Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Beoordelingskader Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022[Regeling vervalt per 01-01-2022.]

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 december 2016, nr. 1108207, tot vaststelling van een kader voor de beoordeling van de verzoeken om een strategisch partnerschap in het kader van de aanvragen voor instellingssubsidie op grond van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 (Beoordelingskader Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2.7 van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022

Besluit:

Artikel 1. Inleiding

Dit beoordelingskader dient om de aanvragen voor instellingssubsidie, eerste fase, op grond van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 (hierna: regeling) te kunnen beoordelen en om de wegingsfactoren vast te stellen op basis waarvan de verzoeken om een strategisch partnerschap aan te gaan worden gerangschikt.

Artikel 2. Drempelcriteria (artikel 2.2 van de regeling)

Een aanvraag wordt ten eerste getoetst aan de drempelcriteria. Alleen wanneer de maatschappelijke organisaties, al dan niet verenigd in een alliantie, aan de drempelcriteria voldoen, worden het track record en de theory of change, gevoegd bij de aanvraag, beoordeeld.

Artikel 3. Evenwichtige spreiding (artikel 2.8 van de regeling)

Bij het aangaan van strategisch partnerschappen streeft de Minister naar een evenwichtige spreiding van maatschappelijke organisaties dan wel allianties over:

  • a. de doelstellingen van deze regeling;

  • b. de functies van de maatschappelijke organisaties; en

  • c. gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid.

Een evenwichtige spreiding betekent een gelijkmatige verdeling over de doelstellingen, de functies en de onderdelen gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid.

De doelstellingen zijn:

Langetermijn:
  • Het realiseren van gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

Middellangetermijn:
  • Het doorbreken van stereotype beeldvorming over mannelijkheid, vrouwelijkheid en relaties.

  • Het bevorderen van de sociale acceptatie van gendergelijkheid en diversiteit aan seksuele oriëntatie, genderidentiteit of geslachtskenmerken.

  • Het bevorderen van de (sociale) veiligheid van vrouwen en LHBTI’s.

  • Het bevorderen van een machtsbalans en maatschappelijke representatie op basis van gendergelijkheid en diversiteit aan seksuele oriëntatie, genderidentiteit of geslachtskenmerken.

  • Het bevorderen van een gelijke positie van vrouwen en mannen en transgender personen op de arbeidsmarkt, op het gebied van inkomen en op het gebied van onbetaalde zorgtaken.

  • Het bevorderen van gelijkheid en veiligheid in het onderwijs, waaronder het doorbreken van stereotype richtingkeuze.

  • Het bevorderen van gendersensitieve en LHBTI-sensitieve zorg.

  • Het bevorderen van vrije keuze op het gebied van leefvormen.

De functies zijn:

  • Onderzoek, kennis en beleidsadvies

  • Bibliotheek, archief en informatiecentrum

  • Interventieontwikkeling

  • Agenderen en vertegenwoordigen

  • Platform en netwerk

  • Ondersteunen en begeleiden

Artikel 4. Track Record (artikel 2.9 van de regeling)

Het track record van een maatschappelijke organisatie omvat een beschrijving van de ervaring en de bereikte resultaten van de maatschappelijke organisatie op het terrein van het landelijk bevorderen van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid. Het track record bevat ten minste drie en ten hoogste vijf voorbeelden van de ervaring en de bereikte resultaten van de maatschappelijke organisatie(s) op het terrein van het landelijk bevorderen van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid aan uit de laatste drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2017. In het geval een alliantie uit meer dan vijf maatschappelijke organisaties mocht bestaan dan levert de aanvrager niet meer dan één voorbeeld per maatschappelijke organisatie.

Het track record wordt getoetst aan de criteria:

  • a. expertise en effectiviteit;

  • b. flexibiliteit en lerend vermogen;

  • c. innovatiekracht;

  • d. transparantie en verantwoording;

  • e. inclusiviteit; en

  • f. duurzaamheid van de gekozen aanpak.

De criteria zijn onderling nevengeschikt en worden op een schaal van 1 tot 10 gewaardeerd.

Ad. a. expertise en effectiviteit

Naarmate het track record meer blijk geeft van expertise en capaciteit op het gebied van gender- en LHBTI-gelijkheid in de Nederlandse samenleving en van een effectieve strategie om verandering te bewerkstelligen, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad b. flexibiliteit en lerend vermogen

Naarmate het track record meer blijk geeft van het vermogen om flexibel te werken en geleerde lessen te gebruiken om processen bij te stellen of keuzes aan te passen, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad c. innovatiekracht

Naarmate het track record meer blijk geeft van de ontwikkeling van nieuwe ideeën of interventies, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad d. transparantie en verantwoording

Naarmate het track record meer blijk geeft van betrokkenheid van externe actoren bij de voorbereiding, planning en uitvoering van de interventies en externe verantwoording over de werkwijze, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad e. inclusiviteit

Naarmate het track record meer inzicht geeft in de inzet op gender mainstreaming en meer blijk geeft van (beleid dat inzet op de) inclusiviteit van de eigen organisatie op in ieder geval gender, seksuele oriëntatie, genderidentiteit, geslachtskenmerken, etniciteit, leeftijd, handicap, religie of levensovertuiging, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad f. duurzaamheid van de gekozen aanpak.

Naarmate de inbedding van de resultaten meer duurzaam is, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Artikel 5. Theory of change (artikel 2.10 van de regeling)

Een theory of change beschrijft hoe de maatschappelijke organisatie of de alliantie de doelen op lange termijn behaalt. Elke theory of change wordt getoetst aan de criteria:

  • a. een strategische doelstelling en de tussenliggende stappen om die te bereiken;

  • b. de onderliggende analyse en aannames;

  • c. een beschrijving van de relevante actoren;

  • d. een beschrijving van de functie of functies van de maatschappelijke organisatie of maatschappelijke organisaties in de alliantie;

  • e. meetbare indicatoren;

  • f. een risicoanalyse; en

  • g. een indicatieve begroting met een globale verdeling van kosten per doel of functie.

De criteria zijn onderling nevengeschikt en worden op een schaal van 1 tot 10 gewaardeerd.

Ad. a. een strategische doelstelling en de tussenliggende stappen om die te bereiken

Naarmate de theory of change meer blijk geeft van heldere strategische doelstelling(en) op langetermijn en middellangetermijn, alsmede de tussenliggende stappen om die te bereiken, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad. b. de onderliggende analyse en aannames

Naarmate de theory of change meer blijk geeft van een heldere probleemanalyse, meer expliciete verbanden legt tussen de doelen en de tussenliggende stappen en gestoeld is op aannames, die zo mogelijk evidence based zijn, wordt de aanvraag hoger gewaardeerd.

Ad. c. een beschrijving van de relevante actoren

Naarmate de theory of change beter inzicht geeft in welke diverse actoren relevant zijn voor het bereiken van de beoogde verandering en hoe men zich tot die actoren (groot en klein) verhoudt, wordt de aanvraag hoger gewaardeerd.

Ad. d. een beschrijving van de functie of functies van de maatschappelijke organisatie of maatschappelijke organisaties in de alliantie

Naarmate de theory of change beter beschrijft welke functie of functies, zoals omschreven in de regeling, vervuld zullen worden, wordt de aanvraag hoger gewaardeerd.

Ad. e. meetbare indicatoren

Naarmate de theory of change meer blijk geeft van heldere meetbare indicatoren waarop output en outcome kunnen worden gemonitord of inzicht geeft in waarom dat niet zou kunnen (volgens het principe pas toe of leg uit), wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad. f. een risicoanalyse

Naarmate de theory of change meer blijk geeft van een goede afweging van de risico’s en de manier waarop hiermee wordt omgegaan, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Ad. g. een indicatieve begroting met een globale verdeling van kosten per doel of functie.

Naarmate binnen de indicatieve begroting de verwachte kosten naar doel of functie redelijker zijn, wordt de aanvraag op dit criterium hoger gewaardeerd.

Artikel 6. Rangschikking

De totaalscore van de aanvraag wordt verkregen door de beoordelingscijfers op de verschillende criteria van het track record en de theory of change bij elkaar op te tellen.

De Minister rangschikt de aanvragen, die aan de drempelcriteria voldoen, op basis van de totaalscore van hoog van naar laag. De totaalscore per aanvraag kan variëren van 13 tot en met 130 punten.

De selectie van de aanvragen voor het strategisch partnerschap geschiedt op basis van een eerste rangschikking op grond van de totaalscore, waarna de evenwichtige spreiding over de doelstellingen, functies en onderdelen gender- en LHBTI-gelijkheid bezien wordt. Dit kan de definitieve rangschikking wijzigen.

Artikel 7. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en vervalt met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 8. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beoordelingskader Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022.

Dit besluit zal in de Staatcourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker