Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017

Geldend van 15-07-2017 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 5 juli 2017, nr. WJZ / 17108187, houdende regels ten aanzien van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening groenten en fruit (Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2017)

De Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1, 3, 32 tot en met 34, 36, 152 tot en met 156, 159 en 160 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347);

Gelet op gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie;

Gelet op uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit;

Gelet op de artikelen 13, eerste en tweede lid, 15 en 19, eerste lid, van de Landbouwwet;

Besluit:

Deel 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvoerprognose: opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;

  • accountant: accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

  • actiefonds: actiefonds als bedoeld in artikel 32 van verordening 1308/2013;

  • activiteit: actie als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening 2017/891 ter uitvoering van een project;

  • areaalenquête: inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;

  • denatureren: ongeschikt maken voor menselijke consumptie.

  • duurzaam productiemiddel: tastbaar activum als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van verordening 2017/891, dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds;

  • erkenningsaanvraag: een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

  • erkenningsbesluit: besluit van de minister op een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

  • forfaitair standaardtarief: vast of maximaal bedrag per eenheid dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen;

  • gedeeltelijke betaling: gedeeltelijke betaling als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/892;

  • gekwantificeerd streefcijfer: gekwantificeerd streefcijfer als bedoeld in artikel 27, derde lid, van verordening 2017/891;

  • goederenlogistiek: het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;

  • lid: aangesloten producent als bedoeld in artikel 2, onderdeel b van verordening 2017/891;

  • meetbaar streefdoel: meetbaar streefdoel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892;

  • minister: Minister van Economische Zaken;

  • nationaal kader: nationaal kader als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening 1308/2013;

  • nationale strategie: nationale strategie als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van verordening 1308/2013;

  • niet-producerend lid: lid van een producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • operationeel programma: programma, bedoeld in artikel 33 van verordening 1308/2013;

  • producentenorganisatie: door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;

  • project: samenhangend geheel van activiteiten die subsidiabel zijn gesteld in deze regeling ter uitvoering van een strategisch doel dat door een producentenorganisatie wordt nagestreefd met haar operationeel programma;

  • richtlijn 2000/29: Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PBEU 2000, L 169);

  • richtlijn 2002/63: Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG(PBEU 2002, L 187);

  • steunaanvraag: een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892;

  • subsidie: financiële steun van de Unie als bedoeld in artikel 34 van verordening 1308/2013;

  • stadium af producentenorganisatie: moment waarop er een verkooptransactie plaatsvindt door of namens de producentenorganisatie met een derde partij of een minder dan 90 procent dochteronderneming;

  • strategisch doel: doelstelling als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 of een doel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, dat een producentenorganisatie nastreeft met haar operationeel programma;

  • SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

  • tussentijdse wijziging: een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891;

  • uitvoeringsjaar: jaar van uitvoering van een operationeel programma;

  • unie van producentenorganisaties: unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;

  • verkoper: natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • verordening 834/2007: Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PBEU 2007, L 189);

  • verordening 874/2009: Verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad wat betreft de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen (PBEU 2009, L 251);

  • verordening 889/2008: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PBEU 2008, L 250);

  • verordening 2017/891: gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PBEU 2017, L 138);

  • verordening 2017/892: uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PBEU 2017, L 138);

  • verordening 1857/2006: Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PBEU 2006, L 358);

  • verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007van de Raad (PBEU 2013, L 347);

  • verordening 2100/94: Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PBEU 1994, L 227);

  • voorschotaanvraag: aanvraag als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van verordening 2017/891;

  • waarde afgezette productie: de waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22 van verordening 2017/891;

Artikel 2

  • 1 De minister wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 17, derde lid, 23, vierde lid, 34, tweede lid, 44, eerste lid, 48, vijfde lid, 59, derde lid, 75, zesde lid, 77, eerste lid, en 78 van verordening 2017/891 en de artikelen 3, zesde lid, 6, eerste lid, 9, eerste en vierde lid, 21, eerste lid, 29, tweede lid, 34, onderdeel b, en 35 van verordening 2017/892.

  • 2 De minister is bevoegd de besluiten te nemen en de handelingen te verrichten waartoe de artikelen 36, eerste en tweede lid, 152 en 154, vierde lid, van verordening 1308/2013, de artikelen 4, 7, 14, 15, 17, vierde lid, 19, eerste lid, 21, 26, eerste lid, 27, derde, vierde en vijfde lid, 28, 30, eerste lid, 31, tweede, derde en zesde lid, 33, 34, 35, eerste lid, 39, 46, tweede lid, 48, vierde lid, 49, 51, tweede lid, 52, vierde lid, 54, 55, 56, derde lid, 58, eerste lid, 59 tot en met 67, 68, eerste lid, 70, 72, tweede lid, 74, eerste en tweede lid, en 77, tweede lid, van verordening 2017/891 en de artikelen 3, tweede en vierde lid, 8, 9, zesde lid, 10, 16, eerste lid, 18, eerste lid, 20, eerste lid, 21, eerste en vierde lid, 22, 23, 24, 25, eerste lid, 26, tweede en vierde lid, 27, eerste, derde, zevende en negende lid, 29, eerste en derde lid, 30, eerste en zesde lid, 31, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste, tweede en derde lid, 34, 35, 36, 37 en 39, tweede lid, van verordening 2017/892 de lidstaat de opdracht geven of de keuze laten of als ontvanger van informatie aanwijzen.

  • 3 In afwijking van de artikelen 31, 54, 55, tweede lid, 66 en 207, eerste lid en 208, tweede lid, kan de minister latere indieningsdata vaststellen dan de in die artikelen bedoelde data.

Artikel 3

Deel 2 tot en met 8 van deze regeling is van toepassing op de producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 en op dergelijke producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verwerkt.

Deel 2. Erkenningen

Hoofdstuk 1. Erkenning van producentenorganisaties

Titel 1. Erkenningsvereisten

Afdeling 1. Rechtspersoonlijkheid

Artikel 4

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, of

  • b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie, en

  • c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Afdeling 2. Lidmaatschap

Artikel 5

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a. een natuurlijk persoon;

  • b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht, of

  • c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel 6

  • 1 Het minimumaantal leden en de minimale waarde afgezette productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:

    • a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 00.000;

    • b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 25.000.000.

  • 2 Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag gezamenlijk door de minister aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten, als bedoeld in artikel 5, wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 24, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.

  • 3 Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

  • 5 De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld. De waarde van de afgezette productie wordt berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die op 1 januari van het jaar waarin erkenning wordt gevraagd zijn aangesloten bij de producentenorganisatie.

Artikel 7

  • 1 Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.

  • 2 Aspirant leden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:

    • a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;

    • b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie te zijn aangesloten voor het product waarvoor de producentenorganisatie is erkend, en

    • c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten, behoudens toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 3 Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd met ingang van 1 januari met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie maanden en ten hoogste zes maanden.

  • 4 De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.

  • 5 Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:

    • a. overlijden van het lid;

    • b. faillissement van het lid;

    • c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement, en

    • d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of coöperatie gevergd kan worden.

Artikel 8

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • b. opgenomen worden in een afzonderlijke ledenadministratie, en

  • c. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.

Afdeling 3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

Artikel 9

  • 1 Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:

    • a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, en

    • b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008.

  • 3 De producentenorganisaties, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013.

Artikel 10

Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend is ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.

Artikel 11

  • 1 Producentenorganisaties verbieden hun leden in hun statuten op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.

  • 2 Producentenorganisaties nemen het in het eerste lid bedoelde verbod uiterlijk op 1 januari 2019 op in hun statuten.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891.

Artikel 12

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel 13

  • 1 Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

    • a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die door het lid geproduceerde producten verkopen, indien het lid voor deze producten is aangesloten bij de producentenorganisatie, en

    • b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

      • 1°. geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

      • 2°. geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

Artikel 14

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:

    • a. een systematische vergelijking per producent van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;

    • b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan de leden gedurende het jaar;

    • c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;

    • d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring, en

    • e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:

    • a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:

      • 1°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar geproduceerd heeft;

      • 2°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar bij derden heeft ingekocht;

      • 3°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar via de producentenorganisatie verkocht heeft;

      • 4°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft;

      • 5°. dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft, en

      • 6°. dat hij bij verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;

    • b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de omzetgegevens van het lid;

    • c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen en de omzetgegevens van het lid;

    • d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;

    • e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek, en

    • f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.

  • 5 Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:

    • a. de leden die verzuimd hebben voor 1 juni na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;

    • b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;

    • c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard, en

    • d. minimaal 2 procent van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.

  • 6 Indien de accountant bij meerdere leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.

  • 7 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om jaarlijks de betrouwbaarheid van het geheel aan maatregelen dat de producentenorganisatie neemt voor controle op de naleving door hun leden te evalueren, mede aan de hand van de uitkomsten van het in het vierde lid bedoelde onderzoek. Een verslag van de evaluatie wordt door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd.

Artikel 15

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:

    • a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen ter uitvoering van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 11, 12, 13, en 14 het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;

    • b. bij een tweede soortgelijke overtreding begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd, en

    • c. leden bij alle soortgelijke vervolgovertredingen begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, worden geroyeerd.

  • 2 Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties.

Artikel 16

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel 17

Producentenorganisaties, en voor zover van toepassing unies van producentenorganisaties, beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a. de verkoop en prijsbepaling;

  • b. de goederenlogistiek;

  • c. de financiële administratie;

  • d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;

  • i. het opleggen van sancties, en

  • j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel 18

  • 1 De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

  • 2 Een negatief vermogen wordt door de producentenorganisatie, op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 binnen één kalenderjaar aangevuld.

Artikel 19

  • 1 De producentenorganisatie beschikt ten behoeve van het commercieel en budgettair beheer van haar activiteiten, bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013, op grond van artikel 7 van verordening 2017/891 over een eigen, als zodanig kenbare, kantoorruimte die beschikt over een eigen opgang, welke niet door ruimtes van een afnemer of een lid van de producentenorganisatie leidt.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde kantoorruimte is eigendom van de producentenorganisatie of wordt door de producentenorganisatie gehuurd.

Artikel 20

  • 1 Producentenorganisaties maken voor hun financieel administratieve werkzaamheden, waaronder het factureren naar afnemers en leden en het opstellen van budgetten, gebruik van eigen personeel.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het opstellen van jaarrekeningen en fiscale zaken.

Artikel 21

  • 1 Producentenorganisaties, dan wel dochterondernemingen of unies van producentenorganisaties indien de afzet door hen wordt verricht, tonen op grond van artikel 11 van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend daadwerkelijk bepalen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:

    • a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties of door de producentenorganisatie belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. wat de taak of opdracht van de in onderdeel a bedoelde verkoper is;

    • c. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper door de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties wordt aangestuurd;

    • d. welke aanwijzingen de in onderdeel a bedoelde verkoper van de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;

    • e. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden, en

    • f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.

  • 3 De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.

  • 4 De producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.

  • 5 Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks door haar bestuur geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd.

Artikel 22

  • 1 Artikel 155 van verordening 1308/2013 is van toepassing op de activiteiten van de producentenorganisatie die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de producentenorganisatie, bedoeld in de artikelen 152 en 154 van verordening 1308/2013.

  • 2 Wanneer een producentenorganisatie de in het eerste lid bedoelde activiteiten heeft uitbesteed toont de producentenorganisatie op grond van artikel 155 van verordening 1308/2013 door middel van door het bestuur en de algemene vergadering geaccordeerde schriftelijke bewijsstukken aan:

    • a. welke activiteiten worden uitbesteed;

    • b. waarom deze activiteiten niet door de producentenorganisatie zelf worden uitgevoerd;

    • c. aan wie deze activiteiten worden uitbesteed;

    • d. waarom tot de keuze voor uitbesteding aan de in onderdeel c bedoelde entiteit is gekomen, en

    • e. welke afspraken er met de in onderdeel c bedoelde entiteit zijn gemaakt.

  • 3 De producentenorganisatie toont op grond van artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan op welke wijze de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit:

    • a. door de producentenorganisatie wordt aangestuurd bij de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten, en

    • b. verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten.

  • 4 Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, toont zij aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij gedurende de verkoopperiode minimaal één maal per week met de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit overlegt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs.

  • 5 De keuze voor uitbesteding wordt jaarlijks per geval door het bestuur van de producentenorganisatie geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd.

  • 6 Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed aan haar leden zijn:

    • a. verkoop van de producten van haar leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. commercieel en budgettair beheer.

  • 7 Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed zijn:

    • a. controle op de naleving van de statuten, met uitzondering van accountantsonderzoek;

    • b. boekhouding, facturering en uitbetaling aan de leden;

    • c. kennis van productie van de leden.

Afdeling 4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

Artikel 23

Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.

Artikel 24

  • 1 Ongeacht de rechtsvorm van een producentenorganisatie bepalen de statuten van een producentenorganisatie op grond van artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 dat:

    • a. bij een producentenorganisatie met 10 leden of meer een lid maximaal 10 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft, en

    • b. bij een producentenorganisatie met minder dan 10 leden een lid maximaal 20 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft.

  • 2 De percentages genoemd in het eerste lid omvatten tevens volmachten.

  • 3 Indien een natuurlijk persoon, afgezien van volmachten, bevoegd is om te stemmen voor meerdere leden, geldt het in het eerste lid genoemde maximum percentage van de stemmen voor deze rechtspersonen gezamenlijk.

  • 4 In geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, bepalen de statuten van een producentenorganisatie dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon maximaal 10% van de aandelen van de producentenorganisatie heeft.

  • 5 De statuten van een unie van producentenorganisaties bepalen:

    • a. ongeacht de rechtsvorm van de unie van de producentenorganisatie, dat een lid maximaal 50% van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de unie van producentenorganisaties heeft, en

    • b. in geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon maximaal 50% van de aandelen van de unie van producentenorganisaties heeft.

Artikel 25

  • 1 Een producentenorganisatie kan haar leden slechts toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891 verlenen indien deze mogelijkheid in haar statuten is opgenomen.

  • 2 Indien een producentenorganisatie haar leden toestaat gebruik te maken van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, stelt de producentenorganisatie voorschriften vast inzake:

    • a. de procedure voor verlening van de toestemming;

    • b. de algemene voorwaarden voor verlening van de toestemming, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, en

    • c. de rapportageverplichtingen bij het gebruik van de toestemming.

  • 3 Een producentenorganisatie verleent toestemming als bedoeld in het eerste lid jaarlijks schriftelijk en per individueel geval voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 4 Indien een producentenorganisatie aan een toestemming als bedoeld in het eerste lid specifieke voorwaarden verbindt, worden deze voorwaarden in de toestemming vermeld.

  • 6 Een marginaal deel van het volume van de verhandelbare productie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/891, bedraagt maximaal 5 procent van het volume van de verhandelbare productie van de producentenorganisatie.

  • 7 Producten die normaliter niet onder de handelsactiviteiten van de producentenorganisatie vallen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/891, zijn:

    • a. producten die niet onder het gebruikelijke productassortiment van de producentenorganisatie vallen, terwijl deze producten wel onderwerp zijn van de erkenning, of

    • b. producten welke gewoonlijk wel door de producentenorganisatie worden verkocht, maar door teeltmethode of variëteit afwijken van het gangbare productenpakket.

Titel 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

Artikel 26

Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154 en 155 van verordening 1308/2013 en titel 1van deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 27

  • 1 Een verzoek om erkenning omvat ter uitvoering van artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 de volgende stukken:

    • a. de oprichtingsakte en statuten;

    • b. het huishoudelijk reglement;

    • c. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • d. notulen van de oprichtingsvergadering;

    • e. het meerjarenplan;

    • f. de bestuursnotitie omtrent de afzet en aanbodbundeling;

    • g. de bestuursnotitie omtrent de uitbesteding van activiteiten;

    • h. de ledenlijst;

    • i. indien aanwezig de jaarrekeningen van de producentenorganisatie over de afgelopen drie boekjaren;

    • j. de beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in artikel 17;

    • k. de beschrijving van de samenstelling van het bestuur;

    • l. de procuratieregeling;

    • m. het autorisatieschema;

    • n. een organogram;

    • o. de bevoegdhedenmatrix en parafenlijst;

    • p. een beschrijving van de ondernemingsstructuur en dochterondernemingen, en

    • q. een beschrijving van de goederenlogistiek.

  • 2 Indien dit nodig is voor de beoordeling van het verzoek om erkenning, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 kan de minister de producentenorganisatie verzoeken om aanvullende schriftelijke bewijsstukken.

Artikel 28

Indien de minister op grond van artikel 27, tweede lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de op grond van artikel 27, tweede lid, verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overlegd.

Artikel 29

  • 1 Een erkenning kan op verzoek van de producentenorganisatie worden gewijzigd of beëindigd met ingang van 1 januari.

  • 2 De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging van de erkenning in uiterlijk op 1 september voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan wijziging van de erkenning wordt gevraagd.

  • 3 De producentenorganisatie dient een verzoek tot beëindiging van de erkenning in uiterlijk op 1 december voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan beëindiging van de erkenning wordt gevraagd.

Titel 3. Informatie- en rapportageverplichtingen

Artikel 30

De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over:

  • a. wijzigingen in hun statuten;

  • b. wijzigingen in hun organisatiestructuur, en

  • c. voornemens tot fusie of samenwerking.

Artikel 31

  • 1 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks voor 1 maart de volgende stukken aan de minister:

    • a. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • b. de verslagen van de in het afgelopen boekjaar gehouden algemene vergaderingen;

    • c. een beschrijving van het afzetbeleid en de evaluatie, bedoeld in artikel 21, vijfde lid;

    • d. het verslag van de evaluatie, bedoeld in artikel 14, zevende lid;

    • e. het verslag van de evaluatie, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en

    • f. de jaarrekening over het afgelopen boekjaar, voorzien van een controleverklaring van een extern accountant.

  • 2 Een producentenorganisatie die geen steunaanvraag indient bij de minister, overlegt ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, van verordening 2017/892 jaarlijks voor 1 maart aan de minister:

    • a. een digitale ledenlijst per 1 januari van het lopende jaar, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de leden die gedurende het vorige jaar zijn uitgetreden, onder vermelding van de datum van uittreding, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, en

    • c. een parafenlijst van tekenbevoegde personen binnen de producentenorganisatie.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt, indien de statuten of de huishoudelijke reglementen van de producentenorganisatie gedurende een kalenderjaar gewijzigd zijn, voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden aan de minister de gewijzigde statuten of de gewijzigde huishoudelijke reglementen van de producentenorganisatie.

  • 4 De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 juni van het eerste jaar na het jaar waarop de controles, bedoeld in artikel 14, derde lid, betrekking hebben, aan de minister:

  • 5 De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 april van het tweede jaar na het jaar waarop het in artikel 14, vierde lid, bedoelde onderzoek betrekking heeft aan de minister:

    • a. de aantallen producenten per productgroep die aan een onderzoek door een accountant als bedoeld in artikel 14, vierde lid, zijn onderworpen, alsmede hun afzonderlijke omzetcijfers;

    • b. de door de accountant op grond van het in artikel 14, vierde lid, bedoelde onderzoek gerapporteerde afwijkende bevindingen, en

    • c. de door de producentenorganisatie naar aanleiding van de in onderdeel b bedoelde afwijkende bevindingen getroffen of te treffen corrigerende maatregelen.

  • 6 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 juni, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister een samenvattend overzicht van:

    • a. de door de leden op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, aan de producentenorganisatie verstrekte informatie;

    • b. het areaal van de leden van de producentenorganisatie;

    • c. de door de leden van de producentenorganisatie geteelde gewassen;

    • d. de hoeveelheden product waarvoor aan de leden een toestemming op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 is verleend, en

    • e. de omzet van de producentenorganisatie.

Hoofdstuk 2. Erkenning van unies van producentenorganisaties

Artikel 32

  • 1 Alleen een erkende producentenorganisatie kan lid zijn van een unie van producentenorganisaties.

  • 2 Een unie van producentenorganisaties bestrijkt de totale groep van producten waarvoor zij is erkend.

  • 3 De minister kan ontheffing verlenen voor de in het tweede lid gestelde voorwaarde.

  • 4 Een unie van producentenorganisaties is verplicht een operationeel programma of een operationeel deelprogramma in te dienen en ten uitvoer te leggen.

Artikel 33

De artikelen 7,1718 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op unies van producentenorganisaties.

Artikel 34

Een erkenning als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013 wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de op grond van artikel 156 van verordening 1308/2013, titel I, hoofdstuk I, afdeling 3, van verordening 2017/891 en de in artikelen 32 en 33 gestelde eisen.

Hoofdstuk 3. Niet naleving van de erkenningscriteria

Artikel 35

De erkenning van een producentenorganisatie wordt met ingang van het tijdstip van verstrijken van de in artikel 59, eerste lid, van verordening 2017/891 bedoelde in het aanmaningsbesluit vastgestelde termijn van rechtswege opgeschort als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van verordening 2017/891, tenzij de minister schriftelijk aan de producentenorganisatie meedeelt dat de niet-naleving van de erkenningscriteria tijdig is gecorrigeerd.

Deel 3. Actiefonds en waarde afgezette productie

Hoofdstuk 1. Waarde afgezette productie

Artikel 36

De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar vóór het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld.

Artikel 37

  • 1 Producten zijn geproduceerd door een producentenorganisatie of een lid van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, eerste alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of haar lid heeft plaatsgevonden.

  • 2 Producten zijn geproduceerd door een unie van producentenorganisaties of een aangesloten producentenorganisaties als bedoeld in artikel 22, eerste lid, tweede alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de unie van producentenorganisaties of daarbij aangesloten producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

  • 3 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties controleert de naleving van het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

  • 4 Ter uitvoering van artikel 22, zesde lid, van verordening 2017/891 omvat de waarde van de afgezette productie in het stadium ‘af producentenorganisatie’ de aan de afnemer gefactureerde kosten van verpakkingsmateriaal, eenmalig fust, huur van meermalig fust en de verpakking waarin of pallet waarop het product ten verkoop wordt aangeboden.

  • 5 In de waarde van de afgezette productie worden geen transportkosten naar de afnemer opgenomen, ongeacht of deze op de verkoopfactuur zijn vermeld.

  • 6 Ter uitvoering van artikel 22, tiende lid, van verordening 2017/891 wordt slechts een vergoeding meegeteld die is uitgekeerd aan de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

  • 7 In de waarde van de afgezette productie worden geen debiteuren opgenomen die op het tijdstip van definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie als bedoeld in artikel 43 nog openstaan. Terugbetalingen aan afnemers worden uit de waarde van de afgezette productie gehaald op het moment dat creditering in de boekhouding van de producentenorganisatie plaatsvindt.

Artikel 38

De waarde van de afgezette productie van leden die zijn toegetreden tot de producentenorganisatie gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, wordt in aanmerking genomen voor de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie vanaf de datum die door het bestuur van de producentenorganisatie in haar schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 7, vierde lid, is aangewezen als de datum waarop het lidmaatschap in werking treedt.

Artikel 39

  • 1 De producentenorganisatie kan bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie de waarde van de afgezette productie van leden in aanmerking nemen die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend waren aangesloten bij een andere in Nederland erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2 De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts door de nieuwe producentenorganisatie in aanmerking genomen indien de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, de nieuwe producentenorganisatie uiterlijk op 15 november van het jaar waarvoor de waarde van de afgezette productie bepaald wordt een overzicht verstrekt van de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

  • 3 Indien de waarde van de afgezette productie van een lid als bedoeld in het eerste lid niet in aanmerking is genomen bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel36, is artikel 40, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie in aanmerking nemen de waarde van de afgezette productie van leden die:

    • a. na de referentieperiode, bedoeld in artikel36 tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891 en

    • b. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36,

      • 1°. niet waren aangesloten bij een erkende producentenorganisatie, of

      • 2°. waren aangesloten bij een producentenorganisatie waarvan de erkenning nadien is ingetrokken.

  • 2 De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien het lid de producentenorganisatie:

    • a. een overzicht verstrekt van de waarde van de afgezette productie van de producten waarvoor de producent bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

    • b. een controleverklaring of rapportage naar aanleiding van een COS 4400 onderzoek van een extern accountant overlegt waarin wordt bevestigd dat de waarde die is opgegeven in het overzicht, bedoeld in onderdeel a:

      • 1°. juist is;

      • 2°. gerealiseerd is door de verkoop van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

      • 3°. dat de betreffende producten voor eigen rekening en risico door de betreffende producent binnen het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd, en

      • 4°. geen BTW en transportkosten bevat.

Artikel 41

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie in aanmerking nemen de waarde afgezette productie van leden die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, waren aangesloten bij een in een andere lidstaat erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2 De waarde afgezette productie van de in het eerste lid bedoelde leden wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien:

    • a. de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, de nieuwe producentenorganisatie een schriftelijke verklaring verstrekt over de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, of

    • b. het lid een overzicht en controleverklaring of rapportage als bedoeld in artikel 40, tweede lid, onderdeel b, verstrekt.

Artikel 42

De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van leden die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie verwijderd voor het betreffende jaar.

Artikel 43

  • 1 Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring over de juistheid van de opgave van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie opstellen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, alsmede een verslag over de verrichte werkzaamheden.

  • 2 Producentenorganisaties overleggen jaarlijks uiterlijk op 2 december aan de minister:

    • a. de definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, en

    • b. de in het eerste lid bedoelde controleverklaring met het bijbehorende verslag.

Hoofdstuk 2. Beheer van het actiefonds

Artikel 44

  • 1 De wijze van berekening van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013, wordt door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties vastgelegd in haar statuten.

  • 2 De financiële bijdragen van de leden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, onderdeel i of ii, van verordening 1308/2013, kunnen op basis van objectieve criteria worden onderscheiden.

  • 3 Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt het besluit van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties tot vaststelling van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 goedgekeurd door de algemene vergadering van de producentenorganisatie.

  • 4 In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma, of een wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 daarvan, voor goedkeuring is voorgelegd aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de bijdragen aan het actiefonds door de algemene vergadering, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden.

  • 5 Indien in een jaar sprake is van een tekort van het actiefonds, kunnen tot en met 14 februari van het volgende jaar financiële bijdragen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 aan het actiefonds worden gedaan.

Artikel 45

  • 1 Door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties wordt voor het actiefonds:

    • a. een bankrekening geopend;

    • b. een grootboekrekening gereserveerd, of

    • c. een aparte kostenplaats aangemaakt.

  • 2 De afsluiting van het kwartaal of het jaar in de administratie van de grootboekrekening of bankrekening van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties sluit direct aan op kwartaalrapportage of de jaarrapportage.

  • 3 Het saldo van de eigen bijdragen van leden aan het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is op 14 februari van enig jaar groter dan of gelijk aan nul.

  • 4 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties laat een extern accountant een controle uitvoeren en, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, een controleverklaring afleggen over:

    • a. de juistheid van de in het tweede lid bedoelde afsluiting, en

    • b. de naleving van de voorschriften inzake het beheer van het actiefonds, bedoeld in artikel 24 van verordening 2017/891.

Artikel 46

  • 1 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties informeert jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma gedurende het voorgaande uitvoeringsjaar, in het bijzonder voor wat betreft:

    • a. de bedragen die per project over het uitvoeringsjaar zijn gerealiseerd;

    • b. welke investeringen van € 100.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op locatie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties zijn gerealiseerd, en

    • c. welke investeringen van € 50.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op andere locaties zijn gerealiseerd, onder vermelding van het adres van de locaties.

  • 2 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties overlegt aan de minister jaarlijks voor 1 juli na enig uitvoeringsjaar bewijsstukken waaruit blijkt dat het voldaan heeft aan haar informatieverplichting als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 1*. Eisen aan operationele programma’s

Artikel 47

  • 1 Producentenorganisaties streven met hun operationeel programma minimaal elk van de volgende strategische doelen na:

    • a. verduurzaming, en

    • b. marktgericht produceren.

  • 2 Producentenorganisaties kunnen met hun operationeel programma tevens het strategisch doel versterking afzetstructuur nastreven.

  • 3 De gekwantificeerde streefcijfers zijn voor Nederland:

    • a. voor de strategische doelstelling verduurzaming voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 januari 2019:

      • 1°. vermindering van de uitstoot van broeikasgassen;

      • 2°. het hergebruik van afvalstoffen;

      • 3°. het voorkomen van emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten naar lucht, water en bodem;

      • 4°. het bevorderen van geïntegreerde productie, en

      • 5°. het bevorderen van omschakeling naar een biologische productiewijze;

    • b. voor het strategische doel marktgericht produceren voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. van de totale omzet van Nederlandse producentenorganisaties is op 31 december 2020 15% afkomstig uit de afzet van nieuwe producten of nieuwe concepten op bestaande markten of het aanboren van nieuwe afzetkanalen en markten;

      • 2°. een jaarlijkse toename van 2,5% van de omzet per areaal;

      • 3°. een toename van het aantal producten dat wordt afgezet in een hogere kwaliteitsklasse of met een onderscheidend kwaliteitslabel, en

      • 4°. een jaarlijkse groei van 5% van de omzet van biologisch gecertificeerde productie in groente en fruit.

    • c. voor de strategische doelstelling versterking afzetstructuur voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. verdergaande samenwerking tussen producentenorganisaties;

      • 2°. een toename van de organisatiegraad per subsector met 15% van het aangesloten areaal op 31 december 2020 ten opzichte van 1 januari 2014.

Artikel 48

  • 1 In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 4 van verordening 2017/892, bevat een operationeel programma de visie van de producentenorganisatie voor de toekomst van de producentenorganisatie.

  • 2 In de visie van de producentenorganisatie, bedoeld in het eerste lid, is ten minste een beschrijving opgenomen van:

    • a. het toekomstbeeld dat de producentenorganisatie nastreeft en aan het einde van de looptijd van het operationeel programma wil hebben gerealiseerd, en

    • b. de wijze waarop dit toekomstbeeld past binnen de strategische doelstellingen bedoeld in artikel 47.

Artikel 49

De beschrijving van de uitgangssituatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/892 bevat een SWOT analyse waarin tenminste:

  • a. een beschrijving en onderbouwing is opgenomen van de sterke en zwakke punten van de producentenorganisatie, en

  • b. een beschrijving en onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen voor de producentenorganisatie bij het realiseren van de visie, bedoeld in artikel 48, en de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, van de producentenorganisatie.

Artikel 50

In de beschrijving van de doelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, onderbouwt de producentenorganisatie aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49, de keuze om de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, wel of niet na te streven met het operationeel programma.

Artikel 51

  • 1 De informatie over de voorgestelde maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/892, bevat per strategisch doel de volgende onderdelen:

    • a. de meetbare streefdoelen die de producentenorganisatie in het kader van het strategisch doel beoogt te realiseren;

    • b. een onderbouwing van de gekozen en niet gekozen meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49;

    • c. per meetbaar streefdoel van de producentenorganisatie:

      • 1°. een meetbare en controleerbare nulsituatie, voor zover mogelijk gebaseerd op de gemeenschappelijke uitgangsindicatoren, bedoeld in bijlage II van verordening 2017/892;

      • 2°. de percentages of cijfers, voor zover mogelijk uitgedrukt in dezelfde eenheid als de gekwantificeerde streefcijfers, die de producentenorganisatie aan het eind van de looptijd van het operationele programma nastreeft;

      • 3°. alle projecten waarmee de realisatie van het streefdoel van de producentenorganisatie wordt nagestreefd;

    • d. per project:

      • 1°. een omschrijving van het project;

      • 2°. een omschrijving en onderbouwing van de verwachte bijdrage, absoluut of relatief, van het project aan de realisatie van de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie,

      • 3°. een onderbouwing van het vernieuwende karakter van het project, en

      • 4°. de subsidiabele activiteiten die in het kader van project worden ingezet om de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie te realiseren;

    • e. per subsidiabele activiteit:

      • 1°. een omschrijving van de activiteit;

      • 2°. een omschrijving en onderbouwing van de verwachte bijdrage, absoluut of relatief, van de activiteit aan de realisatie van de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie;

      • 3°. een onderbouwing van de subsidiariteit van de activiteit en de bijbehorende uitgavenposten;

      • 4°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een planning van werkzaamheden voor de activiteit, en

      • 5°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een begroting voor de activiteit onderbouwd aan de hand van:

        • i. minimaal drie kostenbegrotingen per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op het eerste jaar van het operationeel programma, en

        • ii. minimaal één kostenbegroting per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op de volgende jaren van het operationeel programma

  • 2 De meetbare streefdoelen:

    • a. sluiten geheel of gedeeltelijk aan bij de gekwantificeerde streefcijfers, en

    • b. dragen bij aan de realisatie van de gekwantificeerde streefcijfers.

  • 3 Een project heeft een vernieuwend karakter als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wanneer de producentenorganisatie kan aantonen dat zij gedurende de looptijd van het voorafgaande operationele programma geen planmatige of bewuste activiteiten heeft ondernomen op het gebied van het betreffende project.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 3° geldt het vereiste dat een project een vernieuwend karakter moet hebben niet voor maatregelen als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vi en vii, van verordening 2017/891.

  • 5 Indien de meetbare streefdoelen, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangepast dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor het volgende jaar een verzoek tot wijziging van het operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 in.

  • 6 De uitgavenposten die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar van het operationeel programma worden voor de desbetreffende jaren jaarlijks door middel van een verzoek tot wijziging van het operationeel programma, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, onderbouwd door middel van minimaal drie kostenbegrotingen per uitgavenpost.

  • 7 In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, onder 5°, en het zesde lid, wordt een begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit waarvan de uitgaven in een uitvoeringsjaar worden geraamd op minder dan € 25.000 onderbouwd aan de hand van een enkele kostenbegroting.

  • 8 Indien een uitgavenpost voor een activiteit aantoonbaar niet door meer dan twee partijen kan worden uitgevoerd wordt een kostenbegroting, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, onder 5°, en het zesde lid, onderbouwd met de beschikbare kostenbegrotingen.

  • 9 Indien een begroting voor een activiteit wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen wordt de keuze voor de in de begroting opgenomen kostenbegroting voldoende gemotiveerd.

Artikel 52

Ter uitvoering van artikel 27, vijfde lid, van verordening 2017/891 betreffen de uitgaven van de uitvoering van het operationeel programma per project als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel d, maximaal 50 procent van het totale operationele programma.

Artikel 53

  • 1 Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt een operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid van verordening 2017/891 door de algemene vergadering van de producentenorganisatie goedgekeurd.

  • 2 In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma of een wijziging daarvan voor goedkeuring is voorgelegd aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het besluit tot goedkeuring van het operationeel programma of tot wijziging van een operationeel programma door de algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2*. Indienen, wijzigen en stopzetten operationeel programma

Artikel 54

  • 1 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het operationele programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892, in met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2 In afwijking van artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892 dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties een operationeel programma dat aanvangt in 2018, in voor 1 oktober 2017.

Artikel 55

  • 1 Een wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 kan betrekking hebben op:

    • a. een wijziging in de meerjarenbegroting voor de volgende uitvoeringsjaren van het operationeel programma;

    • b. het toevoegen of laten vervallen van uitgavenposten voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma;

    • c. het toevoegen van streefdoelen, projecten of activiteiten aan het operationele programma voor de volgende jaren;

    • d. het laten vervallen van projecten of activiteiten in het operationele programma voor de volgende jaren,

    • e. een wijziging van de verdeling van de tranches waarin investeringen via het actiefonds worden gefinancierd;

    • f. het jaarbedrag van het actiefonds, en

    • g. de looptijd van het operationele programma.

  • 2 Een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 wordt voor 15 september ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 3 Het toevoegen van uitgavenposten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is slechts mogelijk indien de activiteit subsidiabel is op grond van hoofdstuk 3 en 4 van dit deel.

  • 4 Op een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, is artikel 51 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 56

  • 1 Een wijziging van een operationeel programma gedurende het jaar, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891, betreft de toekomst en kan betrekking hebben op:

    • a. het toevoegen van nieuwe uitgavenposten aan bestaande activiteiten of van nieuwe activiteiten aan bestaande projecten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma, indien deze toevoeging voorafgaand aan het uitvoeringsjaar niet voorzienbaar was;

    • b. een wijziging van de begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met meer dan 20%;

    • c. het verhogen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 25%;

    • d. het verlagen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 80%, en

    • e. het toevoegen van andere soorten financiële bijdragen aan het actiefonds dan oorspronkelijk goedgekeurd.

  • 2 De producentenorganisatie geeft ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, gemotiveerd aan:

    • a. hoe het begrote bedrag tot stand gekomen is;

    • b. waarom het noodzakelijk is dat deze wijziging gedurende het jaar gedaan wordt, en

    • c. wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering van het operationeel programma.

  • 3 In aanvulling op het tweede lid geeft de producenteorganisatie ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gemotiveerd aan:

    • a. waarom deze activiteit of uitgavenpost subsidiabel is;

    • b. waarom deze wijziging niet voorzienbaar was, en

    • c. indien het een nieuwe activiteit betreft, welk strategisch doel deze activiteit ondersteunt.

  • 5 Ten aanzien van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt door de producentenorganisatie aangetoond dat de wijziging geen afbreuk doet aan de strategische doelen en de meetbare streefdoelen van het operationele programma.

  • 6 De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891 in op:

    • a. 1 februari van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • b. 1 mei van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • c. 1 augustus van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft, of

    • d. 31 oktober van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft.

  • 7 Het toevoegen van uitgavenposten of activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts mogelijk indien de uitgavenpost of activiteit subsidiabel is op grond van hoofdstuk 3 en 4 van dit deel.

Artikel 57

  • 1 Wijzigingen van de begroting voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met minder dan 20% en het vervallen van activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma worden door de producentenorganisatie gemeld aan de minister op de data bedoeld in artikel 56, zesde lid.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt een wijziging van de begroting als bedoeld in het eerste lid die ontstaat na 31 oktober van een uitvoeringsjaar aan de minister gemeld in de steunaanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892, voor het betreffende uitvoeringsjaar.

  • 3 Een wijziging van de begroting voor een activiteit opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met minder dan 20% als bedoeld in het eerste lid wordt door de producentenorganisatie onderbouwd aan de hand van kostenbegrotingen.

Artikel 58

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de uitvoering van haar operationele programma voor het einde van de geplande looptijd ervan stopzet, meldt zij dit onverwijld aan de minister.

Artikel 59

Een verzoek om bij fusie operationele programma’s parallel uit te voeren tot het einde van de looptijd, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening 2017/891, wordt ingediend voor 15 juli van het jaar van de fusie.

Hoofdstuk 3. Algemene voorschriften voor subsidiale uitgaven

Titel 1. Algemeen

Artikel 60

  • 1 De uitgaven, bedoeld in dit hoofdstuk, zijn subsidiabel indien zij op grond van hoofdstuk 4 van dit deel subsidiabel worden gesteld.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in bijlage I, zijn niet subsidiabel.

  • 3 Ter uitvoering van artikel 30, derde lid van verordening 2017/891 is het steunniveau voor activiteiten die subsidiabel zijn op grond van hoofdstuk 4 van dit deel, waarvoor door leden van de producentenorganisatie of van een bij de unie van producentenorganisaties aangesloten producentenorganisatie tevens subsidie kan worden aangevraagd op grond van verordening 1305/2013, niet hoger dan het maximale steunbedrag voor deze activiteiten op grond van verordening 1305/2013.

  • 4 Ter uitvoering van artikel 30, zesde lid, van verordening 2017/891 zijn activiteiten niet subsidiabel als voor die activiteiten subsidie is verleend uit hoofde van een afzetbevorderingsprogramma dat in het kader van verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PB EU 2014 L 317) is goedgekeurd.

Artikel 61

Indien subsidiabele uitgaven worden onderbouwd met een factuur:

  • a. wordt deze geaccordeerd door de projectleider die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit waarvoor de uitgaven zijn gedaan, en

  • b. bevat deze een omschrijving waaruit blijkt:

    • 1°. welke werkzaamheden zijn uitgevoerd of diensten zijn aangekocht, en

    • 2°. waar en wanneer deze werkzaamheden of diensten zijn uitgevoerd of aangekocht.

Artikel 62

Bij het bepalen van de factuurdatum van de laatste factuur voor een duurzaam productiemiddel worden facturen voor eventueel onvoorzien meerwerk niet meegerekend.

Titel 2. Personeelskosten

Artikel 63

Onder personeelskosten als bedoeld in punt twee van bijlage III van verordening 2017/891 worden verstaan:

  • a. de loonkosten voor personeel in dienst van:

    • 1°. de producentenorganisatie, of

    • 2°. een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

  • b. de kosten voor het inhuren van gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen, en

  • c. de arbeidskosten van:

    • 1°. een lid, indien het lid een natuurlijk persoon is, of

    • 2°. de eigenaar of directeur van een lid, indien het lid een rechtspersoon is.

Artikel 64

  • 1 Personeelskosten zijn subsidiabel voor maximaal:

  • 2 Uren worden alleen aan een activiteit toegerekend wanneer de producentenorganisatie aannemelijk maakt dat:

    • a. de uren aan de betreffende activiteit zijn besteed, en

    • b. de verhouding tussen de bestede uren en de omvang van de betreffende activiteit redelijk is.

  • 3 Personeelskosten voor managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten zijn niet subsidiabel.

  • 4 Activiteiten van leden van de directie of het bestuur van een producentenorganisatie of een dochteronderneming zijn niet subsidiabel.

  • 5 De minister kan, op verzoek van een producentenorganisatie, in afwijking van het vierde lid, besluiten dat personeelskosten voor een lid van de directie of het bestuur subsidiabel zijn, indien het kosten betreft voor concrete en aantoonbare activiteiten ter uitvoering van een activiteit.

Artikel 65

  • 2 Wanneer een lid van een producentenorganisatie meerdere eigenaren of directeuren heeft, geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma aan welke eigenaar of directeur de activiteiten zal uitvoeren en welke personeelskosten daarvoor worden opgevoerd.

Artikel 66

  • 1 Onder vakbekwaam personeel als bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, wordt verstaan personeel met een werk- en denkniveau met minimaal het opleidingsniveau van het middelbaar beroepsonderwijs, dat is verkregen door:

    • a. een afgeronde opleiding, of

    • b. ervaring en specifieke vakkennis.

  • 2 De eisen omtrent vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, worden door de producentenorganisatie opgenomen in door de directie of het bestuur geaccordeerde functieprofielen, welke worden opgenomen in de administratieve organisatie van de producentenorganisatie.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma aan de minister, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid van het personeel, bedoeld in het eerste lid:

    • a. de door de directie of het bestuur van de producentenorganisatie geaccordeerde functieprofielen, en

    • b. een volledige taakomschrijving per subsidiabele activiteit van het voor die activiteit ingezette personeel.

  • 4 De verplichting opgenomen in het derde lid is slechts van toepassing op een verzoek tot wijziging van een operationeel programma voor zover hiermee functies worden opgevoerd die niet eerder in het operationeel programma waren opgenomen.

  • 5 De minister kan, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijke bewijsstukken opvragen.

Artikel 67

  • 1 De producentenorganisatie houdt ter onderbouwing van de gewerkte uren, bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, een volledige urenadministratie bij die minimaal één keer per maand geparafeerd en gedateerd wordt door:

    • a. de betreffende medewerker, en

    • b. de projectleider of leidinggevende.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de urenadministratie bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De medewerker, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, mag niet dezelfde persoon zijn als de projectleider of leidinggevende, bedoeld in het eerste lid onderdeel b.

  • 4 De urenadministratie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt bijgehouden gedurende het hele kalenderjaar of voor de duur van de arbeidsovereenkomst van de medewerker wiens inzet wordt toegerekend aan een subsidiabele activiteit;

    • b. omvat alle uren waarvoor de betreffende medewerker een arbeidscontract heeft, waaronder de uren die niet worden toegerekend aan subsidiabele activiteiten;

    • c. bevat een korte en duidelijke omschrijving van ter uitvoering van de subsidiabele activiteit verrichte werkzaamheden, en

    • d. geeft duidelijk weer voor hoeveel uren de betreffende medewerker wordt ingezet:

      • 1°. per activiteit, en

      • 2°. voor niet-subsidiabele activiteiten.

  • 5 De minister kan, in afwijking van het vierde lid, onderdeel d, op verzoek van een producentenorganisatie schriftelijk toestemming verlenen om de onderverdeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, te maken aan de hand van een andere deugdelijke onderbouwing.

  • 6 Indien managers of leidinggevenden uren maken ter uitvoering van een activiteit blijkt uit de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid, dat managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten niet zijn toegerekend aan subsidiabele activiteiten.

  • 7 Het aantal uren waarvoor in de steunaanvraag per activiteit steun wordt aangevraagd overschrijdt niet het aantal uren dat ingevolge de goedkeuring van het operationeel programma of het verzoek tot wijziging daarvan voor deze activiteit is goedgekeurd.

Artikel 68

  • 1 De producentenorganisatie onderbouwt de loonkosten, bedoeld in artikel 63, onderdeel a, van de subsidiabele activiteiten aan de hand van uurtarieven op basis van het jaarsalaris van de desbetreffende medewerkers.

  • 2 In het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgenomen:

    • a. het contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon;

    • b. een bij contract of CAO overeengekomen niet winstafhankelijke dertiende maand;

    • c. een onregelmatigheidstoeslag;

    • d. een ploegentoeslag;

    • e. het werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;

    • f. de voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;

    • g. het werkgeversdeel pensioen en vervroegde uittreding, en

    • h. dotaties aan pensioenvoorzieningen voor zover onderbouwd kan worden dat hier rechtens afdwingbare verplichtingen tegenover staan.

  • 3 Ten behoeve van de berekening van het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, wordt het jaarsalaris gedeeld door:

    • a. het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met 43 werkweken, of

    • b. in geval van een niet volledig gewerkt jaar, het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met het aantal werkweken in het desbetreffende jaar vermenigvuldigd met 0,827.

  • 4 Overwerktoeslagen worden niet het in het eerste lid bedoelde uurtarief opgenomen.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van operationeel programma van één personeelslid een voorbeeld van de berekening aan de minister.

Titel 3. Duurzame productiemiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 69

  • 1 De producentenorganisatie neemt duurzame productiemiddelen binnen twaalf maanden na de factuurdatum van de laatste factuur in gebruik.

  • 2 De producentenorganisatie toont de aanschaf van de duurzame productiemiddelen aan de hand van facturen of afleverbonnen aan en verstrekt deze onverwijld aan de minister, indien de minister daar om verzoekt.

Artikel 70

  • 1 Duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien zij toegankelijk zijn voor alle leden van de productenorganisatie.

  • 2 Duurzame productiemiddelen geplaatst op het bedrijf van een lid van een producentenorganisatie zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie schriftelijk met het lid overeenkomt dat het productiemiddel toegankelijk is voor de producentenorganisatie en al haar leden.

  • 3 Investeringen in elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding en aansluiting op systemen voor datacommunicatie, die worden gezien als onmisbare elementen, op het bedrijf van een lid zijn subsidiabel.

Artikel 71

Investeringen die voor 1 januari 2008 reeds in een operationeel programma waren opgenomen en ook na 1 januari 2008 nog in een operationeel programma zijn opgenomen, zijn voor het deel dat betrekking heeft op de periode voor 1 januari 2008 subsidiabel naar rato van het aandeel van de investering dat wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

Artikel 72

  • 1 Ter uitvoering van artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891 toont de producentenorganisatie het gebruik van duurzame productiemiddelen aan met behulp van gebruiksadministraties per productiemiddel, tenzij de producentenorganisatie het gebruik van het productiemiddel op andere wijze aantoont ten genoegen van de minister.

  • 2 De producentenorganisatie geeft bij de indiening van het operationeel programma aan op welke wijze de gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid gevoerd gaat worden.

  • 3 De gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid registreert minimaal de volgende elementen:

    • a. het jaar;

    • b. het project;

    • c. de locatie;

    • d. het soort productiemiddel;

    • e. de aanschafdatum;

    • f. de leverancier, het merk, het type, het serienummer of registratienummer;

    • g. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • h. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, en

    • i. de totale hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag.

  • 4 De hoeveelheden bewerkt of voorbereid product, bedoeld in het derde lid, onderdelen g tot en met i, worden geregistreerd op:

    • a. productstromen op locatieniveau in geval van distributiecentra en gebouwen;

    • b. palletregistraties in geval van koelcellen, of

    • c. stuks, collie of kilogramregistraties, in geval van sorteerlijnen en verpakkingsmachines.

  • 5 De gebruiksadministratie wordt bij de indiening van de steunaanvraag, geaggregeerd per maand aan de minister overgelegd.

  • 6 De minister kan, op eigen initiatief of op verzoek van een producentenorganisatie besluiten, in afwijking van het tweede, derde en vierde lid, andere voorschriften te stellen aan de gebruiksadministratie.

Artikel 73

  • 1 Uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen en de bijkomende kosten van installatie en montage, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd, zijn als onderdeel van het duurzame productiemiddel subsidiabel.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen niet subsidiabel voor zover het gaat om uitgaven voor:

    • a. service en onderhoud van duurzame productiemiddelen, of

    • b. construction all risk verzekeringen.

  • 3 Uitgaven voor het demonteren van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel wanneer dit tot doel heeft het productiemiddel te verhuizen, reviseren, transporteren en opnieuw monteren.

Artikel 74

  • 1 De producentenorganisatie neemt in de steunaanvraag alleen uitgaven op voor:

    • a. nieuwbouw of verbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

    • b. ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, en

    • c. elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen, die aangegeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft;

    • b. offertes van de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakten en elementen en bijbehorende uitgaven.

  • 4 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de subsidiabele uitgaven aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen die aangeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreffen;

    • b. facturen op naam van de producentenorganisatie met vermelding van de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakte en elementen en bijbehorende uitgaven.

Artikel 75

  • 1 De aankoop van onbebouwde grond, bedoeld in punt 6 van bijlage III van verordening 2017/891, is subsidiabel indien deze grond daadwerkelijk wordt aangewend voor de realisatie van in het operationeel programma opgenomen investeringen.

  • 3 De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van bouwtekeningen of plattegronden aan welke delen van de grond worden aangewend voor in het operationeel programma opgenomen subsidiabele investeringen.

  • 4 De producentenorganisatie gebruikt de grond binnen de looptijd van het operationeel programma voor realisatie van de investering waarvoor de grond is aangekocht.

Artikel 76

  • 1 Duurzame productiemiddelen, met uitzondering van duurzame onroerende productiemiddelen zijnde bomen en meerjarige planten, zijn eigendom van de producentenorganisatie, unie van productenorganisaties of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van een of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

  • 2 Duurzame productiemiddelen die worden gefinancierd door meerdere erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn subsidiabel naar rato van het aandeel in de financiering van elk van die producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

Artikel 77

  • 1 Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame roerende productiemiddelen tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering.

  • 2 Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame onroerende productiemiddelen tot ten minste tien jaar na de factuurdatum van de laatste factuur en tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering.

  • 3 Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van duurzame onroerende productiemiddelen korter is dan de periode, bedoeld in het tweede lid, blijven duurzame onroerende productiemiddelen tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode in eigendom en bezit van de eigenaar.

  • 4 In afwijking van het tweede en derde lid wordt de opbrengst van duurzame onroerende productiemiddelen, zijnde bomen en meerjarige planten, geleverd aan de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties:

    • a. tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste steunbetaling voor de desbetreffende investering, of

    • b. indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van de boom of meerjarige plant korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a, tot ten minste het einde van de fiscale afschrijvingsperiode.

  • 5 Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan de eigenaar is van een duurzaam productiemiddel en een lid van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties de houder is van dat duurzame productiemiddel, geldt de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts voor het eigendom van het duurzame productiemiddel.

Artikel 78

Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties duurzame productiemiddelen gedurende de periode, bedoeld in artikel 77, verkoopt en niet vervangt, wordt de Uniesteun die is betaald voor de duurzame productiemiddelen naar evenredigheid van het aantal volledige jaren dat resteert tot het einde van die periode door de minister gerecupereerd, overeenkomstig artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891.

Artikel 79

  • 1 Indien een lid de producentenorganisatie verlaat of een producentenorganisatie de unie van producentenorganisaties verlaat, wordt een duurzaam productiemiddel dat op het terrein van het lid of van de producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan is geplaatst, herplaatst of vordert de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de restwaarde van het duurzame productiemiddel terug en stort deze in het actiefonds.

  • 2 Wanneer een lid op wiens terrein een duurzaam productiemiddel is geplaatst de producentenorganisatie verlaat, wordt het op het terrein van dat lid geplaatste duurzame productiemiddel, herplaatst op een locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, achtste lid, onderdeel a, van verordening 2017/891, of een lid.

  • 3 In geval van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een unie van producentenorganisaties wordt het duurzame productiemiddel herplaatst op een locatie van de unie van producentenorganisaties, een aangesloten producentenorganisatie, een dochteronderneming van de unie van producentenorganisaties of een aangesloten producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, achtste lid, van verordening 2017/891 of een lid van een aangesloten producentenorganisatie.

  • 4 De restwaarde wordt bepaald naar evenredigheid van het aantal volledige maanden dat resteert tot het einde van de periode, bedoeld in artikel 77.

  • 5 Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in het jaar waarin de restwaarde op grond van het tweede lid in het actiefonds wordt gestort en in de twee daaropvolgende jaren geen operationeel programma heeft, wordt het gedeelte van de restwaarde waarvoor Uniesteun is betaald door de minister gerecupereerd.

Artikel 80

  • 1 De restwaarde, bedoeld in artikel 32, zesde lid, van verordening 2017/891, wordt bepaald volgens de voorschriften van artikel 79, vierde lid.

  • 3 De vervanging van onderdelen van duurzame productiemiddelen is niet subsidiabel.

Artikel 81

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uitgaven voor een investering in een duurzaam productiemiddel in identieke tranches in de steunaanvraag opneemt, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891, wordt de eerste tranche niet eerder opgenomen dan in de steunaanvraag die de periode betreft die de factuurdatum van de laatste factuur voor het duurzame productiemiddel omvat.

Artikel 82

  • 1 Duurzame productiemiddelen kunnen ten laste van het actiefonds worden gebracht gedurende maximaal de periode, bedoeld in artikel 77.

  • 2 Uitgaven voor duurzame productiemiddelen, inclusief duurzame productiemiddelen die worden verworven door middel van langlopende leasecontracten, kunnen ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen, indien de periode, bedoeld in artikel 77, langer is dan de looptijd van het operationele programma.

Artikel 83

  • 1 Tweedehands duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien:

    • a. het aanschafbedrag hoger is dan € 10.000, en

    • b. de producentenorganisatie bij indiening van de steunaanvraag aan de minister een verklaring van de verkopende partij overlegt dat voor de aankoop van het productiemiddel in de voorafgaande zeven jaren geen uniale steun of nationale subsidie is ontvangen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de termijn waarbinnen geen uniale steun of nationale subsidie mag zijn ontvangen voor onroerende zaken tien jaar.

  • 3 Tweedehands duurzame productiemiddelen die bij een aangesloten producent zijn aangeschaft zijn niet subsidiabel indien deze productiemiddelen vervolgens bij deze of een andere aangesloten producent worden geplaatst.

  • 4 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op investeringen die worden gehuurd of geleased.

Artikel 84

  • 1 Duurzame productiemiddelen op het terrein van ICT zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. hardware die:

      • 1°. een integraal onderdeel uitmaakt van subsidiabele installaties, of

      • 2°. ondersteunend is voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten;

    • b. software applicaties die ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten die bijdragen aan handhaving van kwaliteit, milieubescherming of verbetering van de afzet en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2 De producentenorganisatie toont bij de indiening van de steunaanvraag aan:

    • a. welke applicaties via de server gebruikt worden, en

    • b. wat het capaciteitsbeslag en het gebruik van de subsidiabele applicaties is.

Artikel 85

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Artikel 86

Producentenorganisaties houden voor alle duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, een actueel register bij.

Artikel 87

  • 1 Uitgaven voor huur als alternatief voor koop van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel overeenkomstig punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891, voor zover koop van de productiemiddelen subsidiabel zou zijn.

  • 2 In het geval de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op twee uitvoeringsjaren van het operationeel programma, zijn deze uitgaven, in afwijking van artikel 202, eerste lid, subsidiabel in het jaar waarin zij aan de producentenorganisatie zijn gefactureerd.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, een huurcontract.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van huur.

Afdeling 2. Duurzame productiemiddelen voor maatregelen op het gebied van energiebesparing, verbetering van de waterkwaliteit, waterbesparing en mineralenbesparing

Artikel 88

  • 1 Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor energiebesparende projecten opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een energiebalans toe, waarin wordt vermeld wat de beginsituatie en de verwachte situatie is, op basis van een door een deskundige:

    • a. opgestelde technische specificatie, en

    • b. gemaakte berekening van de verwachte energiestromen en de verwachte energiebesparing.

  • 2 Ter verantwoording van de gerealiseerde energiebesparing overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend nadat de installaties één jaar in bedrijf zijn gesteld, het volgende:

    • a. het declaratieformulier energiebesparende investeringen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de bereikte energiebesparing volgens de geactualiseerde energiebalans, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • c. de jaaropgave van het energieverbruik in het kader van de uniforme milieuregistratie die is overgelegd aan de Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw en Milieu en het voor deze registratie bijgehouden logboek of de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier.

  • 3 Indien een afwijking van de verwachte energiebesparing, bedoeld in het eerste lid, door de producentenorganisatie onvoldoende gemotiveerd wordt kan de minister uitgaven voor investeringen als bedoeld in het eerste lid niet subsidiabel oordelen.

Artikel 89

  • 1 Indien de totale hoeveelheid aan derden geleverde energie die wordt opgewekt met een energiebesparende installatie groter is dan de totale hoeveelheid energie die door het lid waar de investering is geplaatst van energieleveranciers is afgenomen, wordt de opbrengst van de netto energielevering aan derden van energie die wordt opgewekt met die installatie in mindering gebracht op de subsidie voor de desbetreffende investering. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

  • 2 Wanneer de energie die wordt opgewekt met de in het eerste lid bedoelde installatie uitsluitend op het teeltbedrijf zelf gebruikt wordt, overlegt de producentenorganisatie aan de minister jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag, vanaf het jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de installatie, de energiebalans waaruit blijkt dat er geen warmte of elektriciteit is geleverd aan derden.

Artikel 90

  • 1 Uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie uitgevoerd door middel van een participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met energieclustering zijn subsidiabel.

  • 2 Een agrarisch samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid omvat ook een leveringsovereenkomst tussen agrarische bedrijven.

  • 3 Indien de gezamenlijke opbrengsten uit de participatie in een samenwerkingsverband voor een producentenorganisatie en diens leden of een unie van producentenorganisaties en diens leden groter zijn dan de gezamenlijke kosten van de totale hoeveelheid energie die door die producentenorganisatie en diens leden of die unie van producentenorganisaties en diens leden is afgenomen van het samenwerkingsverband, wordt het verschil in mindering gebracht op de subsidie voor de desbetreffende investering. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

Artikel 91

  • 1 Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor verbeterde waterkwaliteit, waterbesparing of besparing op het mineralenverbruik opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een prognose toe van de verwachte verbetering of besparing per installatie, aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige.

  • 2 Ter verantwoording van de gerealiseerde verbetering van de waterkwaliteit of de waterzuivering, of van de gerealiseerde besparing op het waterverbruik of het mineralenverbruik overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend na één jaar na de factuurdatum van de laatste factuur, het volgende:

    • a. het declaratieformulier installaties waterkwaliteit, waterbesparing, waterzuivering en fertigatie in de fruitteelt, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de bereikte verbetering of besparing per installatie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een vergelijking van:

      • 1°. een meting van de situatie voor de ingebruikname van de installatie, en

      • 2°. een meting van de gerealiseerde situatie na de ingebruikname van de installatie.

  • 3 In geval van leidingwater wordt de bereikte waterbesparing onderbouwd aan de hand van de jaarafrekening van het waterleidingbedrijf.

  • 4 Indien uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen op grond van titel 1 van hoofdstuk 4 van dit deel subsidiabel zijn wanneer een waterbesparing of energiebesparing van 25% wordt gerealiseerd, wordt de besparing berekend in het kader van en op het niveau van de investering.

Titel 4. Overige kosten

Artikel 92

  • 1 Uitgaven voor de inhuur van externen zijn subsidiabel, indien de voor uitvoering van een activiteit benodigde kennis of capaciteit bij een producentenorganisatie niet voldoende aanwezig is.

  • 2 Externen als bedoeld in het eerste lid beschikken minimaal over het opleidingsniveau, bedoeld in artikel 66, eerste lid.

  • 3 Producentenorganisaties geven in het operationeel programma aan welke specifieke taken aan externe diensten worden uitbesteed.

  • 4 De minister kan een producentenorganisatie, ten behoeve van de beoordeling van de subsidiabiliteit van uitgaven voor de inhuur van externen, verzoeken om aanvullende informatie en bewijsstukken te overleggen.

Artikel 93

  • 1 Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door leden en medewerkers van de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien:

    • a. deze leden en medewerkers in het operationeel programma zijn opgenomen;

    • b. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in het operationeel programma opgenomen activiteit;

    • c. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker of het lid zijn uitbetaald;

    • d. de vergoeding maximaal € 0,19 per kilometer bedraagt, en

    • e. er een deugdelijke kilometeradministratie is bijgehouden die is geaccordeerd door de projectleider of leidinggevende die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit en een andere persoon is dan de persoon die de reis heeft gemaakt.

  • 2 Uitgaven voor vliegtickets voor buitenlandse dienstreizen, plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en tickets voor veerboten zijn subsidiabel op basis van de economy class prijzen van deze tickets of plaatsbewijzen.

  • 4 De in het tweede en derde lid bedoelde uitgaven worden, met uitzondering van de vergoeding toegekend voor dagkosten, bij indiening van de steunaanvraag onderbouwd aan de hand van:

    • a. facturen, en

    • b. vervoersbewijzen.

  • 5 Kosten voor auto’s in eigendom van of geleased dan wel gehuurd door de producentenorganisatie zijn niet subsidiabel.

Artikel 94

  • 1 Uitgaven voor overige kosten op het gebied van ICT zijn subsidiabel voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2 Uitgaven voor licenties en voor abonnementen voor software applicaties als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel b, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de ICT voorziening omvat, zijn eenmalig subsidiabel indien het uitgaven voor subsidiabele applicaties en modules betreft.

  • 3 Onderhoudsabonnementen zijn niet subsidiabel.

Artikel 95

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal voor rassen van eenjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van eenjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Hoofdstuk 4. Subsidiabele activiteiten

Titel 1. Verduurzaming

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 96

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Artikel 97

De minister kan subsidie voor in het operationeel programma opgenomen milieuacties aanpassen wanneer het relevante referentieniveau wijzigt.

Artikel 98

  • 1 De producentenorganisatie voert activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, uit gedurende de gehele looptijd van het operationeel programma.

  • 2 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens in een volgend operationeel programma opgenomen, indien dit noodzakelijk is om de looptijd te bereiken die van toepassing is op grond van artikel 28, vijfde lid, van verordening 1305/2013.

  • 3 De producentenorganisatie gebruikt de technische middelen, met uitzondering van vaste activa, waarvoor subsidie wordt verstrekt voor uitvoering van activiteiten ter realisatie van het strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, gedurende de hele periode, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van verordening 1305/2013, voor de doeleinden zoals goedgekeurd in het operationeel programma.

Artikel 99

Investeringen in duurzame productiemiddelen die op grond van deze afdeling subsidiabel zijn kunnen gedurende de bedrijfseconomische levensduur vervangen worden, indien er significante milieuvoordelen zijn.

Afdeling 2. Uitgaven ten behoeve van aankoop van vaste activa en andere vormen van verwerving van vaste activa

Artikel 100

  • 1 Uitgaven voor investeringen in innovatieve en emissiebeperkende gewasbeschermingsapparatuur zijn subsidiabel indien deze investeringen tot doel hebben om het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen te verminderen of te voorkomen.

  • 2 Als innovatieve en emissiebeperkende gewasbeschermingsapparatuur wordt beschouwd:

    • a. spuitapparatuur;

    • b. UV-licht ter bestrijding van schimmelziekten;

    • c. mechanische onkruidbestrijdingsapparatuur,

    • d. GPS systemen in het kader van de precisielandbouwtechnieken, indien de inzet van GPS systemen leidt tot positieve effecten op het milieu of de kwaliteit van producten door aantoonbaar toepassen van:

      • 1°. precisie zaaien of planten;

      • 2°. precisietoediening van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en

      • 3°. precisie mechanische onkruidbestrijding;

    • e. apparatuur voor het elektrochemisch activeren van een zwakke oplossing van natriumchloride in onthard water in combinatie met een vernevelaar ter bestrijding van micro organismen, of

    • f. apparatuur om looftrekdoeken te ontsmetten.

  • 3 Spuitleidingen en het transportsysteem voor het verplaatsen naar de volgende rij of afdeling van spuitrobots en UV belichtingswagens zijn niet subsidiabel.

  • 4 In geval van opgebouwde zelfrijdende landbouwspuitmachines is uitsluitend het spuitsysteem subsidiabel.

Artikel 101

  • 1 De producentenorganisatie onderbouwt de emissiebeperking, bedoeld in artikel 100, eerste lid:

    • a. bij de indiening van het operationeel programma of voorafgaand aan de uitvoering van de investering aan de hand van bij het betreffende merk of type apparatuur uitgevoerd onafhankelijk onderzoek, en

    • b. door bij de indiening van de steunaanvraag een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf te overleggen waarbij de nulsituatie wordt weergegeven.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister indien er geen onafhankelijk onderzoek beschikbaar is, bij de beoordeling van de steunaanvraag van een betrokken teeltbedrijf een meerjarige spuitregistratie opvragen ter vergelijking van:

    • a. het gewasbeschermingsmiddelenverbruik in het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het gewasbeschermingsmiddelenverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

  • 3 De nulsituatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is het gemiddelde gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf over 3 voorgaande jaren.

Artikel 102

Uitgaven voor hygiënesluizen en hygiënestations ter voorkoming van insleep van ziekten in kassen door medewerkers en bezoekers zijn subsidiabel indien de sluis de enige toegang vormt tot de te betreden ruimte onder quarantaine.

Artikel 103

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor insectengaas bij vollegrondsteelten ter wering van insecten zijn subsidiabel.

  • 2 De uitgaven van de producentenorganisatie voor vliesdoek zijn niet subsidiabel.

Artikel 104

  • 1 Uitgaven voor investeringen in duurzame energie zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft, en

    • b. het gaat om onder meer:

      • 1°. zonnepanelen;

      • 2°. zonnecollectoren, of

      • 3°. windmolens.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 In geval van een investering in een installatie voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn de kosten van de installatie zelf en het draagmateriaal subsidiabel.

  • 4 Uitgaven voor aanpassing aan het gebouw en een installatie voor zonne-energie op het dak van een nabijgelegen bedrijf van een derde zijn niet subsidiabel.

Artikel 105

  • 1 Uitgaven voor investeringen in warmte-krachtkoppeling installaties zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Uitgaven voor bouwkundige voorzieningen bij aanschaf van warmte-krachtkoppeling installaties zijn niet subsidiabel.

Artikel 106

  • 1 Uitgaven voor investeringen in aardwarmte zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Uitgaven voor investeringen voor aansluiting van het teeltbedrijf op een geothermische bron zijn subsidiabel.

Artikel 107

  • 1 Uitgaven voor investeringen in aanvullende meetapparatuur voor metingen in de kas ter voorkoming van schade aan gewassen is subsidiabel indien deze apparatuur extreem gevoelig is voor NO, NO2, C2H4 en CO en waarden kleiner dan 5.000 microgram per liter meet.

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt de emissie na rookgasreiniging:

    • a. bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van de specificatie van de leverancier vooraf, en

    • b. bij de indiening van de steunaanvraag aan de hand van de metingen van de emissieconcentratie na ingebruikstelling.

  • 3 Uitgaven van de producentenorganisatie voor voorzieningen voor distributie en regeling van CO2 in de kas zijn niet subsidiabel.

Artikel 108

  • 1 Uitgaven voor investeringen in aansluitingen op een CO2-netwerk en aansluitingen voor CO2-opslag, alsmede bijbehorende meetapparatuur voor de afvang van CO2voor stookinstallaties zijn subsidiabel indien de afgevangen CO2 wordt aangewend voor dosering aan het gewas in de kassen van het betreffende teeltbedrijf of cluster van teeltbedrijven.

  • 2 Uitgaven van de producentenorganisatie voor voorzieningen voor distributie en regeling van CO2 in de kas zijn niet subsidiabel.

Artikel 109

  • 1 Uitgaven voor investeringen op bedrijven, anders dan glastuinbouwbedrijven, in warmtepompen, warmtewisselaars, warmte- en koudebuffering zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

Artikel 110

  • 1 Uitgaven voor investeringen in het kader van het programma ‘Kas als Energiebron’ of ‘Het nieuwe telen’ zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 25% geeft;

    • b. het gaat om installaties ten behoeve van semi-gesloten kassen die een combinatie vormen van:

      • 1°. buitenluchtaanzuiging in combinatie met een tweede beweegbaar energiescherm;

      • 2°. energiebesparend ventilatiesysteem met warmteterugwinning of voorverwarming;

      • 3°. luchtbehandelingsystemen ter ontvochtiging van lucht;

      • 4°. hogedrukvernevelingsysteem met een adiabatische koeling waarbij de druppelgrootte 5 tot maximaal 15 micron bedraagt;

      • 5°. warmtewisselingsysteem;

      • 6°. warmtepomp;

      • 7°. seizoensopslagsysteem voor warmte en koude;

      • 8°. warmtebuffertank;

      • 9°. tweede energiescherm, waarbij de energiebesparing met het doek dicht minimaal 45% bedraagt;

      • 10°. eerste energiescherm voor bedrijven met een verbruik van minder dan 25 Nm3 aardgasequivalent/m2, waarbij de energiebesparing met het doek dicht minimaal 35% bedraagt, of

      • 11°. gevelscherm, waarbij de energiebesparing met het scherm dicht minimaal 40% bedraagt.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Het scherm, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9 tot en met 11, is geen scherm voor lichtafscherming.

  • 4 De vervanging van bestaande schermen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 9 tot en met 11, is niet subsidiabel.

Artikel 111

Uitgaven voor investeringen in zelfpersende containers zijn subsidiabel.

Artikel 112

  • 1 Uitgaven voor investeringen in innovatieve installaties ten behoeve van waterbesparing zijn subsidiabel indien:

    • a. de specificatie van de investering een reductie van het waterverbruik van minimaal 25% geeft;

    • b. de investeringen gericht zijn op de vervanging of de modernisering van bestaande systemen met het doel het waterverbruik te verminderen, en

    • c. het gaat om:

      • 1°. bodemvochtsensoren in de vollegrondsteelt, of

      • 2°. installaties gericht op het hergebruik van spoelwater bij het afleveringsklaar maken van geoogst product.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het waterverbruik van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Het vaststellen van waterbesparing, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik van de 12 maanden voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. na ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 113

  • 1 Uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing zijn subsidiabel indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat de verplichting om water dat gewasbeschermingsmiddelen bevat voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening te leiden die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen uit het afvalwater verwijdert, voor de desbetreffende inrichting niet geldt en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 25% geeft.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 10% toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 In geval van waterzuivering als bedoeld in het eerste lid overlegt de producentenorganisatie, bij indiening van de steunaanvraag aan de minister, een opgave van de emissiereductie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater. De reductie wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de metingen voor inbedrijfstelling van de investering en direct na inbedrijfstelling van de investering.

Afdeling 3. Uitgaven voor overige activiteiten ten behoeve van biologische productie

Artikel 114

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat dit, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 115

  • 2 De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van mest en compost bij de indiening van de steunaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon met vermelding van Skalnummer en ‘eko’ of ‘bio’;

    • b. het Skal certificaat van de leverancier, en

    • c. een opgave per deelnemende producent van:

      • 1°. het areaal GMO waardige gewassen;

      • 2°. de hoeveelheid en het type mest of compost, en

      • 3°. de opgevoerde kosten.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, kan de producentenorganisatie in plaats van Skal certificaten een lijst van Skal gecertificeerde leveranciers en Skalnummers overleggen.

  • 4 De uitgaven van de producentenorganisatie, bedoeld in het eerste lid, voor geconcentreerde handelsmeststoffen zijn niet subsidiabel.

Artikel 116

  • 1 Uitgaven voor het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid door het activeren van bodemleven door middel van het toedienen van micro-organismen zijn subsidiabel.

  • 2 De producentenorganisatie verzoekt de minister vooraf om goedkeuring van de micro-organismen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 117

  • 1 Uitgaven voor biologische vermeerdering en opkweek van uitgangsmateriaal en de niet-chemische behandeling bij zaden van gangbare oorsprong zijn subsidiabel indien zij door de Stichting Skal, bedoeld in artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, gecertificeerd zijn.

  • 2 Voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, geldt een forfaitair tarief van 25%.

  • 3 De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van uitgangsmateriaal bij de indiening van de steunaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon met vermelding van Skalnummer en ‘eko’ of ‘bio’ en, indien van toepassing, ‘niet chemisch behandeld’, en

    • b. het Skal certificaat van de leverancier.

  • 4 In afwijking van het derde lid, onderdeel b, kan de producentenorganisatie in plaats van Skal certificaten een lijst van Skal gecertificeerde leveranciers en Skalnummers overleggen.

Afdeling 4. Uitgaven voor overige activiteiten ten behoeve van geïntegreerde productie

Artikel 118

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat het, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 119

  • 1 Uitgaven voor zaden van rassen met één of meerdere extra resistenties met als doel vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn subsidiabel.

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van schriftelijke bewijsstukken, dat het ras, bedoeld het eerste lid, beschikt over één of meerdere extra resistenties ten opzichte van de belangrijkste standaardrassen aan de hand van een vergelijking tussen deze rassen.

  • 3 De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen of plantenpaspoorten van zaden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 120

  • 1 Voor de rassen, bedoeld in artikel 119, eerste lid, zijn de meerkosten ten opzichte van een standaardras zonder extra resistentie subsidiabel.

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, de meerkosten, bedoeld in het eerste lid, door middel van een vergelijking tussen de kosten van de belangrijkste standaardrassen en het ras met de extra resistentie, bedoeld in artikel 119, eerste lid.

  • 3 De vergelijking, bedoeld in het tweede lid, wordt gemaakt per ras en per leverancier.

  • 4 De kosten van gecoat zaad worden bij de prijsvergelijking, bedoeld in het derde lid, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 121

  • 1 Uitgaven voor het enten van plantmateriaal met als doel het verminderen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn subsidiabel.

  • 2 De onderverdeling van rassen in tariefgroepen vindt plaats op basis van het rassenregister van de Raad voor de Plantenrassen.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4 De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen van het plantmateriaal, bedoeld in het eerste lid, en overlegt deze desgevraagd aan de minister.

Artikel 122

Uitgaven voor middelen voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen zijn subsidiabel indien het uitgaven betreft voor:

  • a. macrobiologische bestrijders en aaltjes, die zijn toegelaten op grond van de Regeling natuurbescherming;

  • b. microbiologische bestrijders die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • c. overige gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • d. middelen voor feromoonverwarring die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • e. feromonen als lokstof in vallen of op rollertraps en vangplaten;

  • f. vangplaten en rollertraps;

  • g. kalkmelk voor de fruitteelt;

  • h. organismen, voeding en middelen voor dosering ter ondersteuning van biologische gewasbescherming, en

  • i. bakken om eitjes, poppen of larven van fruitvliegen te doden.

Artikel 123

  • 1 Uitgaven voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en het voorkomen van ziekten en plagen zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. verblazingsapparatuur voor het effectief doseren van natuurlijke vijanden;

    • b. een scoutbox voor automatische detectie en diagnose van plagen, en

    • c. vlieglampen en sporenfilters voor de champignonteelt.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn de volgende uitgaven niet subsidiabel:

    • a. afdichtingsmateriaal ten behoeve van het afdichten van champignoncellen;

    • b. messen ter voorkoming van verspreiding van virussen, en

    • c. grondstomen en stomen van materialen in de kas.

  • 3 Uitgaven voor een softwarelicentie voor een scoutbox als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de scoutbox omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

Artikel 124

  • 1 Voor de uitgaven, bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, geldt een forfaitair tarief van:

    Uitvoeringsjaar

    Forfaitair tarief

    2018

    40%

    2019

    20%

    2020

    20%

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt het effect van biologische en geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, op het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep) aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de uitgaven, bedoeld in artikel 122 en 123, eerste lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 125

  • 1 Uitgaven voor de meerkosten van materialen, monitoring en begeleiding van biologische grondontsmetting ten opzichte van gangbare grondontsmetting, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

  • 2 De producentenorganisatie toont de meerkosten, bedoeld in het eerste lid, bij indiening van de steunaanvraag aan door middel van offertes of facturen.

Afdeling 5. Uitgaven voor activiteiten om afvalproductie te verminderen en afvalbeheer te verbeteren

Artikel 126

Ter uitvoering van artikel 30, vierde lid, van verordening 2017/891 kunnen in uitzonderlijke gevallen de werkelijke kosten van milieuacties, anders dan de verwerving van vaste activa, subsidiabel worden gesteld indien de producentenorganisatie in haar operationeel programma onderbouwt dat het, gezien de hoogte van de werkelijk uit de milieuactie voortvloeiende kosten, nodig is om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de milieuactie.

Artikel 127

  • 1 Uitgaven voor de meerkosten van biologisch afbreekbaar folie bestemd voor onkruidbestrijding ten opzichte van kunststoffolie zijn subsidiabel.

  • 2 De meerkosten, bedoeld in het eerste lid, worden door de producentenorganisatie bij het indienen van de steunaanvraag aangetoond aan de hand van offertes en facturen.

Afdeling 6. Uitgaven voor overige activiteiten

Artikel 128

  • 1 Uitgaven voor deelname aan nationaal of internationaal maatschappelijk aanvaarde milieuzorgsystemen en aanvullende certificeringssystemen die openstaan voor alle producenten van groenten en fruit, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

    • a. het milieuzorgsysteem bindende voorwaarden omvat met betrekking tot productiemethoden;

    • b. de naleving van de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, het onderwerp zijn van een onafhankelijke controle door gekwalificeerde personen of organen, en

    • c. het gaat om de volgende uitgaven voor:

      • 1°. begeleiding, audits, certificering en lidmaatschapkosten, indien zij noodzakelijk zijn voor deelname aan milieuzorgsystemen;

      • 2°. personeelskosten voor milieuzorgsystemen, indien zij nodig zijn voor de deelname in milieuzorgsystemen;

      • 3°. het ontwikkelen van materialen voor milieuzorgsystemen, en

      • 4°. het ontwikkelen en verbeteren van ICT en registratiemodules ten behoeve van milieuzorgsystemen

  • 2 Milieuzorgsystemen, bedoeld in het eerste lid, op het teeltbedrijf van aangesloten leden zijn:

    • a. Skal biologische productie, voor teelt van gewassen;

    • b. certificeringssystemen, zoals Milieukeur, MPS Fruit & Vegetable, Duurzame Glastuinbouw Producten, CO2Footprint, en

    • c. certificeringssystemen van retailers, zoals Albert Heijn Protocol, Field to Fork, LEAF en Sedex.

  • 3 Milieuzorgsystemen, bedoeld in het eerste lid, op het centrale niveau van de producentenorganisatie of distributiecentra van de producentenorganisatie zijn:

    • a. ISO 14001 Milieu;

    • b. Skal bereiding, verpakking, handel en opslag, en

    • c. Milieukeur.

  • 4 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. uitgaven voor certificering van groenlabelkassen, en

    • b. de aanschaf van materialen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, cijfers met betrekking tot de deelname van producenten aan de systemen, bedoeld in het tweede lid.

  • 6 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 4°, voor abonnementen of licenties voor registratiemodules, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de registratiemodule omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

Titel 2. Marktgericht produceren

Afdeling 1. Activiteiten gericht op productieplanning

Artikel 129

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder i, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Duurzame productiemiddelen

Artikel 130

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen in de aanschaf van belichtingsinstallaties ten behoeve van het jaarrond produceren zijn subsidiabel indien de energie die gedurende de instandhoudingstermijn, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt gebruikt voor de belichtingsinstallatie een aantoonbaar duurzaam karakter heeft of wordt opgewekt met behulp van een warmtekrachtkoppelingsinstallatie.

  • 2 De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan dat:

    • a. verkoop van het betreffende product op dat moment niet jaarrond plaatsvindt, en

    • b. de verkoop van het betreffende product met behulp van de belichtingsinstallatie waarvoor steun wordt aangevraagd wel jaarrond kan plaatsvinden.

  • 3 De producentenorganisatie toont bij indiening van de steunaanvraag voor het laatste uitvoeringsjaar van het operationeel programma aan dat de productie van het product jaarrond plaatsvindt.

  • 4 Uitgaven voor schermen ten behoeve van lichtafscherming en verwijderingsbijdragen zijn niet subsidiabel.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product, met uitsplitsing naar gewas en type klant, die zijn geproduceerd met behulp van de in het eerste lid bedoelde belichtingsinstallatie.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige kosten

Artikel 131

Indien dit noodzakelijk is voor het functioneren van de belichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 130, eerste lid, zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf of de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie, inclusief personeelskosten, subsidiabel.

Afdeling 2. Activiteiten gericht op verbetering of handhaving van productkwaliteit

Artikel 132

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder ii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

Artikel 133

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van het optimaliseren van de productkwaliteit in de keten zijn subsidiabel indien het gaat om investeringen ten behoeve van:

    • a. het verhogen van de houdbaarheid van de producten;

    • b. voedselveiligheid;

    • c. kwaliteitszorgsystemen

    • d. het verhogen van de fysieke productkwaliteit, of

    • e. lange bewaring in koelhuizen, koelcellen, koelinstallaties, vriescellen

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om investeringen:

    • a. in reinigingsinstallaties;

    • b. in fustwasinstallaties;

    • c. in installaties en apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen;

    • d. in voorzieningen voor gekoeld of geconditioneerd transport op het teeltbedrijf;

    • e. in droogsystemen voor aanzuiging van buitenlucht voor knoflook;

    • f. in vogel -en wildafweer, en

    • g. die de producentenorganisatie doet om te voldoen aan de voorwaarden van kwaliteitskeurmerken.

Artikel 134

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de borging van een nieuw product of concept in de keten zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. investeringen ten behoeve van het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken voor nieuwe producten en nieuwe concepten, of

    • b. investeringen ten behoeve van het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken op het gebied van duurzaamheid (MVO), kwaliteit en voedselveiligheid in de keten.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor investeringen in ICT voorzieningen voor tracking en tracing systemen zijn niet subsidiabel indien het gaat om ICT voorzieningen ten behoeve van:

    • a. de registraties van productherkomst, ziekten, plagen, middelen of meststoffen, of

    • b. het laten functioneren van oogstkarren, weeginstallaties of kantelinstallaties.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige kosten

Artikel 135

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van het optimaliseren van de productkwaliteit in de keten zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. het verhogen van de houdbaarheid van de producten;

    • b. voedselveiligheid, met name residumonitoring en fytosanitaire controles;

    • c. kwaliteitszorgsystemen, indien het gaat om:

      • 1°. uitgaven voor de inhuur van gekwalificeerde externe diensten bestemd voor begeleiding en audits van kwaliteitszorgsystemen;

      • 2°. uitgaven voor de inhuur van gekwalificeerde externe diensten bestemd voor productcontroles;

      • 3°. uitgaven voor certificering, of

      • 4°. lidmaatschapskosten;

    • d. het verhogen van de fysieke productkwaliteit;

    • e. het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces;

    • f. keurmerken of modules van keurmerken voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

    • g. het ontwikkelen en verbeteren van ICT en registratiemodules, en

    • h. software van conditioneringssystemen ten behoeve van lange bewaring van producten waarbij productieplanning het doel is.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. certificering van meet- en weegapparatuur

    • b. aanschaf van bedrijfskleding;

    • c. materialen voor certificeringssystemen,

    • d. het schoonmaken van bedrijfsruimten, of

    • e. aanschaf van Global Location Number (GLN) codes in het kader van GlobalGAP.

  • 3 Bij de indiening van een steunaanvraag die betrekking heeft op uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overlegt de producentenorganisatie met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel informatie over kwaliteitszorgsystemen aan de minister.

Artikel 136

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de borging van de productkwaliteit van een nieuw product of concept in de keten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken voor nieuwe producten en nieuwe concepten, of

    • b. het voor de eerste keer laten certificeren van keurmerken op het gebied van duurzaamheid, kwaliteit en voedselveiligheid in de keten.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. uitgaven voor onderhoudsabonnementen;

    • b. uitgaven voor de aanschaf van een Global Location Number (GLN);

    • c. uitgaven van de producentenorganisatie om aan keurmerken te voldoen, of

    • d. uitgaven voor ICT voorzieningen voor tracking en tracing systemen indien het gaat om ICT voorzieningen ten behoeve van:

      • 1°. de registraties van productherkomst, ziekten, plagen, middelen of meststoffen, of

      • 2°. het laten functioneren van oogstkarren, weeginstallaties of kantelinstallaties.

Afdeling 3. Activiteiten gericht op verhoging van de commerciële waarde en afzetverbetering

Artikel 137

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het strategisch doel marktgericht produceren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Duurzame productiemiddelen

Artikel 138

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om de aanschaf van:

      • 1°. bomen of meerjarig plantmateriaal ten behoeve van nieuwe markten of nieuwe productmarktcombinaties, of

      • 2°. kruisbestuivers die nodig zijn voor de aanplant van nieuw in het operationeel programma op te nemen bomen en meerjarige planten, en

    • b. de producentenorganisatie door middel van contracten of andere schriftelijke bescheiden aantoont dat de bomen of meerjarig plantmateriaal gedurende de looptijd van het project slechts op een vooraf vastgestelde hoeveelheid areaal wordt geproduceerd.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3 Uitgaven voor de aankoop van meerjarig plantmateriaal en bomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, zijn evenwel slechts subsidiabel indien:

    • a. er gedurende meerdere jaren van de bomen en planten geoogst wordt, en

    • b. het gaat om de uitgaven voor de initiële aanplant.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag informatie over het desbetreffende product aan de minister met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 139

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontsluiten van nieuwe markten zijn subsidiabel, indien het gaat om op afzetverbetering gerichte investeringen in:

    • a. sorteer- en verpakcentra:

    • b. distributiecentra;

    • c. verwerkingscentra;

    • d. fustopslag;

    • e. dockboards, of

    • f. sorteer- en verpakkingslijnen.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. investeringen ter vervanging van oude centra als bedoeld in het eerste lid;

    • b. standaard sorteer- en verpakkingslijnen op teeltbedrijven of op bestaande locaties van de producentenorganisatie, of

    • c. met de sorteerlijn geïntegreerde aanvoerprognosesystemen.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van de investeringen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 140

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het vergroten van de afzetwaarde van producten door middel van het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. één volledige investering in fertigatie in het kader van precisiebemestingtechnieken die bestemd is voor besparing en het gereguleerd doseren van water en meststoffen aan gewassen in vollegrondsfruitteelt;

    • b. de besparing op het meststoffenverbruik door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • c. de investering niet leidt tot een hoger watergebruik.

  • 2 Onder een investering in fertigatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. een waterafgiftesysteem op het perceel, waaronder de waterpomp, verdeelleidingen en druppelleidingen die niet uitsluitend worden gebruikt voor het geven van water;

    • b. een regeleenheid;

    • c. vochtmeetapparatuur;

    • d. apparatuur voor het bepalen van het mineralengehalte en pH, of

    • e. voorzieningen voor dosering en menging van meststoffen.

  • 3 Druppelleidingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn uitsluitend subsidiabel bij initiële investeringen.

  • 4 Investeringen in een waterafgiftesysteem als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn niet subsidiabel indien het investeringen betreft in:

    • a. fertigatie in teeltsystemen los van de grond;

    • b. aanleg van een waterbron, of

    • c. afvoerleidingen naar het te fertigeren perceel.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, per lid een projectplan met projectbegroting, voorzien van bijbehorende offertes.

Artikel 141

  • 1 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, voor de investering, bedoeld in artikel 140, een opgave van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik en waterverbruik.

  • 2 De berekening van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik, gemeten in kilogrammen, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 140, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

  • 3 Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik en meststoffenverbruik, gemeten in m3, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 140, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik en meststoffenverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik en meststoffenverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 142

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het vergroten van de afzetwaarde van producten door middel van het vergroten van de duurzaamheid van het product en van het productieproces zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om investeringen om de kwaliteit van water bij substraatteelt bij de bron te verbeteren en de emissie van vervuild recirculatiewater te voorkomen;

    • b. de verbetering van de waterkwaliteit door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • c. de investeringen niet leiden tot een hoger waterverbruik.

  • 2 Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen als bedoeld in het eerste lid in haar operationeel programma opneemt, voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een technische specificatie van de leverancier van het systeem of een erkende deskundige toe ten behoeve van de onderbouwing van de te bereiken verbetering van de waterkwaliteit.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag zijn niet subsidiabel.

Artikel 143

  • 1 De producentenorganisatie overlegt aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, voor de investeringen, bedoeld in artikel 142, uiterlijk bij de indiening van de steunaanvraag per investering:

    • a. een opgave van de verbetering van de waterkwaliteit, of

    • b. de gerealiseerde waterbesparing.

  • 2 De opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vindt plaats aan de hand van berekeningen en metingen op basis van een vergelijking tussen het moment voor de ingebruikname van de investering en het moment één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 3 In geval van omgekeerde osmose als bedoeld in artikel 142, eerste lid, onderdeel a, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een opgave van de reductie van natrium en chloor in mmol/l of mg/l, op basis van een vergelijking tussen metingen uitgevoerd voor ingebruikname van de investering en één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 4 Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 142, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik gedurende het jaar:

      • 1°. van ingebruikname van de investering, of

      • 2°. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Paragraaf 2. Overige kosten/activiteiten

Artikel 144

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van marktonderzoek en marktontwikkeling, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. consumentenonderzoek en aankoop van paneldata;

    • b. het testen van een product waarvoor de producentenorganisatie erkend is door een panel;

    • c. onderzoek naar het onderhouden van schap of retail positionering;

    • d. productmarktanalyses;

    • e. marktonderzoek, en

    • f. het doen van marktonderzoek door middel van pop-up stores.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 3 Onderzoeken als bedoeld in het eerste lid naar verwerkte producten zijn slechts subsidiabel indien dit onderzoek betrekking heeft op producten die bestemd zijn voor de food-markt.

Artikel 145

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel wanneer het gaat om licenties voor het recht op het gebruik van zaden en plantgoed ten behoeve van nieuwe rassen indien de producentenorganisatie door middel van contracten of andere schriftelijke bescheiden aantoont dat het ras gedurende de looptijd van het project slechts op een vooraf vastgestelde hoeveelheid areaal wordt geproduceerd.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor een volledige overname van een licentie en de kosten van aankoop van het zaad en het plantgoed zijn niet subsidiabel.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar middel, een overzicht betreffende de planten die met gebruikmaking van de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, zijn geteeld.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag voor het laatste uitvoeringsjaar van het operationeel programma aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, het resultaat van de evaluatie waaruit blijkt hoe de producentenorganisatie zich in de markt met het betreffende ras heeft onderscheiden.

  • 6 De producentenorganisatie beschikt over de afleverbonnen voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid en overlegt deze desgevraagd aan de minister.

Artikel 146

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van intrinsieke producteigenschappen of nieuwe producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel wanneer het gaat om rassenproeven op intrinsieke producteigenschappen.

  • 2 Rassenproeven, bedoeld in het eerste lid, zijn slechts subsidiabel indien de producten van de geteste rassen bedoeld zijn voor menselijke consumptie.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, die identiek zijn aan eerdere uitgaven van de producentenorganisatie, zijn uitsluitend subsidiabel indien zij zijn gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor die eerdere uitgaven.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. het contract en de gedetailleerde factuur voor de uitvoering van de rassenproeven, bedoeld in het eerste lid, en

    • b. een overzicht van de producenten waar de activiteit wordt verricht.

Artikel 147

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom verse producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. conceptontwikkeling op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en gemak, of

    • b. ontwikkeling van nieuwe verpakkingen voor het verse product.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn slechts subsidiabel indien deze rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. een overzicht van de producenten waar de activiteiten worden verricht, en

    • b. een gedetailleerde factuur.

Artikel 148

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van ontwikkeling en verbetering van concepten rondom bewerkte en verwerkte producten, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. conceptontwikkeling van bewerkte en verwerkte producten op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en gemak;

    • b. ontwikkeling van nieuwe verpakkingen ten behoeve van verwerkte en bewerkte producten;

    • c. ontwikkeling van nieuwe verwerkte producten ten behoeve van de foodmarkt, en

    • d. ontwikkeling van ondersteunende voedingsproducten en niet voedingsproducten ten behoeve van bewerkte en verwerkte producten.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, zijn slechts subsidiabel indien het verwerkte product dat de producentenorganisatie met behulp van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, produceert:

    • a. direct, zonder verdere verwerking, door consumenten kan worden geconsumeerd.

    • b. niet wordt verwerkt in ingrediënten ten behoeve van de voedselindustrie.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn slechts subsidiabel indien deze rechtstreeks bijdragen aan het kwaliteitsbehoud van groente- en fruit producten.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister:

    • a. een overzicht van het aantal producenten ten behoeve van de betreffende productgroep waarvoor de activiteiten worden verricht, en

    • b. een gedetailleerde factuur.

Artikel 149

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van generieke afzetbevordering, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. generieke promotie op consumentenbeurzen;

    • b. generieke promotie tijdens publieksevenementen;

    • c. generieke promotie in het kader van duurzaam telen;

    • d. generieke promotie gericht op doelgroepen;

    • e. sectorpromotie en PR-campagnes;

    • f. collectieve acties voor GMO producten door meerdere producentenorganisaties, en

    • g. websites en sociale media, voor zover het gaat om:

      • 1°. het voor de eerste maal registreren van domeinnamen;

      • 2°. het bouwen van nieuwe websites, of

      • 3°. het uitbouwen van bestaande websites met aantoonbaar nieuwe elementen.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel als het gaat om:

    • a. activiteiten op het gebied van verkoop van producten;

    • b. activiteiten op het gebied van gezamenlijke verkoopbevordering waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer;

    • c. de kosten van producten in het geval van het gratis verstrekken van product;

    • d. abonnementen bij providers, hosting van serverruimte, communicatie met het web, het updaten van bestaande websites, personeelskosten ten behoeve van berichtgeving in het kader van social media, en

    • e. uitgaven voor sponsoring.

Artikel 150

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeven van marketing en verkoopbevordering van merken en handelsnamen van de producentenorganisatie en hun dochterondernemingen, inclusief personeelskosten, die wordt meegenomen in de berekening van de waarde van de afgezette productie op grond van artikel 22, achtste lid, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. promotie van merken of handelsnamen op consumentenbeurzen;

    • b. promotie van merken of handelsnamen op publieksevenementen;

    • c. promotie van merken of handelsnamen in het kader van duurzaam telen;

    • d. promotie van merken of handelsnamen gericht op doelgroepen;

    • e. sectorpromotie en PR-campagnes;

    • f. websites en sociale media, indien het gaat om:

      • 1°. het voor de eerste maal registreren van een domeinnaam;

      • 2°. het bouwen van een nieuwe website, en

      • 3°. het uitbreiden van een bestaande website met aantoonbaar nieuwe elementen.

    • g. het opstellen en uitvoeren van plannen voor accountmanagement of categorymanagement, en

    • h. het laten uitvoeren van onderzoek op het gebied van afzetbeleid, voor zover niet gericht op de interne organisatie van de producentenorganisatie.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel als het gaat om:

    • a. de aankoop van een licentie;

    • b. activiteiten ten behoeve van een merk waarvan de licentie gehuurd of geleased is;

    • c. activiteiten op het gebied van verkoop van producten;

    • d. uitgaven voor gezamenlijke verkoopbevordering, waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer;

    • e. de kosten van producten in het geval van het gratis verstrekken van product;

    • f. abonnementen bij providers, hosting van serverruimte, communicatie met het web, het updaten van bestaande websites, personeelskosten ten behoeve van berichtgeving in het kader van social media;

    • g. uitgaven voor sponsoring, en

    • h. PR-activiteiten richting potentiële leden van een producentenorganisatie.

Artikel 151

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor reclameactiviteiten en reclameartikelen voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel als het gaat om uitgaven voor:

    • a. advertenties in magazines of kranten;

    • b. promotie in een blad of magazine van supermarkten, indien:

      • 1°. in het blad of magazine duidelijk vermeld is dat de producentenorganisatie de afzender is, en

      • 2°. er geen logo of verwijzing naar de supermarkt in de advertentie is opgenomen.

    • c. ontwikkelingskosten van de lay-out en extra kosten van reclamedrukwerk op verpakkingen of etiketten, steekkaarten of wikkels voor zover gebruikt bij tijdelijke acties;

    • d. toonbankdisplays, flyers of folders, gadgets, belettering, aangekochte producten voor standaankleding;

    • e. billboards, radioreclame, tv-reclame, banners op websites;

    • f. uitdelen van producten ter waarde van de marktprijs van het uit te delen product, indien deze actie aantoonbaar minimaal vier weken voor de uitvoering van de actie gepland is en niet bedoeld is als interventiemaatregel;

    • g. kookdemonstraties;

    • h. bedrijfsrondleidingen bij een producentenorganisatie of lid van de producentenorganisatie, een open dag, opening of jubileum, of

    • i. deelname aan beurzen, indien deze beurzen gericht zijn op afnemers van de producentenorganisatie, met uitzondering van verstrekte consumpties.

  • 2 Ter onderbouwing van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een uitnodigingenlijst.

  • 3 Reclameacties en reclameartikelen waarvan de kosten mede worden gedragen door een afnemer zijn niet subsidiabel.

Artikel 152

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeelskosten en externe diensten ten behoeve van activiteiten gericht op het bepalen van een marktstrategie zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. het laten uitvoeren van onderzoek op het gebied van afzetbeleid voor zover niet gericht op de interne organisatie van de producentenorganisatie;

    • b. het jaarlijks aanpassen of opstellen van marketingplannen of accountplannen, of

    • c. relatiebeheer in het kader van contact met afnemers.

  • 2 Onder marktstrategie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan samenwerking in de keten, reclame, innovatie en planning van het productaanbod.

  • 3 Onder personeel en externe diensten als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. categoriemanagers;

    • b. accountmanagers;

    • c. productmanagers;

    • d. marketingpersoneel;

    • e. marketingmanagers, of

    • f. marktonderzoekers.

  • 4 De activiteiten van het personeel en externe diensten, bedoeld in het derde lid, hebben in ieder geval betrekking op het:

    • a. samenstellen van een innovatief, concurrerend en formulegericht assortiment per productgroep;

    • b. behouden van klanten of nieuwe klanten werven door acquisitieactiviteiten;

    • c. bepalen van de ontwikkeling, de productie, de marketing en het in de markt zetten van een product en het analyseren van de resultaten met het oog op de commerciële lange termijn doelen;

    • d. bepalen van de marktstrategie door middel van marketingplannen en het ervoor zorgen dat deze strategie wordt geïmplementeerd en nageleefd;

    • e. onderzoek naar alle factoren op alle verschillende (potentiële) markten die de vraag naar een product beïnvloeden, onder meer wat betreft trends, klanttevredenheid, de onderliggende behoeften van klanten en het imago van de sector.

  • 5 Activiteiten van het personeel en van externe diensten op het gebied van het verkopen van producten op welke manier dan ook, het opnemen van bestellingen, het leveren en de allocatie van het product, het maken van prijsafspraken ten aanzien van producten van niet-leden of waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, zijn niet subsidiabel.

Artikel 153

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards en op afzetverbetering gerichte sorteer- en verpakkingslijnen, bedoeld in artikel 139, eerste lid, ten behoeve van de bundeling van productstromen zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. de kosten van bouwkundig advies;

    • b. de kosten van bouwbegeleiding;

    • c. de kosten van projectmanagement;

    • d. de kosten van onafhankelijk toezicht op uitvoering van een project;

    • e. de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f. juridische en administratiekosten,

    • g. reis- en verblijfkosten,

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn slechts subsidiabel ten aanzien van nieuwbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie en voor zover het gaat om ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, of elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd in het investeringsbedrag zijn niet subsidiabel.

  • 4 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, zijn niet subsidiabel indien het gaat om reis- en verblijfkosten voor het personeel van de producentenorganisatie of haar leden.

Titel 3. Versterking afzetstructuur

Afdeling 1. Activiteiten gericht op productieplanning

Artikel 154

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder i, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

Artikel 155

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognoses en areaalenquêtes zijn subsidiabel indien het gaat om systemen bij de producentenorganisatie en haar leden die met elkaar kunnen communiceren.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar leden op deze systemen.

Artikel 156

  • 1 Uitgaven van producentenorganisaties ten behoeve van voorraadbeheer en distributie zijn subsidiabel indien het gaat om het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor logistieke planning en voor zover zij tot doel hebben:

    • a. kwaliteitsverbetering van het proces;

    • b. tracking and tracing van producten;

    • c. koppeling van vraag aan aanbod, en

    • d. efficiencyverbetering.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3 Onder de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, vallen kosten voor de interface van ICT systemen voor logistieke planning, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

    • a. een aanvoerregistratiesysteem;

    • b. een verkoopsysteem;

    • c. het verladingssysteem;

    • d. een orderregistratiesysteem, of

    • e. een facturatiesysteem.

  • 4 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid op locatie van de leden van de producentenorganisatie zijn slechts subsidiabel indien de producentenorganisatie kan aantonen dat zij integraal onderdeel uitmaken van het systeem voor logistieke planning van de producentenorganisatie.

  • 5 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie aan de minister op basis van een offerte kan aantonen dat het ICT systeem uitsluitend bestemd is voor de functionaliteiten, genoemd in het eerste lid.

  • 6 Uitgaven voor het verder uitrollen van ICT systemen voor logistieke planning zijn niet subsidiabel.

  • 7 Bij de indiening van het operationeel programma wordt een onderbouwd plan overlegd met daarin:

    • a. een gedetailleerde beschrijving van het project;

    • b. een begroting van de investeringskosten;

    • c. een definiëring van de onderdelen van de investeringskosten;

    • d. een verdeling van de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten met bijbehorende begrote bedragen, en

    • e. een gedetailleerde beschrijving van de functionaliteit van de verschillende onderdelen door de leverancier.

Artikel 157

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor koeling van producten ten behoeve van lange bewaring zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. koelhuizen,

    • b. koelcellen,

    • c. koelinstallaties en

    • d. vriescellen.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de gekoelde hoeveelheden product, met uitsplitsing naar gewas en type klant.

Artikel 158

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen in conditioneringssystemen ten behoeve van lange bewaring van producten zijn subsidiabel.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. installaties of apparatuur voor conditionering van champignon- en witloftrekcellen, en

    • b. droogsystemen voor de aanzuiging van buitenlucht ten behoeve van knoflook.

Artikel 159

In geval van uitgaven voor het huren van koelsystemen als bedoeld in artikel 157, eerste lid, of conditioneringssystemen als bedoeld in artikel 158, eerste lid, overlegt de producentenorganisatie ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag aan de minister een bewijs van die uitgaven, bestaande uit een registratie van de in- en uitslag.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige activiteiten

Artikel 160

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aanpassingen in systemen en interfaces van de producentenorganisatie en haar leden, inclusief personeelskosten, die noodzakelijk zijn voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognose en areaalenquêtes zijn subsidiabel indien de systemen voor aanvoerprognose en areaalenquêtes van de producentenorganisatie en haar leden met elkaar kunnen communiceren.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar leden op deze systemen.

Artikel 161

Uitgaven voor licenties voor aanvoermodules voor systemen voor aanvoerprognoses en areaalenquêtes als bedoeld in artikel 155, inclusief personeelskosten, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de aanvoermodule omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

Artikel 162

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeelskosten en externe diensten ten behoeve van voorraadbeheer en distributie, het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor logistieke planning als bedoeld in artikel 156, eerste lid, zijn subsidiabel.

  • 2 Bij de indiening van het operationeel programma overlegt de producentenorganisatie aan de minister:

    • a. een begroting van het aantal uren per taak of functie, en

    • b. een omschrijving van de taken en functies.

Afdeling 2. Activiteiten gericht op verhoging van de commerciële waarde en afzetverbetering

Artikel 163

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iii, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

Artikel 164

  • 1 Uitgaven van producentenorganisaties voor investeringen in ICT systemen voor markt en afzet zijn subsidiabel indien het systeem tot doel heeft:

    • a. kwaliteitsverbetering van het proces;

    • b. koppeling van vraag aan aanbod, of

    • c. efficiencyverbetering.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van het aantal systemen, bedoeld in het eerste lid, en het aantal aansluitingen van haar klanten op deze systemen.

Artikel 165

  • 1 Uitgaven van producentenorganisaties voor investeringen in ICT systemen voor customer relationship management zijn subsidiabel.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, voor identieke investeringen zijn uitsluitend subsidiabel in geval van uitgaven gedaan binnen 4 jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de eerste investering.

  • 3 Onder de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, vallen kosten voor de interface van de ICT systemen voor customer relationship management, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

    • a. een aanvoerregistratiesysteem;

    • b. een verkoopsysteem;

    • c. het verladingssysteem;

    • d. een orderregistratiesysteem, of

    • e. een facturatiesysteem.

  • 4 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid op locatie van de leden van de producentenorganisatie zijn slechts subsidiabel indien de producentenorganisatie kan aantonen dat zij integraal onderdeel uitmaken van het ICT systeem voor customer relationship management van de producentenorganisatie.

  • 5 Uitgaven voor het verder uitrollen van ICT systemen voor customer relationship management zijn niet subsidiabel.

  • 6 In geval van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, wordt door de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van het operationeel programma een onderbouwd plan overlegd met daarin:

    • a. een gedetailleerde beschrijving van het project;

    • b. een begroting van de investeringskosten;

    • c. een definiëring van de onderdelen van de investeringskosten;

    • d. een verdeling van de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten met bijbehorende begrote bedragen, en

    • e. een gedetailleerde beschrijving van de functionaliteit van de verschillende onderdelen door de leverancier.

Artikel 166

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de bundeling van productstromen zijn subsidiabel, indien het gaat om op afzetverbetering gerichte investeringen in:

    • a. sorteer- en verpakcentra:

    • b. distributiecentra;

    • c. verwerkingscentra;

    • d. fustopslag;

    • e. dockboards, of

    • f. sorteer- en verpakkingslijnen.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. investeringen ter vervanging van oude centra als bedoeld in het eerste lid;

    • b. standaard sorteer- en verpakkingslijnen op teeltbedrijven en op bestaande locaties van de producentenorganisatie;

    • c. met de sorteerlijn geïntegreerde aanvoerprognosesystemen;

  • 3 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van de investeringen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 167

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie in vollegrondsteelt zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om investeringen in gecombineerde oogst-, sorteer- en verpakkingssystemen, waaronder apparatuur, bestemd voor het reinigen, sorteren, wegen of verpakken van de in de grond geteelde gewassen, en

    • b. de investeringen gebruikt worden in het veld direct na de oogstfase.

  • 2 In geval van een geïntegreerd systeem met een oogstmachine zijn de meerkosten van de toegevoegde functies ten opzichte van een vergelijkbare oogstmachine zonder extra functies als uitgaven als bedoeld in het eerste lid, subsidiabel.

  • 3 Indien de in het eerste lid bedoelde uitgaven een mobiel pakstation betreffen, zijn maximaal twee in het pakstation geïntegreerde wagens subsidiabel.

  • 4 Investeringen in aparte oogstsystemen en tractoren zijn niet subsidiabel.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige activiteiten

Artikel 168

Uitgaven van producentenorganisaties voor ICT systemen voor markt en afzet, bedoeld in artikel 164, eerste lid, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om de kosten van de benodigde aanpassingen van het systeem en de interface, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

  • a. een aanvoerregistratiesysteem;

  • b. een verkoopsysteem;

  • c. een verladingssysteem;

  • d. een orderregistratiesysteem, of

  • e. een facturatiesyteem

Artikel 169

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor customer relationship management systemen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

  • 2 Bij de indiening van het operationeel programma overlegt de producentenorganisatie aan de minister:

    • a. een begroting van het aantal uren per taak of functie, en

    • b. een omschrijving van de taken en functies.

Artikel 170

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, verwerkingscentra, fustopslag, dockboards en op afzetverbetering gerichte sorteer- en verpakkingslijnen, bedoeld in artikel 166, eerste lid, ten behoeve van het ontsluiten van nieuwe markten zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. de kosten van bouwkundig advies;

    • b. de kosten van bouwbegeleiding;

    • c. de kosten van projectmanagement;

    • d. de kosten van onafhankelijk toezicht op uitvoering van een project;

    • e. de kosten van haalbaarheidsstudies;

    • f. juridische en administratiekosten,

    • g. reis- en verblijfkosten.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd in het investeringsbedrag zijn niet subsidiabel.

  • 3 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, zijn niet subsidiabel indien het gaat om reis- en verblijfkosten voor het personeel van de producentenorganisatie of haar leden.

Afdeling 3. Onderzoeksactiviteiten en activiteiten gericht op experimentele productie

Artikel 171

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Uitgaven voor overige activiteiten

Artikel 172

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten voor:

  • a. onderzoek naar activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

    • 1°. afzet;

    • 2°. logistiek;

    • 3°. kwaliteit;

    • 4°. milieubescherming, en

    • 5°. teelttechnisch onderzoek.

  • b. experimentele productie.

Afdeling 4. Opleidingsactiviteiten, uitwisseling van beste praktijken en activiteiten ter bevordering van toegang tot adviesdiensten

Artikel 173

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder v, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Artikel 174

  • 1 In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie, waaronder medewerkers van dochterondernemingen van de producentenorganisatie subsidiabel.

  • 2 Bij de indiening van het operationeel programma verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten als bedoeld in deze afdeling aan de minister een beschrijving van:

    • a. onderwerp(en) en leerdoel(en) van de bijeenkomst;

    • b. het programma met een specificatie van de onderdelen en gehanteerde werkvormen;

    • c. aantal bijeenkomsten met vermelding van de data en de duur per bijeenkomst, en

    • d. de kosten van de bijeenkomst.

  • 3 Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van educatieve bijeenkomsten als bedoeld in deze afdeling aan de minister:

    • a. een deelnemerslijst, en

    • b. een aanwezigheidsregistratie per bijeenkomst per deelnemer voorzien van een handtekening van de deelnemer.

Paragraaf 1. Uitgaven voor overige activiteiten

Artikel 175

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van opleidingen voor personeel voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

    • a. afzet;

    • b. logistiek;

    • c. kwaliteit;

    • d. milieubescherming, en

    • e. teelttechniek.

  • 2 Uitgaven voor opleiding en advies ten behoeve van het verwerven van algemene kennis en vaardigheden zijn niet subsidiabel.

Artikel 176

Uitgaven voor activiteiten ten behoeve van versterking van de interne structuur van de producentenorganisatie door professionalisering richting de markt zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van inhuur van externe deskundigen voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

  • a. afzet;

  • b. logistiek;

  • c. kwaliteit;

  • d. milieubescherming, en

  • e. teelttechniek.

Artikel 177

  • 1 Bij de uitgaven voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelttechniek, bedoeld in artikel 175, eerste lid, onderdeel e, stellen voorlichters jaarlijks per deelnemend lid van de producentenorganisatie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, evaluatierapporten op.

  • 2 De evaluatierapporten, bedoeld in het eerste lid, bevatten:

    • a. een samenvatting van de concreet gegeven adviezen;

    • b. de beoogde effecten, en

    • c. de resultaten met betrekking tot de onderdelen kwaliteitsverbetering en milieureducties op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, mineralen en energie.

  • 3 Bij de indiening van de steunaanvraag zendt de producentenorganisatie op verzoek van de minister een selectie van de evaluatierapporten.

  • 4 De evaluatierapporten van elk deelnemend lid zijn opgenomen in de administratie van de producentenorganisatie.

Artikel 178

Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van uitgaven voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelttechniek, bedoeld in artikel 176, onderdeel e, informatie daarover aan de minister per lid per gewas, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 179

Uitgaven van de producentenorganisatie voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in geval van biologische productie, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

  • a. het gaat om:

    • 1°. biologische teelt;

    • 2°. bodemvruchtbaarheid;

    • 3°. biologische bemesting;

    • 4°. compostering;

    • 5°. vruchtwisseling;

    • 6°. rassenkeuze;

    • 7°. biologische bestrijding en biologisch evenwicht, of

    • 8°. biologische teelttechniek;

  • b. voldaan is aan de bepalingen opgenomen in verordening 834/2007, en verordening 889/2008, en

  • c. deelnemende leden van de producentenorganisatie beschikken over een geldig Skal certificaat of een bevestiging van Stichting Skal dat het bedrijf van het lid in omschakeling is naar biologische productie.

Artikel 180

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in het geval van geïntegreerde plaagbestrijding, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel als het gaat om:

    • a. biologische of geïntegreerde bestrijding;

    • b. geleide bestrijding;

    • c. het voorkomen van ziekten en plagen met inbegrip van gewas-, water- of bodemanalyses gericht op het vaststellen van ziekten en plagen.

  • 2 Bij de indiening van de steunaanvraag verstrekt de producentenorganisatie in geval van uitgaven voor een analyse als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, per soort analyse, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister informatie over de analyse.

Artikel 181

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor algemeen advies en begeleiding ten behoeve van de teelt in het geval van geïntegreerde productie die mede de kwaliteit en het milieu betreffen, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het onder meer gaat om:

    • a. gewasbeoordeling;

    • b. gewasbescherming;

    • c. watermanagement;

    • d. bemesting en reduceren mineralengebruik;

    • e. klimaataansturing, of

    • f. energiereductie.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid die betrekking hebben op de begeleiding van het trekken van witlofpennen zijn niet subsidiabel.

Afdeling 5. Activiteiten gericht op crisispreventie en crisisbeheer

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake crisispreventie maatregelen

Artikel 182

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van het doel versterking afzetstructuur, bedoeld in artikel 47, tweede lid, en ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder vi, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 2. Uitgaven ten behoeve van afzetbevorderings- en communicatieactiviteiten

Artikel 183