Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2016, houdende bepalingen met betrekking tot onderzoek ter vaststelling van het gebruik van alcohol en drugs bij geweldplegers (Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers)

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

  • 1 Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Besluit waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van alcoholgebruik worden aangewezen:

    • a. de ogen: bloeddoorlopen ogen;

    • b. de spraak: slecht articuleren, langzaam praten, niet goed uit de woorden kunnen komen, of met dubbele tong praten;

    • c. de motoriek: niet in rechte lijn kunnen lopen, zwalken of onvast op de benen staan.

  • 2 Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Besluit waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van het gebruik van een of meer middelen als bedoeld in artikel 3 van het Besluit, worden aangewezen:

    • a. de ogen: wijd opengesperde ogen, waterige ogen, bloeddoorlopen ogen, wegrollende ogen, hangende oogleden of trillende oogleden;

    • b. de pupillen: groter dan 5 millimeter bij daglicht of direct licht, langzaam reagerend, knipperend of geen reactie vertonend;

    • c. de spraak: onsamenhangende taal, woordenvloed, stamelen of stotteren;

    • d. de motoriek: onvast ter been, trillen, zich veelvuldig krabben, wrijven of plukken aan de kleding of bewegingsdrang.

Artikel 3

  • 1 Voor het verrichten van een nader ademonderzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit worden de ademanalyseapparaten van het type Dräger Alcotest 9510 NL aangewezen die zijn voorzien van het goedkeuringsteken T7802.

  • 2 Het alcoholgehalte wordt bepaald door toepassing van de volgende correctie op het rekenkundige gemiddelde van de twee meetresultaten, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit:

    • a. indien het rekenkundige gemiddelde (Y) van de twee meetresultaten kleiner is dan 500 microgram per liter, is het ademonderzoekresultaat gelijk aan (0,9Y-30) microgram per liter;

    • b. indien het rekenkundige gemiddelde (Y) van de twee meetresultaten gelijk is aan, of groter is dan 500 microgram per liter, is het ademonderzoekresultaat gelijk aan (0,85Y-5) microgram per liter.

  • 3 Het resultaat van een nader ademonderzoek mag niet worden aangewezen of afgedrukt indien het verschil tussen de beide meetresultaten groter is dan 10% van het kleinste meetresultaat.

Artikel 4

  • 1 Voor de bloedafname ten behoeve van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit worden de volgende hulpmiddelen voorgeschreven:

    • a. twee buisjes elk met een inhoud van 5 milliliter, die ten minste 4 milligram per milliliter inhoud van de buis natriumfluoride bevatten, alsmede voldoende heparinenatrium voor antistolling van het bloed;

    • b. een universeel bloedafname systeem, voorzien van een prikbeschermer na bloedafname;

    • c. een alcoholvrij ontsmettingsdoekje op basis van 2% chloorhexidine;

    • d. een steriel verpakt gaascompres;

    • e. een steriel verpakte wondpleister.

  • 2 De hoeveelheid bloed die wordt afgenomen voor het bloedonderzoek, bedraagt bij voorkeur 8 milliliter, maar ten minste 3 milliliter.

  • 3 De arts of verpleegkundige verdeelt de door hem afgenomen hoeveelheid bloed evenredig over twee buisjes.

  • 4 Voor de verzending van de buisjes, bedoeld in het derde lid, wordt de volgende verpakking voorgeschreven:

    • a. een hard plastic doos voorzien van dubbelzijdig foam interieur;

    • b. een lekvrije 95 kPa-zak, gecertificeerd voor vervoer van buisjes;

    • c. een absorberende buizenhouder bestemd voor tenminste twee buisjes;

    • d. drie fraudebestendige sluitzegels.

Artikel 5

De methode van bloedonderzoek voor het bepalen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit, voldoet aan de eisen genoemd in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 6

  • 1 Het verschuldigde bedrag voor de bloedafname, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit ten behoeve van een tegenonderzoek bedraagt € 62,– indien het afnemen van bloed door een arts of verpleegkundige geschiedt in de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur en € 81,– indien het afnemen geschiedt in de periode 18.00 uur ’s avonds tot 08.00 uur ’s ochtends of in de periode van 18.00 uur vrijdagavond tot 08.00 uur maandagochtend.

  • 2 Het verschuldigde bedrag voor de verzendkosten van het buisje met bloed bestemd voor het tegenonderzoek naar het gehalte van alcohol bedraagt € 50,– en voor het tegenonderzoek naar het gehalte van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit € 302,14.

Artikel 7

  • 1 Voor het verrichten van een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit worden tot 1 januari 2021 de volgende typen ademtesters aangewezen:

    • a. Dräger Alcotest 6.810;

    • b. Dräger Alcotest 7.310;

    • c. Dräger Alcotest 7.410;

    • d. Dräger Alcotest 7.510;

    • e. Alcocontrol;

    • f. Alcometer SL-3;

    • g. Alcosensor IV;

    • h. Lion Alcometer 400;

    • i. Lion SL 400/SD 400;

    • j. Honac Alcosensor IV BlackDot;

    • k. Intoximeters Alcosensor FST2;

    • l. Envitec Wismar Alcoquant 6.020-plus.

  • 2 De ademtesters, bedoeld in het eerste lid, mogen op 1 januari 2017 niet ouder dan vijf jaar zijn en dienen de in artikel 4, eerste lid, van het Besluit genoemde grenswaarde voor alcohol te kunnen meten, rekening houdend met een correctie van 80 ug/l.

Artikel 8

  • 1 Onverminderd artikel 3, eerste lid, worden voor het verrichten van een nader ademonderzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit tot 1 januari 2021 tevens de volgende typen ademanalyseapparaten aangewezen:

    • a. ademanalyseapparaten van het type National Patent Analytical Systems Inc. BAC Datamaster II die zijn voorzien van het goedkeuringsteken IJK-87401;

    • a. ademanalyseapparaten van het type Dräger Alcotest 7110 NL die zijn voorzien van het goedkeuringsteken IJK88402;

    • b. ademanalyseapparaten van het type Intoximeters Inc. Intox EC/I R die zijn voorzien van het goedkeuringsteken T5973;

    • c. ademanalyseapparaten van het type Alcotest 7110 MK111 NL, die zijn voorzien van goedkeuringsteken IJK 94403.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Bijlage behorende bij artikel 5 van de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers

Bij bloedonderzoek naar het bepalen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt aan de volgende eisen voldaan:

  • Zo spoedig mogelijk na de bloedafname worden de twee buisjes bloed bevroren bewaard of, als dat niet mogelijk is, in de koelkast.1 Het bloedblok wordt liggend op het grootste oppervlak in de vriezer geplaatst om de kans op breuk van de bloedbuizen te minimaliseren.

  • Het dient duidelijk te zijn op welke wijze het transport van de twee buisjes bloed van de politie naar het laboratorium en tussen laboratoria plaatsvindt.

  • Het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt minimaal in tweevoud (duplo) bepaald.

  • Het valideren van de methode gebeurt volgens de laatste versie van de Guideline on bioanalytical method validation (European Medicines Agency) of een vergelijkbare richtlijn.2

  • Het laboratorium controleert ten minste vier keer per jaar de juistheid van de methode, bij voorkeur door deelname aan ringonderzoeken of door het analyseren van een geschikt (gecertificeerd) controlemonster waarvan minimaal 75% met voldoende resultaat. Bij deelname aan een ringonderzoek betekent een voldoende resultaat een z-score lager dan 2,0. Bij analyse van een (gecertificeerd) controlemonster betekent een voldoende resultaat dat het resultaat binnen de door de bereider/leverancier aangegeven acceptatiegrenzen valt.

  • Ter bevestiging van het gebruik van cocaïne en ter verificatie van het resultaat van het onderzoek naar het gehalte van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit wordt ook de aanwezigheid van benzoylegonine bepaald. Cocaïne wordt alleen gerapporteerd als benzoylecgonine aanwezig is. Er wordt geen grenswaarde voor benzoylecgonine voorgesteld en de aanwezigheid van benzoylecgonine wordt niet gerapporteerd.

  • Van benzoylecgonine wordt minimaal de LOI vastgesteld bij validatie.

  • De ‘limit of identification’ (LOI) is gedefinieerd als 2x de ‘limit of detection’3 en mag niet boven de ondergrens van de kwantitatieve bepaling (LLOQ) liggen.

  • De ‘uitgebreide meetonzekerheid’ voor een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit is maximaal 30% en wordt berekend uit de afwijking van de juiste waarde (‘bias’), de spreiding in de juistheidsmetingen en de reproduceerbaarheid binnen het laboratorium (‘intermediate precision’).

  • De ‘uitgebreide meetonzekerheid’ voor alcohol is maximaal 6% en wordt berekend uit de afwijking van de juiste waarde (‘bias’), de spreiding in de juistheidsmetingen en de reproduceerbaarheid binnen het laboratorium (‘intermediate precision’).

  • De LLOQ is gedefinieerd als de laagste concentratie van de component in het analysemonster, waarvan de meetwaarde nog met een bepaalde juistheid en precisie kan worden vastgesteld conform de vigerende richtlijnen.

  • De LLOQ is ten hoogste de voorgestelde grenswaarde zoals genoemd in artikel 4 van het Besluit.

  • Het resultaat van de meting wordt bij een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit uitgedrukt in microgram per liter, bij alcohol in milligram per milliliter.

  • Resultaten en tussenberekeningen van het onderzoek worden niet afgerond. Het resultaat van de duplometingen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt gemiddeld. Op dat gemiddelde dat tevens het eindresultaat is, vindt een correctie-aftrek plaats van 30% bij de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, en van 6% bij alcohol.

  • De einduitkomst wordt afgerond op twee significante cijfers bij de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Bij alcohol wordt de einduitkomst gerapporteerd met 2 decimalen.

  • De bloedgehaltes worden in tabelvorm in het rapport opgenomen zoals in het hierna getoonde voorbeeld.

    Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie:

    Middel

    Meetbare stof

    grenswaarde

    Resultaat in bloed met

    [Sporen Identificatie Nummer]

    Rapportage eenheid

    alcohol

    ethanol

    0,80

     

    milligram per milliliter

    amfetamine

    amfetamine

    50

     

    microgram per liter

    methamfetamine

    methamfetamine

    50

     

    microgram per liter

    cocaïne

    cocaïne

    50

     

    microgram per liter

  • Het rapport met de einduitkomst bevat geen interpretatie van de resultaten.

  • Er wordt bij het rapporteren van de resultaten geen rekening gehouden met medicinaal gebruik van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit.

  • ^ [1]

    Een bewaartemperatuur bij ongeveer -20°C heeft de voorkeur.

  • ^ [2]

    Scientific Working Group for Forensic Toxicology (SWGTOX). Standard Practices for Method Validation in Forensic Toxicology. SWGTOX Doc 003 Revision 1. Published May 20, 2013.

  • ^ [3]

    http://depa.fquim.unam.mx/amyd/archivero/Limite_deteccion_4836.pdf