Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit Beroep in Belastingzaken

Geldend van 22-04-2017 t/m heden

Besluit Beroep in Belastingzaken

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit betreft een aanpassing van het Besluit Beroep in Belastingzaken (Besluit van 24 juni 2016, nr. BLKB2016/365, Stcrt. 2016, 34865). De staatssecretaris geeft hiermee gevolg aan zijn toezegging aan de Tweede Kamer om in een werkinstructie vast te leggen dat de inspecteur bij fiscale massaalbezwaarprocedures instemt met openbare behandeling (zie de antwoorden op Kamervragen van 10 oktober 2016, Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 196). Hiervoor is paragraaf 2.4.5 toegevoegd. Daarnaast is de tekst op enkele punten redactioneel aangepast. Daarmee is geen wijziging van het beleid beoogd.

1. Algemeen

1.1. Begripsbepalingen

Dit besluit verstaat onder:

  • a. inspecteur: de ambtenaar van de Belastingdienst met een machtiging als bedoeld in § 1.2 van dit besluit;

  • b. griffier: de griffier van de bevoegde rechtbank, van het bevoegde gerechtshof of van de Hoge Raad;

  • c. B/CKC: Belastingdienst/Centrum voor kennis en communicatie;

  • d. DGBel: Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst;

  • e. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • f. AWR: Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • g. uitspraak: een schriftelijke of (een proces-verbaal van een) mondelinge uitspraak van rechtbank of gerechtshof of een schriftelijke uitspraak (arrest) van de Hoge Raad;

  • h. directeur: de (landelijk) directeur van een van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, b2 en c1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.

  • i. vaktechnisch coördinator: medewerker van de Belastingdienst die namens de directeur verantwoordelijk is voor de vaktechnische kwaliteit in een organisatieonderdeel op het gebied van een specifiek belastingmiddel of proces, onder welke functiebenaming dan ook.

  • j. landelijk vaktechnisch coördinator: medewerker van de Belastingdienst die binnen Belastingdienst/Belastingen landelijk verantwoordelijk is voor de vaktechnische kwaliteit op het gebied van een specifiek belastingmiddel of proces, onder welke functiebenaming dan ook.

1.2. Procesmachtigingen

  • 1. De inspecteur als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de AWR respectievelijk de ontvanger als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 verleent aan onder zijn verantwoordelijkheid werkende ambtenaren van de Belastingdienst machtiging om hem te vertegenwoordigen in procedures voor rechtbanken en gerechtshoven. Daar waar in het vervolg van dit besluit wordt gesproken over de inspecteur, wordt ook gedoeld op de ontvanger.

  • 2. Van de verleende machtigingen wordt een register bijgehouden.

  • 3. Van het in het tweede lid bedoelde register wordt een afschrift toegezonden aan de griffiers van de gerechtshoven en de rechtbanken die belastingzaken behandelen.

  • 4. Machtiging wordt slechts verleend aan medewerkers die naar het oordeel van de betrokken vaktechnisch coördinatoren over de benodigde vakinhoudelijke kennis en vaardigheden beschikken.

  • 5. Gemachtigden worden geacht aan de in dit besluit gestelde eisen te voldoen.

1.3. Registratie beroepschriften en verweerschriften

  • 1. De volgende gegevens worden door de Belastingdienst in een bestand geregistreerd:

    • naam, adres en woonplaats van de belanghebbende en de gemachtigde;

    • middel, jaar of tijdvak, heffings- of invorderingszaak en aanslagnummer;

    • of er sprake is van rechtstreeks beroep;

    • datum van binnenkomst van het (pro forma) beroepschrift en de conclusie van repliek bij de rechtbank of het gerechtshof en op het kantoor;

    • datum van verzending van het verweer- of beroepschrift en de conclusie van dupliek/repliek;

    • intrekking van het beroepschrift;

    • motivering bij beslissing over het indienen van een afschrift van het beroep-/verweerschrift aan B/CKC;

    • termijn van uitstel voor indiening van het verweerschrift of de conclusie van dupliek of repliek;

    • termijn van uitstel voor motivering hoger beroep;

    • datum van de zitting bij de rechtbank of het gerechtshof;

    • datum van de beslissing van de rechtbank of het gerechtshof waarmee aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag wordt gesteld;

    • datum van de uitspraak van de Hoge Raad op een door de rechtbank of het gerechtshof gestelde prejudiciële vraag;

    • datum van de uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof;

    • datum van ontvangst van het beroepschrift in cassatie van DGBel;

    • datum van indiening van het advies of cassatievoorstel aan DGBel;

    • datum van de uitspraak van de Hoge Raad;

    • datum van verzending van het afschrift van de uitspraak aan B/CKC;

    • resultaat en belang van de uitspraak van de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad.

  • 2. Behalve ten behoeve van de organisatieonderdelen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen b2 en c1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, wordt deze registratie uitgevoerd door het Centraal Serviceteam Beroep.

1.3.1. Bewaking van de gevolgen van de procedure

De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met:

  • de zuivering, en

  • het voorkomen van geautomatiseerd afdoen van latere jaren.

2. Beroep bij de rechtbank

2.1. Rechtstreeks beroep

2.1.1. Instemming door de inspecteur

  • 1. Als een bezwaarschrift een verzoek bevat om in te stemmen met rechtstreeks beroep, geeft de inspecteur daaraan gevolg als hij de zaak daarvoor geschikt acht (zie artikel 7:1a Awb).

  • 2. Als hoofdregel geldt dat eerst de bezwaarprocedure wordt gevolgd.

  • 3. De zaak is alleen dan geschikt voor rechtstreeks beroep als in de primaire fase een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen inspecteur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl ook vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. Vooral het feitencomplex moet nauwkeurig zijn vastgesteld, omdat door de inspecteur geen feitenonderzoek meer kan worden gedaan als de zaak onder de rechter is. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin een besluit nauw samenhangt met een besluit waartegen al beroep is ingesteld.

  • 4. De zaak is in ieder geval niet geschikt voor rechtstreeks beroep als – in meerpartijengeschillen – niet alle indieners van een bezwaarschrift om het overslaan van de bezwaarprocedure hebben verzocht.

  • 5. Op het verzoek wordt niet beslist door de medewerker die het bestreden besluit genomen heeft.

  • 6. Alvorens op het verzoek wordt beslist, vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren.

2.1.2. Doorzending van het bezwaarschrift

Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.

2.1.3. Afwijzen van het verzoek

Als de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.

2.2. Het verweerschrift

2.2.1. Indiening van het verweerschrift

Behoudens in de in § 2.2.3 lid 2, en § 2.2.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken zijn verweerschrift overeenkomstig § 2.2.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank.

2.2.2. Eenheid van beleid en uitvoering

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur door tussenkomst van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.

2.2.3. Tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende

  • 1. In het geval dat de inspecteur zich kan verenigen met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren tracht hij met belanghebbende overeen te komen dat deze zijn beroepschrift intrekt onder voorwaarde dat het bestreden besluit ambtshalve verminderd of vernietigd zal worden. Als belanghebbende hiertoe bereid is, neemt de inspecteur onverwijld maatregelen die leiden tot bedoelde ambtshalve vermindering of vernietiging en nodigt hij belanghebbende uit een schrijven aan de rechtbank te ondertekenen inhoudende dat hij zijn beroepschrift intrekt. De inspecteur probeert daarbij met belanghebbende ook tot overeenstemming te komen over de vergoeding van de proceskosten overeenkomstig artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de rechtbank niet meer een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, Awb hoeft uit te spreken.

  • 2. De inspecteur zendt dit schrijven zo spoedig mogelijk aan de rechtbank onder bijvoeging van een afschrift van de beslissing waarbij de ambtshalve vermindering of vernietiging van het besluit aan belanghebbende wordt medegedeeld. Hij dient in dit geval geen verweerschrift in.

  • 3. Als belanghebbende niet bereid is het beroepschrift onder de in lid 2 vermelde voorwaarde in te trekken, deelt de inspecteur de rechtbank in zijn verweerschrift mee dat hij zich geheel met de door belanghebbende opgeworpen bezwaren kan verenigen.

  • 4. In gevallen waarin het beroepschrift wordt ingetrokken zonder dat aan de bezwaren van belanghebbende wordt tegemoetgekomen, kan de inspecteur het griffierecht vergoeden. Het griffierecht wordt in beginsel vergoed, tenzij er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende; hiervan kan onder meer sprake zijn bij (herhaald) lichtvaardig procederen.

2.2.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

  • 1. In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur gaat hier zeer terughoudend mee om en verzoekt alleen om verlenging na toestemming van de plaatsvervangend directeur. Hij vraagt deze toestemming via de betrokken vaktechnisch coördinator.

  • 2. Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is bijvoorbeeld sprake als de behandelend ambtenaar niet-beschikbaar is, en deze niet kan worden vervangen.

2.2.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken

  • 1. Het verweerschrift behoort een zelfstandige uiteenzetting te geven van de feiten en van de beschouwingen waartoe die feiten de inspecteur aanleiding geven, zodat ook zonder raadpleging van andere stukken de zienswijze van de inspecteur duidelijk en volledig tot uitdrukking komt.

  • 2. In het verweerschrift dienen in ieder geval de volgende punten te worden behandeld:

    • a. de ontvankelijkheid van het beroep;

    • b. de feiten;

    • c. een beknopt overzicht van de geschilpunten;

    • d. een omschrijving van de in het beroepschrift vervatte grieven en de zienswijze van de inspecteur met betrekking tot deze grieven;

    • e. de feiten die de algemene bewijsregels opzij zetten en een bijzondere bewijsregeling (zoals omkering bewijslast) tot gevolg hebben en de motivering daarvan;

    • f. de gevraagde proceskostenvergoeding

    • g. de conclusie van de inspecteur.

  • 3. Zo nodig worden subsidiaire verweren en subsidiaire conclusies in het verweerschrift opgenomen.

  • 4. De overgelegde stukken worden in het verweerschrift vermeld. Tot de in artikel 8:42 Awb bedoelde over te leggen stukken behoren in ieder geval:

    • a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte als deze is gedaan. Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, als de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;

    • b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;

    • c. een afschrift van het bezwaar- of verzoekschrift;

    • d. een afschrift van de uitspraak dan wel een afschrift van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);

    • e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.

  • 5. Naar niet gepubliceerde uitspraken wordt slechts verwezen als deze als bijlage worden overgelegd. Overlegging geschiedt in overeenstemming met artikel 27g AWR.

2.3. De conclusie van dupliek

2.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

2.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 2.2.4 is overeenkomstig van toepassing.

2.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek

In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.

2.4. De mondelinge behandeling

2.4.1. Aanwezigheid ter zitting

De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Voorafgaand aan de zitting informeert de inspecteur naar de samenstelling van de rechtbank op de zitting.

2.4.2. Bijstand

  • 1. De inspecteur laat zich op een zitting van de rechtbank door een andere ambtenaar van de Belastingdienst vergezellen. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift reeds gemeld door welke ambtenaren de inspecteur zich laat vertegenwoordigen.

  • 2. Het vorige lid vindt geen toepassing in verzetprocedures.

2.4.3. Procesdeskundigen

  • 1. De directeur wijst binnen zijn organisatieonderdeel ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Hij draagt er zorg voor dat ter zitting van de rechtbank altijd één van deze deskundigen aanwezig is, hetzij als gemachtigde, hetzij ter bijstand.

  • 2. Van de aanwezigheid van een procesdeskundige ter zitting kan worden afgezien:

    • a. in verzetprocedures; of

    • b. als zowel de inspecteur als de procesdeskundige van oordeel is dat de aanwezigheid van laatstgenoemde ter zitting geen toegevoegde waarde kan hebben, en de vaktechnisch coördinator formeel recht dit heeft goedgekeurd. De overwegingen hiervoor worden in het dossier vastgelegd.

2.4.4. Achterwege blijven van de mondelinge behandeling

De inspecteur kan als de rechtbank hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen als de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.

2.4.5. Openbaarheid van de zitting bij massaalbezwaarprocedures

De rechter heeft de mogelijkheid om te bepalen dat een zitting openbaar is.

Het kan voorkomen dat een belastingplichtige of zijn gemachtigde verzoekt om derden de zitting bij te laten wonen. Het is gebruikelijk dat de rechter in een dergelijk geval een reactie van de wederpartij vraagt alvorens op het verzoek te beslissen.

Gelet op het karakter van een massaalbezwaarprocedure, die per definitie een grote groep belastingplichtigen raakt, stemt de inspecteur ten aanzien van dergelijke procedures als de belastingplichtigen wier zaken ter zitting worden behandeld om een openbare behandeling verzoeken daar, behoudens buitengewone omstandigheden, mee in.

2.5. Overige aspecten van het beroep

2.5.1. Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

Als het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij of voorafgaand aan de indiening van zijn verweerschrift.

2.5.2. Voorlopige voorziening

Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

2.6. Na de uitspraak

2.6.1. Korte aantekening van de inhoud

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

2.6.2. Het instellen van hoger beroep

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

2.6.3. Sprongcassatie op voorstel van de inspecteur

Als de inspecteur meent dat er bij een uitspraak van de rechtbank sprake is van schending van het recht of dat er is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen, gaat hij na of de feiten door de rechtbank juist en volledig zijn vastgesteld. Als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dan kan hij aan belanghebbende voorstellen om de procedure voor het gerechtshof over te slaan, onder voorbehoud van een akkoord van de staatssecretaris. Als belanghebbende akkoord gaat, dient de inspecteur een voorstel voor sprongcassatie in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:

  • a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte als deze is gedaan. Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, als de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;

  • b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;

  • c. het bezwaar- of verzoekschrift;

  • d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);

  • e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.

  • f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);

  • g. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;

  • h. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd.

De inspecteur kan – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kopieën in plaats van de originele bescheiden indienen. De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.

DGBel, team cassatie laat de inspecteur schriftelijk weten of zijn voorstel wordt gevolgd. Als DGBel, team cassatie met het voorstel van de inspecteur instemt, dan vraagt de inspecteur het formele akkoord van belanghebbende. Als DGBel, team cassatie niet met het voorstel van de inspecteur instemt, dan stelt de inspecteur hoger beroep in.

2.6.4. Sprongcassatie op verzoek van belanghebbende

Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, dan bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

DGBel, team cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur.

2.6.5. Eenheid van beleid en uitvoering

Bij de beslissing om al dan niet sprongcassatie voor te stellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie in te stemmen geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift (zie § 2.2.2).

De inspecteur blijft verantwoordelijk voor de naleving van de in § 2.6.3 genoemde termijn.

2.6.6. Indiening van een verzetschrift

  • 1. Wanneer de inspecteur, in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep, van oordeel is dat een uitspraak onjuist is, dient hij een verzetschrift in bij de rechtbank. De inspecteur kan daarin verzoeken over zijn verzet te worden gehoord.

  • 2. Het verzetschrift wordt ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak aan partijen is verzonden.

  • 3. Tegen een uitspraak op verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel beroep in cassatie. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 5.

2.6.7. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit

  • 1. Voor zover tegen een uitspraak hoger beroep of (sprong)cassatie wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd.

  • 2. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van hoger beroep of (sprong)cassatie nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd.

  • 3. Als zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak nadat deze onherroepelijk is geworden.

  • 4. Voor zover uitvoering van de uitspraak leidt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en/of immateriële schade wordt verwezen naar § 3

2.6.8. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC, en neemt zo nodig contact op met de griffie van de rechtbank met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst in overeenstemming met artikel 27g AWR.

3. Hoger beroep door de inspecteur

3.1. Het beroepschrift

3.1.1. Indiening van een beroepschrift

Als de inspecteur besluit hoger beroep in te stellen, dient hij binnen zes weken (zie artikel 6:7 Awb) een beroepschrift overeenkomstig § 3.1.4 van dit besluit in.

3.1.2. Het pro forma beroepschrift

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator pro forma in hoger beroep en verzoekt hij het gerechtshof om een termijn te stellen voor het motiveren van het beroepschrift.

3.1.3. Eenheid van beleid en uitvoering

Voor het beroepschrift geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

3.1.4. Inhoud van het beroepschrift en over te leggen stukken

Voor de inhoud van het beroepschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het hierbij om de stukken voor zover deze niet reeds in de procedure bij de rechtbank zijn overgelegd en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.

3.2. De conclusie van repliek

3.2.1. Indiening van een conclusie van repliek

Na daartoe door het gerechtshof in de gelegenheid te zijn gesteld, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van repliek in.

3.2.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

  • 1. In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt de conclusie van repliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur gaat hier zeer terughoudend mee om en verzoekt alleen om verlenging na toestemming van de directeur. Hij vraagt deze toestemming via de betrokken vaktechnisch coördinator.

  • 2. Van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is (bijvoorbeeld) sprake als de behandelend ambtenaar niet-beschikbaar is, en deze niet kan worden vervangen.

3.2.3. Inhoud van de conclusie van repliek

De conclusie van repliek behandelt in ieder geval de in het verweerschrift aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van repliek een doublure wordt van het beroepschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van repliek naar relevante punten van het beroepschrift.

4. Hoger beroep door belanghebbende

4.1. Het verweerschrift

4.1.1. Indiening van het verweerschrift

Behoudens in de in § 4.1.33 en § 4.1.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn zijn verweerschrift overeenkomstig § 4.1.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof.

4.1.2. Eenheid van beleid en uitvoering

Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

4.1.3. Tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende

Voor het verweerschrift in hoger beroep geldt wat betreft een eventueel tegemoet komen aan de grieven van belanghebbende hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.3).

