Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv

Geldend van 03-06-2017 t/m heden

Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 mei 2017, nr. 2017-0000083185, tot vaststelling van het toetsingskader van verzoeken in het kader van artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gehoord de Stichting van de Arbeid d.d. 3 mei 2017;

Gelet op artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Artikel 1. Uitgangspunten verzoeken artikel 10 Wet Avv

Bij verzoeken op grond van artikel 10, eerste of tweede lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten worden de in de bijlage bij deze beleidsregel opgenomen uitgangspunten door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerd.

Artikel 2. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv.

Deze beleidsregel zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 24 mei 2017

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher

Bijlage , bedoeld in artikel 1 van de Beleidsregel toetsingskader verzoeken artikel 10 Wet Avv

1. Algemene beleidsuitgangspunten bij onderzoeken in het kader van artikel 10 van de Wet Avv

Cao-partijen zijn gebaat bij een goede naleving van cao-bepalingen. In een aantal cao’s zijn commissies ingesteld die belast zijn met het toezicht op de naleving van de cao. Op deze wijze kunnen onderzoeken naar de naleving van een cao veelal met succes worden afgerond. Zo nodig kunnen sociale partners en daartoe rechtsbevoegde rechtspersonen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister van SZW) verzoeken om een onderzoek te doen naar één of meer bepalingen waarvan de verzoeker(s) het gegronde vermoeden heeft (hebben) dat de bepaling (en) niet word(t)en nageleefd.

De Inspectie SZW vervult in dezen een ondersteunende functie bij de controle op de naleving van de cao’s door sociale partners. Sociale partners beschikken immers niet over de wettelijke bevoegdheden waarover de Inspectie SZW wél beschikt zoals de bevoegdheid om inzage in zakelijke gegevens en bescheiden te vorderen bij een onderzochte onderneming.

Een onderneming is verplicht om, binnen de door de Inspectie SZW bepaalde redelijke termijn, hieraan mee te werken.

Met het oog op de versterking van de positie van sociale partners die belast zijn met de naleving van cao’s die algemeen verbindend zijn verklaard, is artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: Wet Avv) in het leven geroepen. In artikel 10 Wet Avv is geregeld dat partijen op wier verzoek een algemeen verbindendverklaring is uitgesproken een verzoek bij de Minister van SZW kunnen indienen om onderzoek te doen naar één of meer bepalingen waarvan de verzoeker een gegrond vermoeden heeft dat die niet wordt of niet worden nageleefd door een onderneming. Ook een daartoe bevoegde rechtspersoon kan een dergelijk verzoek doen bij de Minister van SZW. Het daadwerkelijke onderzoek wordt verricht door de ambtenaren van de Inspectie SZW. De bevindingen van de Inspectie SZW hebben tot doel om een door de verzoeker in te stellen civielrechtelijke vordering tegen een onderneming te ondersteunen.

In het kader van het onderzoek kan de Inspectie SZW ook gegevens benutten die beschikbaar zijn over het in de desbetreffende onderneming naleven van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet.

Het onderzoek dat de Inspectie SZW in het kader van artikel 10 Wet Avv verricht, is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het betreft een feitelijke handeling. Het onderzoek dat de Inspectie SZW verricht en uitmondt in een feitelijk verslag is dan ook niet vatbaar voor bezwaar en beroep.

In deze beleidsregel worden de criteria van artikel 10 Wet Avv nader aangeduid. Hiermee wordt concreter gemaakt welke uitgangspunten de Inspectie SZW hanteert bij het in behandeling nemen van een verzoek in het kader van artikel 10 Wet Avv en het vervolgens uitvoeren van een onderzoek bij een onderneming.

2. Het indienen van een verzoek door de verzoeker

Het verzoek op grond van artikel 10, eerste lid, Wet Avv, wordt ingediend door een vereniging van werkgevers of vereniging van werknemers (of meerdere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid) die een verzoek voor algemeen verbindend verklaring heeft (hebben) ingediend. Eveneens komt hiervoor in aanmerking een volledige rechtsbevoegde rechtspersoon als omschreven in artikel 10, tweede lid, van de Wet Avv.

Het verzoek wordt schriftelijk of elektronisch bij de Inspectie SZW ingediend. Het verzoek wordt in behandeling genomen indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het verzoek indient:

  • a. aangeeft dat hij tot de indiening van het verzoek bevoegd is, dit kan met name blijken uit een daartoe verstrekte machtiging;

  • b. duidelijk maakt van welke onderneming de verzoeker het vermoeden heeft dat deze de avv’de cao-bepaling of bepalingen niet naleeft. Dit kan blijken uit het verstrekken van een uittreksel van de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel, van de onderneming waarvan de verzoeker een vermoeden heeft dat hij de cao niet naleeft.

Indien dit niet mogelijk is, kan de verzoeker op een andere wijze de identiteit van de onderneming zo nauwkeurig mogelijk kenbaar maken. Het kan voorkomen dat de verzoeker zijn melding alleen kan baseren op mondeling verkregen informatie van werknemers. Hierdoor kan het voorkomen dat de verzoeker per abuis niet de werkelijke onderneming aanwijst waarop het onderzoek zich zou moeten richten. De Inspectie SZW zal de verzoeker hiervan in kennis stellen en de verzoeker vragen een hernieuwd verzoek in te dienen waarin de naam van de ‘juiste’ onderneming wordt vermeld.

Indien de verzoeker deze gegevens niet bij het verzoek verstrekt, dan kan het verzoek niet in behandeling worden genomen. De verzoeker wordt hiervan in kennis gesteld en krijgt daarbij de gelegenheid om alsnog binnen een redelijke termijn de gevraagde informatie te verstrekken. Worden de gegevens ook dan niet verstekt, dan wordt het verzoek definitief niet in behandeling genomen. Dit wordt schriftelijk medegedeeld aan de verzoeker.

3. Overige informatie die van de verzoeker gevraagd wordt alvorens de Inspectie SZW het onderzoek zal starten

De Inspectie SZW zal voorafgaand aan het onderzoek de verzoeker vragen zo concreet mogelijk aan te geven:

  • a. de periode waarbinnen de vermoedens van niet-naleving zich hebben voorgedaan. Nota bene: deze periode dient te vallen binnen het tijdvak waarover de cao algemeen verbindend is verklaard;

  • b. op welke bepaling of bepalingen van de aangegeven avv’de cao het verzoek betrekking moet hebben. De verzoeker zal daarbij worden verzocht zo concreet mogelijk aan te geven welke bepaling of bepalingen naar zijn mening vermoedelijk door de onderneming worden overtreden.

De verzoeker motiveert zijn vermoeden aan de hand van de informatie die de verzoeker ter beschikking stelt, zoals een brief aan de desbetreffende onderneming waarin hij wordt verzocht om de desbetreffende bepalingen na te leven, concrete meldingen of een bewijs dat de ondernemer is aangeschreven om inzage te geven in de stukken.

Op de verzoeker rust de inspanningsverplichting om de bij hem bekende feiten en omstandigheden te melden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van bewijsrechtelijke acties die zijn ondernomen ten behoeve van een civielrechtelijke vordering, zoals het verzamelen van getuigenverklaringen. Dit kan ook geschieden door een grondige beschrijving van de situatie en de hand van de aangetroffen feiten en omstandigheden.

4. Het onderzoek bij de onderneming

Bij haar onderzoek gaat de Inspectie SZW uit van de juistheid van de door de verzoeker verstrekte gegevens. Indien tijdens het onderzoek feiten worden geconstateerd die hiermee in tegenspraak zijn, dan wordt hiervan melding gedaan in het verslag.

Indien tijdens het onderzoek naar de naleving van de avv’de cao blijkt dat de werkgever een andere opvatting heeft ten aanzien van de van toepassing zijnde avv’de cao, dan vermeldt de Inspectie SZW dat in het verslag.

De Inspectie SZW neemt evenwel de in het verzoek genoemde cao in het avv-besluit als uitgangspunt voor het onderzoek.

De Inspectie SZW kan indien daar aanleiding voor is nadere inlichtingen bij de betreffende werkgever inwinnen om tot een objectieve beschrijving van de feiten te komen.

5. Het verslag

Nadat de Inspectie SZW het onderzoek heeft afgerond stelt de Inspectie SZW een feitelijk verslag van de bevindingen op, inclusief de naar het oordeel van de Inspectie SZW relevante bijlagen. Dit verslag wordt aan de verzoeker gezonden.