Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017

Geldend van 05-07-2017 t/m heden

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2017, 2017-0000106485, tot vaststelling van beleidsregels op grond van het Besluit onderstand BES (Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 4 van het Besluit onderstand BES en de artikelen 6 en 9, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werknemersregelingen 2015;

besluit vast te stellen:

Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017

Hoofdstuk 1. Inhoudsopgave

Artikel 1. Inhoudsopgave

Met deze beleidsregel wordt voorzien in het regelen van de volgende onderwerpen:

In hoofdstuk 2 ‘Kring van rechthebbenden’

  • Onderstand teruggekeerde eilandskinderen (artikel 2)

  • Opname inrichting buiten Caribisch Nederland (artikel 3)

In hoofdstuk 3 ‘Verplichtingen arbeidsinschakeling’

  • Inspanningsverplichtingen met het oog op arbeidsinschakeling (artikel 4)

  • Vrijstelling verplichtingen arbeidsinschakeling (artikel 5)

In hoofdstuk 4 ‘Toepassing algemene onderstand’

  • In aanmerking nemen vermogen bij middelentoets algemene onderstand (artikel 6)

  • Vrijlatingsregeling inkomsten kinderalimentatie (artikel 7)

  • Basisbedrag bij opname in instelling (artikel 8)

  • Tegemoetkoming AOV-gerechtigden (artikel 9)

  • Toeslag arbeidsongeschiktheid bij tijdelijke of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid (artikel 10)

In hoofdstuk 5 ‘Aanvraag en criteria bijzondere onderstand’

  • Termijn aanvraag bijzondere onderstand (artikel 11)

  • Toetsing aanvraag bijzondere onderstand (artikel 12)

  • Inkomensgrens bijzondere onderstand (artikel 13)

In hoofdstuk 6 ‘Kostensoorten bijzondere onderstand’

In hoofdstuk 7 ‘Maatregelen en terugvordering’

  • Hersteltermijn bij onvoldoende medewerking belanghebbende (artikel 25)

  • Algemeen terugvorderingsbeleid (artikel 26)

  • Drempelbedrag (artikel 27)

In hoofdstuk 8 ‘Afwijking met het oog op onredelijke gevolgen’

Hoofdstuk 2. Kring van rechthebbenden

Artikel 2. Onderstand teruggekeerde eilandskinderen

De RCN-unit SZW past de uitsluitingsgrond in verband met het op het moment van aanvraag korter dan vijf jaar onafgebroken rechtmatig woonachtig zijn in de openbare lichamen, niet toe indien het betreft een persoon met de Nederlandse nationaliteit,

  • a. die in de openbare lichamen geboren is of de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, dan wel

  • b. die buiten de openbare lichamen maar binnen het Koninkrijk geboren is en wiens vader of moeder met Nederlandse nationaliteit in de openbare lichamen geboren is.

Deze personen worden in verband met deze beleidsregel kortheidshalve aangeduid als eilandskinderen.

Deze beleidsregel is ingegeven doordat de hierboven omschreven categorieën buiten de toepassing van de Wet toelating en uitzetting BES (WTU BES) vallen. Beëindiging van het verblijf in verband met onderstandsbehoeftigheid kan daarmee niet aan de orde zijn. De uitzondering in artikel 7, eerste lid, onder c, van het Besluit onderstand BES inhoudende dat indien naar het oordeel van ‘Onze Minister van Justitie’ de te voorziene onderstandsbehoeftigheid geen aanleiding zal zijn het recht tot verblijf van de betrokken persoon te beëindigen, er toch recht op onderstand kan zijn, is daarmee voor deze groep een dode letter, omdat de Minister van (Veiligheid en) Justitie niet aan een oordeel toekomt. Nu de WTU BES op hen niet van toepassing is, noch ook van overeenkomstige toepassing, behoeven zij voor hun verblijf in Caribisch Nederland geen visum, geen verklaring van rechtswege en ook geen verblijfsvergunning en geldt de voorwaarde van beschikken over voldoende middelen van bestaan voor hen niet. Daarom wordt nu geregeld dat betrokkene in deze situatie in afwijking van de vijf-jaarsregel onderstand kan krijgen, uiteraard indien en voor zover aan de overige voorwaarden voor het recht op onderstand wordt voldaan.

Hetzelfde geldt ten aanzien van Nederlanders die direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van een jaar hun woonplaats in de Nederlandse Antillen hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba en die geboren zijn elders binnen het Koninkrijk of aldaar de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. De voorgaande zin geldt ook voor de kinderen van deze Nederlanders, mits ook die kinderen voldoen aan dat woonplaatsvereiste.

Grondslag: Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, Besluit onderstand BES (uitzondering vanwege beleid Minister van Veiligheid en Justitie).

Artikel 3. Opname inrichting buiten Caribisch Nederland

In afwijking van artikel 7, aanhef en onderdeel d, van het Besluit onderstand BES, blijft het recht op onderstand bestaan voor de persoon die de in onderdeel d genoemde duur van vier weken verblijf buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overschrijdt, indien en zo lang er sprake is van opname in een medische of psychiatrische inrichting buiten de openbare lichamen en ter zake een noodzakelijkheidsverklaring is ontvangen van de behandelend arts, doch maximaal voor de duur van 12 maanden.

In deze situatie van het Zorgverzekeringskantoor ontvangen daggeld wordt aangemerkt als inkomsten en als zodanig bij de beoordeling van het recht op onderstand betrokken.

Grondslag: Artikel 10 Besluit onderstand BES (individuele beoordeling op grond van zeer dringende reden).

Hoofdstuk 3. Verplichtingen arbeidsinschakeling

Artikel 4. Inspanningsverplichtingen met het oog op arbeidsinschakeling

De onderstandgerechtigde is, behoudens in de gevallen waarin ontheffing is verleend, met het oog op arbeidsinschakeling op grond van het Besluit onderstand BES verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, zich aan te melden voor arbeidsbemiddeling bij het bestuurscollege van het openbaar lichaam en gebruik te maken van een door of vanwege het bestuurscollege aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Voor een goede uitvoering van het in het Besluit onderstand BES bepaalde wordt het noodzakelijk geacht dat belanghebbende verschijnt bij oproepen door de RCN-unit SZW in verband met de arbeidsverplichtingen en de controle op de naleving daarvan, het openbaar lichaam in verband met arbeidstoeleiding en arbeidsbemiddeling en alle partijen die in het kader van de arbeidsinschakeling een rol spelen (bijvoorbeeld werkgevers, scholingsinstituten, bedrijfsarts, Arbodiensten).

Naleving van de arbeidsplicht bevat tenminste de volgende gedragingen:

  • a. uitkeringsgerechtigde raadpleegt in voldoende mate media waaronder internet voor het verkrijgen van arbeid, en reageert op hierin vermelde vacatures;

  • b. uitkeringsgerechtigde raadpleegt het openbaar lichaam met het oog op vacatures en reageert op beschikbare vacatures;

  • c. uitkeringsgerechtigde schrijft zich waar mogelijk in bij uitzendbureaus en aanvaardt door een uitzendbureau aangeboden werk;

  • d. uitkeringsgerechtigde laat gedragingen na die de arbeidsinschakeling belemmeren en gedraagt zich passend in sollicitatieprocedures;

  • e. uitkeringsgerechtigde brengt verslag uit aan de RCN-unit SZW omtrent de voortgang van het solliciteren.

Tevens wordt van belanghebbende geëist dat hij meewerkt aan scholing, training en andere activiteiten, voorzieningen of vormen van ondersteuning die het openbaar lichaam inzet om de arbeidsbekwaamheid te behouden of te bevorderen. Indien hieraan niet wordt voldaan, bijvoorbeeld door niet te verschijnen op les- of trainingsdagen, wordt dit gezien als het niet meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid.

Onder het meewerken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op arbeidsinschakeling, wordt ook begrepen dat de belanghebbende zich als goed werknemer gedraagt op een (leer)werkplek.

Onder het meewerken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder c, van het Besluit onderstand BES wordt ook begrepen het verlenen van toestemming aan de persoon of de instelling die het betreffende onderzoek heeft verricht, om de resultaten van het onderzoek aan de RCN-unit SZW bekend te maken.

Grondslag: artikel 5, eerste lid, Besluit onderstand BES.

Artikel 5. Vrijstelling verplichtingen arbeidsinschakeling

Onder dringende reden op basis waarvan tijdelijke ontheffing wordt verleend van de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden en van de verplichting om zich bij het bestuurscollege van het openbaar lichaam aan te melden voor arbeidsbemiddeling wordt in elk geval verstaan:

  • het door de RCN-unit SZW vastgesteld zijn van volledige en tijdelijke arbeidsongeschiktheid van belanghebbende, zolang deze situatie voortduurt;

  • het sprake zijn van een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind in de leeftijd tot twaalf jaar met medische problematiek of handicap en daarmee samenhangende door de RCN-unit SZW vastgestelde problematiek met betrekking tot de belastbaarheid van belanghebbende, op daartoe strekkend verzoek van het openbaar lichaam.

Grondslag: artikel 5, eerste lid, Besluit onderstand BES.

Hoofdstuk 4. Toepasssing algemene onderstand

Artikel 6. In aanmerking nemen vermogen bij middelentoets algemene onderstand

Bij de beoordeling of de persoon in zodanige omstandigheden verkeert dat hij niet de middelen kan verwerven om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien neemt de RCN-unit SZW mede het vermogen (bezittingen minus schulden) van belanghebbende in aanmerking.

Indien de belanghebbende vermogen heeft, dient daarop in beginsel te worden ingeteerd, waarbij 1,5 keer de relevante onderstandnorm (basisbedrag vermeerderd met eventuele toeslagen) per tijdvak van twee weken wordt gehanteerd als maatstaf.

Als vermogen wordt niet in aanmerking genomen:

  • spaargeld tot een bedrag van 10 x het voor de persoonlijke en leefsituatie van belanghebbende toepasselijke onderstandbedrag per tijdvak van twee weken (spaargeld opgebouwd tijdens eerdere onderstandperiode hierbij inbegrepen);

  • een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op aard en hoogte ervan, vanuit oogpunt van onderstandverlening verantwoord is;

  • bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, gebruikelijk zijn;

  • de economische waarde van de eigen woning die tevens hoofdverblijf is, tenzij de RCN-unit SZW gemotiveerd vaststelt dat de waarde van de eigen woning in alle redelijkheid wel bij het inkomen kan worden betrokken, bijvoorbeeld in geval van beschikbaarheid van andere geschikte woonruimte.

Grondslag: Artikel 6 Besluit onderstand BES (individuele beoordeling in zodanige omstandigheden verkeren dat belanghebbende niet de middelen kan verwerven om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien) en artikel 18 Besluit onderstand BES (vaststelling over welke middelen belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken).

Artikel 7. Vrijlatingsregeling inkomsten kinderalimentatie

Inkomsten uit kinderalimentatie die het gezin heeft verworven over de periode waarin beroep wordt gedaan op onderstand, worden vrijgelaten voor zover de onderstand en de verworven inkomsten bij elkaar de hoogte van het minimumloon, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Besluit onderstand BES, niet overschrijden.

Deze beleidsregel heeft de volgende achtergrond. Door middel van kinderalimentatie doet de onderhoudsplichtige ouder zijn onderhoudsplicht gestand en voorziet in de kosten voor verzorging en opvoeding van kind of kinderen. De situatie waarin kinderalimentatie geheel op de onderstand in mindering wordt gebracht resulteert in een lagere onderstandsuitkering, die het nemen van deze verantwoordelijkheid en het te gelde maken van eventuele aanspraken op kinderalimentatie ontmoedigt. Ook sluit dit niet aan bij de het breed gedragen belang dat alle kinderen kansrijk kunnen opgroeien, ook kinderen in een gezin met een laag inkomen. Met deze beleidsregel worden deze bezwaren weggenomen.

De wijze waarop de inkomsten uit kinderalimentatie worden vrijgelaten sluit aan bij de wijze waarop in artikel 19, eerste lid, van het Besluit Onderstand BES de vrijlating van inkomsten uit arbeid is geregeld (‘Inkomsten uit arbeid die de alleenstaande of het gezin heeft verworven over de periode waarin beroep wordt gedaan op onderstand, worden vrijgelaten voor zover de onderstand en de verworven inkomsten bij elkaar de hoogte van het minimumloon niet overschrijden’).

Onderstaand voorbeeld illustreert de werking van de beleidsregel. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende (theoretische) bedragen per twee weken:

Totaal van basisbedrag plus toeslagen USD 250

Kinderalimentatie USD 100

WML USD 415

Situatie zonder toepassing beleidsregel: onderstand = 250-100 = 150. Met toepassing van de beleidsregel wordt de kinderalimentatie volledig vrijgelaten, want de som van onderstand en kinderalimentatie ad (250 + 100=) 350 is lager dan het WML ad 415.

Grondslag: Artikel 18, tweede lid, onder a, (niet tot de middelen worden gerekend bijdragen van familie en derden voor zover deze naar het oordeel van Onze Minister uit een oogpunt van verlening van onderstand verantwoord zijn).

Artikel 8. Basisbedrag bij opname in instelling

Bewoners van een instelling die een AOV- of AWW-uitkering hebben, hebben recht op een zak- en kleedgeld ter hoogte van 10% van het bedrag van de volledige AOV-uitkering; het meerdere van hun uitkering gaat naar de instelling.

Naast AOV- en AWW-gerechtigden is er ook een groep personen die zijn opgenomen in een instelling (verzorgings-, bejaarden- of gezinsvervangend huis) en die noch AOV of AWW, noch andere eigen inkomsten hebben. Voor deze personen wordt voor de hoogte van de onderstand niet uitgegaan van het basisbedrag en de toeslagen van de artikelen 13 tot en met 17 van het Besluit Onderstand BES, maar van het zak- en kleedgeldbedrag zoals dat geldt voor AOV- en AWW-uitkeringen.

Grondslag: Artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 9. Tegemoetkoming AOV-gerechtigden

Een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een onvolledige AOV-uitkering heeft (dit kan bijvoorbeeld ook zijn een gekorte AOV-uitkering van één van de andere Koninkrijkslanden) kan in aanmerking komen voor aanvulling vanuit de algemene onderstand. Belanghebbende moet dan wel volledig aan de voorwaarden van de onderstand voldoen. Dit betekent dat getoetst wordt op inkomen en vermogen volgens de voorwaarden van het Besluit onderstand BES.

Voor het berekenen van de hoogte van de onderstand wordt het in hoofdstuk 3 van het Besluit onderstand BES neergelegde systeem van toeslagen gevolgd. Dit betekent dat er bovenop het basisbedrag recht kan zijn op de toeslag voor zelfstandig wonen, de toeslag voor een gezamenlijke huishouding, of de kindertoeslag. De toeslag bij volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt in elk geval bij de uitkering betrokken, omdat volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van leeftijd en zonder daaraan voorafgaande medische keuring wordt aangenomen.

In geval van een alleenstaande pensioengerechtigde kunnen onderstand, gekorte AOV-uitkering en overige inkomsten tezamen het niveau van een ongekorte ‘enkelvoudige’ AOV-uitkering niet overstijgen. Bij overschrijding wordt het meerdere op de aanvulling vanuit de onderstand in mindering gebracht. Het niveau onderstand voor een alleenstaande die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geldt als bovengrens, wat gelijk staat aan het volledige AOV-bedrag.

In geval van een gehuwde of daarmee gelijk gestelde pensioengerechtigde wordt deze bovengrens verhoogd met de toeslag gezamenlijke huishouding. Zoals in alle gevallen waarin onderstand wordt verleend aan een aanvrager met een partner, wordt ook in deze situatie uiteraard het inkomen van de partner betrokken bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de onderstand.

Voor gehuwden van wie de huwelijkspartner de AOV-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, bestaat recht op een AOV-partnertoeslag. Doordat deze toeslag, net als de AOV-uitkering, een korting wegens niet verzekerde jaren kent, kan het zijn dat AOV-uitkering plus AOV-partnertoeslag onder vorenbedoelde bovengrens liggen waardoor recht op onderstand kan bestaan. In dat geval dienen uiteraard zowel AOV-uitkering als AOV-partnertoeslag als middelen te worden aangemerkt.

Indien de (huwelijks)partner nog niet de AOV-leeftijd heeft bereikt, wordt hem/haar als regel de plicht tot opgelegd.

Het recht op algemene onderstand aan personen met een gekorte AOV-uitkering op grond van de onderhavige beleidsregel, komt te vervallen indien de belanghebbende zonder toestemming van de RCN-unit SZW het eiland verlaat, waar hem de uitkering wordt verstrekt.

Grondslag: Artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 10. Toeslag arbeidsongeschiktheid bij tijdelijke of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

De toeslag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is bedoeld voor de belanghebbende die volledig en duurzaam niet in staat is om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Met toepassing van artikel 12 Besluit onderstand BES kan desalniettemin in uitzonderingssituaties een tijdelijk arbeidsongeschikt persoon tijdelijk met een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte worden gelijkgesteld en de toeslag worden toegekend. Dit is een uitzonderlijke situatie, die op grond van het – ten opzichte van de situatie waarin belanghebbende niet arbeidsongeschikt was – evident ontbreken van mogelijkheden en middelen om in het bestaan te voorzien moet kunnen worden gemotiveerd.

Er moet aantoonbaar sprake zijn van als gevolg van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid weggevallen inkomsten. De inkomsten moeten bovendien bestendig zijn geweest, in de zin van maandelijks terugkerend over de periode van drie maanden voorafgaand aan de tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de toeslag kan niet meer zijn dan de ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid gederfde inkomsten over die periode van drie maanden, tot maximaal het op grond van artikel 17 van het Besluit onderstand BES geldende bedrag.

Grondslag: Artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Hoofdstuk 5. Aanvraag en criteria toepassing bijzondere onderstand

Artikel 11. Termijn aanvraag bijzondere onderstand

Een aanvraag om bijzondere onderstand moet in beginsel worden ingediend voordat de kosten zijn gemaakt.

Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand).

Artikel 12. Toetsing aanvraag bijzondere onderstand

De toetsing van een aanvraag bijzondere onderstand geschiedt aan de hand van de in de bijlage bij deze beleidsregels opgenomen leidraad. Hierin wordt ingegaan op:

  • de bij de beoordeling gehanteerde afwegingscriteria;

  • de invulling van de toets op noodzakelijkheid en bijzondere omstandigheden;

  • de toets op de aanwezigheid van een voorliggende voorziening;

  • de toepassing van de inkomenstoets (zie ook hierna artikel 13);

  • de toepassing van de vermogenstoets;

  • de situatie van gebleken tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;

  • de mogelijkheid tot afwijken en individualisering;

  • samenloop van kostenvergoedingen;

  • dossiervorming.

Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand).

