Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke subsidieregeling experimenten meer werk voor vijftigplussers[Regeling vervalt per 01-10-2019.]

Geldend van 17-03-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 maart 2017, nr. 2017-0000032403, tot verstrekking van subsidies voor experimenten met innovatieve projecten gericht op het benutten en toegankelijk maken van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers (Tijdelijke subsidieregeling experimenten meer werk voor vijftigplussers)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • aanvrager: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5, die subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

  • kaderregeling: de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • projectperiode: de periode gelegen tussen de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend en de datum waarop het project uiterlijk moet zijn afgerond;

  • latente werkgelegenheid: de niet in een bestaande werkplek of vacature ingevulde werkgelegenheid;

  • vijftigplusser: een persoon van 50 jaar of ouder, doch jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling

De kaderregeling is, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1, van toepassing op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om met financiële ondersteuning experimenten met innovatieve projecten mogelijk te maken die zonder deze ondersteuning in de projectperiode niet tot stand zouden komen. De projecten zijn gericht op het benutten en toegankelijk maken van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers teneinde de mogelijkheden op werk voor die doelgroep te vergroten.

Artikel 4. Subsidiabele projecten

  • 1 De minister kan subsidie verstrekken voor innovatieve projecten die bijdragen aan het benutten en toegankelijk maken van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers en die zonder deze ondersteuning in de projectperiode niet tot stand zouden komen.

  • 2 Het project vangt uiterlijk op 1 oktober 2017 aan en wordt afgerond binnen een periode van ten hoogste achttien maanden.

  • 3 Met het project wordt een innovatieve aanpak ontwikkeld en uitgevoerd welke na afloop van het project toepasbaar en in potentie breder inzetbaar is.

  • 4 De minister stelt de methodiek en de evaluatie van het project na de projectperiode vrij beschikbaar en deze zijn vanaf dat moment vrij te gebruiken door derden.

Artikel 5. Subsidieaanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen als bedoeld in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 6. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 3.000.000,–.

  • 2 De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3 Alleen een volledige subsidieaanvraag wordt in behandeling genomen. Een subsidieaanvraag is volledig als het aanvraagformulier volledig is ingevuld, is ondertekend door een tekenbevoegde persoon van aanvrager en de gevraagde documenten zijn bijgevoegd.

Artikel 7. Aanvraagtijdvak en aangevraagde subsidiebedrag

  • 1 De subsidieaanvraag wordt ingediend binnen de periode van 10 april 2017 tot en met 7 mei 2017.

  • 2 Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt ten minste € 125.000,– en ten hoogste € 750.000,–.

Artikel 8. Specifieke eisen aan de subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 3.4 van de kaderregeling wordt in het activiteitenplan aangegeven:

  • a. op welke wijze de activiteiten bijdragen aan het in artikel 3 omschreven doel;

  • b. welke aspecten van de gehanteerde methodiek het project innovatief, duurzaam en uitbreidbaar maken;

  • c. op welke wijze andere partijen betrokken en geconsulteerd zijn;

  • d. op welke wijze het project zal worden geëvalueerd;

  • e. waarom subsidiëring vanuit de rijksoverheid in de gevraagde omvang noodzakelijk is.

Artikel 9. Beoordeling van de subsidieaanvraag

  • 1 De subsidieaanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. innovativiteit en onderscheidendheid;

    • b. duurzaamheid, uitbreidbaarheid van de aanpak en zijn potentie om meer werk voor vijftigplussers beschikbaar te krijgen;

    • c. haalbaarheid; en

    • d. financiering.

  • 2 De criteria zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij deze regeling.

  • 3 De minister kan zich voor de beoordeling laten adviseren door externe partijen.

Artikel 10. Specifieke weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij deze regeling gestelde eisen;

  • b. de beoogde activiteiten en resultaten onvoldoende objectief meetbaar zijn geformuleerd;

  • c. de te hanteren methodiek onvoldoende innovatief en/of onderscheidend is;

  • d. de duurzaamheid, uitbreidbaarheid van de aanpak en zijn potentie om meer vijftigplussers aan het werk te krijgen onvoldoende aannemelijk gemaakt is;

  • e. de haalbaarheid van de beoogde aanpak onvoldoende aannemelijk is gemaakt;

  • f. de evaluatieopzet onvoldoende of ongeschikt is om de effectiviteit en bruikbaarheid van de methodiek te kunnen beoordelen;

  • g. het project of de methodiek niet uitvoerbaar is binnen bestaande wet- en regelgeving;

  • h. de kosten van het project niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten;

  • i. onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; of

  • j. op grond van deze regeling reeds subsidie is verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar project.

Artikel 11. Niet subsidiabele kosten

  • 1 Niet voor subsidie komen in aanmerking:

    • a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

    • b. kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;

    • c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten;

    • d. kosten gemaakt buiten de projectperiode;

    • e. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege; en

    • f. wettelijk verplichte taken.

  • 2 Onder kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten worden verstaan alle niet directe kosten waaronder inbegrepen de kosten van administratie en beheer en de kosten van de controleverklaring en het rapport van een accountant, bedoeld in artikel 1.1 van de kaderregeling.

Artikel 12. Evaluatie van de regeling

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.

Artikel 13. Evaluatie van de projecten

  • 1 De subsidieontvanger draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het project op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

  • 2 Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aangeboden.

  • 3 Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

    • a. een gedetailleerde beschrijving van de gehanteerde methodiek;

    • b. een beschrijving van het implementatie- en uitvoeringsproces en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en

    • c. een overzicht van de bereikte resultaten in aantallen plaatsingen van vijftigplussers op latente vacatures en de aard van de gerealiseerde plaatsingen.

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 oktober 2019.

  • 2 In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 30 september 2019, van toepassing op de afwikkeling van op grond van deze regeling verstrekte subsidies.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling experimenten meer werk voor vijftigplussers.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 maart 2017

De

Minister

van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

L.F. Asscher

Bijlage , behorende bij artikel 9, tweede lid

Bijlage. Inhoudelijke beoordelingscriteria Tijdelijke subsidieregeling experimenten meer werk voor vijftigplussers

Bij de inhoudelijke beoordeling van het voorgestelde project wordt rekening gehouden met de onderstaande beoordelingscriteria

Vereisten waaraan het plan moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie*

De subsidieaanvraag moet voldoende informatie verstrekken om het mogelijk te maken een oordeel te vormen over de onderstaande punten en aannemelijk maken dat hieraan met de aanvraag wordt voldaan

1. Innovatieve, onderscheidende aanpak om latente werkgelegenheid voor vijftigplussers te ontsluiten

• Het betreft geen gangbare al vaker toegepaste aanpak.

• De aanpak richt zich op het concretiseren van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers.

• Het betreft werkgelegenheid waar de reguliere wervingskanalen niet in (kunnen) voorzien.

• Er is op grond van deze regeling geen subsidie verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar eerder ingediend project.

• Het betreft een innovatieve (vernieuwende) aanpak op basis van een analyse van een knelpunt op de arbeidsmarkt.

• De aanpak is gericht op het benutten van latente werkgelegenheidwaar de reguliere wervingskanalen niet in voorzien.

• Het betreft geen gangbare al vaker toegepaste aanpak.

• De aanpak richt zich op vijftigplussers en is ook kansrijk voor het benutten en toegankelijk maken van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers.

2. Duurzaamheid, uitbreidbaarheid en potentie van de aanpak

• De methode is ook na de projectperiode bruikbaar en werkzaam voor toepassing voor de doelgroep.

• Het betreft geen eenmalige kans die wordt benut.

• De methode is overdraagbaar en vrij beschikbaar voor derden.

• Het project zou na de projectperiode zonder subsidie voortgezet kunnen worden.

• De methodiek kan ook op langere termijn en na de subsidieperiode een (blijvende) bijdrage leveren aan het benutten en toegankelijk maken van latente werkgelegenheid voor vijftigplussers en het daadwerkelijk aan het werk krijgen van vijftigplussers.

• Het is mogelijk om het experiment na afloop van de experimenteerperiode verder uit te breiden op reguliere basis. Het is structureel toe te passen en betreft geen tijdelijke kans die wordt benut.

• De voorgestelde manier van evaluatie, verslaglegging en overdracht van het experiment en de resultaten maakt de methodiek voldoende toegankelijk en bruikbaar voor breder gebruik.

• De aanpak kan bij gebleken succes na afloop van de subsidieperiode ook zonder subsidie worden uitgevoerd. Hiervoor is een realiseerbaar verdien/financieringsmodel ontwikkeld.

3. Haalbaarheid

• De aanpak is SMART uitgewerkt.

• Het plan is realistisch.

• Het plan is uitvoerbaar binnen de projectperiode.

• Het is aannemelijk dat de aanpak kansrijk is voor de doelgroep vijftigplussers.

• Het plan is uitvoerbaar binnen de bestaande wet- en regelgeving.

• De subsidie kan niet beschouwd worden als ongeoorloofde staatssteun.

• Het is aangetoond of aannemelijk dat de aanpak haalbaar en uitvoerbaar is binnen de projectperiode.

• Er is voldoende draagvlak bij de voor de uitvoering benodigde partijen en werkgevers- en werknemersorganisaties.

• De aanvrager beschikt over een voor de uitvoering relevant netwerk.

• De voorgestelde aanpak is geschikt voor/passend bij de doelgroep.

• Dat er kandidaten en bedrijven beschikbaar zullen zijn.

• De belangrijkste afbreukrisico’s.

• De te verwachten aard en duur van de werkgelegenheid die wordt gerealiseerd.

• Er is maatschappelijk en bij sociale partners draagvlak voor de manier waarop de vervulling van (latente) vacatures wordt vormgegeven.

4. Financiering

• Noodzaak van (de mate van gevraagde) subsidiering is aangetoond.

• Kosten staan in redelijke verhouding tot de baten.

• Kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd komen niet in aanmerking voor andere overheidsfinanciering.

• De hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag en hoe verhouden de kosten zich tot de te verwachten opbrengst. Zijn de kosten vergelijkbaar met de kosten van andere gebruikelijke instrumenten?

• Is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat partijen niet in staat zijn het experiment tot uitvoering te brengen als er geen financiële bijdrage uit de regeling beschikbaar wordt gesteld?

• Het percentage en de omvang aan cofinanciering (eigen bijdrage en bijdragen van derden) dat door de aanvrager zelf wordt betrokken bij de financiering van het plan. Hoeveel zijn de aanvrager en andere partijen bereid bij te dragen aan de kosten?

* De aanvraag moet naar het oordeel van SZW aannemelijk aan alle vereisten voldoen. Aanvragen die niet voldoen aan de vereisten worden afgewezen.