Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2017–2020)[Regeling vervalt per 01-01-2022.]

Geldend van 24-01-2017 t/m heden

Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 22 december 2016, Minbuza-2016.773162, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Mensenrechtenfonds 2017–2020)

De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op artikel 6 en artikel 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;1

Gelet op artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;2

Besluiten:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 2.1 en artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 2 De op grond van het in het eerste lid genoemde plafond beschikbare middelen zijn als volgt verdeeld over de volgende thema’s:

    a.

    Mensenrechtenverdedigers:

    EUR 2.900.000

    b.

    Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en personen met een interseksconditie (LHBTI):

    EUR 2.100.000

    c.

    Ernstigste schendingen:

    EUR 2.000.000

    d.

    Vrijheid van meningsuiting:

    EUR 2.900.000

    e.

    Internetvrijheid:

    EUR 2.900.000

    f.

    Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging:

    EUR 2.100.000

    g.

    Mensenrechten en bedrijfsleven:

    EUR 2.100.000

    h.

    Straffeloosheid van internationale misdrijven:

    EUR 2.000.000

  • 3 Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:43 van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.

Artikel 3

  • 1 Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde aanvraagformulier3 en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.

  • 2 Aanvragen voor een subsidie kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met vrijdag 31 augustus 2018, 23:59 uur Nederlandse tijd.

Artikel 4

Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan komt van de op die dag gelijktijdig binnengekomen subsidieaanvragen, die voldoen aan de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de appendices bij die bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. De appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.4

De Minister van Buitenlandse Zaken, en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

namens deze,

de Secretaris-Generaal,

J.M.G. Brandt

Subsidiebeleidskader mensenrechtenfonds 2017–2020

1. Inleiding

1.1. Relevantie voor het Nederlandse mensenrechtenbeleid

Mensenrechten vormen het fundament van menselijke waardigheid, vrijheid en ontwikkeling en staan aan de basis van open en vrije samenlevingen overal ter wereld. Zonder de bevordering en bescherming van deze rechten kan er geen sprake zijn van een democratie en een rechtsstaat. Nederland heeft een rijke traditie als het gaat om de inzet voor mensenrechten in binnen- en buitenland. Deze inzet is een morele plicht en een rechtsplicht. Bovendien leidt de naleving van mensenrechten tot een stabiele en welvarende wereld waar ook Nederland baat bij heeft. Binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid is een aantal beleidsprioriteiten met bijbehorende doestellingen opgesteld. Deze prioriteiten zijn uitgebreid opgenomen in de beleidsbrief ‘Respect en Recht voor ieder mens’5.

Het Mensenrechtenfonds subsidieert organisaties die zich inzetten voor mensenrechten wereldwijd. De binnen dit fonds beschikbare middelen zijn bestemd voor de financiering van activiteiten ter ondersteuning van de prioriteiten uit bovengenoemde beleidsbrief.

Onderdeel van het Mensenrechtenfonds is dit subsidiebeleidskader Mensenrechtenfonds 2017–2020 (hierna: MRF 2017–2020). Dit subsidiebeleidskader is bedoeld voor het subsidiëren van activiteiten die betrekking hebben op de volgende thema’s:

  • Mensenrechtenverdedigers

  • Gelijke rechten voor lesbiennes, homo´s, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekseconditie (LHBTI)

  • Ernstigste schendingen

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Internetvrijheid

  • Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

  • Mensenrechten en bedrijfsleven

  • Straffeloosheid van internationale misdrijven

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat deze selectie van thema’s waarop het MRF 2017–2020 zich richt niet volledig overeenkomt met alle prioriteiten in de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’. In het kader van het MRF 2017–2020 is een nadere selectie gemaakt. Bovendien zijn ook binnen de geselecteerde thema’s algemene doelstellingen geformuleerd waarop projecten zich moeten richten om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit het MRF 2017–2020.

1.2. Opbouw van dit kader

In dit subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de financiële middelen en het tijdpad geschetst. Hoofdstuk 3 bevat een algemene toelichting op de selectiecriteria en het selectieproces. In hoofdstuk 4 worden de algemene en specifieke doelstellingen die worden beoogd met het verstrekken van subsidies uit de beschikbare middelen uitgewerkt, waarna hoofdstuk 5 is gewijd aan de formele vereisten aan de aanvraag en verdere procedure. In de laatste twee hoofdstukken worden de verschillende drempelcriteria en inhoudelijke criteria uiteen gezet.

Bij dit subsidiebeleidskader behoort een zevental appendices. Dit betreft onder meer het aanvraagstramien en het logframe. Deze worden gepubliceerd op de website: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds.

2. Financiële middelen, verdeling daarvan en tijdpad projecten

2.1. Beschikbare middelen

Het totaal beschikbare subsidieplafond voor het MRF 2017–2020 bedraagt EUR 19 miljoen. Een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 zal minimaal EUR 500.000 en maximaal EUR 2 miljoen bedragen. De looptijd van een project kan variëren tussen de twee en vier jaar, mits binnen het tijdvak van 23 januari 2017 tot en met 31 december 2021 en met dien verstande dat projecten niet later dan 30 november 2018 mogen beginnen.

2.2. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats door behandeling van de aanvragen op volgorde van binnenkomst, met dien verstande dat de totaal beschikbare middelen al op voorhand zijn gespreid over de thema’s waarop het MRF 2017–2020 zich richt en dat de volgorde van binnenkomst dus per thema zal worden bepaald. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient een aanvraag betrekking te hebben op één van deze thema’s. Zie hierover verder hoofdstuk 4.

De verdeling van de beschikbare middelen over de thema’s is als volgt:

Thema

Beschikbaar bedrag

Mensenrechtenverdedigers

EUR 2.900.000

Gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekseconditie (LHBTI)

EUR 2.100.000

Ernstigste mensenrechtenschendingen (doodstraf en foltering)

EUR 2.000.000

Vrijheid van meningsuiting

EUR 2.900.000

Internetvrijheid

EUR 2.900.000

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

EUR 2.100.000

Mensenrechten en bedrijfsleven

EUR 2.100.000

Straffeloosheid van internationale misdrijven

EUR 2.000.000

2.3. Gelijktijdig binnengekomen aanvragen

Indien gelijktijdig binnengekomen aanvragen bij toekenning het subsidieplafond voor een thema zouden overschrijden, dan komt van die aanvragen, voor zover ze voldoen aan de maatstaven die in dit subsidiekader zijn neergelegd, de aanvraag die daaraan het beste voldoet het eerst voor subsidieverlening in aanmerking. Indien twee of meer van deze aanvragen in gelijke mate voldoen aan de maatstaven, wordt de rangschikking van de gelijk scorende aanvragen bepaald door loting.

2.4. (voorlopige) uitputting van de middelen

Binnen ieder thema zullen de aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld. Vanaf het moment dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen op grond van drempelcriteria en inhoudelijke criteria lijken te worden uitgeput, zullen later binnengekomen aanvragen nog niet in behandeling worden genomen. Slechts indien blijkt dat eerdere aanvragen alsnog afvallen (op basis van de organisatietoets, zie 3.5) zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, vanzelfsprekend per thema op volgorde van binnenkomst.

2.5. Resterende middelen

Het is mogelijk dat na goedkeuring van één of meer aanvragen op een thema nog middelen resteren, maar dat dit restant minder bedraagt dan EUR 500.000 (het minimumbedrag voor een aanvraag). Hierdoor zal er geen volgend project meer op dat thema kunnen worden goedgekeurd. Projecten zullen namelijk niet gedeeltelijk worden gefinancierd. Deze resterende middelen zullen worden overgeheveld naar een eventuele volgende subsidieronde onder het Mensenrechtenfonds.

2.6. Oda en non-oda

De voorliggende beleidsregels gelden zowel voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die volgens de OESO-DAC-criteria6 toerekenbaar zijn aan ODA-uitgaven, als voor activiteiten ter bevordering van de naleving van mensenrechten die die daaraan niet toerekenbaar zijn. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat er in het kader van het MRF 2017–2020 geen landenlijst wordt gehanteerd, d.w.z. dat de activiteiten in alle landen mogen worden uitgevoerd, met een minimum van twee verschillende landen. Ook worden er inhoudelijke eisen gesteld aan de keuze voor de landen, zie criterium I.3.

2.7. Termijn voor indiening

Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf het moment van publicatie van het MRF 2017–2020 tot en met uiterlijk 31 augustus 2018, 23:59 uur CET. Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag zal op de aanvraag worden besloten.

De genoemde uiterste datum voor indiening laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, de voor de onderscheiden thema’s beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. Indien de middelen voor een thema zijn uitgeput, wordt een aanvraag voor dat thema afgewezen.

3. Selectiecriteria- en proces

3.1. Voor wie is het MRF 2017–2020 bedoeld?

Subsidies in het kader van het MRF 2017–2020 zijn bedoeld voor projecten van zelfstandige maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de bescherming en bevordering van mensenrechten. Onder maatschappelijke organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

Organisaties kunnen zelfstandig een subsidieaanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin, die een gezamenlijk project uitvoeren waarbij alle partijen een bijdrage leveren aan het totaal. Zij sluiten daartoe een samenwerkingsovereenkomst. De penvoerder dient in een dergelijk geval namens de alliantie een aanvraag in voor het project van de alliantie als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, verantwoordelijk voor de uitvoering van het project van de alliantie.

Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het project gebruik maken van andere organisaties zonder winstoogmerk of van bedrijven. Een dergelijke samenwerking betreft geen samenwerking in het kader van een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld, maar samenwerking met bijvoorbeeld een lokale organisatie die enkele onderdelen van het project lokaal uitvoert.

3.2. Thematische minimumvereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient minimaal 80% van de totale middelen die nodig zijn voor de uitvoering van de activiteiten zich te richten op de algemene doelstelling van het gekozen thema, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van dit beleidskader. De overige middelen dienen (met uitzondering van het percentage overhead) evenzeer gericht te zijn op de promotie en bescherming van mensenrechten, maar hoeven zich niet uitsluitend te richten op de algemene doelstelling van het gekozen thema uit dit beleidskader. Voornoemd percentage wordt vastgesteld aan de hand van het logframe, waarbij het gaat om een optelsom van de middelen die aan de basis liggen van de activiteiten, outputs en outcomes7 op het terrein van de beoogde algemene doelstelling.

3.3. Formele vereisten

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient een aanvraag te voldoen aan de formele vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 5.

3.4. Drempelcriteria

Zowel aanvrager/penvoerder en alle mede-indieners, als het project waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen ten minste te voldoen aan de drempelcriteria (D.1 t/m D.13, zie hoofdstuk 6) om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Drempelcriteria zijn criteria met betrekking tot het soort organisatie, de financiële onafhankelijkheid, de bezoldiging van het management en bestuur, evenals criteria met betrekking tot het project.

3.5. Inhoudelijke criteria

Indien voldaan is aan de drempelcriteria zal beoordeeld worden of in voldoende mate wordt voldaan aan de inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.9).

Om voor subsidieverlening in het kader van het MRF 2017–2020 in aanmerking te kunnen komen dient de kwaliteit van een aanvraag goed te zijn. Dit wordt uitgedrukt in een score. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore, waarbij bovendien voor enkele individuele criteria ook een minimum aantal punten moet worden behaald (dit wordt aangegeven in het aanvraagstramien). Beoogd wordt op deze manier de aanvragen te selecteren die niet slechts van voldoende kwaliteit zijn, maar die zich ook daadwerkelijk in positieve zin onderscheiden bij de bevordering en bescherming van mensenrechten.

3.6. Organisatorische capaciteit

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient de aanvrager/penvoerder in staat te zijn tot een adequaat financieel beheer en dient hij door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten te kunnen waarborgen.8 Deze capaciteit wordt alleen getoetst van die aanvragers wier aanvraag aan de drempeltoets voldoet en op grond van de uitkomsten van de beoordeling volgens de inhoudelijke criteria in aanmerking kan komen voor subsidie. Deze aanvragers worden daarna door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de gelegenheid gesteld om de voldoende kwaliteit van hun organisatorische capaciteit aan te tonen. Indien deze kwaliteit voldoende blijkt, komt hun aanvraag in aanmerking voor subsidie. Zo niet, dan wordt de aanvraag afgewezen. Ook indien de gevraagde aanvullende informatie niet of niet tijdig wordt aangeleverd, wordt de aanvraag alsnog afgewezen. Meer informatie hierover kunt u vinden in het aanvraagstramien.

3.7. Aanvraagstramien verplicht

Voor het indienen van een aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het door de ministers daartoe vastgestelde aanvraagstramien waarin de criteria nogmaals zijn opgenomen en van een toelichting zijn voorzien. Het aanvraagstramien kan worden gevonden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds.

Aanvragen die niet volgens dit stramien zijn opgesteld worden vooralsnog niet in behandeling genomen. De aanvrager krijgt in dat geval de gelegenheid het verzuim te herstellen conform art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de aanvrager niet binnen de gegeven termijn het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen.

In dit kader wordt nadrukkelijk gewezen op art. 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien gebruik wordt gemaakt van art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt als datum van ontvangst van de aanvraag aangemerkt de datum waarop de aanvulling is ontvangen.

Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende, tenzij in het aanvraagstramien uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van het aanvraagstramien niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op een minder aantal punten of zelfs afwijzing van de aanvraag.

3.8. Vereisten na subsidieverlening

Om voor subsidieverlening in aanmerking te komen dient de organisatie conform de IATI standaard te rapporteren. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de BZ publicatierichtlijnen getiteld ‘How to use the IATI standard’?9 Voor organisaties die nog niet conform IATI standaard kunnen rapporteren geldt dat zij in de gelegenheid zullen worden gesteld dit alsnog mogelijk te maken binnen een nader via een verplichting in de subsidieverleningsbeschikking vast te stellen termijn.

4. De thema’s

Voor een verdere toelichting op het Nederlandse mensenrechtenbeleid wordt in algemene zin verwezen naar de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ en recente Mensenrechtenrapportages10.

Zoals hiervoor vermeld is voor het MRF 2017–2020 een aantal thema’s geselecteerd. Voor elk thema is een algemene doelstelling omschreven (zie hierna). Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het MRF 2017–2020 dient de aanvraag, zoals ook aangegeven in hoofdstuk 2, zich te richten op één van deze thema’s en daarbinnen op de voor dat thema geformuleerde algemene doelstelling. Hiervoor dient minimaal 80% van de begrote middelen te zijn beoogd voor activiteiten die aan de basis liggen van outputs en outcomes op het terrein van de algemene doelstelling van dat thema. Deze algemene doelstellingen moeten steeds worden begrepen binnen de kaders van de beleidsbrief.

De mate waarin een project daarbinnen eveneens bijdraagt aan de specifieke doelstellingen wordt meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag volgens de criteria opgenomen in I.2. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat deze specifieke doelstellingen steeds binnen de algemene doelstellingen vallen.

Mensenrechtenverdedigers

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Mensenrechtenverdedigers is het wereldwijd beschermen en steunen van mensenrechtenverdedigers.

De specifieke doelstelling is:

  • het bevorderen van de veiligheid van mensenrechtenverdedigers door tijdelijke regionale opvang te realiseren.

Lesbiennes, homo’s biseksuelen, transgenders en personen met een intersekse conditie

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema LHBTI’s is het wereldwijd bevorderen van gelijke rechten voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekseconditie (LHBTI).

De specifieke doelstellingen zijn:

  • bestrijding van discriminatie en geweld op basis van seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit

    en/of

  • afschaffing van de strafbaarstellingen van homoseksualiteit

    en/of

  • bevordering van sociale acceptatie van LHBTI’s

    en/of

  • bestrijden van de krimpende ruimte voor organisaties die zich inzetten voor gelijke rechten van LHBTI’s.

Ernstigste mensenrechtenschendingen

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Ernstigste mensenrechtenschendingen is tweeledig, namelijk 1) de bestrijding van de doodstraf in landen waar deze straf feitelijk wordt opgelegd en ten uitvoer wordt gelegd en/of 2) het wereldwijd tegengaan van foltering.

De specifieke doelstelling is:

  • Bescherming van personen die in het gekozen land een verhoogd risico lopen om ter dood te worden veroordeeld en/of het slachtoffer te worden van foltering.

Vrijheid van meningsuiting

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bevorderen van vrijheid van meningsuiting, inclusief persvrijheid.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het bevorderen van de persvrijheid in landen die ‘not free, or partly free’ scoren in de ‘Freedom of the Press Ranking’ van Freedom House

    en/of

  • het voorkomen van geweld tegen journalisten en het voorkomen van straffeloosheid van geweld tegen journalisten

    en/of

  • het bevorderen van duurzame financiële onafhankelijkheid van media in landen die in aanmerking komen voor ODA fondsen volgens de OESO-DAC criteria.

    en/of

  • het bevorderen van implementatie van multilaterale afspraken in nationale structuren; te denken valt daarbij aan de Sustainable Development Goals (in het bijzonder SDG 16.10).

Internetvrijheid

In aanvulling op de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ wordt er voor het Nederlandse beleid ten aanzien van dit thema ook verwezen naar de kabinetsreactie op de adviezen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Adviesraad Internationale Vraagstukken over buitenlands internetbeleid11.

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Internetvrijheid is het bevorderen van naleving van mensenrechten online en/of het verbeteren van online vrijheid en veiligheid van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het bevorderen van de ontwikkeling en de beschikbaarheid van technologische hulpmiddelen voor mensenrechtenverdedigers

    en/of

  • het bevorderen van juridische expertise op het gebied van internetvrijheid en van de beschikbaarheid van die expertise voor mensenrechtenverdedigers

    en/of

  • het bevorderen van onderzoek naar de impact van wetgeving op internetvrijheid inclusief het stimuleren van verspreiding en/of toepassing van de resultaten

    en/of

  • het bevorderen van de ontwikkeling van beleid, wet- en regelgeving die gunstig is voor internetvrijheid

    en/of

  • het stimuleren van betrokkenheid van de private sector bij het bevorderen van internetvrijheid.

Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is de bevordering van een ieders vrijheid om haar of zijn religieuze of levensbeschouwelijke identiteit vorm te geven.

Mensenrechten en bedrijfsleven

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van het thema Mensenrechten en bedrijfsleven is het waarborgen van het naleven/garanderen van mensenrechten in wereldwijde waardeketens door de bevordering en de implementatie van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights12 en/of het hierop gebaseerde Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten13 waarin is duidelijk gemaakt hoe Nederland deze standaard omzet in eigen beleid.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • Het in landen die in aanmerking komen voor ODA fondsen volgens de OESO-DAC criteria stimuleren van ontwikkeling en/of monitoring van Nationale Actieplannen Bedrijfsleven en Mensenrechten (NAP) of andere vormen van coherent beleid op dit gebied door de desbetreffende overheid

    en/of

  • De bevordering van ‘access to remedy’ voor slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen, zoals gedefinieerd in de derde pijler van de Guiding Principles.

Straffeloosheid van internationale misdrijven

De algemene doelstelling van het toekennen van de middelen ten behoeve van dit thema is het bestrijden van straffeloosheid van internationale misdrijven te weten genocide, oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid.

De specifieke doelstellingen zijn:

  • het versterken van nationale capaciteit voor opsporing en vervolging van internationale misdrijven,

    en/of

  • het bevorderen van bewustwording onder de bevolking van het belang van opsporing en vervolging van internationale misdrijven,

    en/of

  • het versterken van de positie van slachtoffers van internationale misdrijven,

    en/of

  • het bevorderen van het vergaren en documenteren van bewijs met betrekking tot internationale misdrijven.

5. Formele vereisten aanvraag en verdere procedure

  • 5.1. Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf het moment van publicatie van dit subsidiekader tot en met uiterlijk 31 augustus 2018 23.59u CET. Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen, ook als de beschikbare middelen dan nog niet zijn uitgeput. Deze uiterste datum laat onverlet dat, aangezien aanvragen worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst en er sprake is van een subsidieplafond, de voor het MRF 2017–2020 beschikbare middelen voor die tijd kunnen zijn uitgeput. De aanvragende organisatie is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag.

  • 5.2. Het heeft de uitdrukkelijke voorkeur dat de aanvragen per e-mail in .pdf-formaat worden ingediend. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar het e-mailadres:

    MRF2017–2020@minbuza.nl

    Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen is. Houdt er hierbij rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerpregel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst.14

    Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

  • 5.3. Indiening van aanvragen per post wordt afgeraden. Indien u daar niettemin voor kiest dient de aanvraag per aangetekende post gestuurd worden naar:

    Ministerie van Buitenlandse Zaken

    Secretariaat DMM

    o.v.v. ‘Mensenrechtenfonds 2017–2020’

    Postbus 20061

    2500 EB Den Haag

    Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het ministerie bij de aanvrager.

    Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald) wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd, als de aanvraag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, waarbij het datumstempel van de post doors’laggevend is, en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

    Bij gebruikmaking van een enveloppe met de aanduiding ‘port betaald’ is de datum van ontvangst bepalend bij het vaststellen of de aanvraag tijdig, d.w.z. uiterlijk 31 augustus 2018 23.59 uur CET, is ingediend. Houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven.

  • 5.4. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie.

