Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer

Geldend van 01-07-2017 t/m heden

Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 619344;

Gelet op artikel 8, vijfde lid, en artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, tiende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, tiende lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, tiende lid, van de Wet luchtvaart;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2015, nr. W03.15.0052/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2022958;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen

Artikel 2

Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4-butaandiol.

Artikel 3

  • 1 De grenswaarden voor de in artikel 2 aangewezen stoffen zijn, indien zij enkelvoudig zijn gebruikt en gemeten in geval van:

    • a. amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA en MDA: 50 microgram amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed;

    • b. cannabis: 3,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;

    • c. heroïne en morfine: 20 microgram morfine per liter bloed;

    • d. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 10 milligram GHB per liter bloed.

  • 2 Indien een van de in artikel 2 aangewezen stoffen is gebruikt en gemeten in combinatie met een of meer andere van deze stoffen, alcohol of met een andere stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is de grenswaarde voor iedere in het eerste lid genoemde stof en alcohol in geval van:

    • a. amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA: 25 microgram amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed of 50 microgram voor de som van deze amfetamine-achtige stoffen indien een van deze amfetamine-achtige stoffen met een of meer andere van deze amfetamine-achtige stoffen is gebruikt en gemeten;

    • b. cannabis: 1,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;

    • c. cocaïne, heroïne en morfine: 10 microgram cocaïne of morfine per liter bloed;

    • d. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 5,0 milligram GHB per liter bloed;

    • e. alcohol: 0,2 milligram ethanol per milliliter bloed.

§ 3. Voorlopige onderzoeken

§ 3.1. Onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties

Artikel 4

  • 2 Het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3 Indien het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 5

  • 1 Indien het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties indiceert dat een of meer drugs of geneesmiddelen of alcohol is gebruikt, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2 De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het onderzoek direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 3.2. Voorlopig ademonderzoek

Artikel 6

  • 2 Het voorlopig ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3 Indien het voorlopig ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 7

  • 2 De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het voorlopig ademonderzoek direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 3.3. Onderzoek van speeksel

Artikel 8

  • 1 Een onderzoek van speeksel als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 geschiedt door met een voor het onderzoek bestemde speekseltester die bij ministeriële regeling is aangewezen, in de mondholte van degene bij wie het onderzoek wordt verricht, speeksel af te nemen en het resultaat daarvan af te lezen of door een bij de speekseltester behorend apparaat uit te lezen.

  • 2 Het onderzoek van speeksel wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3 Indien het onderzoek van speeksel niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 9

  • 1 Indien het onderzoek van speeksel indiceert dat een of meer drugs of geneesmiddelen is gebruikt, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2 De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het onderzoek van speeksel direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 4. Vervolgonderzoeken

§ 4.1. Ademonderzoek

Artikel 10

  • 2 Het ademonderzoek wordt niet eerder verricht dan twintig minuten nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig ademonderzoek of, indien die vordering niet is gedaan, binnen twintig minuten na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.

  • 3 Het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 4 Het alcoholgehalte van de twee meetresultaten, bedoeld in het eerste lid, wordt op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze vastgesteld.

  • 5 Indien het ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste, tweede en vierde lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 11

  • 3 Het tegenonderzoek geschiedt door middel van een bloedonderzoek. De artikelen 12 tot en met 17 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. de verdachte direct nadat hij op het recht op tegenonderzoek is gewezen aan de opsporingsambtenaar kenbaar dient te maken dat hij van dat recht gebruikmaakt, en het bloed van de verdachte direct daarna wordt afgenomen, en

    • b. de bloedafname van de verdachte voor zijn rekening geschiedt en niet wordt gedaan dan nadat hij daarvoor aan de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt, een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag heeft betaald.

§ 4.2. Bloedonderzoek

Artikel 12

  • 1 Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af of, indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, door middel van een infuus. In afwijking van de eerste volzin mag de arts of verpleegkundige ook een buisje bloed van de verdachte afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, twee buisjes bloed van hem af te nemen. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje dient te bevatten, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 2 De bloedafname geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.

  • 4 De arts of verpleegkundige ontvangt voor de bloedafname een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt.

Artikel 13

  • 1 Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:

    • a. van de bloedafname een proces-verbaal opmaakt dat hij voorziet van een sporenidentificatienummer en de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer van de verdachte van wie het bloed is afgenomen, of, indien deze gegevens van de verdachte onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,

    • b. een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte als bijlage bij het proces-verbaal, bedoeld onder a, voegt,

    • c. ervoor zorgt dat ieder buisje met bloed voorzien is van een sporenidentificatienummer, en

    • d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

Artikel 14

  • 1 De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht.

  • 2 De onderzoeker is verbonden aan een laboratorium. Als laboratorium komt alleen in aanmerking:

    • a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of van criteria die daarmee vergelijkbaar zijn, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse, dan wel

    • b. een laboratorium dat in het buitenland is gevestigd en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse.

  • 4 Indien de accreditatie van een laboratorium, bedoeld in het tweede lid, is ingetrokken of geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dat laboratorium geen bloedonderzoek meer worden verricht.

