Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond ex Subsidieregeling Ministerie [...] 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals)[Regeling vervalt per 01-07-2022.]

Geldend van 27-06-2017 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 16 juni 2017, nr. Minbuza-2017.763435, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds European Partnership for Responsible Minerals)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals met het oog op de financiering van activiteiten die bijdragen aan verantwoorde en duurzame mineraalketens gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1 Aanvragen voor subsidie in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals worden ingediend in een nader te bepalen aantal openstellingen.

  • 2 Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals worden ingediend vanaf 3 juli 2017 tot en met 19 september 2017, 11.00 uur Nederlandse tijd.

  • 3 De indieningstermijn(en) voor aanvragen voor subsidie in de volgende openstelling, dan wel openstellingen van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals zal, dan wel zullen later bekend worden gemaakt.

  • 4 Aanvragen voor subsidies in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals worden ingediend aan de hand van een daartoe door de minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

  • 1 Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2017 een subsidieplafond van € 1,5 miljoen.

  • 2 Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, een nader bekend te maken subsidieplafond voor een bij het daartoe strekkende besluit te bepalen periode.

  • 3 Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het daar bedoelde subsidieplafond resteert, is dit beschikbaar voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid.

Artikel 4

De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een subsidie in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2022 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze,

de plaatsvervangend directeur-generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Bijlage – Fonds European Partnership for Responsible Minerals (EPRM)

1. Achtergrond

Toegang tot mineralen is van cruciaal belang voor bedrijven en consumenten. Mineralen zoals tin, tantalium, wolfraam en goud (3TG) kennen een breed palet aan toepassingen in economische sectoren zoals de hoogwaardige maakindustrie, de micro-elektronica en de sieradenbranche. Een aantal regio’s waar dergelijke mineralen kunnen worden gevonden, heeft te kampen met langdurige gewelddadige conflicten en ernstige mensenrechtenschendingen. De internationale winning van en handel in mineralen kan een significante rol spelen in het financieren en voortduren van het geweld en de mensenrechtenschendingen in dergelijke gebieden. Om dit tegen te gaan en tevens de link tussen conflict en mineralenwinning te breken, is er Europese wetgeving vastgesteld in april 2017. Deze stelt due diligence verplicht voor bedrijven als smelters en grote importeurs die opereren op een belangrijk punt in de leveringsketen. Dit betreft de EU-conflictmineralenverordening3.

Naast en onderliggend aan deze Europese wetgeving zijn er de OESO-richtlijnen die zich richten op bedrijven om zich gedegen rekenschap te geven van de sociale en milieurisico’s in hun toeleverings- en productieketen, met een focus op grondstoffen en verduurzaming van grondstoffenketens uit conflict- en hoog-risicogebieden. Deze OESO richtlijnen, te weten de Due Diligence Guidance4 en de OECD Guidelines for Multinational Enterprises5 vormen een belangrijk vertrekpunt van het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM). Verdere multi-stakeholder samenwerking en dialoog zijn vereist om deze succesvol te implementeren.

Het EPRM is een multi-stakeholder partnerschap dat zich richt op verantwoorde mijnbouw en samenwerking door de keten heen. Door samen te werken met partijen met een verschillende rol in de keten, kan de problematiek in het veld beter worden begrepen en kunnen verbetering ingeleid worden. Het EPRM streeft daarom samenwerking tussen bedrijven, overheden, NGO’s en kennisinstellingen na. Het EPRM biedt een kennisplatform voor due diligence (in het bijzonder gericht op het midden- en kleinbedrijf, hierna: MKB), maar ondersteunt ook activiteiten gericht op verbetering van condities in mijnbouwgebieden in conflict- en hoog risicogebieden. Het Fonds European Partnership for Responsible Minerals biedt de middelen voor de ondersteuning van dergelijke activiteiten.

Het EPRM is opgezet conform de insteek van de EU-conflictmineralenverordening en de genoemde OESO-richtlijnen en heeft een mondiale scope. Met het beleidskader voor het EPRM wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de agenda voor verantwoorde grondstoffenwinning van het kabinet. Het in dit besluit omschreven Fonds is onderdeel van het beleidskader EPRM (hierna beleidskader), dat naast subsidieverstrekking ook andere instrumenten biedt om deze bijdrage te kunnen leveren. De Theory of Change (ToC) van het EPRM en het beleidskader zijn beschikbaar op de EPRM-website www.responsibleminerals.eu

2. Doelstelling fonds

Het fonds European Partnership for Responsible Minerals heeft als doelstelling het verbeteren van de sociale en economische omstandigheden waarin mijnwerkers en hun lokale gemeenschappen moeten leven en werken, door het vergroten van het aantal mijnen en artisanale mijnbouwers dat werkt volgens een verantwoorde wijze van mijnbouw. Op deze manier wordt beoogd de link tussen mineraalwinning en conflict tegen te gaan.

Tegen deze context ontwikkelen en financieren de (internationale) leden van het EPRM een programma (fonds) ter ondersteuning van activiteiten gericht op verbetering van condities in en rond mijnen en voor betrokken mijnbouwers in conflict- en hoog-risicogebieden. Het betreft hier sociaal-economische omstandigheden zoals acceptabele werkomstandigheden, werken zonder toxische stoffen voor een normale beloning, zonder kinderarbeid, met een genderbalans en zonder mensenrechtenschendingen.

De problematiek rond de link tussen mineralenwinning en conflict is complex en betreft soms de gehele keten, vanaf het delven van de mineralen tot de assemblage van eindproducten. Dit is de reden dat het EPRM zich richt op de ketengewijze aanpak van upstream tot downstream. Naast projecten in conflict- en hoogrisicogebieden kunnen daarom ook projecten gefinancierd worden gericht op het ‘downstream’ bedrijfsleven, mits deze nauw aansluiten bij de doelstelling van het EPRM en een link hebben met de verbetering van de condities in mijnbouwgebieden.

Gelet op bovengenoemde doelstelling is het Fonds European Partnership for Responsible Minerals gericht op initiatieven die in elk geval substantieel bijdragen aan de EPRM-doelstelling zoals hiervoor omschreven, en daarnaast op te schalen zijn en een bredere sectorale impact hebben. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie in het kader van dit fonds dienen activiteiten gericht te zijn op verbetering van condities in en rond mijnen door:

  • Bij te dragen aan het vergroten van het aandeel van verantwoordelijk geproduceerde mineralen uit conflictgebieden of hoog-risicogebieden; of

  • Bij te dragen aan verduurzaming en transparantie van de mijnbouwsector in conflict- en hoog risicogebieden door verbetering van condities voor mijnwerkers en de leefomgeving; of

  • Bij te dragen aan een verantwoorde mineraalketen, waar mogelijk middels multi-stakeholderinitiatieven, gelet op de complexe vraagstukken en uiteenlopende belangen.

3. Geografische focus en mineralen

De doelstellingen en Theory of Change (ToC) van het EPRM hebben een mondiale scope, met de focus op 3TG mineralen (goud, tin, tantalium en wolfraam) uit conflict- en hoogrisicogebieden. Deze onderhavige call for proposals richt zich specifiek op activiteiten gericht op of gelinkt aan de verbetering van de condities in en rond mijnbouw van 3TG mineralen en betreft daarmee een specifieke interpretatie van het begrip ‘conflictmineralen’. Hoewel de met conflictmineralen geassocieerde problemen zich wereldwijd manifesteren, zijn ze in elk geval ook nadrukkelijk aanwezig in het Grote Meren Gebied6. Daarom gaat de voorkeur voor deze call uit naar voorstellen die zich richten op die landen en geografische regio, al kunnen ook voorstellen gericht op andere gebieden en landen in aanmerking komen voor subsidie.

4. Uitvoerder

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van het Fonds opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zal het Fonds uitvoeren namens de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.

5. Europeesrechtelijke aspecten

In geval van subsidie aan ondernemingen kan er sprake zijn van staatssteun. Deze steun is geoorloofd als men blijft binnen het kader van de de-minimisverordening Verordening (EG) Nr. 1407/2013, PbEU 2013, L 352). Op grond van de de-minimisverordening kunnen overheden ondernemingen over een periode van 3 belastingjaren tot € 200.000 steunen zonder dat dit staatssteun oplevert. Om overschrijding van het de-minimisplafond te voorkomen, moet de overheid de onderneming vragen om een verklaring. Hierin moet de onderneming alle steun en de-minimis opgeven die over de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar is verleend. De berekening moet bij het moment van toekenning worden gemaakt. De verklaring moet worden getekend voordat de steun wordt verleend.

6. Begrippen

  • Aanvrager: een organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid en die zelfstandig (niet namens een samenwerkingsverband) een subsidieaanvraag indient.

  • Conflictmineralen: grondstoffen die gewonnen worden in, of getransporteerd worden door, conflict- of hoog-risicogebieden en mogelijk bijdragen aan mensenrechtenschendingen of conflict.

  • Hardware: kapitaalgoederen die worden ingezet in het productieproces, zoals machines, gebouwen en installaties (inclusief eventuele computersoftware).

  • Kennisinstelling: een onderwijs- en onderzoeksinstelling die bijdraagt aan kennisuitwisseling. Om als kennisinstelling te kwalificeren moeten de kerntaken van de kennisinstelling onafhankelijk onderzoek en/of kennisoverdracht zijn.

  • Ketenbenadering: het onderscheiden van deelprocessen die samen een geheel vormen en dus onderling een functionele relatie hebben (de output van het ene deelproces is de input voor een ander deelproces). In de mijnbouwsector zijn in elk geval de deelprocessen upstream (winning en exploratie), midstream (refining, smelting) en downstream (productie, assemblage) te onderscheiden.

  • MKB-onderneming: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.7

  • Niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de NGO statutair gevestigd is. Deze partij is ook als zodanig geregistreerd.

  • Onderneming: een onderneming is een entiteit, die economische activiteiten uitvoert, ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Ook entiteiten die economische activiteiten uitvoeren op ‘not for profit en not for loss’ basis kunnen kwalificeren als onderneming in het partnerschap.

  • Overheidsorganisatie: een organisatie die deel uitmaakt van het geheel van centrale en decentrale overheidspartijen (Rijk, provincie, gemeente, of lokale variant daarop). Ook semi-overheidspartijen kunnen als ‘overheidsorganisatie’ deelnemen aan het partnerschap. Het gaat om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen en gefinancierd worden uit publieke middelen.

  • Penvoerder: een deelnemer in een samenwerkingsverband die over rechtspersoonlijkheid beschikt en namens het samenwerkingsverband subsidie aanvraagt en daarmee de rol van aanvrager vervult. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Responsible Minerals: grondstoffen die op een sociale en ecologische duurzame wijze gewonnen, getransporteerd en verhandeld worden en niet bijdragen aan conflict en/of mensenrechtenschendingen.

  • Samenwerkingsverband: een partnerschap van organisaties dat zelf niet over rechtspersoonlijkheid beschikt en waarvan de leden beschikken over rechtspersoonlijkheid. Een samenwerkingsverband vraagt via een penvoerder subsidie aan. De overige deelnemers zijn mede-indieners. De penvoerder en (mede-)indieners zijn niet onderling verbonden door een meerderheidsbelang en/of hebben geen overwegende zeggenschap in elkaars organisatie.

7. Subsidie in het kader van Fonds European Partnership for Responsible Minerals (EPRM)

Het Fonds European Partnership for Responsible Minerals staat open voor subsidieaanvragen op basis van openstellingen. Aanvragen kunnen worden gedaan door organisaties individueel of door een penvoerder namens een samenwerkingsverband. Aanvragers kunnen zijn ondernemingen, kennisinstellingen, (semi-) overheidsorganisaties of niet-gouvernementele organisaties (NGO’s), ongeacht het land waar ze statutair zijn gevestigd en in geval van een samenwerkingsverband ongeacht in welke combinatie.

Een subsidie in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) is bedoeld voor activiteiten die bijdragen aan het doel van het EPRM. De subsidie voor een project bedraagt maximaal € 450.000, waarbij in het geval van ondernemingen geldt: voor zover de de-minimis-verordening genoemd in hoofdstuk 5 hiertoe ruimte biedt.

8. Subsidiabele kosten

Voor de projectkosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • voor kosten die niet direct zijn gerelateerd aan de uitvoering van het project wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor de uitvoering van het project wordt geen subsidie verleend;

  • subsidiabele kosten betreffen uitsluitend kosten gemaakt na indiening van de aanvraag;

  • voor kosten voor projectmanagement, zijnde enkel de projectcoördinatie, geldt een maximum van 10% van het totaal aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • de interne kosten van de aanvrager of partner worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst.

Categorieën van subsidiabele kosten:

  • i. Subsidiabele kosten zijn in elk geval kosten gemoeid met de door werknemers van de aanvrager/penvoerder en eventuele mede-indieners voor de uitvoering van de activiteiten gemaakte uren. Dit betreft: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager/penvoerder en/of eventuele mede-indieners ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen.

  • ii. Deze kosten kunnen worden vermeerderd met andere kosten uit de volgende categorieën:

    • Reiskosten: internationale reiskosten en binnenlandse reiskosten buiten Nederland op basis van economy class;

    • Verblijfskosten: kosten voor verblijf in een doelland conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA)8, of minder indien dat strookt met het beleid van de indiener;

    • Kosten voor levering van goederen en diensten:

      • Kosten voor hardware: op basis van de economische afschrijving gedurende de looptijd. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:

        • Hardware (machines, installaties): 5 jaar

        • Gebouwen: 30 jaar

        • Software: 3 jaar

      De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de kostprijs van het product, niet de commerciële verkoopprijs, vermeerderd met eventuele aanpassingskosten;

      • Kosten voor diensten van derden voor activiteiten waarbij de subsidieontvanger(s) een externe partij inhuurt om werkzaamheden te verrichten: op basis van facturering.

  • iii. In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag. In afwijking op het hierboven genoemde vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager/penvoerder en/of eventuele mede-indieners in het land buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.

9. Beoordeling en verdeling van de beschikbare middelen

Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds European Partnership for Responsible Minerals is voor de eerste indieningsronde van aanvragen € 1,5 miljoen beschikbaar. Het beschikbare bedrag voor de tweede en eventuele volgende indieningsronde(n) zal later bekend worden gemaakt.

De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie dient een aanvraag in elk geval te voldoen aan de drempelcriteria opgenomen in paragraaf 11.2. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Daarnaast moet in voldoende mate worden voldaan aan de beoordelingscriteria zoals opgenomen in paragraaf 11.3.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening in overeenstemming met deze rangorde, binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, betekent dit dat bij de verdeling van de middelen de aanvragen die conform genoemde rangschikking het beste voldoen aan de criteria, als eerste worden gehonoreerd, totdat de beschikbare middelen zijn uitgeput. Daarbij wordt rekening gehouden met een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen over doelgroepen, regio’s, thema’s, aard van de activiteiten en vorm van de subsidie.

RVO.nl legt de uitkomsten van de beoordeling van de subsidieaanvragen voor aan een adviescommissie die is samengesteld door het bestuur van het EPRM. Deze commissie adviseert de minister over deze uitkomsten. RVO.nl neemt vervolgens, op grond van het door de minister aan haar gegeven mandaat, namens de minister een besluit over de subsidieaanvragen, rekening houdend met het advies van de adviescommissie.

Besluitvorming door de Minister over de subsidieaanvragen die worden ingediend in de eerste indieningsronde vindt plaats uiterlijk op 31 januari 2018.

10. Aanvraag

Een aanvraag kan pas in aanmerking komen voor een subsidie nadat RVO.nl advies heeft uitgebracht over een daartoe door de aanvrager ingediende quick scan. Als de quick scan is afgerond en een advies van RVO.nl op de quick scan is ontvangen, kan er overgegaan worden tot het indienen van een aanvraag. Aangezien met de verwerking van een verzoek om een quick scan een tweetal weken is gemoeid, kan RVO.nl niet tijdig (in de zin van tijdig genoeg om daarna nog een aanvraag te kunnen indienen) reageren op verzoeken die twee weken of korter voor de sluiting van de aanvraagtermijn worden gedaan.

Uiterste termijn van indiening subsidieaanvragen is voor de eerste openstelling 19 september 2017, 11:00 Nederlandse tijd. Aanvragen dienen uiterlijk op voornoemde datum en tijd door RVO.nl te zijn ontvangen. Dat betekent dat verzoeken om quick scans uiterlijk 4 september 2017 11:00 Nederlandse tijd door RVO.nl ontvangen moeten zijn.

Aanvragen worden rechtsgeldig ondertekend ingediend en voorzien van de hieronder gevraagde informatie en managementsamenvatting. De aanvraag wordt opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal, waarbij het Engels de voorkeur verdient, met gebruikmaking van een door de Minister vastgesteld middel9, en voorzien van de daarbij vereiste bijlagen. Het gaat hierbij om een verklaring van ontvangst van het RVO.nl-advies op de quick scan en de volgende bijlagen:

  • Aanvraagformulier;

  • Projectvoorstel, dat in elk geval omvat: i) samenvatting, ii) context analyse, iii) activiteiten in relatie tot beoogde resultaat, iv) project implementatie en -management, v) projectteam, vi) spin-off / duurzaamheid en vii) de wijze waarop wordt omgegaan met IMVO;

  • Projectbudget (result based) dat inzicht geeft in opbouw van projectkosten, financiering, inclusief onderbouwing van de financiering van eventueel eigen aandeel;

  • Drie referentieprojecten van de aanvrager en/of het samenwerkingsverband;

  • Indien van toepassing De-minimis-verklaring.

In geval van een samenwerkingsverband dient bij de aanvraag tevens een schriftelijke en door alle partners ondertekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd te worden die de medewerking van de partners aan de uitvoering van het project en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen jegens de minister. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van twee door RVO.nl beschikbaar gestelde formats gebruikt (Partner Form en Cooperation Agreement)10.

De aanvrager/penvoerder en/of eventuele mede-indieners dienen te verklaren dat zij op de hoogte zijn van en zullen handelen naar de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen11, de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk (www.ilo.org) en de OECD Due Diligence Guidance for Responsible supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas12.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de aanvrager (penvoerder) het risico dat de Minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij is ingediend.

11. Beoordeling

  • 11.1 Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het Fonds EPRM dient een aanvraag te voldoen aan de formele in deze beleidsregels aan aanvragen gestelde vereisten zoals vermeld in paragraaf 10. Indien dat niet het geval is kan de minister met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht om herstel van het verzuim verzoeken, dan wel de aanvraag in behandeling nemen zoals deze is ontvangen. De formele eisen zijn, samengevat, de volgende (zie voor het complete overzicht paragraaf 10):

    • De aanvragen zijn door RVO.nl ontvangen voor het verstrijken van de vastgestelde deadline;

    • De aanvragen zijn volledig, in de zin dat alle in paragraaf 10 genoemde formulieren en bijlagen zijn ingediend en alle velden zijn ingevuld;

    • De aanvragen zijn ondertekend op de daarvoor aangewezen plaatsen.

  • 11.2 Drempelcriteria:

    • I.) Drempelcriteria ten aanzien van de aanvrager en eventuele partners

      • D.1 Type organisatie

        De aanvrager/ penvoerder en eventuele mede-indieners beschikken over rechtspersoonlijkheid en is dan wel zijn een onderneming, een kennisinstelling, een (semi-)overheidsorganisatie of een niet-gouvernementele organisatie.

      • D.2 Omvang van de organisatie

        • De aanvrager/penvoerder heeft minimaal drie werknemers (inclusief directie).

        • De gemiddelde jaaromzet van de aanvrager/penvoerder over de laatste drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, bedraagt ten minste € 200.000.

      • D.3 Vereisten aan samenwerking

        In het geval van een samenwerkingsverband omvat de aanvraag een door alle betrokken alliantieleden getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over (i) de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband, (ii) de wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt, (iii) de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de deelnemers en (iv) de wijze waarop de aanvrager naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister waarborgt.

      • D.4 (Gezamenlijke) Ervaring van de (deelnemende) organisatie(s)

        De aanvrager, dan wel de penvoerder en mede-indieners gezamenlijk, heeft, dan wel hebben, in de periode 2010-2017 ten minste drie jaar ervaring met het uitvoeren van programma’s op het gebied van due diligence en/of grondstoffenwinning en duurzame ketens.

      • D.5 Organisatorische capaciteit van de organisatie

        De aanvrager/penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

      • D.6 Mate van financiële onafhankelijkheid van de organisatie

        Gedurende de periode 2012-2017 was ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten afkomstig uit bronnen anders dan subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (incl. ambassades). Indien de aanvrager penvoerder is voor een samenwerkingsverband geldt dit criterium voor het hele samenwerkingsverband. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de totale jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere mede-indiener in het samenwerkingsverband.

    • II.) Drempelcriteria ten aanzien van de activiteiten

      • D.7 Omvang van de subsidie

        De gevraagde subsidie bedraagt ten hoogste € 450.000, waarbij voor ondernemingen geldt dat dit maximum zoveel lager kan zijn als waartoe de de-minimis-verordening genoemd in hoofdstuk 5 noodzaakt.

      • D.8 Looptijd van de activiteiten

        De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben een minimale looptijd van 12 maanden en een maximale looptijd van 36 maanden.

      • D.9 Start- en einddatum van de activiteiten

        De activiteiten starten niet later dan 1 september 2018 en worden afgerond uiterlijk op 1 september 2021.

      • D.10 Focus op mineraalsoorten

        De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd richten zich op of zijn gelinkt aan de verbetering van de condities in en rond mijnbouw van één of meerdere van de 3TG-mineralen (goud, tantalium, tin en wolfraam).

      • D.11 Van subsidie uitgesloten activiteiten

        De activiteiten betreffen in elk geval geen:

        • Initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

        • Financiering van commerciële dienstverlening of commerciële activiteiten;

        • Activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

        • Activiteiten van een lokale maatschappelijke organisatie waarvoor reeds middellijk ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een bijdrage wordt ontvangen;

        • Activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop de tender waarvoor een aanvraag wordt ingediend betrekking heeft.

  • 11.3 Beoordelingscriteria:

    Slechts de aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria, worden (nader) inhoudelijk beoordeeld op hun kwaliteit aan de hand van onderstaande beoordelingscriteria door middel van een puntenscore.

    • a. Beleidsrelevantie:

      • De mate waarin de activiteiten en in het bijzonder de probleemstelling zijn afgestemd op een duidelijke contextanalyse waaruit blijkt wat de lokale omstandigheden en behoeftes zijn van mijnwerkers en hun gemeenschappen;

      • De mate waarin de activiteiten aansluiten bij de Theory of Change (ToC) van het EPRM13;

      • De mate waarin de activiteiten bijdragen aan het vergroten van het aandeel van verantwoordelijk geproduceerde 3TG-mineralen uit conflict- en hoog-risicogebieden in het Grote Meren Gebied14;

      • De mate waarin bij de aanvraag actoren zijn betrokken uit de gehele keten (ook wel ‘downstream, midstream en upstream’ actoren genoemd);

      • De mate waarin de activiteiten bijdragen aan gender-balance en sensitief zijn voor genderaspecten in de uitvoering van de activiteiten en bijdragen aan vermindering of mitigatie van de negatieve gevolgen van mijnbouwactiviteiten op de leefomgeving van vrouwen;

      • De mate waarin de activiteiten vervolg geven aan de geleerde lessen van reeds bestaande projecten en structuren en daarmee de activiteiten toegevoegde waarde geven;

      • De mate waarin een brede en effectieve verspreiding van de resultaten van de activiteiten mogelijk is en daarin wordt voorzien met het oog op de bijdrage aan de doelstelling van het EPRM;

    • b. Kwaliteit van de aanvrager en/of het samenwerkingsverband:

      • De mate waarin deskundigheid, betrouwbaarheid, capaciteit tot financieel beheer en stabiliteit van de aanvrager of van de penvoerder en zijn mede-indiener(s) is gewaarborgd;

      • De mate waarin de aanvrager, dan wel de penvoerder en mede-indieners gezamenlijk, in de periode 2010-2017 ervaring heeft dan wel hebben opgedaan met het uitvoeren van programma’s op het gebied van due diligence en/of grondstoffenwinning en duurzame ketens;

      • De mate waarin de aanvrager/penvoerder en mede-indieners zelf, al dan niet via derden, een bijdrage leveren in de dekking van de kosten van uitvoering van de activiteiten.

    • c. Technische kwaliteit van projectvoorstel:

      • De mate waarin het programma is uitgewerkt in beoogde outputs, outcomes, voorgenomen interventies, activiteiten en middelen en deze zijn voorzien van een helder verband;

      • De mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, en indien van toepassing de mate waarin de benodigde middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten;

      • De mate waarin de gehanteerde Monitoring & Evaluatie systematiek toereikend is voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes en onderliggende assumpties;

      • De mate waarin de duurzaamheid van het projectvoorstel is gewaarborgd door voorzetting en doorwerking van de resultaten na afloop van de voorgestelde looptijd;

      • De mate waarin de opmerkingen uit de quick scan fase zijn verwerkt in de aanvraag.

12. Afwijzingsgronden

Een aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het bepaalde in deze beleidsregels of als er sprake is van een of meer van de volgende omstandigheden:

  • De aanvrager of, in geval van een samenwerkingsverband, de penvoerder of één of meer mede-indieners in het samenwerkingsverband:

    • Failliet is of zich in staat van liquidatie bevindt, voor wiens bedrijf een curator is aangesteld, wiens economische activiteiten zijn opgeschort of zich in een vergelijkbare procedure bevindt onder nationale wetgeving en verordeningen;

    • Voorwerp is van een procedure waarin zijn faillissement is aangevraagd, surseance van betaling is aangevraagd, of zich in een vergelijkbare positie bevindt onder nationale wetgeving en verordeningen;

    • Onherroepelijk is veroordeeld voor een delict dat zijn zakelijk handelen betreft;

    • Zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig zakelijk wangedrag of wanbeheer;

    • Zich met het oog op de aanvraag schuldig heeft gemaakt aan het geven van een onjuiste voorstelling van zaken of bedrog;

    • Veroordeeld is of vervolgd wordt voor criminele activiteiten, inclusief schending van internationaal geaccepteerde mensenrechten of onder sterke verdenking staat van directe of indirecte betrokkenheid bij zulke activiteiten.

13. Monitoring & Evaluatie

Indien tot subsidieverlening wordt overgegaan zullen verplichtingen aan de subsidie worden verbonden in de subsidieverleningsbeschikking. Deze zullen onder meer betrekking hebben op het volgende. Om de voortgang van het voorstel te monitoren, zal een baseline studie moeten worden gedaan. Tevens dient de aanvrager ieder jaar één (of meerdere) rapportage(s) op te leveren, met daarin onder meer een eerste evaluatie van de activiteiten, eerste resultaten, etc. De metingen en rapportages (in unit of percentages) zullen conform IATI moeten kunnen worden ingevoerd, zodat later bepaald kan worden in hoeverre het resultaat en projectdoel zijn bereikt.

14. Administratieve lasten

Ter onderbouwing van de administratieve lasten waarmee de aanvrager bij het Fonds te maken krijgt, is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag, de beheerfase, de afronding van het project, waarna de aanvrager een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet indienen, en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget maximaal 2% bedraagt.

  • ^ [1]

    www.responsibleminerals.eu

  • ^ [2]

    www.responsibleminerals.eu

  • ^ [3]

    http://ec.europa.eu/trade/policy/in-focus/conflict-minerals-regulation/

  • ^ [4]

    https://www.oecd.org/corporate/mne/GuidanceEdition2.pdf

  • ^ [5]

    https://www.oecd.org/corporate/mne/48004323.pdf

  • ^ [6]

    Hier wordt gedoeld op de landen van de International Conference on the Great Lakes Region (ICGLR). Dit omvat de landen Angola, Burundi, Centraal Afrikaanse Republiek, Republiek Congo, Democratische Republiek Congo, Kenia, Rwanda, Soedan, Zuid Soedan, Tanzania, Oeganda en Zambia.

  • ^ [7]

    Pb. 2003, L 124

  • ^ [8]

    http://icsc.un.org/

  • ^ [9]

    Zie www.responsibleminerals.eu

  • ^ [10]

    Zie www.responsibleminerals.eu

  • ^ [11]

    https://www.oecd.org/corporate/mne/48004323.pdf

  • ^ [12]

    https://www.oecd.org/corporate/mne/GuidanceEdition2.pdf

  • ^ [13]

    www.responsibleminerals.eu

  • ^ [14]

    Angola, Burundi, CAR, Republiek Congo, DRC, Kenia, Oeganda, Rwanda, Zuid Soedan, Soedan, Tanzania en Zambia