  • 5.5. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

  • 5.6. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal. Ook bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dienen voorzien te zijn van een vertaling in het Nederlands of Engels.

    Additionele informatieve / illustratieve boekwerken, CD-roms, USB-sticks of dvd’s van een organisatie worden niet betrokken bij de beoordeling van een aanvraag.

  • 5.7. Aanvragen die binnenkomen nadat de middelen lijken te worden uitgeput op basis van de uitkomsten van de beoordeling van eerder ontvangen aanvragen, worden niet meer in behandeling genomen, totdat blijkt dat de middelen niet zijn uitgeput (als gevolg van de uitkomsten van de beoordeling van de organisatiecapaciteit van de indienende organisaties van de eerder ingediende aanvragen).

  • 5.8. In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet compleet indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van antwoorden mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van drempel- of inhoudelijke criteria.

  • 5.9. Ook op artikel 9 van het Subsidiebesluit wordt in het bijzonder gewezen. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen. De looptijd van het project dient op zijn vroegst in te gaan op 23 januari 2017.

  • 5.10. Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail aan bovenstaand adres richten. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan eens per week plaats op de website van het mensenrechtenfonds (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds), in de vorm van een aanvulling op de al gepubliceerde Q&A’s.

6. Drempelcriteria (D.1 t/m D.13)

De aanvrager/penvoerder/mede-indieners en het project waarvoor subsidie wordt gevraagd dienen te voldoen aan de hiernavolgende drempelcriteria. Bij het niet voldoen aan één (of meer) van de drempelcriteria zal de aanvraag worden afgewezen en niet verder worden beoordeeld. Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat gebruik dient te worden gemaakt van het aanvraagstramien en dat kortheidshalve verwijzing naar andere delen van de aanvraag, naar een website of naar bijlagen niet voldoende is. In het aanvraagstramien worden de criteria nader toegelicht.

Drempelcriteria ten aanzien van de organisatie

  • D.1 Maatschappelijke organisatie

    De aanvrager of de penvoerder en alle mede-indieners van de alliantie is/zijn een maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk en bezit(ten) rechtspersoonlijkheid. Onder maatschappelijke organisatie wordt in dit kader verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

  • D.2 Doelstelling

    De aanvrager/penvoerder werkt aan en zet zich in voor de verbetering van de mensenrechten.

  • D.3 Alliantie

    In geval van een alliantie omvat de aanvraag een door alle betrokken organisaties (alliantiepartners) getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

    • a. De wijze waarop elk van de partners bijdraagt aan de werkzaamheden van het samenwerkingsverband.

    • b. De wijze waarop de besluitvorming in het samenwerkingsverband plaatsvindt.

    • c. De wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de partners.

    • d. De wijze waarop de naleving van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister is gewaarborgd, inclusief de zorg voor de gezamenlijk geaggregeerde rapportages.

  • D.4 Lokale uitvoerende organisatie

    In geval van een samenwerking met (een) lokale uitvoerende organisatie(s), niet zijnde een alliantiepartner zoals bedoeld in criterium D.3, omvat de aanvraag een toelichting waarin in ieder geval het volgende wordt vermeld:

    • a. Naam en contactgegevens van de uitvoerende organisatie en informatie waaruit blijkt dat de organisatie rechtspersoonlijkheid bezit.

    • b. Een onderbouwde uiteenzetting van de geschiktheid van deze organisatie voor het uitvoeren van het project, waaruit ten minste blijkt dat de organisatie ervaring heeft op het beoogde thema dan wel in de beoogde regio, of beide.

    • c. Het gemotiveerde oordeel van de aanvrager over de betrouwbaarheid en stabiliteit van deze organisatie.

  • D.5 Financiële onafhankelijkheid

    Gedurende de laatste twee jaren over welke een door de accountant goedgekeurde jaarrekening beschikbaar is, was minimaal 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager afkomstig uit bronnen anders dan bijdragen die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Subsidies in het kader van het Mensenrechtenfonds 2017–2020 zullen op gemiddelde jaarbasis nooit meer bedragen dan 75% van de gemiddelde jaarlijkse inkomsten (op basis van de laatste twee goedgekeurde jaarrekeningen) van de organisatie. Indien sprake is van een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de deelnemende organisaties minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere bijdragen dan bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere mede-indiener in de alliantie.

  • D.6 Bezoldigingseis

    • a. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van aanvragers/penvoerders en eventuele mede-indieners (voor zover gevestigd binnen de EU) bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste EUR 168.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage etc.

    • b. Voor aanvragers uit EU-lidstaten die niet zijn aangesloten bij de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates die door het Ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2017.

    • c. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (GDP PPS)15geldt voor aanvragers/penvoerders en eventuele mede-indieners in de volgende landen in verband met het binnenlandse prijsniveau een aangepaste norm, eveneens op grond van een dienstverband van een 36-urige werkweek, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen:

      • Noorwegen

      NOK 1.965.555

      • Zwitserland

      CHF 230.576

      • Japan

      YEN 14.718.036

      • VS/Canada

      USD 214.160

    • d. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van aanvragers/penvoerders en eventuele mede-indieners buiten de EU, Noorwegen, Zwitserland, Japan en VS/Canada staat niet later dan met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

  • D.7 Hoven en tribunalen

    Internationale hoven en tribunalen komen niet in aanmerking voor financiering in het kader van dit fonds.

Drempelcriteria ten aanzien van het project

  • D.8 Thematische focus

    Minimaal 80% van de totaal voor uitvoering van de activiteiten benodigde middelen moet aan de basis liggen van de activiteiten, outputs en outcomes die zijn gelegen op het terrein van de algemene doelstelling van het gekozen thema. Dit moet een van de volgende thema’s zijn, zoals geformuleerd in hoofdstuk 4 van het beleidskader:

    • a. Mensenrechtenverdedigers

    • b. Gelijke rechten voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekseconditie (LHBTI).

    • c. Ernstigste mensenrechtenschendingen (doodstraf en marteling).

    • d. Vrijheid van meningsuiting.

    • e. Internetvrijheid.

    • f. Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

    • g. Mensenrechten en bedrijfsleven.

    • h. Straffeloosheid van internationale misdrijven.

  • D.9 Omvang en looptijd

    De subsidieaanvraag bedraagt ten minste EUR 500.000 en maximaal EUR 2.000.000. Het project heeft een maximale looptijd van vier jaar en een minimale looptijd van twee jaar.

  • D.10 Tijdvak

    De activiteiten starten niet eerder dan 23 januari 2017, niet later dan 30 november 2018 en worden beëindigd uiterlijk op 31 december 2021.

  • D.11 Landen van uitvoering

    De begrote middelen moeten betrekking hebben op outcomes die zijn beoogd ter promotie en verbetering van de mensenrechtensituatie in minimaal twee verschillende landen. Hierbij geldt dat aan de beoogde outcomes in ieder gekozen land minimaal 100% / (aantal landen in de aanvraag x 2) van de totale begroting wordt besteed.

  • D.12 Uitgesloten activiteiten

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd betreffen geen:

    • initiatieven die proselitisme (mede) beogen;

    • financiering van commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten;

    • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks of middellijk een subsidie of bijdrage ten laste van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

    • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak waarop onderhavig subsidieplafond betrekking heeft.

  • D.13 Overheadkosten

    Maximaal 7,5% van de begroting heeft betrekking op overheadkosten.16

7. Inhoudelijke criteria (I.1 t/m I.9)

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient de kwaliteit van de aanvraag, beoordeeld aan de hand van de hierna volgende inhoudelijke criteria, goed te zijn. De minimaal te behalen score bedraagt 80% van de maximaal te behalen totaalscore. De criteria I.2 en I.3 fungeren bovendien als ‘valluik’: hiervoor geldt dat daarvoor een minimumscore behaald moet worden. Is dit niet het geval dan wordt de aanvraag afgewezen.

Track record

  • I.1 De aanvrager/penvoerder, dan wel penvoerder en mede-indieners gezamenlijk, zijn in staat gebleken om geplande outputs en outcomes te realiseren en beschikken over minimaal 2 jaar ervaring met het geselecteerde thema en 1 jaar ervaring in de voorgestelde landen.

Beleidsmatige criteria ten aanzien van het project

In de aanvraag dient uiteengezet te worden welke verandering beoogd wordt te bewerkstelligen die ten dienste staat van de bevordering, bescherming en verbetering van mensenrechten. Ingediende aanvragen zullen worden beoordeeld op hun beleidsrelevantie aan de hand van de hiernavolgende criteria.

  • I.2 Logische samenhang en thematische relevantie

    • A. Het project is gebaseerd op een gedegen context- en actoranalyse, waaruit een adequate probleemstelling, de voorgestelde (innovatieve) interventiestrategie en outcomes voortvloeien. Duidelijk is hoe hiermee aan de algemene en specifieke doelstellingen voor het MRF 2017–2020 op het geselecteerde thema in ieder gekozen land wordt bijgedragen. Het project moet haalbaar zijn en inzichtelijk moet zijn gemaakt in hoeverre uitkomsten uit evaluaties, pilots, studies, etc. bij de opzet zijn meegenomen.

    • B. Het project is, waar mogelijk SMART17, uitgewerkt in middelen, activiteiten, outputs, outcomes, assumpties en indicatoren, waarbij een logische en duidelijk weergegeven samenhang bestaat tussen deze onderdelen. Het format voor het logframe dat als appendix II bij het subsidiebeleidskader is opgenomen dient aangehouden te worden.

  • I.3 Relevantie van de gekozen landen en regio’s

    De gekozen landen vormen een logische combinatie, de mensenrechtensituatie legitimeert een interventie en het project heeft in die landen een meerwaarde.

  • I.4 Lokale uitvoerende organisaties

    Indien wordt samengewerkt met (een) lokale uitvoerende organisatie(s) (zoals bedoeld in D.4) dient (dienen) deze lokale uitvoerende organisatie(s):

    • a) Effectieve invloed te hebben gehad op de totstandkoming en inhoud van het project.

    • b) Effectieve invloed te hebben op de monitoring en sturing van de activiteiten.

  • I.5 Duurzaamheid

    Het project is duurzaam: het heeft een langdurig effect voor de uiteindelijke doelgroep en/of draagt bij aan de institutionele capaciteitsopbouw van lokale uitvoerende organisatie(s) en/of draagt bij aan de versterking van de rechtsstaat.

Technische criteria voor het project en de organisatie

  • I.6 Gehanteerde PM&E systematiek

    De gehanteerde Planning Monitoring & Evaluatie systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang en de bijsturing t.a.v. middelen, activiteiten, outputs, outcomes en onderliggende assumpties.

  • I.7 Risicomanagement

    Er is sprake van (1) een adequate analyse van de interne en externe risico’s van de uitvoering van het project voor de organisatie en de activiteiten (2) inclusief stappen om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

  • I.8 Additionele middelen

    De middelen die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het project zijn gewaarborgd.

  • I.9 Begroting en proportionaliteit

    Het project legt een helder en realistisch verband tussen de benodigde middelen en de uit te voeren activiteiten en de te realiseren outputs en outcomes.

  • ^ [1]

    Stb. 2005, 137.

  • ^ [2]

    Stcrt. 2005, 251.

  • ^ [3]

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/inhoud/subsidies-maatschappelijke-organisaties/mensenrechtenfonds

  • ^ [4]

    idem

  • ^ [5]

    Kamerstukken II 2012-2013, 32 735, nr. 78

  • ^ [6]

    http://www.oecd.org/dac/stats/officialdevelopmentassistancedefinitionandcoverage.htm

  • ^ [7]

    Zie voor de definities van outputs en outcomes: https://www.oecd.org/dac/evaluation/2754804.pdf

  • ^ [8]

    Artikel 4 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

  • ^ [9]

    https://www.government.nl/documents/publications/2015/12/01/open-data-and-development-cooperation

  • ^ [10]

    Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2015-2016, 32 735, nr. 154 en Kamerstukken II 2014-2015, 32 735, nr. 130 (via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/06/21/mensenrechtenrapportage-2015 en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/jaarverslagen/2015/06/05/mensenrechtenrapportage-2014).

  • ^ [11]

    https://www.government.nl/documents/parliamentary-documents/2016/05/19/government-response-to-aiv-and-wrr-reports-on-the-internet

  • ^ [12]

    http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf

  • ^ [13]

    https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2013/12/20/nationaal-actieplan-mensenrechten-en-bedrijfsleven-knowing-en-showing

  • ^ [14]

    Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail van 2 van 5 etc. tot ‘e-mail 5 van 5’.

  • ^ [15]

    http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/table.do?tab=table&init=1&language=en&pcode=tec00114&plugin=1

  • ^ [16]

    Voor een definitie van wat wordt verstaan onder overheadkosten wordt verwezen naar de ‘definition of administrative costs allowance’ in appendix IV.

  • ^ [17]

    SMART staat voor: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.