Artikel 13. Inkomensgrens bijzondere onderstand

Bij een feitelijk inkomen of mogelijkheid van inkomen vanaf het niveau van het wettelijk minimumloon (WML) wordt in beginsel geen bijzondere onderstand toegekend. In geval van zeer dringende redenen kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

De inkomensgrens volgens het WML is omgerekend naar maandbedragen (uurbedrag WML * 40 uur * 52 weken / 12 maanden) als volgt:

  • voor belanghebbenden op Bonaire: $ 820;

  • voor belanghebbenden op Sint Eustatius: $ 1.005;

  • voor belanghebbenden op Saba: $ 985.

De mogelijkheid van kostenvergoeding uit hoofde van de bijzondere onderstand is dus beperkt tot de alleenstaande of het gezin met een inkomen (inclusief eventuele sociale zekerheidsuitkeringen) tot maximaal de hier vastgestelde inkomensgrens en een ontoereikend vermogen om de kosten zelf te voldoen.

Voor vergoeding van begrafeniskosten (zie hierna artikel 14) is de kring van rechthebbenden smaller. De RCN-unit SZW vergoedt uitsluitend begrafeniskosten via de bijzondere onderstand ten behoeve van personen die op het tijdstip van overlijden algemene onderstand genieten, alsmede begrafeniskosten van ten laste van de onderstandgerechtigde komende kinderen. Dit in verband met de verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam uit hoofde van de Begrafeniswet BES.

Grondslag: Artikel 6, eerste lid, Besluit onderstand BES (kring van rechthebbenden) en 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand).

Hoofdstuk 6. Kostensoorten bijzondere onderstand

Artikel 14. Begrafeniskosten

De RCN-unit SZW kan bijzondere onderstand verlenen voor begrafeniskosten. De RCN-unit SZW vergoedt uitsluitend begrafeniskosten via de bijzondere onderstand ten behoeve van personen die op het tijdstip van overlijden algemene onderstand genieten, alsmede begrafeniskosten van ten laste van de onderstandgerechtigde komende kinderen. In alle andere gevallen ligt de verantwoordelijkheid voor eventuele vergoeding van de begrafeniskosten op grond van de Begrafeniswet BES bij het openbaar lichaam (en is vergoeding vanuit de onderstand daarmee uitgesloten).

Als er aanleiding is om onderstand te verlenen vanwege het ontbreken van een voorliggende voorziening (bijvoorbeeld begrafenisverzekering, recht op eenmalige uitkering krachtens artikel 20 Wet AOV BES, familielid met voldoende middelen voor een begrafenis of eilandelijke verantwoordelijkheid op grond van Begrafeniswet BES), geeft de RCN-unit SZW voorafgaand aan de begrafenis toestemming en bepaalt de hoogte van de te verstrekken onderstand aan de hand van een pro formanota van een begrafenisondernemer op het desbetreffende eiland die de begrafenis zal verzorgen. De RCN-unit SZW verstrekt alleen onderstand voor een eenvoudige begrafenis en op basis van een begrafenis op het eiland zelf. Betaling door de RCN-unit SZW geschiedt rechtstreeks aan de begrafenisondernemer op basis van de definitieve nota en wel maximaal tot het bedrag van de pro formanota.

Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand op basis van individuele beoordeling) in combinatie met artikel 9 Besluit onderstand BES (voorliggende voorziening).

Artikel 15. Schooluniform en schoolbenodigdheden voortgezet onderwijs

De RCN-unit SZW kan bijzondere onderstand verlenen voor kosten van een schooluniform of voor schoolbenodigdheden, indien het een leerling in het voortgezet onderwijs betreft. Voor de noodzakelijkheid van de voor vergoeding in aanmerking komende schoolbenodigdheden wordt de daartoe strekkende opgave van de school aangehouden.

Betaling van de kosten van schooluniformen en schoolbenodigdheden vindt rechtstreeks plaats aan de leverancier (of aan de school) op basis van een definitieve nota. Over de (maximum) prijs van de schooluniformen en benodigdheden worden jaarlijks afspraken gemaakt tussen de RCN-unit SZW en de betrokken leveranciers.

De RCN-unit SZW vergoedt géén kosten van een schooluniform of voor schoolbenodigdheden via de bijzondere onderstand ten behoeve schoolgaande kinderen in het primair onderwijs. Op grond van de Wet primair onderwijs BES ligt die verantwoordelijkheid bij het openbaar lichaam.

Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 16. Medisch dieetkosten

De RCN-unit SZW kan bijzondere onderstand verlenen voor de kosten van een medisch dieet. Om voor een kostenvergoeding in aanmerking te komen moet in elk geval tegelijkertijd voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

  • de medische noodzakelijkheid van het dieet wordt blijkens een schriftelijke verklaring bevestigd door de huisarts dan wel de behandelend specialist;

  • de dieetkosten vallen buiten de dekking van de publieke zorgverzekering;

  • de dieetkosten hebben in geen geval betrekking op geneesmiddelen of geneeskunde van experimentele aard (deze is van vergoeding uitgesloten).

De RCN-unit SZW zal betrokkene voorafgaand aan de beslissing over de aanvraag oproepen voor een beoordeling door de controlerend geneesheer van de RCN-unit SZW of een andere door de RCN-unit SZW daartoe aangewezen deskundige. In geval van toekenning wordt de noodzakelijkheid ten minste eens per half jaar getoetst. Hiertoe zal eveneens een oproep plaatsvinden voor beoordeling door de controlerend geneesheer van de RCN-unit SZW of een andere door de RCN-unit SZW aangewezen deskundige.

De belanghebbende legt vooraf een pro formarekening voor akkoord aan de RCN-unit SZW voor. De RCN-unit SZW behoudt zich het recht voor om op basis van ingewonnen advies over de hoogte van de aanvraag deze geheel of gedeeltelijk te weigeren. Betaling vindt bij eventuele toekenning rechtstreeks plaats aan de leverancier van bedoeld dieet op basis van de pro formanota.

Grondslag: Artikel 20 (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 17. Baby-uitzet en babybed

De RCN-unit SZW kan onder voorwaarden vanuit de bijzondere onderstand de kosten van een baby-uitzet of een kinderbedje vergoeden. In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen reserveren wordt individueel beoordeeld.

De vergoeding voor een baby-uitzet is beperkt tot de volgende posten:

  • babybed (ledikant) met matras;

  • dekentjes (2 stuks);

  • lakentjes (3 stuks);

  • zeiltje;

  • molton onderlegger (2 stuks);

  • aankleedkussen;

  • één pak luiers;

  • één rompertje;

  • één pyjama;

  • babybadje;

  • box;

  • kinderstoel;

  • kinderwagen.

In het individuele geval wordt bekeken welke kosten als noodzakelijk moeten worden beschouwd. De vergoeding geldt uitsluitend bij de aanschaf van de gehele babyuitzet voor de geboorte van het eerste kind. Zijn er al meer kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat een deel van de uitzet al aanwezig is. Uit een rapportage zal duidelijk moeten blijken over welke van deze goederen de belanghebbende nog niet beschikt.

Kosten van positiekleding en babykleertjes komen niet voor bijzondere onderstand in aanmerking. Deze kosten behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor een belanghebbende geacht wordt te (kunnen) reserveren. In de lijst van de vergoeding voor de baby-uitzet wordt een uitzondering gemaakt voor de kosten van het eerste rompertje en pyjama.

Grondslag: Artikel 20 Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 18. Waterreservoir en waterpomp

De RCN-unit SZW kan bijzondere onderstand verstrekken voor de kosten van het vullen van een waterreservoir, alsmede voor de kosten van het vervangen van een defecte waterpomp. Kostenvergoeding voor het vullen van een waterreservoir geschiedt uitsluitend op basis van voorafgaande toestemming van de RCN-unit SZW ter beoordeling van de noodzakelijkheid. Voor de levering dient de RCN-unit SZW op basis van een pro formanota voorafgaand toestemming te verlenen. Betaling vindt rechtstreeks plaats aan de waterleverancier op basis van de definitieve nota en wel maximaal tot het bedrag van de pro formanota.

Tevens geldt als eis dat het langer dan 12 maanden geleden moet zijn dat voor deze kosten een beroep op de bijzondere onderstand werd gedaan.

In geval van een defecte waterpomp en het ontbreken van middelen om in de kosten van vervanging te voorzien, kan belanghebbende eveneens een beroep doen op bijzondere onderstand. De RCN-unit SZW dient op basis van een pro formanota voorafgaand toestemming te verlenen. Betaling door de RCN-unit SZW vindt rechtstreeks plaats aan de leverancier op basis van de definitieve nota en wel maximaal tot het bedrag van de pro formanota.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende)

Artikel 19. Verbruikskosten water op tijdelijke basis

De belanghebbende wordt geacht zelf voldoende middelen voor het verbruik van water te reserveren. De RCN-unit SZW kan op tijdelijke basis toch bijzondere onderstand verstrekken voor de verbruikskosten van water. Aan kostenvergoeding van watervoorziening via de bijzondere onderstand niet zijnde het vullen van een waterreservoir, dient een acute noodzaak ten grondslag te liggen. De beoordeling hiervan ligt bij de RCN-unit SZW, maar belanghebbende dient noodzaak en urgentie van de kostenvergoeding aan te tonen.

Het gaat hier uitsluitend om een kostenvergoeding voor watervoorziening indien deze wegens betalingsachterstand is afgesloten. De RCN-unit SZW hanteert hierbij als regel:

  • de RCN-unit SZW betaalt maximaal het bedrag gelijk aan twee maanden achterstallige betaling;

  • bij recidive binnen een periode van twee jaar wordt voor bedoelde kosten in géén geval bijzondere onderstand verleend;

  • kosten voor een door de watermaatschappij opgelegde boete, komen in geen geval voor vergoeding in aanmerking.

Bij de weging beoordeelt de RCN-unit SZW in voorkomende gevallen de omstandigheden, mogelijkheden en middelen en het getoonde besef van verantwoordelijkheid van de belanghebbende of het gezin (onder of er sprake is van een gezin met personen die in een kwetsbare situatie verkeren, zoals kinderen, gehandicapten, en/of personen ouder dan de AOV-gerechtigde leeftijd).

De RCN-unit SZW beoordeelt bij de aanvraag of de aanvrager daadwerkelijk op het adres woont waar de factuur op betrekking heeft. De factuur moet op naam van de aanvrager of diens wettige partner staan.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 20. Kosten bedmatras of slaapbank

De belanghebbende wordt geacht zelf middelen voor de aanschaf van een bedmatras te reserveren. Individuele omstandigheden kunnen leiden tot een situatie waarin een beroep op bijzondere onderstand voor de kosten van een bedmatras of slaapbank toch onvermijdelijk is. De duur van uitkeringsafhankelijkheid kan een indicatie zijn van verminderde reserveringsmogelijkheid. De beoordeling hiervan ligt bij de RCN-unit SZW, maar belanghebbende dient de noodzaak en de urgentie van de kostenvergoeding aan te tonen. Alle relevante omstandigheden van belanghebbende worden hierbij meegewogen. Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin onderstand wordt gevraagd, ontstaan zijn door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, wordt deze omstandigheid betrokken in de beoordeling van het recht op bijzondere onderstand.

Een bedmatras kan weliswaar in algemene zin als een elementaire levensbehoefte worden aangemerkt, voor vergoeding via de bijzondere onderstand moet er sprake zijn van evidente noodzakelijkheid. Het moet bijvoorbeeld gaan om een situatie waarin een bedmatras in het geheel ontbreekt of gezien de staat van een aanwezig bedmatras onmiddellijke vervanging ervan onvermijdelijk is.

Voor een slaapbank in plaats van een bedmatras kan gekozen worden indien onvoldoende ruimte voor een bed aanwezig is.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende)

Artikel 21. Kosten huishoudelijke apparatuur

De belanghebbende wordt geacht zelf middelen voor de aanschaf van huishoudelijke apparatuur te reserveren. Individuele omstandigheden kunnen leiden tot een situatie waarin een beroep op bijzondere onderstand toch onvermijdelijk is. De duur van uitkeringsafhankelijkheid kan een indicatie zijn van verminderde reserveringsmogelijkheid. De beoordeling hiervan ligt bij de RCN-unit SZW, maar belanghebbende dient de noodzaak en de urgentie van de kostenvergoeding aan te tonen. Alle relevante omstandigheden van belanghebbende worden hierbij meegewogen. De voorziening dient in het individuele geval evident noodzakelijk te zijn. Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin onderstand wordt gevraagd, ontstaan zijn door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, wordt deze omstandigheid betrokken in de beoordeling van het recht op bijzondere onderstand.

Bijzondere onderstand voor huishoudelijke apparatuur kan alleen verstrekt worden voor de kosten gemoeid met de aanschaf van de navolgende goederen:

  • koelkast;

  • gasfornuis;

  • wasmachine;

  • ventilator (uitsluitend ten behoeve van een baby of oudere).

Niet genoemde duurzame gebruiksgoederen komen in het algemeen niet voor bijzondere onderstandsverlening in aanmerking. Individualisering blijft altijd mogelijk.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 22. Dubbele huur

De belanghebbende wordt geacht zelf middelen voor de situatie van tijdelijk dubbele huur te reserveren. Het betreft hier eenmalige kostenvergoeding voor dubbele huur (maximaal 2 maanden) gedurende de verhuisperiode indien er sprake is van verhuizing ter bevordering van langer zelfstandig wonen (bij situaties waarin er sprake is van een beperking met betrekking tot de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zogeheten ‘ADL-beperking’), of verhuizing plaatsvindt op basis van een woonurgentie op basis van sociale of medische gronden. De beoordeling ligt bij de RCN-unit SZW, maar belanghebbende heeft de plicht de noodzaak en de urgentie van de kostenvergoeding aan te tonen. Voorwaarde is dat er sprake is van individuele omstandigheden die de grond vormen voor de evidente noodzakelijkheid van de kosten.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 23. Eigen bijdragen

Eigen bijdragen, van welke aard dan ook, behoren in beginsel tot de kosten die belanghebbende uit eigen middelen dient te (kunnen) voldoen. In uitzonderlijke situaties kan op grond van dringende reden toch een vergoeding van een eigen bijdrage plaatsvinden. Voorwaarde is dat het gaat om een eigen bijdrage in verband met evident noodzakelijk te maken kosten of het gebruik maken van een voorziening om redenen van sociale aard (bijvoorbeeld bijdrage voor deelname aan een door de school georganiseerde activiteit). De weging van de individuele omstandigheden op grond waarvan bijzondere onderstand kan worden toegepast, ligt bij de RCN-unit SZW.

Grondslag: Artikel 20, eerste lid, Besluit onderstand BES (toepassing bijzondere onderstand) in combinatie met artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Artikel 24. Overigen vergoedingen in bijzondere gevallen

Niet alle situaties kunnen op voorhand met deze beleidsregels worden afgedekt. In bijzondere gevallen kan bijzondere onderstand worden verleend voor andere kostenposten dan de hiervoor genoemde.

Grondslag: Artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Hoofdstuk 7. Maatregelen en terugvordering

Artikel 25. Hersteltermijn bij onvoldoende medewerking belanghebbende

In geval van verwijtbaar niet of onvolledig verstrekken van relevante gegevens of gevorderde bewijsstukken, dan wel anderszins onvoldoende verlenen van medewerking binnen de gestelde termijn, ontvangt de belanghebbende een brief van de RCN-unit SZW met daarin opgenomen een hersteltermijn van 14 dagen. Wordt deze termijn overschreden, dan wordt een maatregel opgelegd of wordt de uitkering beëindigd (dit kan zelfs met terugwerkende kracht).

Grondslag: Artikel 30 Besluit onderstand BES (onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking).

Artikel 26. Algemeen terugvorderingsbeleid

Te veel of ten onrechte betaalde onderstand wordt in beginsel teruggevorderd. Er wordt in elk geval teruggevorderd indien de verleende onderstand evident gebaseerd is op onjuiste informatie van de belanghebbende, of als anderszins sprake is van verwijtbaarheid. Voorbeeldsituaties zijn het niet of niet tijdig hebben gemeld van overlijden, het verzwijgen van inkomsten, of het na uitnodiging door de RCN-unit SZW niet komen opdagen voor een herbeoordelingsgesprek. Er wordt ook teruggevorderd als het de belanghebbende zonder meer duidelijk had kunnen zijn dat hij geen recht had op onderstand of op het bedrag dat hij heeft ontvangen (bijvoorbeeld als er per abuis een dubbele betaling is gedaan).

In alle andere situaties, waarin verwijtbaarheid ontbreekt, kan op basis van ‘hardheid’ van invordering worden afgezien. De beslissing hierover wordt op basis van individuele beoordeling door het hoofd van de RCN-unit SZW genomen. Wanneer er evident sprake van is dat de belanghebbende in redelijkheid niet hadden kunnen weten dat hij teveel ontving (‘te goede trouw’), dan kan het hoofd van de RCN-unit SZW op grond daarvan beslissen om de teveel of ten onrechte ontvangen onderstand niet terug te vorderen.

De termijnen van terugvordering worden afgestemd op de betalingscapaciteit van belanghebbende. De algemene gedragslijn die de RCN-unit SZW hanteert is dat bij terugvordering minimaal 10% van het tweewekelijkse onderstandbedrag wordt teruggevorderd, ook bij uitstroom uit de onderstand.

Het besluit om wel of niet in te vorderen wordt de belanghebbende schriftelijk meegedeeld, onder vermelding van de ingangsdatum van de herziening of beëindiging van de onderstand, het met de beslissing gemoeide bedrag, en de motivering.

Grondslag: Artikel 33 Besluit onderstand BES (bevoegdheid terugvordering).

Artikel 27. Drempelbedrag

Het hoofd van de RCN-unit SZW kan bij een terug te vorderen bedrag tot $ 50 (per vordering, niet op jaarbasis) besluiten van invordering af te zien. Deze beslissing geschiedt op basis van een individuele beoordeling en onder de volgende condities:

  • beneden het drempelbedrag wordt wel ingevorderd indien sprake is van verwijtbaar bedrag van betrokkene;

  • indien het bedrag direct kan worden verrekend (met onderstand waar betrokkene over een komende periode recht op heeft) wordt het bedrag wel verrekend;

  • indien meerdere bedragen ineens van belanghebbende kunnen worden teruggevorderd en het totaal van de vorderingen meer is dan $ 50, wordt wel ingevorderd;

  • invordering van ‘kruimelbedragen’ vindt wel plaats, indien in de voorafgaande periode van 12 maanden reeds op dezelfde gronden van invordering is afgezien.

Grondslag: Artikel 33 Besluit onderstand BES (bevoegdheid terugvordering).

Hoofdstuk 8. Afwijking met het oog op onredelijke gevolgen

Artikel 28. Bijzondere gevallen

In bijzondere gevallen kan – ten gunste van de aanvrager – worden afgeweken van de bepalingen van de beleidsregels voor onderstandsverlening hierboven, indien toepassing van deze beleidsregels leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen.

Grondslag: Artikel 10 Besluit onderstand BES (individuele beoordeling op grond van zeer dringende reden) en artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES (op basis van individuele beoordeling afstemmen van de onderstand op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende).

Hoofdstuk 9. Invoeringsbepalingen en publicatie

Artikel 29. Intrekking vigerend besluit

Het Besluit vaststelling Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017, van 21 december 2016, met kenmerk 2016-0000187928, wordt ingetrokken.

Artikel 30. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2017. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2017, treedt het in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 juli 2017.

Artikel 31. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017.

Deze beleidsregel zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Kralendijk, 23 juni 2017

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze:

G. de Groot,

Hoofd RCN-unit SZW

Leidraad toetsing bijzondere onderstand RCN unit SZW

Bijlage bij de Beleidsregels toepassing Besluit onderstand BES 2017

§ 1. Inleiding

Het is de eigen verantwoordelijkheid van de burger om zelf in het bestaan te voorzien. Er zijn omstandigheden waarin de burger daartoe niet in staat is. Het Besluit onderstand BES fungeert dan als vangnet, waarbij de inkomensondersteuning voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan via de algemene onderstand loopt. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de alleenstaande of het gezin niet de middelen kan verwerven om te voorzien in de uit die omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. In die situatie kan een belanghebbende een beroep op de bijzondere onderstand doen.

Bijzondere onderstand kan naast de algemene onderstand worden verstrekt, maar is ook beschikbaar voor belanghebbenden die geen algemene onderstand ontvangen en aan de voorwaarden voor de bijzondere onderstand voldoen.

Wanneer een belanghebbende voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, kan de RCN-unit SZW bijzondere onderstand verstrekken. Behoudens in het geval er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of indien het een AOV-gerechtigde betreft, geldt daarbij als voorwaarde dat voldaan wordt aan de plicht tot arbeidsinschakeling. In geval tijdelijke ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling is verleend wordt beoordeeld of betrokkene in de periode voorafgaand aan de tijdelijke ontheffing aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan. Voorts moet worden vastgesteld of de uitgaven noodzakelijk zijn, daadwerkelijk moeten worden gemaakt en voortkomen uit bijzondere omstandigheden.

Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere onderstand levert de RCN-unit SZW individueel maatwerk. Hierbij wordt rekening gehouden met de hele situatie waarin de belanghebbende zich bevindt en wordt bezien wat de belanghebbende op dat moment nodig heeft. Hierbij is het Besluit onderstand BES samen met de toepasselijke beleidsregels leidend, waarmee willekeur wordt voorkomen.

§ 2. Afwegingscriteria

Het recht op bijzondere onderstand wordt beoordeeld aan de hand van de volgende afwegingscriteria:

  • de kosten zijn noodzakelijk en vloeien voort uit bijzondere omstandigheden;

  • er is geen voorliggende voorziening waaruit de kosten kunnen worden vergoed;

  • de kosten kunnen niet worden voldaan uit het inkomen of het vermogen van de belanghebbende;

  • behoudens in het geval er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of indien het een AOV-gerechtigde betreft, dient te worden voldaan aan de plicht tot arbeidsinschakeling;

  • er is geen sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

De genoemde afwegingscriteria komen hierna in afzonderlijke paragrafen aan de orde.

De medewerker legt de aan de hand van deze criteria gemaakte afweging vast in het dossier, waar nodig met relevante bewijsstukken.

§ 3. Toets noodzakelijkheid en bijzondere omstandigheden

  • Het beoordelen van de noodzaak van de kosten en de omstandigheden van het geval is maatwerk. De individuele omstandigheden van de belanghebbende bepalen of een voorziening wel of niet noodzakelijk is.

  • Kosten kunnen alleen dan noodzakelijk zijn, wanneer ze feitelijk onvermijdelijk zijn. Het kan bijvoorbeeld gaan om onvermijdelijk hogere kosten dan in normale omstandigheden of een calamiteit (zoals defecte huishoudelijke apparatuur).

  • In voorkomende gevallen kan de RCN-unit SZW voor de beoordeling van de noodzaak advies vragen van een deskundige. In geval van medisch gerelateerde kosten wordt altijd een medisch advies ingewonnen.

  • RCN-unit SZW betrekt de omstandigheden van de persoon dan wel het gezin (bijvoorbeeld het aanwezig zijn van kind(eren), oudere of gehandicapte binnen het gezin), sociale omstandigheden en medische omstandigheden bij de beoordeling.

  • De RCN-unit SZW betrekt de middelen van de persoon dan wel het gezin en de (on)mogelijkheden om die te verwerven bij de beoordeling.

  • In geval van kostenvergoeding wordt gekozen voor een naar het oordeel van de RCN-unit SZW goedkoopst adequate oplossing. Bij een defect gebruiksgoed kan dit in voorkomende gevallen reparatie zijn in plaats van aanschaf van nieuw.

  • Bijzondere onderstand wordt alleen verstrekt voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. Om die reden komen alleen de meerkosten voor bijzondere onderstand in aanmerking. Kosten die gebruikelijk zijn, worden niet vergoed.

§ 4. Toets voorliggende voorziening

  • Bijzondere onderstand wordt in geen geval verleend als er een toereikende voorliggende voorziening is of als de voorliggende voorziening een bewuste keuze heeft gemaakt om de kosten niet te vergoeden. Het verlenen van bijzondere onderstand behoort wel tot de mogelijkheden indien er geen daadwerkelijk beroep op de voorliggende voorziening mogelijk is en dit niet het gevolg is van tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan.

  • Bij de beoordeling van het recht op bijzondere onderstand kan worden betrokken, in hoeverre de belanghebbende door eigen mogelijkheden tot een oplossing kan komen of een beroep kan doen op diens (sociale) netwerk en zijn eigen omgeving.

§ 5. Toets inkomen

  • Voorwaarde voor het aanspraak kunnen maken op bijzondere onderstand is dat de alleenstaande of het gezin geen inkomen kan verwerven om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Van een dergelijk inkomen is sprake zo lang het inkomen lager is dan het wettelijk minimumloon (WML). Bij een inkomen op of boven het WML-niveau is recht op bijzondere onderstand uitgesloten.

  • Voorts is van belang in hoeverre de alleenstaande of het gezin in staat is om een inkomen te verwerven waarmee in de betreffende kosten kan worden voorzien. Als de alleenstaande of het gezin zich onvoldoende inspant of heeft ingespannen om een toereikend inkomen te verwerven dan bestaat geen recht op bijzondere onderstand. Ook niet als het feitelijk inkomen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt onder WML-niveau ligt.

  • Wanneer bij de aanvraag duidelijk is dat binnenkort een aanmerkelijke wijziging in het beschikbare inkomen is te verwachten, kan de RCN-unit SZW daarmee rekening houden.

  • Indien de aanvrager deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden en de kosten niet persoonsgebonden van aard zijn (omdat de voorziening het huishouden als geheel ten goede komt), dan wordt het inkomen van de andere onderdelen van het meerpersoonshuishouden mede betrokken bij de beoordeling. Indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en tussen hen bloedverwantschap bestaat tot en met de tweede graad, kan de RCN-unit SZW echter bepalen dat gelet op alle omstandigheden geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als vrijwilligheid geen rol speelt, bijvoorbeeld als een (AOV-gerechtigde) broer vanwege een ziekte langdurig een (AOV-gerechtigde) zus verzorgt. Dan kan bij de beoordeling van de aanvraag alleen het inkomen van de aanvrager in aanmerking worden genomen.

§ 6. Toets vermogen

  • Van belanghebbende wordt niet gevergd dat diens gehele vermogen, zijnde het saldo van diens bezittingen en schulden, wordt aangesproken om noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden te voldoen. Er moet in ieder geval een financiële buffer overblijven om de dagelijkse kosten te voldoen. Dit kan door een deel van het vermogen bij de beoordeling van het recht op bijzondere onderstand buiten beschouwing te laten.

  • Voor de beoordeling van bijzondere onderstand worden contant geld en saldi van bankrekeningen, onder aftrek van de eventuele schulden, tot een bedrag dat gelijk staat aan het toepasselijke maandbedrag WML niet als vermogen in aanmerking genomen.

  • Voor wat betreft het vermogen in de vorm van een woning in eigendom wordt deze bij het vermogen betrokken indien de RCN-unit SZW van mening is dat te gelde maken in redelijkheid kan worden gevergd (bijvoorbeeld indien de woning onnodig duur is voor belanghebbende en andere geschikte woonruimte beschikbaar is).

  • Voor wat betreft vermogen in de vorm van overige bezittingen geldt dat dit aan de verlening van bijzondere onderstand in de weg kan zijn als redelijkerwijs verlangd kan worden dat die te gelde worden gemaakt om in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten te voorzien. Te denken valt aan een auto die niet om medische redenen is aangeschaft of luxe gebruiksvoorwerpen.

  • In geval het vermogen de hierboven vermelde grens overstijgt, wordt belanghebbende geacht dat deel van het vermogen aan te wenden voor het betalen van de kosten. Dit kan betekenen dat SZW geen of slechts een deel van de kosten vergoedt. Bijvoorbeeld bij een vermogen van USD 100 boven de vrijlatinggrens en noodzakelijke kosten van USD 250: vergoeding vanuit bijzondere onderstand is dan USD 150.

  • Wanneer bij de aanvraag duidelijk is dat binnenkort een aanmerkelijke wijziging in het beschikbare vermogen is te verwachten, kan de RCN-unit SZW daarmee rekening houden.

  • Indien de aanvrager deel uitmaakt van een meerpersoonshuishouden en de kosten niet persoonsgebonden van aard zijn (omdat de voorziening het huishouden als geheel ten goede komt), dan wordt het vermogen van de andere onderdelen van het meerpersoonshuishouden mede betrokken bij de beoordeling. Indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en tussen hen bloedverwantschap bestaat tot en met de tweede graad, kan de RCN-unit SZW echter bepalen dat gelet op alle omstandigheden geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als vrijwilligheid geen rol speelt, bijvoorbeeld als een (AOV-gerechtigde) broer vanwege een ziekte langdurig een (AOV-gerechtigde) zus verzorgt. Dan kan bij de beoordeling van de aanvraag alleen het vermogen van de aanvrager in aanmerking worden genomen.

§ 7. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • Bij gebleken tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan de bijzondere onderstand geheel of gedeeltelijk worden geweigerd.

  • Voorbeelden van situaties waaruit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid blijkt zijn onder meer:

    • belanghebbende doet een beroep op bijzondere onderstand, maar beschikt intussen aantoonbaar over luxegoederen;

    • belanghebbende doet herhaalde aanvraag, waaruit blijkt dat hij ten aanzien van de eerdere verstrekking waarvoor bijzondere onderstand is verleend, onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld (blijkend uit bijvoorbeeld defect of vermissing).

§ 8. Afwijkingsmogelijkheid

  • De formele kring van rechthebbenden is gedefinieerd in paragraaf 2.2. van het Besluit onderstand BES. Aan een persoon die niet behoort tot de formele kring van rechthebbenden, kan op grond van zeer dringende redenen toch bijzondere onderstand worden verleend.

  • Op grond van de omstandigheden van het geval kan gemotiveerd worden besloten om andere kosten te vergoeden dan die genoemd in de beleidsregels. Hiervoor vormt de afstemmingsbepaling (artikel 12, eerste lid, Besluit onderstand BES), de grondslag. Individualisering blijft altijd mogelijk en in de praktijk gebeurt dat ook.

§ 9. Samenloop van vergoedingen

  • Gelijktijdige vergoeding van meerdere kosten is mogelijk (ook binnen één categorie, bijvoorbeeld duurzame gebruiksgoederen of schoolbenodigdheden voor meerdere kinderen).

  • Indien de aanvrager voor meerdere kosten gelijktijdig of kort na elkaar aanvraagt, worden de eventueel voor rekening van belanghebbende blijvende kosten van de ‘eerste’ aanvraag in mindering gebracht op het in aanmerking te nemen vermogen bij de ‘tweede’ aanvraag.

§ 10. Dossiervorming

De medewerker legt vast in het dossier hoe de beoordeling (bevindingen en gemaakte afwegingen) plaats heeft gevonden ten aanzien van het toetsen van:

  • inkomen en vermogen;

  • het ontbreken van een voorliggende voorziening;

  • de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden;

  • de noodzaak van de voorziening die is toegekend;

  • de eventueel gebleken zeer dringende redenen.