Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke subsidieregeling IGRAC 2016-2021[Regeling vervalt per 01-01-2022.]

Geldend van 13-07-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/67339, houdende regels voor de verstrekking van een tijdelijke subsidie aan het International Groundwater Resources Assessment Centre (Tijdelijke subsidieregeling IGRAC 2016-2021)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • IGRAC: Stichting International Groundwater Resources Assessment Centre;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • subsidieontvanger: IGRAC.

Artikel 2

  • 1 De Minister kan voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021 op aanvraag per twee boekjaren subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het verrichten van niet-economische activiteiten door IGRAC als bedoeld in artikel 6 van het op 6 december 2016 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) inzake het International Groundwater Resources Assessment Centre in Nederland als een centrum onder auspiciën van UNESCO (categorie 2) (Trb. 2016, 198).

  • 2 Voor activiteiten van IGRAC als bedoeld in het eerste lid, wordt geen subsidie verstrekt voor zover voor dergelijke activiteiten een subsidie is of wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan dan wel hiervoor andere inkomsten van derden zonder tegenprestatie zijn of worden verkregen.

Artikel 3

Afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 4:60 en 4:73 van de Algemene wet bestuursrecht, is van toepassing op aan de subsidieontvanger verstrekte subsidies.

Artikel 4

Het subsidieplafond bedraagt voor de jaren 2016 tot en met 2021 maximaal € 2.960.000,–.

Artikel 5

  • 1 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de naar het oordeel van de Minister noodzakelijke, rechtstreeks aan de activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten.

  • 2 Subsidiabele kosten kunnen ook betrekking hebben op de voor indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten in 2016 en 2017.

Artikel 6

  • 1 De aanvraag tot subsidie voor twee aaneengesloten boekjaren wordt uiterlijk op 1 november voorafgaand aan de twee boekjaren waarvoor subsidie wordt aangevraagd schriftelijk ingediend bij de Minister per adres Postbus 93144, 2509 AC Den Haag.

  • 2 De aanvraag tot subsidie voor de boekjaren 2016 en 2017 wordt ingediend binnen een maand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling is geplaatst.

Artikel 7

In aanvulling op artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel de aanvraag niet voldoet aan artikel 2, eerste lid.

Artikel 8

De Minister geeft de beschikking tot subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 9

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Milieu, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld dat de subsidieverlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Milieu.

Artikel 10

  • 1 In aanvulling op de verplichtingen op grond van de Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger verplicht tot:

    • a. het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de rechtmatige en doelmatige aanwending van de subsidiegelden, dat wordt verricht namens of in opdracht van de Minister of door de Algemene Rekenkamer en het desverlangd verstrekken van alle informatie aan degene die met dit onderzoek is belast;

    • b. het de Minister vooraf schriftelijk op de hoogte stellen in geval bekendheid wordt gegeven aan projecten, producten of standpunten met een politiek gevoelig of belangrijk beleidsmatig karakter;

    • c. het in acht nemen van het bij de subsidiebeschikking gevoegde controleprotocol;

    • d. het uitvoeren van de activiteiten op een neutrale, objectieve en niet-discriminatoire wijze;

    • e. het niet concurreren met de dienstverlening die op de markt door commerciële partijen wordt aangeboden bij het uitvoeren van de activiteiten;

    • f. het voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk laten zijn van de activiteiten, alsmede de resultaten daarvan;

    • g. geen individuele ondernemingen te bevoordelen met de activiteiten en de resultaten van de activiteiten kosteloos publiekelijk ter beschikking te stellen;

    • h. opdrachtverlening aan derden op basis van transparante criteria en marktconforme tarieven;

    • i. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de Minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie en op de rechtmatige en de doelmatige aanwending;

    • j. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de Minister zodra aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; en

    • k. het vormen van een egalisatiereserve.

  • 2 Indien naast de niet-economische activiteiten ook economische activiteiten worden verricht, dienen beide soorten activiteiten en de financiering ervan in de boekhouding te worden onderscheiden.

  • 3 Tevens draagt de subsidieontvanger ervoor zorg dat:

    • a. een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht dat een gescheiden administratie van kosten en baten wordt gevoerd voor de gesubsidieerde activiteiten enerzijds en de overige activiteiten anderzijds; en

    • b. een onderzoek als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, van de Algemenen wet bestuursrecht wordt uitgevoerd.

Artikel 11

De Minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

  • a. het geven van bekendheid aan de gesubsidieerde projecten en producten alsmede aan de resultaten ervan;

  • b. het zonder vergoeding aan de Minister of een door de Minister aangewezen derde verstrekken van door de Minister benodigde, op gesubsidieerde projecten en producten gerichte informatie;

  • c. het verkrijgen van andere financiële middelen;

  • d. het uitbrengen van een verslag omtrent de voortgang van de uitvoering van de activiteiten steeds na afloop van een periode van twaalf maanden;

  • e. andere verplichtingen die de Minister wenselijk acht ter verwezenlijking van het doel van de subsidie; of

  • f. de omvang van de egalisatiereserve.

Artikel 12

  • 1 De Minister kan een voorschot verlenen. De beschikking daartoe wordt ambtshalve gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening gegeven.

  • 2 Het voorschot wordt uitgekeerd in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking worden bepaald met inachtneming van de liquiditeitsbegroting, bedoeld in artikel 6, derde lid.

  • 3 De Minister verleent geen voorschot indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien de subsidieontvanger failliet is verklaard of hem surseance van betaling is verleend of op hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

  • 4 Voor het jaar 2016 is het voorschot in de beschikking voor het jaar 2016 opgenomen.

Artikel 13

De subsidieontvanger behoeft toestemming van de Minister voor:

  • a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

  • b. het wijzigen van de statuten;

  • c. het ontbinden van de rechtspersoon IGRAC; of

  • d. het doen van aangifte tot faillissement of het aanvragen van surseance van betaling.

Artikel 14

  • 1 De subsidieontvanger dient de aanvraag tot subsidievaststelling in bij de Minister binnen dertien weken volgend op het tweede boekjaar waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 15

  • 1 De Minister geeft een beschikking tot subsidievaststelling binnen tweeëntwintig weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 2 Indien de beschikking niet binnen tweeëntwintig weken kan worden gegeven, stelt de Minister betrokkenen daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

  • 3 De Minister is bevoegd tot ambtshalve vaststelling van de subsidie indien de subsidieontvanger niet tijdig de aanvraag tot vaststelling heeft ingediend.

Artikel 16

De omvang van de egalisatiereserve aan het einde van het laatste boekjaar wordt bestemd ten gunste van de Minister ingeval van beëindiging van de subsidieverstrekking. De subsidieontvanger draagt in het laatste geval zorg voor storting van het bedrag binnen een door de Minister te stellen termijn.

Artikel 17

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2016.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de reeds verleende subsidie.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling IGRAC 2016-2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus