Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Besluit van de inspecteur-generaal van het Onderwijs van 6 maart 2017, nr. 4983872, houdende vaststelling van de organisatie van en de mandaatbevoegdheden binnen de Inspectie van het Onderwijs (Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Organisatie van de inspectie

De organisatie van de inspectie wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1.

Artikel 3. Mandaat en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om in naam van het betrokken bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, zulks voor wat betreft paragraaf 1 van hoofdstuk 3 onverminderd artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Artikel 4. Managementafspraken

  • 3 De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voor zover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare terinzagelegging op het hoofdkantoor van de inspectie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van de inspectie.

Hoofdstuk 2. Aan de inspectie geattribueerde bevoegdheden

Artikel 5. Reikwijdte en Begripsbepalingen

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering van de aan de inspectie geattribueerde taken en bevoegdheden.

  • 2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • bewindspersoon: minister of staatssecretaris,

    • het ministerie: het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 6. Voorbehouden aan de inspecteur-generaal

Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden:

Artikel 7. Mandaat aan hoofdinspecteur(s)

De hoofdinspecteur(s) hebben binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

Artikel 8. Mandaat aan directeuren

De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

Artikel 9. Mandaat aan afdelingshoofden en inspecteurs

  • 1 De afdelingshoofden en de inspecteurs hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s) en de directeuren, binnen het kader van de met hun directeur gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.

Artikel 10. Ondermandaat en mandaatregister

  • 1 Ondermandaat door de hoofdinspecteur(s) of de directeuren is mogelijk, tenzij in dit besluit anders is bepaald. Bij het verlenen van ondermandaat wordt aangegeven in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.

  • 2 Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur is de goedkeuring vereist door de desbetreffende leidinggevende functionaris.

  • 3 De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, is niet vereist voor:

    • a. ondermandaat aan een afdelingshoofd,

    • b. machtiging om op te treden in gerechtelijke procedures.

  • 4 De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit hoofdstuk verleende algemene ondermandaten door openbare terinzagelegging op het hoofdkantoor van de inspectie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van de inspectie.

Hoofdstuk 3. Aan de inspecteur-generaal gemandateerde bevoegdheden

§ 1. Ondermandaat aangelegenheden OCW

Artikel 11. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien waarvan aan de inspecteur-generaal mandaat is verleend:

Artikel 12. Ondermandaat aan hoofdinspecteur(s)

  • 1 De hoofdinspecteur(s) heeft (hebben) binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.

  • 2 Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens mandaat tot het nemen van personele besluiten ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.

  • 3 De hoofdinspecteur(s) is (zijn) budgethouder voor de hun door de inspecteur-generaal toegewezen budgetten en hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 150.000 exclusief btw.

Artikel 13. Ondermandaat aan directeuren

  • 1 De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om namens de minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen ten aanzien van alle aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie.

  • 2 Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens mandaat tot het nemen van personele besluiten ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.

  • 3 De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de desbetreffende leidinggevende functionaris toegewezen budgetten en hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 100.000 exclusief btw.

  • 4 In afwijking van het derde lid heeft de directeur Beleidsondersteuning en Organisatie mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tot maximaal € 150.000 exclusief btw.

Artikel 14. Geen onderondermandaat

Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.

§ 2. Ondermandaat aangelegenheden EZ en SZW

Artikel 15. Reikwijdte

Artikel 16. Ondermandaat aan hoofdinspecteur(s)

De hoofdinspecteur(s) heeft (hebben), onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal, binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen namens:

Artikel 17. Ondermandaat aan directeuren

De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal en de hoofdinspecteur(s), binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen namens:

Artikel 18. Ondermandaat aan Juridische Zaken

  • 1 Het afdelingshoofd en de medewerkers van het team Juridische Zaken van de Directie Rekenschap en Juridische Zaken hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal, de hoofdinspecteur(s) en de directeuren, binnen het kader van de met de hoofdinspecteur(s) en de directeuren gemaakte managementafspraken mandaat om stukken af te doen en te ondertekenen namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen.

  • 2 Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld in artikel 2 van de mandaatregeling kinderopvang en peuterspeelzalen omvat de bevoegdheid om de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te vertegenwoordigen, zulks met machtiging om zich door anderen te doen bijstaan, inzake:

    • a. bezwaarschriftprocedures, waaronder het horen van bezwaarden,

    • b. gedingen aanhangig bij de bestuursrechter,

    • c. het instellen van enig rechtsmiddel tegen uitspraken in gedingen als bedoeld onder b,

    • d. overige geschillen voor zover:

      • 1°. dit past binnen het kader van de functie van betrokkene, of

      • 2°. daar vanwege de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om is verzocht.

Artikel 19. Beperking verder ondermandaat

Onverminderd het bepaalde in artikel 20, derde lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.

Hoofdstuk 4. Vervanging en beperkingen

Artikel 20. Afwezigheid of verhindering

  • 1 Bij afwezigheid of verhindering van de inspecteur-generaal wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door een hoofdinspecteur.

  • 2 Bij afwezigheid of verhindering van een hoofdinspecteur wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de inspecteur-generaal of door een door de inspecteur-generaal aan te wijzen directeur Toezicht. De omvang van laatstgenoemde uit te oefenen bevoegdheid kan worden beperkt.

  • 3 Bij afwezigheid of verhindering van een directeur wordt, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bij of krachtens dit besluit toekomende bevoegdheid uitgeoefend door een onder hem ressorterend afdelingshoofd. Onverminderd de eerste volzin wordt de bevoegdheid van de directeur Rekenschap en Juridische Zaken met betrekking tot aangelegenheden waarop de beroepsvoorschriften voor registeraccountants van toepassing zijn, uitgeoefend door een onder hem ressorterende registeraccountant.

Artikel 21. Volgorde plaatsvervanging

  • 1 De inspecteur-generaal en de directeuren bepalen de volgorde van plaatsvervanging als bedoeld in artikel 20, eerste lid onderscheidenlijk derde lid.

  • 2 De directeur Beleidsondersteuning en Organisatie draagt zorg voor bekendmaking van de volgorde, bedoeld in het eerste lid, en van een aanwijzing of beperking als bedoeld in artikel 20, derde lid, op de wijze, bedoeld in artikel 10, vierde lid.

Artikel 22. Beperking mandaat

  • 1 Een bij of krachtens dit besluit verleend mandaat omvat niet de bevoegdheid te beslissen op een tegen een besluit ingediend bezwaarschrift.

  • 2 Onverminderd het eerste lid omvat het mandaat van degene die voor de duur van de afwezigheid of verhindering van een andere functionaris diens bevoegdheid uitoefent niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.

Artikel 23. Wijze van ondertekening

  • 1 De bij of krachtens dit besluit gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de in bijlage 2 bij dit besluit opgenomen formule.

  • 2 Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding ‘ b/a’ is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 24. Intrekking besluiten

  • 2 Mandaten die zijn verleend op grond van de besluiten, genoemd in het eerste lid, of mandaten die worden geacht op grond van die besluiten te zijn verleend, en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit, met inachtneming van het in dit besluit bepaalde.

Artikel 25. Wijziging

[Red: Wijzigt dit besluit.]

Artikel 26. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • 2 Artikel 25 treedt in werking met ingang van 1 juli 2017.

Artikel 27. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2017.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De inspecteur-generaal van het Onderwijs,

M. Vogelzang

Bijlage 1. bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2016

I

Organogram van de Inspectie van het Onderwijs

II. Organisatiebeschrijving inspectie van het onderwijs

De inspecteur-generaal van het Onderwijs is, conform de Regeling Inspectie van het Onderwijs, verantwoordelijk voor de gehele inspectie. De inspecteur-generaal beheert daarnaast een aantal specifieke portefeuilleonderdelen.

De inspectie kent een topstructuur van maximaal 3 personen, te weten de inspecteur-generaal en maximaal twee hoofdinspecteurs: een hoofdinspecteur primair onderwijs en speciaal onderwijs en een hoofdinspecteur voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs. De inspecteur-generaal kan besluiten dat er slechts één hoofdinspecteur is. In dat geval wordt deze hoofdinspecteur door de inspecteur-generaal aangewezen om de rol te vervullen en daarmee de titel te voeren van plaatsvervangend inspecteur-generaal in plaats van die van hoofdinspecteur. De inspecteur-generaal voert de bevoegdheden van de vacante functie uit.

De portefeuille van een hoofdinspecteur c.q. plaatsvervangend inspecteur-generaal behelst zowel het toezicht in de genoemde sectoren, als de programma’s, projecten en thema’s die binnen de sectoren worden uitgevoerd. Behalve het toezicht in de genoemde sectoren beheert de hoofdinspecteur c.q. plaatsvervangend inspecteur-generaal een aantal specifieke portefeuilleonderdelen. De hoofdinspecteur c.q. plaatsvervangend inspecteur-generaal legt verantwoording af aan de inspecteur-generaal.

De inspecteurs en hun medewerkers oefenen toezicht uit onder leiding van de directeuren Toezicht. De directeuren Toezicht leggen verantwoording af aan de verantwoordelijke hoofdinspecteur c.q. plaatsvervangend inspecteur-generaal of inspecteur-generaal.

De directie Kennis en de directie Rekenschap en Juridische zaken staan onder leiding van een directeur Kennis respectievelijk een directeur Rekenschap en Juridische zaken. De directeur Rekenschap en Juridische Zaken legt verantwoording af aan de inspecteur-generaal, de directeur Kennis legt verantwoording af aan de hoofdinspecteur primair onderwijs en speciaal onderwijs.

De directie Beleidsondersteuning en Organisatie staat onder leiding van de directeur Beleidsondersteuning en Organisatie. Deze directeur legt verantwoording af aan de inspecteur-generaal.

III. Portefeuilleverdeling inspecteur-generaal – hoofdinspecteurs

inspecteur-generaal van het Onderwijs:

Mevrouw drs. M. Vogelzang Algemene eindverantwoordelijkheid Inspectie van het Onderwijs

Sectoren VO, MBO, HO en Directie Beleidsondersteuning en Organisatie

Overige onderdelen portefeuille:

  • Rekenschap en Juridische zaken

  • VSV en Leerplicht

  • Groen onderwijs

hoofdinspecteur PO – SO:

De heer dr. A. Jonk Sectoren PO en SO, Kennis

Overige onderdelen portefeuille:

  • Kwetsbare leerling/Passend onderwijs

  • Voor- en vroegschoolse educatie

  • Europese scholen

  • Nederlands onderwijs in het buitenland

  • Tweedelijns toezicht Kinderopvang

  • Vertrouwensinspecteurs

hoofdinspecteur VO – MBO – HO:

(vacant)

IV. Taken en verantwoordelijkheden directies

  • a) directie Toezicht primair onderwijs

    De directie Toezicht primair onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het basis- en speciaal basisonderwijs, de samenwerkingsverbanden primair onderwijs, de voor- en vroegschoolse educatie en het interbestuurlijk toezicht op de kinderopvang. De sector ziet toe op de naleving van de relevante wet- en regelgeving en stimuleert dat de verantwoordelijke besturen zelf de kwaliteit van het onderwijs borgen en verbeteren.

    Daarnaast levert de sector vanuit zijn verantwoordelijkheid bijdragen aan onderzoek naar ontwikkelingen in het stelsel die betrekking hebben op de kwaliteit van het primair onderwijs.

    Onder verantwoordelijkheid van de sector vallen verder het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland (PO en VO), het niet-bekostigd onderwijs (de B3 en B4 scholen voor PO en VO) en de Europese scholen.

  • b) directie Toezicht speciaal onderwijs

    De directie Toezicht speciaal onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs en de uitvoering van het toezicht op de samenwerkingsverbanden PO en VO, conform de Wet op het onderwijstoezicht en de wet op de expertisecentra.

    Daarnaast is de directie Toezicht speciaal onderwijs verantwoordelijk voor het uitvoeren van de taken van de vertrouwensinspecteurs als bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

  • c) directie Toezicht voortgezet onderwijs

    De directie Toezicht voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het voortgezet onderwijs. Dit toezicht bestaat uit:

    • 1. vierjaarlijks bestuurstoezicht op het niveau van het bestuur en op het niveau van de scholen;

    • 2. instellingstoezicht dat bestaat uit risicogericht toezicht, onderzoek in het kader van de 4-jaarsverplichting, incidententoezicht en toezicht op de afname van de centrale examens;

    • 3. stelseltoezicht door middel van themaonderzoeken;

    • 4. tweedelijns toezicht op het functioneren van het College voor Toetsen en Examens.

      Onder verantwoordelijkheid van de sector valt verder het toezicht op besturen en scholen in Caribisch Nederland (PO, VO en MBO).

  • d) directie Toezicht middelbaar beroepsonderwijs

    De directie Toezicht middelbaar beroepsonderwijs is verantwoordelijk voor de uitvoering van het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs (roc’s, aoc’s, niet-bekostigde instellingen en exameninstellingen).

    Daarnaast houdt de directie toezicht op een aantal afdelingen voor voortgezet onderwijs die een multi-sectoraal bestuur (middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs) hebben.

    Tot slot houdt de directie toezicht op de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

  • e) directie Toezicht hoger onderwijs

    De directie Toezicht hoger onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het hoger onderwijs. Dit toezicht bestaat uit:

    • 1. beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het stelsel voor hoger onderwijs;

    • 2. beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het Nederlandse accreditatiestelsel;

    • 3. beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid, doelmatigheid en continuïteit bij bekostigde instellingen;

    • 4. incidenteel onderzoek bij instellingen bij ernstige klachten of signalen;

    • 5. advisering over toetredingsaanvragen.

  • f) directie Rekenschap en Juridische Zaken

    De directie Rekenschap en Juridische Zaken is verantwoordelijk voor het financieel toezicht binnen de verschillende sectoren. Daarnaast is de directie verantwoordelijk voor de juridische advisering binnen de inspectie.

    Het financieel toezicht is gebaseerd op 3 pijlers:

    • 1) de financiële continuïteit van de instelling (is de toekomstige ontwikkeling van de financiële positie voldoende om onderwijs te kunnen blijven verzorgen);

    • 2) de rechtmatigheid van de verkrijging en besteding van publieke onderwijsmiddelen (krijgen instellingen de onderwijsmiddelen waarop zij recht hebben en geven zij die middelen uit aan de daarvoor bestemde doelen);

    • 3) de doelmatigheid van bestede middelen (besteedt de instelling de middelen op een efficiënte manier).

    Rekenschap werkt vooral risicogericht en maakt daarvoor gebruik van informatie uit jaarverslagen, van instellingsaccountants en signalen uit de praktijk. In het toezicht wordt waar mogelijk samengewerkt met de onderwijssectoren omdat de kwaliteit van het financieel beheer, de onderwijskwaliteit en het bestuurlijk handelen met elkaar kunnen samenhangen.

    De juridische advisering bestaat uit advisering van de verschillende directies en de inspectieleiding over de uitleg van de relevante wet- en regelgeving, het begeleiden van de verschillende sanctietrajecten, het afhandelen van WBP- en WOB-verzoeken, het begeleiden van WNT-onderzoeken door de inspectie, ondersteuning bij klachtenbehandeling en het begeleiden van bezwaar- en beroepsprocedures die de inspectie betreffen.

  • g) directie Kennis

    De directie Kennis is de onderzoeksafdeling van de Inspectie van het Onderwijs. Zij voert zelf onderzoek uit en heeft daarnaast tot doel de kwaliteit van het onderzoek bij de inspectie van het onderwijs te bewaken en te verbeteren. Kennis is ook verantwoordelijk voor stelselanalyses, de coördinatie en projectleiding van het Onderwijsverslag, de evaluatie en monitoring van ontwikkeling van het toezicht en de verwerving en het beheer van alle data en de ontwikkeling van informatieproducten voor het toezicht. Daarnaast heeft Kennis de verantwoordelijkheid voor het informatiebeleid en coördineert de directie de periodieke onderwijspeilingen in het basisonderwijs.

  • h) Directie Beleidsondersteuning en Organisatie

    De directie Beleidsondersteuning en Organisatie (DBO) is verantwoordelijk voor de breedte van de staf- en bedriifsvoeringstaken (communicatie, ICT, bestuursondersteuning, documentaire informatievoorziening, personeel en organisatie, inkoop, financiën, facilitair), kwaliteitsmanagement, control, beleidsondersteuning en innovatie. Tevens verzorgt ze de beantwoording van eerstelijns vragen van ouders, leerlingen, besturen en andere belanghebbenden in het onderwijs. De Directie bestaat uit vier afdelingen: 1) Advies, Beleid en Innovatie, 2) Klantcontact, 3) Control & Kwaliteit en 4) ICT & Contracten. In dit verband zij overigens opgemerkt dat zowel de controller als de kwaliteitsmanager, indien gewenst, hun rechtstreekse lijn en toegang behouden tot de IGO, ook al vallen ze voor wat betreft de organisatie-indeling onder DBO.

Bijlage 2. bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2016

De formule, bedoeld in artikel 23, eerste lid, luidt:

  • a. voor zover het aan de inspectie geattribueerde taken en bevoegdheden betreft:

    De inspecteur-generaal van het Onderwijs,

    namens deze,

    functie van de gemandateerde,

    handtekening van de gemandateerde,

    naam van de gemandateerde

  • b. voor zover het overige aangelegenheden betreft op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:

    De 1° <minister> / 2° <staatssecretaris>* van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

    namens deze,

    functie van de gemandateerde,

    handtekening van de gemandateerde,

    naam van de gemandateerde

  • c. voor zover het aangelegenheden betreft op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken: De 1° <minister> / 2° <staatssecretaris>* van Economische Zaken,

    namens deze,

    functie van de gemandateerde,

    handtekening van de gemandateerde,

    naam van de gemandateerde

  • d. voor zover het aangelegenheden betreft op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:

    De 1° <minister> / 2° <staatssecretaris>* van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

    namens deze,

    functie van de gemandateerde,

    handtekening van de gemandateerde,

    naam van de gemandateerde

* Afhankelijk van de onderlinge taakverdeling.