijs 2018–2022 (Regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mede namens de Minister van Economische Zaken;

  • instelling voor hoger onderwijs:
  • open online onderwijs: onderwijs dat volledig of voor een substantieel deel online plaatsvindt en waarvan in ieder geval de in het project ontwikkelde leermaterialen online beschikbaar zijn onder een open licentie die gebruik of hergebruik toestaat;

  • open leermateriaal: leermateriaal dat openbaar op een via internet toegankelijke locatie beschikbaar is onder een open licentie die gebruik of hergebruik toestaat;

  • vakcommunity: instellingsoverstijgend samenwerkingsverband, gericht op hetzelfde vakgebied, domein of discipline en met gedeelde inhoudelijke expertise;

  • tranche: aanvraagronde;

  • SURF: Coöperatie SURF U.A. waarin Nederlandse universiteiten, hogescholen, universitaire medische centra, onderzoeksinstellingen en mbo-instellingen samenwerken aan ICT-innovatie.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister kan aan instellingen voor hoger onderwijs subsidie verstrekken voor projectvoorstellen die zich richten op:

    • a. doelstelling A: binnen een door SURF voor te dragen thema ontwikkelen en gebruiken van open online onderwijs waarmee direct of indirect het onderwijs voor de studenten in geaccrediteerde opleidingen van de instelling verbeterd wordt met dien verstande dat de aanpak vernieuwend is in de context van de deelnemende instelling; of

    • b. doelstelling B: het delen, hergebruiken en zo nodig ontwikkelen of doorontwikkelen van open leermateriaal met meerdere instellingen middels samenwerking in vakcommunity’s met dien verstande dat de aanpak is gericht op voor een langere termijn gezamenlijk delen, hergebruiken en ontwikkelen of doorontwikkelen van het open leermateriaal dat wordt benut in geaccrediteerde opleidingen.

  • 2 Vóór de start van de tranche wordt op www.surf.nl het thema, bedoeld in het eerste lid onder a, bekendgemaakt.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor vijf tranches het volgende bedrag beschikbaar:

    • a. voor de eerste tranche die start in 2018 een bedrag van in totaal maximaal € 1.100.000 voor beide doelstellingen gezamenlijk; en

    • b. voor de tweede tot en met de vijfde tranches die starten in de jaren 2019 tot en met 2022 een bedrag van in totaal maximaal € 1.400.000 per tranche voor beide doelstellingen gezamenlijk.

  • 2 Voor de eerste tranche is uit het totaal beschikbare bedrag voor projecten gericht op doelstelling A, maximaal € 550.000 beschikbaar. Het resterende deel is beschikbaar voor doelstelling B. De verdeling van het budget over de doelstellingen voor de volgende jaren wordt jaarlijks tijdig bekend gemaakt op www.surf.nl. Wanneer een deel van het budget in enig jaar niet wordt uitgeput, worden de overige middelen toegevoegd aan het budget voor projecten gericht op de andere doelstelling.

  • 3 De subsidie bedraagt ten hoogste € 100.000 per subsidieaanvraag voor projecten gericht op doelstelling A. Voor projecten gericht op doelstelling B bedraagt de subsidie ten hoogste € 175.000 per subsidieaanvraag.

  • 4 Het subsidiebedrag wordt door de ontvanger aangevuld met ten minste hetzelfde bedrag aan eigen middelen.

Artikel 5. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1 De minister verdeelt het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag na onderlinge afweging van de aanvragen.

  • 2 De beoordeling door een commissie van de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF geschiedt op basis van de volgende elementen:

    • a. doel en doelgroep;

    • b. beoogd resultaat en impact op het geaccrediteerde onderwijs van de betreffende instelling of opleiding;

    • c. plan van aanpak; en

    • d. planning, kosten en organisatie.

  • 3 De in het tweede lid genoemde elementen zijn nader uitgewerkt in een format voor de beoordeling. De elementen worden gewogen en gescoord op een 10-puntschaal. In totaal kan een aanvraag maximaal 40 punten behalen. Op elk van de vier onderdelen moeten minimaal 6 punten gescoord worden om voor subsidie in aanmerking te komen.

  • 4 Het format voor de beoordeling is beschikbaar op www.surf.nl.

Artikel 6. Aanvraag van subsidie

  • 1 Voor een aanvraag van een subsidie wordt het aanvraagformulier gebruikt dat beschikbaar is op

    www.dus-i.nl.

  • 2 Aanvragen gericht op doelstelling B worden door minimaal 2 samenwerkende instellingen voor hoger onderwijs gedaan.

  • 3 Subsidieaanvragen worden jaarlijks uiterlijk op 15 december, of als deze datum in een weekend valt op de eerste daarop volgende werkdag, van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de activiteiten starten, bij de minister ingediend. Aanvragen die na deze termijn worden ingediend, worden niet in behandeling genomen.

  • 4 De aanvraag omvat een activiteitenplan en een begroting. Onverminderd artikel 3.4 en 3.5. van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bevat het activiteitenplan een beschrijving van het doel, de doelgroep, het beoogde resultaat en impact, het plan van aanpak van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, een planning en een overzicht van de projectorganisatie. De begroting wordt opgesteld per project met uitsplitsing naar deelnemende instellingen voor hoger onderwijs en bevat een overzicht van de voor het betreffende project geraamde materiële en personele inkomsten en uitgaven voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. Ten aanzien van bekostigde instellingen zijn de artikelen 3.4 tot en met 3.7 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Een project heeft een looptijd van minimaal een jaar en maximaal twee jaar, waarbij voor doelstelling A het open online onderwijs minimaal een keer wordt uitgevoerd en voor doelstelling B het ontwikkelde of hergebruikte leermateriaal minimaal een keer in het onderwijs wordt toegepast.

  • 6 De aanvraag moet voorzien zijn van een handtekening van zowel het aanvragende als het deelnemende bevoegd gezag, of van iemand die bevoegd is namens het bevoegd gezag te ondertekenen.

Artikel 7. Samenwerkende instellingen

  • 1 Indien de aanvraag in samenwerking met andere instellingen wordt gedaan, treedt één van de instellingen namens alle betrokken instellingen als contactpersoon op richting de minister en SURF. De contactpersoon dient namens de andere instellingen de subsidieaanvraag in.

  • 2 De subsidie wordt aangevraagd, verstrekt, dan wel verleend, aan en verantwoord door de instelling die als contactpersoon optreedt. Op deze instelling rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke instelling feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 3 Bij de aanvraag wordt een door alle betrokken instellingen getekende verklaring gevoegd waarin zij verklaren dat de instelling die als contactpersoon optreedt gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de als contactpersoon optredende instelling van de besteding van de subsidie, op verzoek aan deze instelling worden verstrekt.

Artikel 8. Advisering en besluit

  • 1 De minister wint ten behoeve van de subsidieverstrekking advies in van SURF. SURF kan de minister ook adviseren over de intrekking of wijziging van de subsidie.

  • 2 SURF legt de aanvragen voor aan een commissie onder verantwoordelijkheid van de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF.

  • 3 Subsidieaanvragers ontvangen een conceptadvies van de betreffende commissie van de Wetenschappelijk Technische Raad van SURF en worden in de gelegenheid gesteld om het conceptadvies op feitelijke onjuistheden en omissies te controleren voordat dit advies definitief wordt vastgesteld.

  • 4 SURF adviseert de minister jaarlijks op uiterlijk 18 maart van het jaar waarin de subsidie wordt verstrekt, dan wel verleend.

  • 5 De minister beslist jaarlijks uiterlijk op 1 mei van het jaar waarin de subsidie wordt verstrekt, dan wel verleend.

  • 6 De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op de aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.

Artikel 9. Subsidie aan bekostigde instellingen

  • 1 Voor zover het betreft subsidie aan bekostigde instellingen stelt de minister de subsidie direct vast.

  • 2 Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 3 De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Voor zover het subsidie van € 25.000 of meer betreft, geschiedt de verantwoording van de subsidie met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 4 De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

  • 5 De minister betaalt het subsidiebedrag ineens.

Artikel 10. Subsidie aan niet bekostigde instellingen

Voor zover het betreft subsidie aan niet bekostigde instellingen, wordt de subsidie uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend, en

  • a. betaalt de minister het subsidiebedrag ineens voor zover het een subsidie tot € 25.000 betreft,

  • b. verleent de minister een voorschot van 100 procent en betaalt de minister het subsidiebedrag per kwartaal voor zover het een subsidie van € 25.000 tot en met € 175.000 betreft.

  • c. de verantwoording van de subsidie geschiedt conform de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 11. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2017.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 september 2022 met dien verstande dat deze van toepassing blijft voor zover het betreft besluiten die vóór de vervaldatum zijn genomen.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker