Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Wpg-machtigingsbesluit persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme

Geldend van 21-07-2017 t/m heden

Besluit ingevolge artikel 18, tweede lid, Wet politiegegevens van de Minister van Veiligheid en Justitie, kenmerk 2097800 van 10 juli 2017 houdende toestemming aan de korpschef van de politie tot het verstrekken van politiegegevens aan het College van burgemeester en wethouders ten behoeve van de persoonsgerichte aanpak ter voorkoming van radicalisering en extremisme

De Minister van Veiligheid en Justitie

Gelet op artikel 18, tweede lid, van de Wet politiegegevens;

Overwegende dat:

het (mondiale) jihadisme een substantiële en langdurige bedreiging vormt voor de internationale veiligheid en stabiliteit en voor de veiligheid van Nederland;

deze ontwikkelingen leiden tot een dreiging tegen de democratische rechtsorde waardoor de kans dat in Nederland een aanslag wordt gepleegd al enige tijd substantieel is;

de overheid vanuit verschillende taken en verantwoordelijkheden de opgave heeft om deze dreiging te beperken en te keren;

daartoe een nationaal beleid van terrorisme en extremisme is ontwikkeld;

een multidisciplinair casusoverleg op gemeentelijk niveau onderdeel is van dit nationale beleid;

een multidisciplinair casusoverleg bestaat uit een vertegenwoordiging van de politie, het openbaar ministerie, de gemeente, de Raad voor de Kinderbescherming, Stichting Reclassering Nederland, alsmede van lokale veiligheids- en zorginstanties;

het multidisciplinaire casusoverleg een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van deze veiligheids- en zorginstanties en gericht is op het voorkomen van radicalisering en op de-radicalisering van diegenen die er reeds extremistische denkbeelden op nahouden;

deelnemers aan het multidisciplinaire casusoverleg persoonsgegevens uitwisselen voor zover dat noodzakelijk is voor het gezamenlijk inschatten van de risico’s die van een bepaald persoon uitgaan en ten behoeve van het opstellen van een persoonsgerichte aanpak bestaande uit effectieve maatregelen;

voor de uitwisseling van persoonsgegevens in het multidisciplinair casusoverleg op landelijk niveau een modelconvenant en procesbeschrijving zijn opgesteld waarin het doel van de samenwerking, de taken en bevoegdheden van de betrokken partijen alsmede de grondslag voor en de wijze waarop persoonsgegevens in het samenwerkingsverband zullen worden verwerkt inclusief de waarborgen ten aanzien van de gegevensbescherming nader zijn uitgewerkt;

een weegploeg, bestaande uit vertegenwoordigers van de politie, het openbaar ministerie en de gemeente, een voorbereidend onderdeel is van de werkwijze van het multidisciplinair casusoverleg;

die weegploeg op basis van een analyse van signalen beoordeelt of voor een bepaald persoon een persoonsgerichte, integrale benadering noodzakelijk is, en indien dat het geval is, welke partijen in het multidisciplinaire casusoverleg daarbij vervolgens betrokken dienen te worden;

de deelnemers aan de weegploeg voor een goede analyse en beoordeling moeten kunnen beschikken over relevante politiegegevens;

de korpschef op grond van artikel 16 Wet politiegegevens gegevens verstrekt aan leden van het openbaar ministerie voor zo ver zij deze behoeven in verband met hun gezag of zeggenschap over de politie en voor de uitvoering van andere hun bij of krachtens de wet opgedragen taken en aan de burgemeester voor zover hij deze behoeft in verband met zijn gezag en zeggenschap over de politie en in het kader van de handhaving van de openbare orde;

de korpschef op grond van artikel 20 Wet politiegegevens en met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden en beperkingen, kan beslissen om politiegegevens, die worden verwerkt op grond van artikel 8 en 13 van de Wet politiegegevens, te verstrekken aan de gemeente als deelnemer aan de weegploeg;

het met het oog op het beperken en keren van de bedreiging van de democratische rechtsorde als gevolg van terrorisme en extremisme noodzakelijk is om in die analyse en beoordeling ook politiegegevens te betrekken die worden verwerkt op grond van artikel 9 en 10, eerste lid onder a en c Wet politiegegevens;

de grondslag voor de verstrekking van deze politiegegevens aan het College van burgemeester en wethouders voor dit doel op dit moment ontbreekt;

de korpschef op grond van deze machtiging toestemming heeft om, in die gemeenten waarin een multidisciplinair casusoverleg wordt gevoerd op grond van een convenant naar het model zoals opgenomen in de bijlage, politiegegevens, die worden verwerkt op grond van artikel 9 en 10, eerste lid onder a en c Wet politiegegevens, te verstrekken aan het College van burgemeester en wethouders voor de in artikel 1, eerste lid van deze machtiging genoemde doelstellingen.

Besluit:

Artikel 1. (doel en verstrekkingsgrondslag)

  • 1 De verstrekking van politiegegevens op grond van deze machtiging heeft tot doel:

    • a. het reduceren van de risico’s van radicalisering, extremisme, het uitreizen naar en de terugkeer uit jihadistisch strijdgebied voor de samenleving;

    • b. het bieden van zorg aan subjecten die betrokken zijn bij radicalisering, extremisme, het uitreizen naar en de terugkeer uit jihadistisch strijdgebied; en

    • c. het reduceren van de risico’s voor de ontwikkeling van minderjarigen door radicalisering, extremisme, het uitreizen naar en de terugkeer uit jihadistisch strijdgebied.

  • 2 Aan de korpschef wordt toestemming verleend om, voor zover dat noodzakelijk is voor de in het eerste lid omschreven doeleinden, politiegegevens, die op grond van artikel 9 en 10, eerste lid, onder a en c Wet politiegegevens worden verwerkt, te verstrekken aan het College van burgemeester en wethouders.

  • 3 De verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens vindt slechts plaats indien een convenant is afgesloten tussen betrokken partijen naar het model zoals opgenomen in de bijlage.

Artikel 2. (voorwaarden voor verstrekking)

De verstrekking van de in artikel 1, tweede lid bedoelde gegevens vindt slechts plaats indien;

  • a. het opsporingsbelang zich hier niet tegen verzet; en

  • b. het College van burgemeester en wethouders afdoende maatregelen hebben getroffen die waarborgen dat de op grond van deze machtiging verstrekte gegevens uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt en niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor het doel van de verwerking; en

  • c. na overleg met de betreffende bevoegd functionaris zoals bedoeld in artikel 2:10 Besluit politiegegevens en het openbaar ministerie.

Artikel 3

Dit besluit wordt in de Staatscourant geplaatst en treedt in werking met ingang van de dag na datum uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en vervalt op de dag dat in het Besluit politiegegevens in deze verstrekking van politiegegevens wordt voorzien.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Wpg-machtigingsbesluit persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme.

’s-Gravenhage, 10 juli 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie,

S.A. Blok

Convenant Persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme

Dreiging

Het (mondiale) jihadisme vormt een substantiële en langdurige bedreiging voor de internationale veiligheid en stabiliteit en voor de veiligheid van Nederland. Het ontstaan van de Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS) en het uitroepen van ‘het kalifaat’ vormt een destabiliserende factor, zowel op lokaal, nationaal als mondiaal niveau. Deze internationale ontwikkelingen hebben hun weerslag op Nederland. Enerzijds doordat uit Nederland afkomstige jihadisten aansluiting zoeken bij internationale terroristische organisaties, anderzijds doordat aanhangers van het jihadisme zich ook in ons land openlijk manifesteren. In Nederland is de jihadistische beweging een kleine, maar gevaarlijke groepering die geweld legitimeert en propageert als middel om haar doelen te realiseren. Recente aanslagen, waaronder die in België, Turkije, Frankrijk en Duitsland, tonen het gebruik van geweld door extremisten op westers grondgebied.

De als gevolg van de oorlog in Syrië ontstane grootschalige asielstroom richting West­Europa wakkert ook in Nederland een heftig maatschappelijk debat aan over de opvang van vluchtelingen, (gebrek aan) invloed op de besluitvorming en gevoelens van onveiligheid en van tweedeling in de maatschappij. Deze polarisatie kan een voedingsbodem zijn voor radicalisering en kan de weer­ baarheid van individuele personen sterk beïnvloeden. Ook kunnen links­ en rechts­extremistische groeperingen in reactie hierop extra in beweging komen.

Deze ontwikkelingen leiden tot een dreiging tegen de democratische rechtsorde die verschillende vormen aanneemt. Reeds enige tijd is de kans dat in Nederland een aanslag wordt gepleegd substantieel1 De druk op de open en vrije samenleving neemt toe door de groeiende invloed van personen en organisaties die aanzetten tot afzondering, onverdraagzaamheid en soms zelfs tot haat en daarmee de vrijheid en ontwikkeling van anderen proberen in te perken. De burger staat hierbij in meerdere opzichten centraal, want uiteindelijk zijn het burgers die zich bedreigd voelen of een bedreiging vormen, polariseren of samenbrengen, kwetsbaar of weerbaar blijken en dader of slachtoffer kunnen zijn.

Taken en verantwoordelijkheden

De overheid, in de breedste zin des woords, staat vanuit verschillende taken en verantwoordelijkheden voor de uitdaging om deze dreiging te beperken en te keren. Zo heeft de overheid een taak in het maatschappelijk debat en de inrichting van de samenleving, heeft zij mede een belangrijke taak in de participatie en de ondersteuning van hulpbehoeftigen in de samenleving en heeft zij mede een taak ten aanzien van de psychosociale zorg en de ontwikkeling van personen.

Ook is zij verantwoordelijk voor de integriteit van overheidsinstituties, de handhaving van de rechtsorde en de veiligheid.

De overheid bestaat uit verschillende organen en instanties, met eigen taken en verantwoordelijkheden:

  • Het bestuur en de volksvertegenwoordiging geven, met journalisten, wetenschappers en opiniemakers, richting aan het maatschappelijk debat door de gemeenschappelijke normen en waarden actief uit te dragen, door de grenzen aan te geven waarbinnen dat debat kan plaatsvinden, door het debat te faciliteren en erop toe te zien dat iedereen in vrijheid daaraan kan deelnemen.

  • De gemeente (het college van burgemeester en wethouders) heeft als kerntaken onder meer burgerzaken, milieu, zorg en welzijn, veiligheid en openbare orde, werk en inkomen, jeugd en onderwijs en infrastructuur. De gemeente speelt een belangrijke rol bij de participatie van zorgbehoeftigen, onder andere gehandicapten, ouderen, werklozen, jeugdigen en asielzoekers of vreemdelingen met een verblijfvergunning. Zij speelt onder meer een rol bij de basisbehoeften en faciliteren een basisniveau op het gebied van wonen, inkomen, onderwijs, cultuur en sport. Op deze manier kunnen mensen zich ontwikkelen en meedoen in de samenleving.

  • De burgemeester, de politie en het Openbaar Ministerie hebben de taak om te zorgen voor een zo veilig mogelijke leefomgeving. Van personen van wie aanleiding is te veronderstellen dat zij een gevaar vormen voor de veiligheid, wordt een inschatting gemaakt van de aard en omvang van die dreiging. Daders van strafbare feiten worden waar mogelijke en opportuun opgespoord en vervolgd en de openbare orde wordt gehandhaafd.

  • De Raad voor de Kinderbescherming heeft tot taak om te komen tot een onbedreigd ontwikkelingsperspectief voor het kind. Hoewel ouders het recht én de plicht hebben om hun kinderen op te voeden, komt de ontwikkeling van een kind soms ernstig in gevaar doordat ouders hun verantwoordelijkheid niet kunnen nemen of doordat vrijwillige hulp stagneert of onmogelijk is.

    In dat geval moet de overheid ingrijpen. Het belang van het kind staat immers voorop.

  • De Reclasseringsinstellingen hebben tot taak bij te dragen aan de veiligheid van de samenleving door het beheersen van risico’s en veroordeelden of verdachten te stimuleren zijn of haar gedrag te veranderen. Op die manier werken zij aan het voorkomen van criminaliteit en het terugdringen van recidive. De reclasseringsinstellingen begeleiden de uitvoering van straffen en maatregelen en ander beslissingen van justitiële instanties.

De overheid staat bij het realiseren van deze taken niet alleen.

Aan het daadwerkelijk omarmen van het gewelddadige gedachtengoed gaat een proces van radicalisering vooraf, dat niet altijd op eenduidige wijze verloopt. Van personen die zich vanuit hun diepste overtuiging afkeren van onze democratische rechtsorde kan slechts tot een optimale aanpak worden gekomen als de overheid, dat wil zeggen al die verschillende organen en instanties, vanuit hun eigen taak en verantwoordelijkheid, als één geheel werkt aan de oplossing van de bredere problematiek en samenwerkt met andere maatschappelijke instellingen die hierbij een rol kunnen spelen. In deze gevallen is het geheel meer dan de som der delen. Het kan hierbij gaan om instellingen van maatschappelijk werk, instellingen voor de geestelijke gezondheidszorg, stichtingen voor reclassering, (jeugd)zorgaanbieders en gecertificeerde (jeugd)hulpinstellingen. Zo kunnen instellingen voor de geestelijke gezondheidszorg personen met een psychiatrische aandoening helpen zoveel mogelijk de regie over hun eigen leven te houden, hen helpen om hun rol in de samenleving weer op te pakken en met hen werken aan ontwikkeling of herstel van de zelfstandigheid.

Deze verschillende taken en verantwoordelijkheden vormen, samen met onze fundamentele normen en waarden, een belangrijk deel van de fundering van de democratische rechtsorde waarop onze samenleving is gebaseerd. Dat het fundament van onze open en vrije samenleving door extremistische en / of terroristische groeperingen wordt bedreigd brengt mee dat een gemeenschappelijke en integrale aanpak op persoonsniveau noodzakelijk is.

Verdediging en versterking rechtsorde

In de Nationale Contraterrorismestrategie is de inzet van het kabinet en de lokale partners voor de komende jaren weergegeven. Onderdeel van de nationale aanpak van terrorisme en extremisme is een multidisciplinair casusoverleg in alle betrokken gemeenten, dat is gericht op het voorkomen van radicalisering en op deradicalisering van diegenen die er reeds extremistische denkbeelden op nahouden. Deze multidisciplinaire aanpak is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de lokale veiligheids­ en zorginstanties. Waar dit voor de casuïstiek noodzakelijk is, werken de betrokken landelijke en lokale partijen intensief samen in een casusoverleg. Vanuit hun eigen rol en gelet op hun eigen taak en verantwoordelijkheid, dragen deze organisaties bij aan de verdediging en versterking van de democratische rechtsorde. Doel van dit samen­ werkingsverband is daarmee de risico’s voor de samenleving die uitgaan van radicalisering, extremisme, uitreizen of terugkeer te reduceren en zorg te bieden aan subjecten, waaronder minderjarigen. De deelnemende partijen wisselen waar nodig en mogelijk informatie uit, schatten het risico in dat van een persoon uitgaat en stellen aan de hand daarvan een persoonsgericht pakket met effectieve maatregelen samen. Het betreft hier maatregelen en/of interventies die door het bestuur, de strafrechtelijke instanties of door maatschappelijke instellingen kunnen worden getroffen.

Er is geen standaard aanpak mogelijk gebleken ten aanzien van personen die gevoelig zijn voor extremistisch gedachtengoed. Uit wetenschappelijk onderzoek naar radicalisering en uit de ervarings­ praktijk blijkt dat er geen eenduidig profiel van ‘de jihadist’ of ‘de terrorist’ bestaat. Telkens spelen diverse (sociale, economische, culturele) factoren op meerdere niveaus een rol in processen van radicalisering. Een eenduidige verklaring bestaat dan ook niet. Ook is bekend dat risicogedrag niet alleen verband houdt met ideologische overtuiging. Dat betekent dat telkens, in elke casus, zorgvuldig gekeken moet worden naar de achterliggende oorzaken van risicogedrag. Vanuit dat inzicht in achterliggende oorzaken zal vervolgens, in iedere casus, bezien moeten worden welke aanpak en interventies nodig zijn. Dat vergt een persoonsgerichte aanpak en vereist nauwe samenwerking tussen en inzet van verschillende instanties en disciplines: van veiligheid tot specialistische zorg. Op basis van de specifieke omstandigheden van het geval wordt per casus op grond van een referentiekader met objectieve criteria beoordeeld of een persoonsgerichte, integrale benadering van het subject noodzakelijk is. Indien dit het geval is, wordt voor elke casus beoordeeld welke organen of instanties een taak hebben en betrokken dienen te worden bij de aanpak, en door welk organen of instanties derhalve relevante gegevens, waaronder ook persoonsgegevens, verwerkt moeten worden. Het is van belang dat deze gegevensverwerking rechtmatig en zorgvuldig geschiedt en dat geheimhouding van de persoonsgegevens die de partners aan elkaar verstrekken wordt gegarandeerd. Dit wordt met de navolgende afspraken beoogd.

Partijen:

Kernpartijen

  • a. De gemeente, te dezen vertegenwoordigd door

  • b. het Openbaar Ministerie, het College van procureurs­generaal, te dezen vertegenwoordigd door

  • c. de korpschef van politie, te dezen vertegenwoordigd door

Casuspartijen

  • d. De Raad voor de Kinderbescherming, te dezen vertegenwoordigd door

  • e. De Reclassering Nederland, te dezen vertegenwoordigd door

Overwegende dat:

  • partijen, gelet op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van het reduceren van risico’s verbonden aan radicalisering, extremisme, uitreizen, of terugkeer en het bieden van zorg aan subjecten hebben besloten tot de instelling van een samenwerkingsverband, daarbij gebruik makend van hun wettelijke taken en bevoegdheden;

  • in het samenwerkingsverband de bij de casuïstiek betrokken partijen in gezamenlijkheid komen tot de vaststelling van een integraal plan van aanpak ten aanzien van extremisten, geradicaliseerde personen of personen die dreigen te radicaliseren (zoals uitreizigers of potentiele uitreizigers en terugkeerders) onverlet reeds bestaande zorgkaders en / of andere samenwerkingsvormen die naast het casusoverleg bestaan;

  • partijen het noodzakelijk achten dat de werkzaamheden van de betrokken partijen voor de uitvoering van het integraal plan van aanpak op doelmatige en effectieve wijze op elkaar aansluiten;

  • voor de totstandkoming en uitvoering van het integraal plan van aanpak het noodzakelijk en onvermijdelijk is dat partijen relevante gegevens, waaronder ook persoonsgegevens, verwerken;

  • partijen zich ervan bewust zijn dat zij bij het uitwisselen van persoonsgegevens gehouden zijn aan de op hen van toepassing zijnde wet­ en regelgeving en dat bij de uitwisseling van persoonsgegevens de persoonlijke levenssfeer van het subject dient te worden gewaarborgd;

  • de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) op dit convenant van toepassing is. De Wbp wordt als het van toepassing zijnde voorschrift vervangen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU 2016/679) bij inwerkingtreding van deze verordening.

Spreken het volgende af:

Artikel 1. definities

In aanvulling op de definities gegeven in de Wbp wordt in dit convenant verstaan onder:

  • a. achterblijver: persoon met wie een uitreiziger in gezinsverband leefde;

  • b. casusoverleg: het casusoverleg ter voorkoming van radicalisering en extremisme bestaande uit de vertegenwoordiger(s) van de betrokken partijen, en vertegenwoordigers van externe casus­ partners betrokken bij het opstellen, uitvoeren of monitoren van het integraal plan van aanpak;

  • c. externe casuspartner: een derde die noodzakelijk is bij het opstellen, uitvoeren of monitoren van het integraal plan van aanpak en die is opgenomen in bijlage 1 bij dit convenant;

  • d. extremisme: de benaming van het fenomeen waarbij personen of groepen, op buitenparlementaire wijze over de grenzen van de wet gaan en met (gewelddadige) acties politieke besluitvorming proberen te beïnvloeden;

  • e. integraal plan van aanpak: het document waarin het doel van de persoonsgerichte, integrale benadering van het subject en de hiertoe door partijen en eventueel betrokken externe casus­ partners te treffen maatregelen zijn vastgelegd;

  • f. radicalisering: Een proces van toenemende bereidheid om de uiterste consequentie uit een denkwijze te aanvaarden en die in daden om te zetten. Deze toenemende bereidheid kan leiden tot gedrag dat andere mensen diep kwetst of in hun vrijheid raakt, kan aanleiding zijn voor individuen of groepen om zich af te keren van de samenleving en kan leiden tot het gebruik van geweld;

  • g. referentiekader: Het objectieve kader waarin criteria worden gegeven om te bepalen of een persoonsgerichte, integrale benadering van het subject noodzakelijk is;

  • h. signaal: een feitelijke gedraging die ingevolge het referentiekader mogelijkerwijs duidt op radicalisering, extremisme, uitreizen, of terugkeer van een natuurlijk persoon;

  • i. subject: de betrokkene die voorwerp van bespreking is in de weegploeg of het casusoverleg;

  • j. terugkeerder: een uitreiziger die na verblijf bij een jihadistische groepering of in een jihadistisch strijdgebied terugkeert naar het land dat hij of zij voor de uitreis verlaten heeft of een ander land dat niet is aan te merken als jihadistisch strijdgebied;

  • k. uitreiziger: een persoon die zijn eigen land verlaat om zich aan te sluiten bij een jihadistische groepering in een jihadistisch strijdgebied;

  • l. uitvoerder: de functionaris die onder verantwoordelijkheid en in naam van de verantwoordelijke als bedoeld in de Wbp, zorg draagt voor een zorgvuldig beheer van de gegevens;

  • m. Weegploeg: overleg, bestaande uit de vertegenwoordiger(s) van de kernpartijen, belast met het verzamelen van de verschillende eigen signalen en signalen van derden en de selectie van de aangebrachte casuïstiek op basis van het referentiekader, teneinde te bepalen of voor het subject een persoonsgerichte, integrale benadering noodzakelijk is, en welke partijen en externe casuspartners hierbij betrokken dienen te worden.

Artikel 2. de taken en bevoegdheden van de partijen

De wettelijke taken en bevoegdheden van de partijen zijn:

  • a. voor de gemeente: de handhaving van de openbare orde op grond van artikel 172 Gemeentewet en zijn wettelijke taken op het terrein van het toegankelijk maken en aanbieden van voorzieningen op het terrein van jeugdzorg, werk en inkomen, scholing, uitkeringen en schuldsaneringen;

  • b. voor de politie: de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en de verlening van hulp aan hen die deze behoeven op grond van artikel 3 van de Politiewet;

  • c. voor het Openbaar Ministerie: de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op grond van artikel 124 Wet op de rechterlijke organisatie;

  • d. voor de Raad van de Kinderbescherming: de taken en bevoegdheden volgend uit artikel 238, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek Boek 1, in het bijzonder het beschermen van minderjarigen tegen ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling en gezondheid, het optreden ten behoeve van minderjarigen en het op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies voorzien;

  • e. voor Reclasseringsinstellingen: het op basis van de Reclasseringsregeling 1995 bijdragen aan de veiligheid van de samenleving door het beheersen van risico’s, en veroordeelden of verdachten te stimuleren zijn of haar gedrag te veranderen. Op die manier werken zij aan het voorkomen van criminaliteit en het terugdringen van recidive. De reclasseringsinstellingen voeren taakstraffen uit en houden toezicht op maatregelen en andere beslissingen van justitiële instanties. Haar taken bij geradicaliseerde personen worden verricht door een specialistisch landelijk georganiseerd team. Dit team is toegerust om de specifieke signalen van radicalisering te herkennen en daarop te acteren.

Artikel 3. Doel van het samenwerkingsverband

Doel van dit samenwerkingsverband is:

  • het reduceren van de risico’s voor de samenleving die uitgaan van radicalisering, extremisme, uitreizen, of terugkeer en het bieden van zorg aan subjecten en / of

  • het reduceren van risico’s voor de ontwikkeling van minderjarigen door radicalisering, extremisme, uitreizen of terugkeer.

Daarvoor is het noodzakelijk dat de partijen, ieder vanuit de eigen expertise, komen tot een gemeenschappelijke aanpak, die in onderling overleg en samenhang wordt vastgesteld.

Om dit doel te kunnen bereiken wisselen de partijen signalen en / of andere noodzakelijke (persoons­)gegevens uit, waardoor partijen in gezamenlijkheid een effectief en doelmatig integraal plan van aanpak kunnen vaststellen ten aanzien van in Nederland verblijvende geradicaliseerde personen of personen die dreigen te radicaliseren, gericht op:

  • a. het bevorderen van deradicalisering;

  • b. het stimuleren van gedragsverandering;

  • c. het beperken van veiligheidsrisico’s;

  • d. het voorkomen van uitreizen naar een strijdgebied;

  • e. het bieden van zorg aan subjecten;

  • f. het bieden van hulp aan achterblijvers, indien gewenst.

De werkwijze van dit casusoverleg is beschreven in artikel 8 van het Convenant en verder uitgewerkt in de als bijlage 2 gevoegde procesbeschrijving.

Artikel 4. Verantwoordelijkheid

De kernpartijen zijn gezamenlijk de verantwoordelijke in de zin van de Wbp voor de gegevensverwerking in het kader van dit samen­ werkingsverband. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van dit Convenant is door de kernpartijen bij de Autoriteit Persoonsgegevens gemeld.

Artikel 5. Uitvoerder

Voor de (dagelijkse) uitvoering van werkzaamheden hebben de kernpartijen een uitvoerder aangesteld. De uitvoerder heeft onder meer tot taak alle voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de weegploeg en het casusoverleg te verrichten, het informatie­ systeem bij te houden en overige op verzoek van de kernpartijen te verrichten werkzaamheden.

Artikel 6. Grondslag verstrekking persoonsgegevens

De grondslag met betrekking tot de gegevensverwerking is:

  • a. Voor het OM: op grond van het bepaalde in artikel 39f, eerste lid, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan het College van procureurs­generaal, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, aan personen en instanties voor bepaalde doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken;

  • b. Voor de Politie: Op grond van artikel 18, tweede lid, en artikel 20 Wet politiegegevens mag de politie structureel, specifiek omschreven politiegegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang.

  • c. Voor de gemeente: op grond van artikel 8, aanhef en onder e van de Wbp mag de gemeente persoonsgegevens verwerken indien de verwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van zijn publiekrechtelijke taak dan wel van het bestuursorgaan waaraan hij de gegevens verstrekt.

  • d. Voor de Raad voor de Kinderbescherming: op grond van artikel 8, aanhef en onder e van de Wbp mogen persoonsgegevens door de Raad van de Kinderbescherming worden verstrekt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van zijn publiekrechtelijke taak dan wel van het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt;

  • e. Voor <aanvullen met desbetreffende reclasseringsinstantie>: op grond van artikel 8 Reclasseringsregeling 1995 juncto artikel 8, aanhef en onder c van de Wbp mogen persoonsgegevens door de Reclassering worden verstrekt indien de verstrekking noodzake­ lijk is voor de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden:

    • I. het houden van toezicht op en het begeleiden van personen die worden verdacht van of die zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit;

    • II. het geven van voorlichting en advies aan justitiële instanties;

    • III. het voorbereiden en begeleiden van de uitvoering van de taakstraffen.

Artikel 7. Werkwijze Weegploeg

  • 1. Signalen worden door de weegploeg verkregen door tussenkomst van een van de kernpartijen.

  • 2. Signalen worden aan de weegploeg verstrekt:

    • a. Door de politie: via een vertegenwoordiger van de politie die deelneemt aan de weegploeg;

    • b. Door het OM: via een vertegenwoordiger van het OM die deelneemt aan de weegploeg;

    • c. Door de gemeente: via een vertegenwoordiger van de gemeente die deelneemt aan de weegploeg.

  • 3. De weegploeg analyseert signalen, met toepassing van het als bijlage 3 gevoegde referentiekader, en beoordeelt of voor een subject een persoonsgerichte, integrale benadering noodzakelijk is, en welke partijen en externe casuspartners hierbij betrokken dienen te worden.

  • 4. Na de analyse van de weegploeg zijn er twee mogelijkheden:

    • 1) de analyse van de signalen leidt, eventueel na het inwinnen van additionele informatie, tot een beslissing van de weegploeg om het subject te agenderen in een casusoverleg of

    • 2) uit analyse van de signalen blijkt dat deze onvoldoende substantieel zijn om het subject te agenderen in het casus­ overleg.

Artikel 8. Gegevensverwerking weegploeg

  • 1. Ten behoeve van de weegploeg legt de uitvoerder gegevens vast in een digitaal bestand, separaat van het digitaal bestand ten behoeve van het casusoverleg als bedoeld in artikel 10.

  • 2. In het digitaal bestand worden vastgelegd:

    • a. de NAW­gegevens van het subject;

    • b. een omschrijving van de signalen;

    • c. de naam en de contactgegevens van de melder die de signalen heeft ingebracht;

    • d. de analyse van de signalen op basis van het referentiekader;

    • e. de beslissing om het subject al dan niet te agenderen in het casusoverleg;

    • f. de beslissing dat het integraal plan van aanpak is afgesloten.

  • 3. De gegevens in het digitaal bestand worden periodiek gecontroleerd op juistheid en volledigheid en worden zo nodig aangepast.

  • 4. Onverlet het vijfde lid, zijn gegevens uit het digitaal bestand uitsluitend toegankelijk voor kernpartijen en slechts voor zover dit noodzakelijk is voor het doel van de weegploeg.

  • 5. Indien agendering van het subject in een casusoverleg plaatsvindt wordt een kopie van de relevante gegevens uit het bestand van de weegploeg overgedragen aan het bestand van het casusoverleg.

Artikel 9. Werkwijze van het casusoverleg

  • 1. Aan het casusoverleg nemen die partijen en externe casuspartners deel die betrokken dienen te zijn bij het integraal plan van aanpak.

  • 2. De deelnemers verstrekken elkaar in het casusoverleg, met inachtneming van de toepasselijke wettelijke kaders, de bij hen berustende signalen of andere relevante gegevens inzake het subject dat door de weegploeg in het casusoverleg is geagen­ deerd, waaronder ook begrepen persoonsgegevens voor zover die relevant en noodzakelijk zijn voor het opstellen, uitvoeren of monitoren van het integraal plan van aanpak.

  • 3. het casusoverleg stelt een integraal plan van aanpak op inzake het subject.

  • 4. Het casusoverleg monitort de voortgang van het integraal plan van aanpak en adviseert de kernpartijen tot afsluiting daarvan indien de voortgang van het integraal plan van aanpak hiertoe aanleiding geeft.

  • 5. Indien noodzakelijk, kan advies worden gevraagd aan de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) of aan andere deskundigen met expertise op het gebied van voorkomen en tegengaan van radicalisering en extremisme.

Artikel 10. Gegevensverwerking casusoverleg

  • 1. Ten behoeve van het casusoverleg legt de uitvoerder gegevens vast in een digitaal bestand, separaat van het digitaal bestand ten behoeve van de weegploeg als bedoeld in artikel 8.

  • 2. In het digitaal bestand worden vastgelegd:

    • a. de NAW­gegevens van het subject;

    • b. een omschrijving van de signalen;

    • c. de naam en de contactgegevens van de partij die de signalen heeft ingebracht;

    • d. de analyse van de signalen op basis van het referentiekader;

    • e. de acties die partijen ondernemen naar aanleiding van de analyse van de signalen;

    • f. de NAW­gegevens en andere relevante gegevens van achter­ blijvers voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het integraal plan van aanpak;

    • g. de NAW­gegevens en andere relevante gegevens van personen uit het sociale netwerk van het subject, voor zover deze betrokken zijn of anderszins een rol spelen bij de uitvoering van het integraal plan van aanpak;

    • h. de beslissing dat het integraal plan van aanpak is afgesloten.

  • 3. De gegevens in het digitaal bestand worden periodiek door de uitvoerder gecontroleerd op juistheid en volledigheid en worden zo nodig aangepast.

  • 4. Partijen hebben toegang tot de gegevens uit het digitale bestand, voor zover dit noodzakelijk is voor het doel van het casusoverleg.

  • 5. Externe casuspartners hebben toegang tot het integraal plan van aanpak. Andere informatie uit het digitaal bestand, voor zover deze informatie persoonsgegevens betreft, wordt uitsluitend aan externe casuspartners verstrekt voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van de bijdrage en expertise die door de desbetreffende partij moet worden geleverd voor het opstellen en uitvoeren dan wel monitoren van het plan van aanpak en voor de doorverstrekking daarvan toestemming is gegeven door de convenantspar­ tijen. Deze doorverstrekking wordt vastgelegd in het bestand van het casusoverleg. Daarbij wordt vermeld de noodzaak van de verstrekking alsmede de soort gegevens die zijn verstrekt.

Artikel 11. Informatieplicht

  • 1. In het belang van de transparantie over de geïntegreerde en persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme wordt het convenant en de bijlagen gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 2. Onverlet het gestelde in het derde lid worden de verplichtingen ten aanzien van de betrokkene die voortvloeien uit de informatie­ plicht zoals omschreven in artikel 34 van de Wbp nagekomen op het moment dat de weegploeg is gekomen tot één van de twee mogelijkheden genoemd in artikel 7, vierde lid.

  • 3. Voordat de verantwoordelijke de verplichtingen ten aanzien van de betrokkene die voortvloeien uit artikel 34 van de Wbp nakomt, voeren de kernpartijen onderling overleg. Mede op basis van dit overleg beoordeelt de verantwoordelijke of aan de informatieplicht kan worden voldaan of dat dit nog niet mogelijk is gelet op een van de belangen zoals omschreven in artikel 43 van de Wbp, te weten:

    • a. de veiligheid van de Staat;

    • b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

    • c. gewichtige economische en financiële belangen van de Staat en van andere openbare lichamen;

    • d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen genoemd onder b en c;

    • e. de bescherming van de betrokkene of van rechten en vrijheden van anderen.

  • 4. Indien de verantwoordelijke oordeelt dat niet, of nog niet aan de informatieplicht zoals omschreven in het eerste lid, kan worden voldaan, wordt daarvan een aantekening gemaakt in het bestand.

  • 5. Zodra er geen beletselen meer zijn, als bedoeld in het derde lid, zal de betrokkene worden geïnformeerd, ook in de gevallen waar is besloten af te zien van verdere maatregelen en/of interventies.

Artikel 12. rechten van betrokkenen

  • 1. De betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien het een jongere betreft die de leeftijd van zestien nog niet heeft bereikt of indien de betrokkene onder curatele is gesteld dan wel voor de jongere een mentorschap is ingesteld, richt zijn of haar verzoek om inzage en / of correctie aan de uitvoerder. De verantwoordelijke kan ook andere functionarissen aanwijzen die onder coördinatie van de uitvoerder met de dagelijkse uitvoering van inzage­, correctie­ en verzetsverzoeken zijn belast.

  • 2. De betrokkene of zijn wettelijk vertegenwoordiger, kan aan de verantwoordelijke om inzage in zijn persoonsgegevens verzoeken.

  • 3. Nadat de identiteit van de betrokkene is vastgesteld wordt het verzoek zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst, beantwoord. De betrokkene ontvangt een overzicht (in een begrijpelijke vorm) van de gegevens die worden verwerkt, de doelen of de doeleinden waarvoor deze gegevens worden verwerkt, de (mogelijke) ontvangers van deze gegevens en de informatie over de herkomst van die gegevens.

  • 4. Het verzoek om inzage kan worden geweigerd indien een van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 43 van de Wbp zich voordoet. De betrokkene ontvangt in dat geval een gemotiveerde afwijzing.

  • 5. De betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger geeft in het verzoek aan welke correcties hij of zij uitgevoerd wil zien en om welke reden. De verantwoordelijke voldoet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van het verzoek, aan het verzoek indien en voor zover de persoonsgegevens:

    • a. feitelijk onjuist zijn;

    • b. Voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn;

    • c. Anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

  • 6. De verantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering en/of afscherming in ieder geval uiterlijk binnen vier weken na deze beslissing wordt uitgevoerd. Zij doet hiervan een kennisgeving aan partijen.

Artikel 13. Bewaartermijn

  • 1. Onverlet het gestelde in het derde en vierde lid worden de persoonsgegevens na de laatste verwerking gedurende een termijn van 5 jaar bewaard ten behoeve van verwerking met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen en vervolgens vernietigd.

  • 2. Uiterlijk 1 jaar na de laatste verwerking worden de persoons­ gegevens gearchiveerd in een niet­actieve digitale omgeving en zijn de gegevens slechts nog raadpleegbaar door de kernpartijen.

  • 3. Persoonsgegevens in het bestand van de weegploeg die betrekking hebben op personen waarvan is beslist om deze niet te agenderen in het casusoverleg worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de doeleinden van het bestand, met een maximumtermijn van 6 maanden, en vervolgens vernietigd.

  • 4. Voor zover dit noodzakelijk is voor een doel als bedoeld in dit convenant kunnen persoonsgegevens die overeenkomstig het tweede lid worden bewaard, in opdracht van de verantwoordelijke, ter beschikking worden gesteld aan de weegploeg voor hernieuwde verwerking.

Artikel 14. Geheimhouding

  • 1. De partijen zijn verplicht tot geheimhouding van persoons­ gegevens waarvan zij kennisnemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 2. Aan derden die inzage hebben of, in overeenstemming met het bepaalde in dit convenant, op andere wijze persoonsgegevens verkrijgen, leggen de partijen een plicht tot geheimhouding op. Deze plicht strekt tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan derden kennis nemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 15. Beveiligingsmaatregelen

  • 1. De verantwoordelijke beveiligt de persoonsgegevens van de betrokkenen tegen verlies of enige vorm van onrechtmatige verwerking. Men treft daartoe de nodige passende technische en organisatorische maatregelen.

  • 2. De verantwoordelijke draagt zorg voor de beveiliging van de persoonsgegevens tegen verlies, diefstal of enige andere vorm van onrechtmatig gebruik. Daartoe wordt door de verantwoordelijke een beveiligingsplan vastgesteld dat vervolgens ook wordt geïmplementeerd. In dit beveiligingsplan is in ieder geval aandacht voor:

    • a. Fysieke maatregelen voor toegangsbeveiliging, inclusief de organisatorische controle;

    • b. De lees­ en schrijfbevoegdheden van de partijen;

    • c. Wijze van toekennen, wijzigen en intrekken van autorisaties;

    • d. Logische toegangscontroles;

    • e. Automatische logging van toegang tot gegevens, inclusief een periodieke controleprocedure;

    • f. Controle op toegekende bevoegdheden;

    • g. Een incidentenregistratie: beveiligingsincidenten, inclusief datalekken, worden gemeld, geregistreerd en afgehandeld (ingevolge artikel 34a Wbp meldplicht datalekken).

  • 3. De verantwoordelijke draagt zorg voor de implementatie van deze beveiligingsmaatregelen door de uitvoerder en controleert ook periodiek de naleving daarvan. Het beveiligingsbeleid wordt jaarlijks geëvalueerd en desgewenst herzien.

  • 4. De partijen zijn verplicht te handelen in overeenstemming met de beveiligings­ en toegangsrichtlijnen zoals opgesteld door de verantwoordelijke.

Artikel 16. Afdwingbaarheid

Dit convenant is niet in rechte afdwingbaar.

Artikel 17. Geschillen

Alle geschillen tussen partijen in verband met dit convenant worden in goed onderling overleg tussen de partijen beslecht.

Artikel 18. Inwerkingtreding, opzegging,wijziging en evaluatie

  • 1. Dit convenant treedt in werking per <aanvullen> en wordt voor onbepaalde tijd aangegaan.

  • 2. Elke partij kan zijn deelname aan dit convenant opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden. Artikel 14 blijft ook na opzegging voor partijen van kracht.

  • 3. Wanneer een partij het convenant opzegt, blijft het convenant voor de overige partijen in stand voor zover de inhoud en strekking ervan zich daartegen niet verzetten.

  • 4. Dit convenant wordt 2 jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.

De gemeente

Te dezen vertegenwoordigd door

Het Openbaar Ministerie

Te dezen vertegenwoordigd door

De korpschef van politie

Te dezen vertegenwoordigd door

De Raad voor de Kinderbescherming

Te dezen vertegenwoordigd door

De Reclassering Nederland

Te dezen vertegenwoordigd door
  • ^ [1]

    Zie het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 32 t/m 42.