Artikel 15

Het laboratorium waaraan de onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, is verbonden, legt na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed de volgende gegevens in een bestand vast:

  • a. de datum van ontvangst van de buisjes of het buisje,

  • b. de sporenidentificatienummers, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a en c,

  • c. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de verdachte wiens het bloed het betreft, en

  • d. de naam van de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 16

  • 1 De onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, verricht het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. De methode die hij voor het bloedonderzoek hanteert, voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 2 De onderzoeker stelt een in de Nederlandse taal gesteld schriftelijk verslag van het resultaat van het bloedonderzoek op en ondertekent dat verslag.

  • 3 In afwijking van het tweede lid mag het verslag in de Engelse taal zijn gesteld, indien de onderzoeker die het verslag opstelt, verbonden is aan een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder b.

  • 4 Het verslag bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de verdachte met behulp van wiens bloed het onderzoek is verricht,

    • b. het sporenidentificatienummer van het buisje met bloed met behulp waarvan het bloedonderzoek is verricht,

    • c. de methode met behulp waarvan het bloedonderzoek is verricht, en

    • d. het resultaat van het bloedonderzoek.

  • 5 De onderzoeker stuurt het verslag zo spoedig mogelijk na het verrichten van het bloedonderzoek aan de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 17

De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.

Artikel 18

  • 1 In geval van een aanvullend bloedonderzoek stelt het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan de onderzoeker.

  • 2 Op het aanvullend bloedonderzoek zijn de artikelen 12, 13, eerste lid, onder d, en tweede lid, en 14 tot en met 17 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat

    • a. de termijn waarbinnen het aanvullend bloedonderzoek dient te zijn verricht, vier weken na ontvangst van het buisje met bloed is, of zes weken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen als gevolg waarvan de termijn van vier weken in redelijkheid niet haalbaar is,

    • b. de hulpofficier van justitie belast is met de in artikel 14, eerste lid, genoemde taak, en

    • c. de opsporingsambtenaar belast is met de in artikel 17 genoemde taak.

Artikel 19

  • 1 In geval van een tegenonderzoek stelt het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht.

  • 2 De artikelen 13, eerste lid, onder d, 14, tweede tot en met vierde lid, 15 tot en 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht, ervoor zorgt dat na het verrichten van dat onderzoek het resterende bloed naar het laboratorium wordt terugbezorgd die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, en

    • b. de onderzoeker het verslag van het tegenonderzoek naar de verdachte stuurt.

  • 3 Tegenonderzoek geschiedt op initiatief van en voor rekening van de verdachte en wordt niet verricht dan nadat de verdachte het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht, het daarvoor verschuldigde bedrag heeft betaald. In dat bedrag zijn de verzendkosten van het voor het tegenonderzoek bestemde buisje met bloed door het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, inbegrepen. De hoogte van die verzendkosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Het bedrag voor de verzendkosten verrekent het laboratorium, bedoeld in de eerste volzin, met het laboratorium, bedoeld in de tweede volzin. De verdachte is verplicht in zijn aanvraag tot het verrichten van een tegenonderzoek zijn naam, geslacht, geboortedatum en burgerservicenummer te vermelden, alsmede het sporenidentificatienummer dat op de kennisgeving, bedoeld in artikel 17, is vermeld.

  • 4 Indien de verdachte de kosten van het tegenonderzoek niet binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in artikel 17, heeft betaald, vervalt het recht op dat onderzoek.

Artikel 20

  • 1 Het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden dat het bloedonderzoek, aanvullend bloedonderzoek of tegenonderzoek heeft verricht, vernietigt het bloed dat na dat onderzoek resteert, een half jaar na de datum van dagtekening van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid.

  • 3 Indien het resultaat van het bloedonderzoek, het aanvullend bloedonderzoek of het tegenonderzoek het vermoeden bevestigt dat de verdachte een van de in het tweede lid genoemde artikelleden heeft overtreden, vernietigt het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, vijf jaar na de datum van dagtekening van dat verslag.

  • 4 Het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, houdt aantekening van iedere vernietiging op grond van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 21

Indien een ander laboratorium dan het laboratorium van het Nederlands Forensisch Instituut voornemens is zijn werkzaamheden op het terrein van het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek te beëindigen, zorgt dat laboratorium ervoor dat het bloed, de afschriften van de verslagen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, die bij dat laboratorium worden bewaard, en de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, voor de beëindiging van die werkzaamheden aan dat instituut worden overgedragen, tenzij het laboratorium fuseert met een ander laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid. In het laatste geval worden het bloed, de afschriften van de verslagen en de daarbij behorende gegevens in dat andere laboratorium bewaard.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 22

Een onderzoek dat ter vaststelling van een overtreding op grond van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart voor de inwerkingtreding van dit besluit is of wordt uitgevoerd, wordt overeenkomstig de regels die daarop voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing waren, afgehandeld.

Artikel 23

Het Besluit alcoholonderzoeken wordt ingetrokken.

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs (Stb. 2014, 353) in werking treedt.

Artikel 25

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 14 december 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur