Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Circulaire uitreisverbod personen ex Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding[Regeling vervalt per 01-03-2022.]

Geldend van 01-03-2017 t/m heden

Circulaire uitreisverbod personen ex Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

1. Inleiding

Deze circulaire heeft tot doel u te informeren over een nieuwe regeling in de Paspoortwet. Deze regeling heeft betrekking op personen met een verbod om het Schengengebied te verlaten. Van deze personen vervallen van rechtswege alle reisdocumenten, waaronder de Nederlandse Identiteitskaart (NIK),2 en moet de aanvraag van een nieuw reisdocument worden geweigerd. Deze personen komen in plaats daarvan in aanmerking voor een nieuw type identiteitskaart – de zogenaamde vervangende Nederlandse identiteitskaart – welke uitsluitend in het Schengengebied geldig is.

Ter bestrijding van terrorisme treedt met ingang van 1 maart 2017 de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in werking. Eén van de getroffen maatregelen betreft de bevoegdheid van de minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) om een persoon een verbod op te leggen het Schengengebied te verlaten. In paragraaf 2 wordt hierop een toelichting gegeven.

Om de effectiviteit van het uitreisverbod te ondersteunen, is in de Paspoortwet geregeld dat van een persoon met een uitreisverbod het Nederlandse reisdocument van rechtswege vervalt. Het reisdocument moet worden ingeleverd, en de betreffende documentnummers worden nationaal en internationaal als ‘ongeldig’ gesignaleerd. Doordat deze regeling ook van toepassing is op de NIK, vervalt ook deze van rechtswege en wordt voorkomen dat daarmee naar landen buiten Schengen – zoals Turkije – kan worden gereisd. In paragraaf 3 wordt hierop nader ingegaan.

In het nieuwe artikel 23b van de Paspoortwet is geregeld dat de aanvraag van een nieuw reisdocument door een persoon met een uitreisverbod moet worden geweigerd. Daarmee wordt voorkomen dat aan een persoon met een uitreisverbod een nieuw reisdocument wordt verstrekt waarmee naar terroristisch strijdgebied kan worden uitgereisd. De consequenties voor verstrekkende autoriteiten worden nader toegelicht in paragraaf 4.

Om erin te voorzien dat een persoon met een uitreisverbod zich kan blijven identificeren met een wettelijk identiteitsbewijs is in de Wet op de identificatieplicht en de Paspoortwet een nieuw identiteitsbewijs vastgesteld. Met een zogenaamde ‘vervangende Nederlandse identiteitskaart’ kan betrokkene voldoen aan zijn wettelijke identificatieverplichtingen, en zich ook binnen het Schengengebied identificeren. In paragraaf 5 wordt hierop ingegaan.

2. Het opleggen van het uitreisverbod

De minister van VenJ is op grond van artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding bevoegd een persoon een uitreisverbod op te leggen. Daartoe moet het gegronde vermoeden bestaan dat deze persoon zich buiten het Schengengebied zal begeven met als doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Dat betreft een organisatie die door de minister van VenJ, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Met deze regeling is beoogd het risico te reduceren dat personen zich kunnen aansluiten bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een (inter)nationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.3

Een uitreisverbod wordt opgelegd voor een periode die door de minister van VenJ wordt bepaald. Deze periode mag maximaal zes maanden zijn. Het uitreisverbod kan niettemin telkens worden verlengd met wederom een duur van ten hoogste zes maanden. Er is geen maximum aan het aantal verlengingen. Verlenging van een uitreisverbod is overigens geen automatisme. Ten aanzien van de motivering van het uitreisverbod, met inbegrip van de duur ervan, gelden bij een verlenging dezelfde vereisten als bij het initiële besluit tot oplegging. De periode dat een vrijheidsbeperkende maatregel reeds loopt, wordt in het kader van de proportionaliteit meegewogen.

De minister van VenJ kan een lopend uitreisverbod intrekken, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Wanneer een uitreisverbod niet langer noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het doel waarvoor dit is opgelegd, is het gelet op het vrijheidsbeperkende karakter niet wenselijk dat de inbreuk op de vrijheid van betrokkene langer voortduurt dan nodig. Daarom hoeft in die gevallen het eerstvolgende beslismoment omtrent het al dan niet verlengen van de maatregel niet te worden afgewacht.

Naast het intrekken van een uitreisverbod op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, kan de minister van VenJ ook, op aanvraag van de betrokkene, tijdelijk ontheffing verlenen van het uitreisverbod. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, bijvoorbeeld over een beperkte territorialiteit of geldigheid van de ontheffing.

Tegen een besluit tot het opleggen of verlengen van een uitreisverbod kan betrokkene rechtstreeks in beroep bij de bestuursrechter. Een ingesteld beroep schorst niet automatisch de werking van het uitreisverbod, waardoor het uitreisverbod in beginsel onmiddellijk van kracht is. Betrokkene kan wel bij de rechtbank om een voorlopige voorziening verzoeken, strekkende tot schorsing van het uitreisverbod. De voorzieningenrechter kan dat verzoek inwilligen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een dergelijke voorlopige voorziening vereist.

3. Het verval van rechtswege van reisdocumenten

a. Verval van rechtswege

Een uitreisverbod leidt er toe dat, op grond van artikel 47 van de Paspoortwet, de geldige reisdocumenten van betrokkene, waaronder de NIK, van rechtswege vervallen. Betrokkene wordt daarover geïnformeerd bij het besluit tot het opleggen van het uitreisverbod.

Het is voor betrokkene niet mogelijk om daartegen bezwaar of beroep in te stellen. Indien een houder het niet eens is met het verval van rechtswege van zijn reisdocument(en), is deze het in feite niet eens met het onderliggende besluit: het uitreisverbod. Betrokkene zal voor de rechtsbescherming derhalve beroep moeten instellen tegen het opgelegde uitreisverbod door de minister van VenJ, teneinde gelijktijdig tegen het verval van zijn reisdocument te kunnen ageren.

De gegevens van vervallen reisdocumenten worden opgenomen in het Basisregister reisdocumenten (BR) – het register waarin alle documenten die niet in omloop mogen zijn staan vermeld. De minister van VenJ verzoekt op opname in het BR middels het daarvoor bestemde C7b formulier. Als gevolg daarvan worden de documentnummers ook opgenomen in het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de Stolen and Lost Travel Documents database (SLTD) van Interpol. Het SIS-II wordt binnen het Schengengebied geraadpleegd door politiële en justitiële autoriteiten en verschaft inzicht in de opsporingsinformatie van onder andere reisdocumenten die niet in omloop mogen zijn van landen binnen het Schengengebied. Het systeem van Interpol kan wereldwijd worden gecontroleerd en documenten die daarin zijn opgenomen worden door de grensbewakers ingehouden zodat betrokkene daarmee niet verder kan reizen.

b. Inname van het reisdocument

Bij het opleggen van het uitreisverbod wordt de plicht vermeld om de reisdocumenten in te leveren.4 De voorkeur gaat er naar uit dat het reisdocument bij de politie wordt ingeleverd. Daartoe kan het uitreisverbod bijvoorbeeld persoonlijk worden uitgereikt door de politie, welke vervolgens het reisdocument van betrokkene direct kan inhouden. Op grond van artikel 447b van het Wetboek van Strafrecht is het strafbaar wanneer betrokkene het reisdocument niet (tijdig) inlevert, en wordt deze gestraft met een geldboete van de tweede categorie (per 1 januari 2016: maximaal € 4.100).

Het kan niettemin voorkomen dat een reisdocument, spontaan, wordt ingeleverd bij de gemeentebalie. Mede daarom wordt er voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van een uitreisverbod, altijd contact opgenomen met de betreffende gemeente waar betrokkene is ingeschreven.

c. Consequentie van een onrechtmatig uitreisverbod

Een besluit tot het opleggen van een uitreisverbod is onmiddellijk van kracht en heeft geen (automatisch) schorsende werking indien beroep wordt ingesteld (zie paragraaf 2). Dat betekent dat – nog vóórdat een eventuele beroepsprocedure tegen het uitreisverbod is afgerond – de reisdocumenten van betrokkene van rechtswege zijn vervallen en in (inter)nationale databases als ongeldig zijn geregistreerd. Indien de bestuursrechter vervolgens tot het oordeel zou komen dat aan betrokkene ten onrechte een uitreisverbod is opgelegd – dan is het juridisch niet mogelijk de reeds vervallen reisdocumenten te laten ‘herleven’. De facto kan ook niet worden gegarandeerd dat het reisdocument in de internationale registers correct wordt verwijderd. In dergelijk geval moet betrokkene daarom altijd een nieuw paspoort of NIK aanvragen conform de gebruikelijke procedure van de Paspoortwet. Hij dient daarvoor ook de gebruikelijke leges te betalen.

Voor zover betrokkene aanspraak wil maken op schadevergoeding ten gevolge van het onrechtmatig opgelegd uitreisverbod, dient hij in de beroepsprocedure over het uitreisverbod aan de bestuursrechter te vragen een schadevergoeding toe te wijzen.5 In dat verband kunnen ook de kosten voor een nieuw paspoort of NIK worden opgevoerd.

4. Het weigeren van een nieuw reisdocument

a. Opname in het Register Paspoortsignaleringen (RPS)

Nadat de minister van VenJ een uitreisverbod heeft opgelegd, doet hij op grond van artikel 23b van de Paspoortwet een verzoek om een aanvraag van een nieuw reisdocument, waaronder de NIK, te weigeren. Hij richt zijn verzoek tot de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De minister van BZK toetst het verzoek marginaal. Hij controleert of het formulier volledig is ingevuld en of de gegevens van de gesignaleerde op het formulier overeenkomen met de gegevens in de basisregistratie personen (BRP). De minister van BZK is op grond van artikel 25 Paspoortwet niet bevoegd om het uitreisverbod inhoudelijk te beoordelen. Dergelijke integrale afweging is reeds uitgevoerd door de minister van VenJ bij het besluit tot opleggen (of verlengen) van het uitreisverbod, en in dat verband staat ook rechtsbescherming open voor betrokkene.

De minister van BZK informeert alle verstrekkende autoriteiten, in het algemeen, over de personen die in het RPS zijn opgenomen. Indien het een persoon met een uitreisverbod betreft, wordt de gemeente waar betrokkene staat ingeschreven in de basisregistratie personen daarover expliciet in kennis gesteld. Vanwege het belang van een signalering op grond van een uitreisverbod zijn door de Rijksdienst voor Identiteitgegevens (RvIG) procedures opgesteld. Deze procedures zien op een spoedige en correcte uitwisseling van relevante informatie met de verstrekkende autoriteiten, alsook op de handelingen die deze autoriteiten moeten verrichten.6

b. Het weigeren van een nieuw reisdocument (waaronder de NIK!)

De nieuwe signaleringsmogelijkheid van een persoon met een uitreisverbod (een 23b-signalering7) leidt in drie opzichten tot een belangrijke wijziging in de behandeling van aanvragen voor een reisdocument.

Ten eerste heeft een 23b-signalering gevolgen voor zowel de aanvraag van een paspoort áls de aanvraag van een NIK. In tegenstelling tot de andere signaleringsgronden, moet de verstrekkende autoriteit bij een 23b-signalering óók een NIK weigeren! Dat leidt er toe dat de verstrekkende autoriteit ook bij alle aanvragen voor een NIK moet controleren of betrokkene staat gesignaleerd.

NIEUW: Een verstrekkende autoriteit moet óók bij alle aanvragen voor een Nederlandse identiteitskaart controleren of betrokkene staat gesignaleerd.

Ten tweede komt een verstrekkende autoriteit bij een artikel 23b-signalering geen beoordelingsruimte toe bij zijn besluit tot het weigeren van een reisdocument. In tegenstelling tot andere signaleringsgronden, moet het bestuursorgaan de aanvraag van een paspoort of een NIK weigeren. Hij maakt dus geen belangenafweging.8

Van belang is daarom dat de verstrekkende autoriteit op de hoogte is van de precieze grond waarop betrokkene staat gesignaleerd. Ten slotte dient alléén (!) bij een 23b-signalering een belangenafweging achterwege te blijven. Om te achterhalen wat de signaleringsgrond is, neemt de verstrekkende autoriteit contact op met RvIG. In dit verband wordt verwezen naar de procedures die RvIG heeft opgesteld.9

NIEUW: Een verstrekkende autoriteit moet een reisdocument, waaronder de NIK, weigeren als betrokkene is gesignaleerd op grond van artikel 23b.

Ten derde is de overeenstemmingsprocedure, bedoeld in de artikelen 44, vierde lid, 45 en 46 van de Paspoortwet niet van toepassing bij een signalering op grond van artikel 23b. Bij een reguliere signalering dient – voordat een beslissing wordt genomen een reisdocument te weigeren – de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld om overeenstemming te bereiken met de signalerende autoriteit. De betrokken persoon krijgt in beginsel twee weken de tijd om te besluiten of hij van deze procedure gebruik wenst te maken. Maakt hij daarvan gebruik, dan wordt de beslissing gedurende acht weken aangehouden.

Deze overeenstemmingsprocedure is dus niet van toepassing bij een signalering op grond van artikel 23b Paspoortwet. Gezien het onderliggende besluit van de minister van VenJ, en de aard van de omstandigheden die leiden tot een uitreisverbod, heeft de wetgever de overeenstemmingsprocedure niet opportuun geacht, omdat de kans dat deze tot een ander resultaat leidt nihil zal zijn.

NIEUW: De overeenstemmingsprocedure wordt niet toegepast bij een signalering op grond van artikel 23b.

Nadat de verstrekkende autoriteit het reisdocument heeft geweigerd aan betrokkene, doet hij van dit besluit mededeling aan de minister van BZK middels het daarvoor bestemde C6-formulier. De minister zorgt voor opneming van die mededeling in het RPS.

c. Bezwaar en beroepsmogelijkheden tegen de weigering

Betrokkene kan bezwaar en beroep instellen tegen de beslissing tot weigering van het verstrekken van een reisdocument, waaronder de NIK. Wanneer deze betrekking heeft op de gronden waarop een onherroepelijk uitreisverbod rust, dan is het bezwaar- en beroep betrekkelijk zinloos. Deze kan wél betrekking hebben op formele aspecten van de signalering. Er kan bijvoorbeeld in geschil zijn of het uitreisverbod nog wel van kracht is, bijvoorbeeld als de duur ervan al is verlopen terwijl dit nog niet (correct) in het Register paspoortsignaleringen is verwerkt.

Er kan ook bezwaar en beroep worden ingesteld tegen de weigering, omdat het uitreisverbod zelf nog niet onherroepelijk is (bijvoorbeeld omdat de beroepstermijn daartegen nog loopt of omdat de beroepsprocedure nog aanhangig is).In een dergelijk geval geldt dat een eventuele beroepsprocedure geen schorsende werking heeft ten aanzien van de werking van het uitreisverbod. Het uitreisverbod is onverminderd van kracht. Zulks zou alleen anders zijn als de rechtbank, op verzoek van betrokkene, een voorlopige voorziening inwilligt, strekkende tot schorsing van het uitreisverbod.

d. Uitzondering: ontheffing van het uitreisverbod

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding kan de minister van VenJ betrokkene tijdelijk ontheffing verlenen van het verbod om zich buiten het Schengengebied te begeven (zie ook paragraaf 2). Indien een dergelijke ontheffing is verleend, kan aan betrokkene een reisdocument worden verstrekt met een dusdanige beperkte tijdelijke en territoriale geldigheid als de ontheffing vereist. Artikel 46a0 van de Paspoortwet voorziet in deze mogelijkheid. De ontheffing kan overigens nooit de verstrekking van een NIK betreffen, vanwege de onmogelijkheid om op een NIK een clausule te plaatsen. Wel kan een paspoort of een nooddocument worden versterkt.

Bij de aanvraag dient betrokkene in voorkomend geval de ontheffing te overleggen op basis waarvan hem een reisdocument kan worden verstrekt. De verstrekkende autoriteit neemt daarover contact op met RvIG. Voor een nadere beschrijving van de procedure ten behoeve van het verstrekken van een reisdocument krachtens een ontheffing, wordt verwezen naar de procesbeschrijving die door RvIG is opgesteld.10

5. De vervangende identiteitskaart

Teneinde te verzekeren dat een persoon met een uitreisverbod kan voldoen aan de wettelijke legitimatieverplichtingen is in de Wet op de identificatieplicht (WID) en de Paspoortwet voorzien in een nieuw type identiteitsbewijs. De zogenaamde ‘vervangende Nederlandse identiteitskaart’ is aangewezen als een geldig identiteitsbewijs op grond van de WID. Het aanvragen van een vervangende identiteitskaart is overigens niet verplicht. Betrokkene kan immers ook over een rijbewijs beschikken om zich mee te identificeren.

a. Model van de vervangende Nederlandse identiteitskaart

Voor het model van de vervangende identiteitskaart is aangesloten bij het ontwerp van de gewone Nederlandse identiteitskaart. De vervangende identiteitskaart verschilt echter in elk geval op twee zichtbare kenmerken. Op de voorzijde is een kader opgenomen met de tekst ‘not valid for travel!’. Op de achterzijde is de tekst ‘not valid for travel outside schengen area’ opgenomen.

Bijlage 258441.png

De vervangende identiteitskaart die aan betrokkene kan worden verstrekt, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

De geldigheidsduur van de vervangende identiteitskaart is dus niet hetzelfde als de (maximale) periode waarvoor een uitreisverbod wordt opgelegd. Het uitreisverbod wordt immers opgelegd voor een periode van maximaal zes maanden, maar kan worden verlengd. De wetgever heeft gekozen voor een geldigheidsduur van vijf jaar, omdat het onwaarschijnlijk is dat een uitreisverbod aan betrokkene gedurende een langere tijd dan vijf jaar zal worden opgelegd.11

Met een geldigheidsduur van vijf jaar wordt aangesloten bij de geldigheidsduur van een document voor minderjarigen. Zodra het uitreisverbod is opgeheven, kan aan betrokkene weer op aanvraag een regulier reisdocument worden verstrekt.

b. De aanvraag en verstrekking van een vervangende identiteitskaart

Het verstrekken van de vervangende identiteitskaart is, net als het verstrekken van een reisdocument, de verantwoordelijkheid van de autoriteit die bevoegd is tot verstrekking van reisdocumenten. Dit betreft dus de burgemeester van de gemeente waar de persoon in de basisregistratie personen staat ingeschreven. Voor personen die niet zijn ingeschreven in een gemeente betreft dit de minister van Buitenlandse Zaken of daartoe aangewezen grensgemeenten.

Van belang is dat een vervangende identiteitskaart uitsluitend mag worden verstrekt aan een persoon met een uitreisverbod.12 Daarbij is vereist dat de aanvrager verblijft binnen het Schengengebied. Een vervangende identiteitskaart wordt derhalve niet verstrekt aan personen die verblijven in een land buiten het Schengengebied.

Nota bene: consequentie is dat de Nederlandse consulaire posten buiten het Schengengebied geen vervangende identiteitskaart verstrekken. Mocht een persoon met een uitreisverbod zich buiten het Schengengebied toch melden bij een consulaire post, dan zou aan betrokkene een laissez passer richting Nederland kunnen worden verstrekt. Let wel dat betrokkene vermoedelijk in overtreding is van het uitreisverbod en daarover eerst contact moet worden opgenomen met de Nederlandse politie. Hierbij moet overigens ook rekening worden gehouden met een mogelijke ontheffing van het uitreisverbod, op grond waarvan een reisdocument met een beperkte geldigheidsduur of territoriale geldigheid kan worden verstrekt. Zie hiervoor paragraaf 4, onder: ‘Uitzondering: ontheffing van het uitreisverbod’.

Om vast te stellen of de aanvrager een uitreisverbod is opgelegd, wordt gecontroleerd of betrokkene staat gesignaleerd in het RPS. Indien dat het geval is, neemt de verstrekkende autoriteit contact op met RvIG voor de verificatie en de actualiteit van signalering en van de grondslag. Raadpleeg daarvoor de procesbeschrijvingen die door RvIG zijn opgesteld.13

Verder geldt dat de aanvrager zijn oude paspoort en/of Nederlandse identiteitskaart moet inleveren bij de aanvraag. In tegenstelling tot een reguliere aanvraag, mag de aanvrager dus niet tot aan de uitreiking beschikken over zijn oude paspoort en/of Nederlandse identiteitskaart. Deze documenten zijn namelijk van rechtswege vervallen, en moeten op grond van artikel 54 Paspoortwet worden ingehouden. Indien betrokkene dat niet kan, moet hij een schriftelijke verklaring van de autoriteit die zijn eerder uitgereikte reisdocument heeft ingenomen overleggen, dan wel moet hij een verklaring van vermissing afleggen. Raadpleeg de procesbeschrijvingen die door RvIG zijn opgesteld voor een nadere uitleg.14

c. Het vervallen van een vervangende identiteitskaart

Een vervangende identiteitskaart kan niet vervallen worden verklaard. Ook indien het uitreisverbod van betrokkene is opgeheven, leidt dat er niet toe dat de vervangende identiteitskaart ongeldig wordt. Ook als achteraf blijkt dat het uitreisverbod ten onrechte is opgelegd, tast dat de geldigheid van een eventueel verstrekte vervangende identiteitskaart niet aan. Betrokkene kan uiteraard wel vanaf dat moment dat het uitreisverbod niet meer van kracht is, een gewone Nederlandse identiteitskaart of paspoort aanvragen. Hij moet – bij de uitreiking van zijn nieuwe reisdocument – zijn vervangende identiteitskaart inleveren. Indien de houder wenst in bezit te blijven van de vervangende identiteitskaart naast het aangevraagde reisdocument, moet een verzoek daartoe in alle gevallen worden afgewezen (artikel 30, derde lid, onderdeel b, Paspoortwet).

d. Leges

Gemeenten zullen een tarief voor de vervangende identiteitskaart in hun legesverordening moeten opnemen. Van belang is daarbij dat in het Besluit Paspoortgelden is geregeld dat de maximale leges voor de vervangende identiteitskaart (met een geldigheidsduur van 5 jaren) gelijk zijn aan de gewone Nederlandse identiteitskaart voor personen onder de 18 jaar (met een geldigheidsduur van 5 jaren). De aan het Rijk verschuldigde kosten zijn gelijk aan de gewone identiteitskaart voor personen onder de 18 jaar.

Voor zover gemeenten in hun legesverordening niets hebben geregeld omtrent de vervangende identiteitskaart, is in artikel 7, zesde lid, van de Paspoortwet een vangnetbepaling opgenomen. In dat geval zijn de leges gelijk aan de gewone Nederlandse identiteitskaart voor personen onder de 18 jaar (met een geldigheidsduur van 5 jaren).

6. Procesbeschrijvingen en nadere informatie

In deze circulaire is enkele keren verwezen naar procesbeschrijvingen die door RvIG zijn opgesteld. De betreffende procesbeschrijvingen zijn gestuurd naar alle verstrekkende autoriteiten.

Deze procesbeschrijvingen zijn opgesteld ten behoeve van gemeenten, grensgemeenten, de Koninklijke Marechaussee en de minister van Buitenlandse Zaken (Regional support offices) en bieden een nuttig handvat bij de verwerking van aanvragen van reisdocumenten, Nederlandse identiteitskaarten en de vervangende Nederlandse identiteitskaart.

U kunt voor vragen over de procesbeschrijvingen en over deze circulaire contact opnemen met het contactcentrum van RvIG, te bereiken op telefoonnummer 088 – 900 1000 of via info@rvig.nl.

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

R.H.A. Plasterk

  • ^ [1]

    Dit betreft een herdruk in verband met een correctie in de afbeelding van de vervangende identiteitskaart.

  • ^ [2]

    In deze circulaire wordt onder ‘reisdocumenten’ tevens de Nederlandse identiteitskaart begrepen.

  • ^ [3]

    Kamerstukken II 34 359, nr. 3, blz. 3 ev.

  • ^ [4]

    Artikel 62 Paspoortwet: Ieder is verplicht een reisdocument dat in zijn bezit is dat (…) moet worden ingeleverd, terstond wanneer hem dit mondeling door een tot inhouding bevoegde ambtenaar is bevolen, dan wel binnen veertien dagen, nadat hem dit bij aangetekend schrijven in persoon is medegedeeld, in te leveren.

  • ^ [5]

    Artikel 8:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • ^ [6]

    Zie paragraaf 6 van deze circulaire.

  • ^ [7]

    Het getal 23b verwijs naar artikel 23b in de Paspoortwet, alwaar de nieuwe signaleringsgrond is vastgelegd.

  • ^ [8]

    Artikel 45 Paspoortwet is niet van toepassing.

  • ^ [9]

    Zie paragraaf 6 van deze circulaire.

  • ^ [10]

    Zie paragraaf 6 van deze circulaire.

  • ^ [11]

    Kamerstukken II 2015/16, 34 358 (R 2065), nr. 3, blz. 9.

  • ^ [12]

    Artikel 17 Paspoortwet.

  • ^ [13]

    Zie paragraaf 6 van deze circulaire.

  • ^ [14]

    Zie paragraaf 6 van deze circulaire.