Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit breed moratorium

Geldend van 01-04-2017 t/m heden

Besluit van 6 maart 2017 tot invoering van een afkoelingsperiode voor natuurlijke personen ter stabilisering van hun financiële situatie alsmede tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit breed moratorium)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 oktober 2016, nr. 2016-0000219055, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

Gelet op de artikelen 5, tweede en derde lid, en 13 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 december 2016, nr. W12.16.0339/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 maart 2017, nr. 2017-0000035262, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. schuldenaar: natuurlijke persoon die door het college is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • b. schuldhulpverlener: degene die namens het college de schuldenaar ondersteunt in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • c. boedel: goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot instelling van een afkoelingsperiode, alsmede goederen die hij tijdens de afkoelingsperiode verkrijgt.

Artikel 2

  • 1 Voor een natuurlijke persoon kan, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, de afkondiging van een afkoelingsperiode worden verzocht, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

  • 3 Bij het verzoek worden in ieder geval overgelegd:

    • a. een door behoorlijke bescheiden gestaafde en actuele staat opgemaakt door de schuldhulpverlener, waaruit de omvang van de boedel en alle bekende schulden, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers, alsmede de hoogte van hun vorderingen, blijken;

    • b. een overzicht van de in het beslagregister van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, ingesteld op grond van de artikelen 57, tweede lid, en 80 van de Gerechtsdeurwaarderswet ingeschreven of anderszins bekende beslagen;

    • c. een met redenen omklede verklaring van het college dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening;

    • d. een plan van aanpak alsmede een machtiging tot beheer of, in voorkomend geval, nadere afspraken met de bewindvoerder; en

    • e. een formulier, waarvan het model is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, waarin de schuldenaar verklaart mee te werken aan de schuldhulpverlening en dat hij zich zal houden aan de bijbehorende verplichtingen.

  • 4 Indiening van het verzoek behoeft niet door een advocaat te geschieden.

Artikel 3

  • 1 Het verzoek voor een afkoelingsperiode wordt toegewezen als voldoende aannemelijk is:

    • a. dat de schuldenaar de uit de schuldhulpverlening voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen; en

    • b. dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening en in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers.

  • 2 Het verzoek wordt afgewezen indien:

    • a. in de tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoek, bedoeld in artikel 2, is ingediend, al eerder een afkoelingsperiode is afgekondigd;

    • b. na indiening van het verzoek, bedoeld in artikel 2, blijkt dat de schuldenaar de rechtbank heeft verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in Titel III van de Faillissementswet, uit te spreken.

  • 3 Bij toewijzing van het verzoek stelt de rechter de duur van de afkoelingsperiode vast met inachtneming van artikel 2, eerste lid.

Artikel 4

Tot de verplichtingen die de schuldenaar gedurende de afkoelingsperiode na moet komen behoren in ieder geval de verplichtingen om:

  • a. op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening;

  • b. medewerking te verlenen aan de schuldhulpverlening;

  • c. naar vermogen baten voor de boedel te verwerven;

  • d. mee te werken aan het beheer van zijn boedel en schulden door de schuldhulpverlener;

  • e. zijn betalingsverplichtingen na te komen uit verbintenissen tot het geregeld leveren van gas, water, elektriciteit en verwarming, tot verzekering van zorgkosten, opstal, wettelijke aansprakelijkheid en motorrijtuigen, alsmede tot betaling van huur of hypotheeklasten; en

  • f. geen nieuwe schulden aan te gaan.

Artikel 5

Indien een verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 2 gelijktijdig bij de rechtbank aanhangig zijn, wordt eerst laatstgenoemd verzoek behandeld.

Artikel 6

  • 1 Het college is gehouden de rechtbank te verzoeken om tussentijdse beëindiging van de afkoelingsperiode indien:

    • a. het verzoek voor een afkoelingsperiode blijkt te zijn gebaseerd op onjuiste informatie van de kant van de schuldenaar en geen verzoek zou zijn gedaan als het college had beschikt over de juiste gegevens;

    • b. de machtiging aan de schuldhulpverlener tot beheer van de boedel van de schuldenaar is ingetrokken of handelingen zijn of worden verricht waardoor een of meerdere schuldeisers worden benadeeld;

    • c. de schuldenaar wordt geacht weer aan al zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen;

    • d. het met de afkoelingsperiode samenhangende schuldhulpverleningstraject is of wordt beëindigd;

    • e. de schuldenaar in ernstige mate of herhaaldelijk tekortschiet in de nakoming van een van de in artikel 4, onderdelen a tot en met d dan wel f, genoemde verplichtingen;

    • f. de schuldenaar de in artikel 4, onderdeel e, genoemde betalingsverplichtingen heeft geschonden, waardoor ten aanzien van ten minste één van die verplichtingen een betalingsachterstand is ontstaan van één maand of meer.

  • 2 In overige gevallen kan het college de rechtbank verzoeken om tussentijdse beëindiging van de afkoelingsperiode.

  • 3 De schuldenaar kan de rechtbank verzoeken om tussentijdse beëindiging van de afkoelingsperiode als hij aannemelijk maakt in staat te zijn aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen.

  • 4 De afkoelingsperiode eindigt van rechtswege met het overlijden van de schuldenaar.

Artikel 7

  • 1 In het geval van een verzoek als bedoeld in de artikelen 2 en 6 wordt het college opgeroepen. De rechtbank kan de schuldenaar, schuldeisers en het Openbaar Ministerie oproepen om gehoord te worden.

  • 2 De rechtbank beslist onverwijld op het verzoek. De afkoelingsperiode gaat in op de dag volgende op de dag van de uitspraak.

  • 3 De griffier doet van de beschikking tot vaststelling of tussentijdse beëindiging van een afkoelingsperiode en het tijdstip daarvan, alsmede in het eerste geval het tijdstip waarop deze zal eindigen, onmiddellijk aankondiging in de Staatscourant. Het college informeert terstond de bekende schuldeisers, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a.

Artikel 8

Gedurende de afkoelingsperiode kan de schuldenaar niet tot betaling van zijn schulden, ontstaan voor afkondiging van de afkoelingsperiode, worden genoodzaakt en worden alle tot verhaal van die schulden strekkende executies opgeschort.

Artikel 9

Een schuldeiser die een retentierecht heeft op een aan de schuldenaar toebehorende zaak verliest dit recht niet door aanvang van de afkoelingsperiode.

Artikel 10

Dit besluit en artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening treden in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit breed moratorium.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 6 maart 2017

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Klijnsma

Uitgegeven de dertiende maart 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie,

S.A. Blok