4.1.4. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 3.2.2 is overeenkomstig van toepassing. Zo nodig vraagt de inspecteur tevens om verlenging van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep.

4.1.5. Inhoud van het verweerschrift en over te leggen stukken

Voor de inhoud van het verweerschrift gelden dezelfde eisen als voor de inhoud van een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.5). Wat betreft de over te leggen stukken gaat het hierbij om de stukken voor zover deze niet reeds in de procedure voor de rechtbank zijn overgelegd en een afschrift van de uitspraak van de rechtbank. Voorts wordt in een bijlage vermeld welke processtukken reeds tot het dossier behoren.

4.2. Het instellen van incidenteel hoger beroep door de inspecteur

In het geval dat belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur gelijktijdig met zijn verweerschrift bij afzonderlijk geschrift incidenteel hoger beroep instellen. De inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten.

Bij de beslissing om al dan niet incidenteel hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats conform wat geldt bij een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

4.3. De conclusie van dupliek

4.3.1. Indiening van een conclusie van dupliek

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

4.3.2. Verzoek om verlenging van de termijn voor indiening

In complexe zaken waarin het door bijzondere omstandigheden niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. Paragraaf 3.2.2 is overeenkomstig van toepassing.

4.3.3. Inhoud van de conclusie van dupliek

De conclusie van dupliek behandelt in ieder geval de in de conclusie van repliek aangevoerde punten. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Waar nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar de relevante punten van het verweerschrift.

4.4. De mondelinge behandeling

Voor de mondelinge behandeling op een zitting van het gerechtshof is § 2.4 overeenkomstig van toepassing.

4.5. Voorlopige voorziening

Als belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb het gerechtshof heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

4.6. Na de uitspraak

4.6.1. Korte aantekening van de inhoud

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van het gerechtshof wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

4.6.2. Cassatievoorstel

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij een cassatievoorstel in zal dienen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur dient een cassatievoorstel te doen binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak. Zie voor de indiening ook § 5.1.1.

4.6.3. Indiening van een verzetschrift

  • 1. Wanneer de inspecteur, in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep, van oordeel is dat een uitspraak onjuist is, dient hij een verzetschrift in bij het gerechtshof. De inspecteur kan daarin verzoeken over zijn verzet te worden gehoord.

  • 2. Het verzetschrift wordt ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak aan partijen is verzonden.

4.6.4. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit

  • 1. Voor zover tegen een uitspraak cassatieberoep wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd.

  • 2. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van de cassatieprocedure nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd.

  • 3. Als zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak van het gerechtshof nadat deze onherroepelijk is geworden.

  • 4. Voor zover de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit leidt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en/of immateriële schade wordt verwezen naar § 3

  • 5. Als de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft is de Staat griffierecht verschuldigd, zoals in de uitspraak vermeld.

4.6.5. Publicatie van de (geanonimiseerde) uitspraak

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC, en neemt zo nodig contact op met de griffie van het gerechtshof met het verzoek de uitspraak op www.rechtspraak.nl te publiceren.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst in overeenstemming met artikel 27g AWR.

5. Cassatieberoep bij de Hoge Raad

5.1. Cassatieberoep door de staatssecretaris

5.1.1. Indiening van een cassatievoorstel

  • 1. Wanneer de inspecteur geheel of ten dele in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of een hem bij afschrift meegedeelde uitspraak schending van het recht inhoudt, dan wel dat is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan:

    • a. een uitspraak die principieel onjuist wordt geacht;

    • b. een uitspraak die strijdig is met bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad;

    • c. een uitspraak die strijdig is met opvattingen van bewindslieden van Financiën in de wetsgeschiedenis;

    • d. een uitspraak die strijdig is met in de beleidssfeer uitgedragen opvattingen.

    Is naar zijn mening hiervan sprake, dan zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. Ook uitspraken waarbij de praktijk om meer duidelijkheid vraagt dan de rechtbank of het gerechtshof voor soortgelijke gevallen heeft gegeven en uitspraken waarbij ter wille van de eenheid van recht de behoefte bestaat een beslissing in hoogste ressort te verkrijgen, kunnen worden ingezonden. Uitspraken die principieel juist worden geacht, feitelijk van aard zijn en niet onbegrijpelijk, dan wel de voor cassatie benodigde feitelijke grondslag missen, komen in beginsel niet voor cassatieberoep in aanmerking. Zie in dit verband met name ook § 4.6.2.

    De inspecteur informeert de betrokken landelijk vaktechnisch coördinator over het cassatievoorstel.

  • 2. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:

    • a. een gespecificeerde opgaaf van de gegevens van de aangifte als deze is gedaan. Bij procedures betreffende de erf- en schenkbelasting kan, als de aangifte zeer omvangrijk is, worden volstaan met een uittreksel uit de aangifte betreffende de in geding zijnde onderdelen;

    • b. een kopie van de belastingaanslag dan wel van een ander bestreden besluit of een gespecificeerde opgaaf van de daaraan ten grondslag liggende gegevens. Bij procedures tegen een grote hoeveelheid identieke aanslagen kan worden volstaan met een voorbeeld-aanslag;

    • c. het bezwaar- of verzoekschrift;

    • d. een kopie van de uitspraak op bezwaar dan wel een kopie van de kennisgeving waarin de beslissing op het bezwaar- of verzoekschrift wordt gemotiveerd (in de gevallen dat dit van toepassing is);

    • e. alle andere stukken die een rol gespeeld hebben in de besluitvorming van de inspecteur met betrekking tot het geschilpunt bij de totstandkoming van het bestreden besluit en de uitspraak op bezwaar.

    • f. de processtukken van de procedure bij de rechtbank (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting);

    • g. het originele afschrift van de uitspraak van de rechtbank;

    • h. de processtukken van de procedure bij het gerechtshof (beroepschrift, verweerschrift, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, eventueel gevoerde correspondentie met de rechtbank, pleitnota’s en andere ter zitting overgelegde stukken, door de griffier opgesteld verslag van de zitting, proces-verbaal van de mondelinge uitspraak);

    • i. (in geval van vereenvoudigde behandeling van het beroep): het originele afschrift van de uitspraak van het gerechtshof, het verzetschrift en de uitspraak op het verzetschrift;

    • j. (ingeval het beroep zich richtte tegen het niet tijdig nemen van een besluit): een afschrift van het besluit en de gevoerde correspondentie;

    • k. een eventueel (openbaar gedeelte van een) controlerapport;

    • l. de bijlagen bij voornoemde geschriften, voor zover in deze paragraaf nog niet genoemd.

    De inspecteur kan – als daartoe de noodzaak aanwezig is – volstaan met het zenden van kopieën in plaats van de originele bescheiden.

  • 3. De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.

  • 4. Als de inspecteur afziet van een cassatievoorstel wordt de bijbehorende motivering vastgelegd in het bestand als bedoeld in § 1.3.

5.1.2. De conclusie van repliek

  • 1. Op het verweerschrift van belanghebbende kan de staatssecretaris reageren met een conclusie van repliek. Hiertoe kunnen de processtukken die bij het cassatievoorstel waren gevoegd worden achtergehouden.

  • 2. Als de conclusie door de staatssecretaris is ingediend, zendt DGBel, team cassatie de processtukken terug aan de inspecteur. Als de inspecteur de processtukken eerder nodig heeft, kan hij deze opvragen bij DGBel, team cassatie.

5.2. Cassatieberoep door belanghebbende

5.2.1. Inzending van het advies door inspecteur

  • 1. Beroepschriften in cassatie door belanghebbenden ingediend, welke door DGBel, team cassatie om advies aan de inspecteur zijn toegezonden, dienen onverwijld en in ieder geval binnen de door DGBel, team cassatie gestelde termijn te worden behandeld.

  • 2. De inspecteur zendt na ontvangst van het verzoek om bericht en raad zijn advies met alle relevante bescheiden. De inspecteur deelt daarbij tevens mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC. Daarnaast overlegt de inspecteur het van de griffier ontvangen originele afschrift van de uitspraak van het gerechtshof én het van DGBel, team cassatie ontvangen beroepschrift in cassatie. De inspecteur plaatst geen aantekeningen op dit beroepschrift. Tot de relevante bescheiden behoren in ieder geval de stukken die worden genoemd in § 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kan volstaan met het zenden van kopieën in plaats van originele bescheiden.

5.2.2. Inhoud van het advies

  • 1. Naar aanleiding van een om advies gezonden beroepschrift in cassatie behoeven geen uitvoerige rapporten te worden uitgebracht. Wél dient een korte reactie op de cassatiemiddelen te worden gegeven, vergezeld van een signalering van eventuele feitelijke onjuistheden met vindplaats. De inspecteur kan adviseren om incidenteel beroep in cassatie in te stellen als het geschil naar zijn mening meer moet omvatten dan de door belanghebbende aangevoerde geschilpunten.

  • 2. Als eenmaal beroep in cassatie is ingesteld, kan niet zonder overleg met DGBel, team cassatie alsnog een compromis worden gesloten als gevolg waarvan het beroep in cassatie zou moeten worden ingetrokken.

5.2.3. De conclusie van dupliek

  • 1. Belanghebbende kan op het verweerschrift in cassatie reageren met een conclusie van repliek, waarop de staatssecretaris kan reageren met een conclusie van dupliek. In verband hiermee kunnen de door de inspecteur ingezonden processtukken door DGBel, team cassatie na het indienen van het verweerschrift in cassatie worden achtergehouden.

  • 2. Als geen conclusie meer volgt, zendt DGBel, team cassatie de processtukken terug aan de inspecteur. Als de inspecteur de processtukken eerder nodig heeft, kan hij deze opvragen bij DGBel, team cassatie.

5.3. De conclusie van de Advocaat-generaal

DGBel, team cassatie, zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur en aan B/CKC.

5.4. Na de uitspraak

5.4.1. Toezending van de uitspraak

  • 1. DGBel, team cassatie zendt het afschrift van de uitspraak direct na ontvangst aan de inspecteur. Als de procedure was aangemeld bij B/CKC, zorgt DGBel, team cassatie voor toezending van de uitspraak.

  • 2. Na ontvangst van het door DGBel, team cassatie toegezonden afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad, wordt de inhoud van de uitspraak in het kort vastgelegd in het in § 3 bedoelde bestand.

5.4.2. Uitvoering van de uitspraak

  • 1. De inspecteur draagt ten spoedigste zorg voor de uitvoering van de uitspraak van de Hoge Raad of de door de Hoge Raad bekrachtigde uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof, voor zover dit niet reeds eerder is gebeurd. Als de wijze van uitvoering niet geheel duidelijk is vindt een collegiale toetsing plaats conform wat geldt voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2).

  • 2. Zie § 3 voor vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade.

6. Overige bepalingen

6.1. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie

6.1.1. In te zenden stukken / overleg

De inspecteur zendt na ontvangst van een uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de relevante bescheiden aan DGBel, team cassatie. Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval de stukken die worden genoemd in § 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur – als daartoe de noodzaak aanwezig is – kan volstaan met het zenden van kopieën in plaats van originele bescheiden.

Als het Hof van Justitie zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan DGBel, team cassatie. Eerst na overleg met DGBel, team cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan DGBel, team cassatie.

6.2. Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

6.2.1. Op verzoek van de inspecteur

In verband met de beantwoording van een breder levende rechtsvraag kan de inspecteur de rechtbank of het gerechtshof verzoeken om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag te stellen. Daarbij geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken landelijk vaktechnisch coördinator.

6.2.2. Niet op verzoek van de inspecteur

Bij zijn reactie op het voornemen tot het stellen van een prejudiciële vraag, geldt wat betreft de eenheid van beleid en uitvoering hetzelfde als voor een verweerschrift bij de rechtbank (zie § 2.2.2). De inspecteur informeert ook de betrokken landelijk vaktechnisch coördinator.

6.2.3. Procedure bij de Hoge Raad

  • 1. De inspecteur zendt na ontvangst van een beslissing, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stelt, onverwijld een afschrift van deze beslissing en de relevante bescheiden aan DGBel, team cassatie. Tot de relevante bescheiden behoren in ieder geval de stukken die worden genoemd in § 5.1.1, tweede lid, waarbij de inspecteur kan volstaan met het zenden van kopieën in plaats van originele bescheiden.

    Eventueel overgelegde originele stukken worden zo snel mogelijk teruggestuurd.

  • 2. DGBel, team cassatie zendt de ingediende schriftelijke opmerkingen en toelichtingen aan de inspecteur.

  • 3. DGBel, team cassatie zendt afschriften van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal, en het commentaar van de staatssecretaris hierop, aan de inspecteur.

  • 4. DGBel, team cassatie zendt het afschrift van de uitspraak direct na ontvangst aan de inspecteur. Hierna wordt de inhoud van de uitspraak in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand.

6.3. Vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade

6.3.1. Griffierecht

  • 1. Als de inspecteur op grond van artikel 8:74 Awb door de rechter is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, stelt de inspecteur de belanghebbende en diens gemachtigde in kennis van de beslissing daartoe. Deze kennisgeving is niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Een kopie van de kennisgeving bewaart de inspecteur bij de stukken. De inspecteur zorgt voor de vergoeding van het griffierecht, conform de uitspraak. Hij informeert eerst bij de ontvanger of het griffierecht op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, Invorderingswet 1990 kan worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen.

  • 2. Als tegen de veroordeling tot vergoeding van griffierecht hoger beroep of cassatie is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot bovengenoemde kennisgeving over te gaan, de uitkomst van die procedure af.

  • 3. Ook als de staatssecretaris in cassatie is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling daarvan.

6.3.2. Proceskosten

  • 1. Als de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof, op grond van artikel 8:75 Awb, in de proceskosten is veroordeeld zorgt de inspecteur voor vergoeding van de kosten, conform de uitspraak. Hij informeert eerst bij de ontvanger of de vergoeding op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, Invorderingswet 1990 kan worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen.

  • 2. Als tegen de veroordeling in de proceskosten door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot vergoeding over te gaan, de uitkomst van die procedure af.

  • 3. Ook als de staatssecretaris in cassatie in de proceskosten is veroordeeld draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling.

6.3.3. Immateriële schade

  • 1. Als de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof wordt veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zorgt de inspecteur voor uitbetaling daarvan, conform de uitspraak. Hij informeert eerst bij de ontvanger of de schadevergoeding op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, Invorderingswet 1990 kan worden verrekend met van de belanghebbende te innen bedragen.

  • 2. Als tegen de veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot vergoeding over te gaan, de uitkomst van die procedure af.

  • 3. Ook als de staatssecretaris in cassatie is veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende gelden immateriële schade draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling.

  • 4. Als de schadevergoeding niet wordt uitbetaald of verrekend binnen vier weken na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, dan wordt dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente hierover, gerekend vanaf het verstrijken van die termijn tot aan de dag van algehele voldoening van de schuld. Hierbij wordt afdeling 4.4.2 van de Awb in acht genomen.

6.4. Verstrekken van inlichtingen

6.4.1. Mondelinge beantwoording van een verzoek om inlichtingen

  • 1. Als de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:44 Awb de inspecteur oproept om te worden gehoord, is de inspecteur verplicht aan deze oproep te voldoen.

  • 2. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de oproep niet kan voldoen, verzoekt hij na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden om een nieuwe datum vast te stellen.

6.4.2. Schriftelijke beantwoording van een verzoek om inlichtingen

  • 1. Als de rechtbank of het gerechtshof in het kader van het vooronderzoek op grond van artikel 8:45 Awb de inspecteur verzoekt schriftelijk inlichtingen te geven, is de inspecteur verplicht hierop te antwoorden binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn. Is door de rechtbank of het gerechtshof geen termijn gesteld dan dient het antwoord zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen vier weken te worden ingezonden.

  • 2. Heeft de griffier de inspecteur afschriften toegezonden van deskundigenrapporten of van tussen de rechtbank of het gerechtshof enerzijds en belanghebbende of derden anderzijds gevoerde correspondentie, dan dient de inspecteur binnen de door de rechtbank of het gerechtshof daartoe gestelde termijn schriftelijk hierover zijn mening te geven, dan wel mee te delen dat hij van de hem hiertoe geboden gelegenheid geen gebruik wenst te maken.

  • 3. Als de inspecteur door bijzondere omstandigheden aan de door de rechtbank of het gerechtshof gestelde termijnen niet kan voldoen, verzoekt hij na toestemming van de betrokken vaktechnisch coördinator de rechtbank of het gerechtshof schriftelijk onder vermelding van deze omstandigheden, de termijn te verlengen.

6.5. Verwijzing en voeging

  • 1. Zodra de inspecteur bekend wordt dat bij meer dan één rechtbank of gerechtshof beroep is ingesteld tegen eenzelfde voor beroep vatbare beschikking of uitspraak, stelt hij de betrokken rechtbanken of gerechtshoven hiervan schriftelijk op de hoogte onder vermelding van de door die rechtbanken of gerechtshoven aan die zaken toegekende kenmerken.

  • 2. Als de aard van de zaak hiertoe aanleiding geeft kan de inspecteur na overleg met belanghebbende(n) aan de rechtbank of het gerechtshof een voorstel doen voor verwijzing of voeging.

7. Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Beroep in Belastingzaken. De citeertitel kan worden afgekort tot BBIB.

8. Intrekking besluit

Het Besluit Beroep in Belastingzaken (Besluit van 24 juni 2016, nr. BLKB2016/365, Stcrt. 2016, 34865) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

9. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • 2. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 7 april 2017

De

Staatssecretaris

van Financiën,
Namens deze,

J. de Blieck

lid van het managementteam Belastingdienst