Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA

Geldend van 23-11-2016 t/m heden

Tijdelijke regeling van de Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 13 november 2016, nr. WJZ / 16167308, houdende vaststelling van regels omtrent de afbouw van toelagen en toeslagen van medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA)

De Minister van Economische Zaken en de Minister voor Wonen en Rijksdienst,

Gelet op artikel 22a, vierde lid, artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

Besluiten:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • b. BBRA ‘84: het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;

  • c. de minister: de Minister van Economische Zaken;

  • d. NVWA: de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;

  • e. Regeling vaartoelage: Regeling vaartoelage, afbouw verlofaanspraken en enige andere vaste vergoedingen en toeslagen NVWA;

  • f. oude toelage inconveniënten: de inconveniëntentoelage, waarop de medewerker op grond van de Inconveniëntenregeling AID 1995 over de maand december 2011 aanspraak had, bestaande uit de toelage voor onregelmatige dienst, de vergoeding voor overwerk en de vergoeding voor bereikbaarheid- en beschikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 17, 23 en 18a van het BBRA ‘84;

  • g. nieuwe toelage inconveniënten: de som van de volgende toelagen en vergoedingen, als bedoeld in het BBRA ’84:

  • h. oude ploegendiensttoeslag: de som van:

    • de ploegendiensttoeslag die de medewerker gemiddeld per maand heeft genoten over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011 op grond van de Regeling 2-ploegendienst RVV en de bijlage van 3 juli 2002, en

    • 2°. de toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17 van het BBRA ‘84 die de medewerker gemiddeld per maand heeft genoten over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011;

  • i. nieuwe ploegendiensttoeslag: de maandelijkse toelage voor onregelmatige dienst op grond van artikel 17, eerste en vierde lid, van het BBRA ’84;

  • j. medewerker: de medewerker van de NVWA die op grond van het ARAR in vaste dienst is aangesteld en die ofwel de oude toelage inconveniënten ofwel de oude ploegendiensttoeslag heeft genoten;

  • k. medewerker categorie 1: de medewerker die op 31 december 2011 55 jaar of ouder was;

  • l. medewerker categorie 2: de medewerker die op 31 december 2011 45 jaar of ouder was, maar nog geen 55 jaar;

  • m. medewerker categorie 3: de medewerker die op 31 december 2011 jonger was dan 45 jaar;

  • n. crisis: een situatie als bedoeld in de Vergoedingsregeling opschaling bij crises ;

  • o. salaris: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84;

  • p. oude salaris: het voor de medewerker op 31 december 2011 geldende salaris,

    • indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van het BBRA ’84, waarop de medewerker in de op 31 december 2011 voor hem geldende salarisschaal uitzicht heeft, een algemene (sectorale) salarisverhoging, een verhoging van het salaris op grond van artikel 8 van het BBRA ’84 en een periodieke toeslag op grond van artikel 22a van het BBRA ’84;

    • indien van toepassing vermeerderd met periodieke verhogingen van het salaris op grond van artikel 7 van het BBRA ’84, gevolgd op een bevordering van de medewerker op grond van artikel 5 van het BBRA ’84, voor zover daarmee het maximum van de op 31 december 2011 geldende salarisschaal niet wordt overschreden;

  • q. nieuwe salaris: het voor de medewerker geldende salaris op het moment van de maandelijkse berekening van de hoogte van de aflopende of aansluitende toelage;

  • r. salarisschaal: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84;

  • s. maximumsalaris: hetgeen daaronder wordt verstaan in het BBRA ‘84.

Artikel 2

  • 1 De medewerker heeft aanspraak op een aflopende toelage inconveniënten dan wel op een aflopende ploegendiensttoeslag met ingang van 1 januari 2012 tot en met uiterlijk 31 december 2021.

  • 2 De aanspraak op een aflopende toelage inconveniënten dan wel een aflopende ploegendiensttoeslag vervalt, indien de medewerker na 1 januari 2012:

  • 4 Indien de arbeidsduur van de medewerker wordt gewijzigd, wordt de aflopende toelage naar rato gewijzigd.

Artikel 3

  • 1 De aflopende toelage inconveniënten bestaat uit een percentage van het positieve verschil tussen het oude salaris, vermeerderd met de oude toelage inconveniënten, en het nieuwe salaris, vermeerderd met de nieuwe toelage inconveniënten, berekend over een kalendermaand.

  • 2 De aflopende ploegendiensttoeslag bestaat uit een percentage van het positieve verschil tussen het oude salaris, vermeerderd met de oude ploegendiensttoeslag, en het nieuwe salaris, vermeerderd met de nieuwe ploegendiensttoeslag, berekend over een kalendermaand.

  • 3 Het in het eerste en tweede lid bedoelde percentage bedraagt in het eerste, tweede, derde en vierde jaar 100%, het vijfde en zesde jaar 90% en het zevende, achtste, negende en tiende jaar 80%.

Artikel 4

  • 1 De medewerker categorie 1 of 2 heeft na afloop van de aflopende toelage, bedoeld in artikel 2, aanspraak op een aansluitende toelage gedurende zijn dienstverband bij de NVWA.

  • 3 De aansluitende toelage bedraagt 80% van het in het eerste en tweede lid van artikel 3 genoemde verschil.

Artikel 5

  • 1 De medewerker categorie 3 heeft onverlet de aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 2, aanspraak op een eenmalige uitkering.

  • 3 De medewerker categorie 3 behoudt aanspraak op de eenmalige uitkering bij een overplaatsing op zijn aanvraag met toepassing van artikel 57, eerste lid, of artikel 57b, van het ARAR naar een ander onderdeel van de sector Rijk dan de NVWA. Eveneens behoudt de medewerker categorie 3 aanspraak op de eenmalige uitkering in geval van eervol ontslag uit dienst van de NVWA dan wel diens rechtsopvolger(s). Geen aanspraak op de eenmalige uitkering bestaat indien de medewerker ter zake van die overplaatsing of dat eervol ontslag andere aanspraken heeft op grond van het vigerende sociaal flankerend beleid.

  • 4 De medewerker categorie 3, die met ingang van 1 januari 2012 is geplaatst op een functie, waarbij op termijn geen bevordering naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris is voorzien, ontvangt 50% van de eenmalige uitkering in juli 2012 en het restant uiterlijk op 31 december 2014.

  • 5 Voor de medewerker categorie 3, die met ingang van 1 januari 2012 is geplaatst op een functie waarbij een traject geldt, gericht op bevordering naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, wordt de hoogte van het uit te keren bedrag op 31 december 2014 berekend. Indien de medewerker categorie 3 voor die datum is bevorderd, worden de salarisverhogingen vanwege de bevordering in mindering gebracht op het af te kopen verschil. De medewerker categorie 3, die voor 31 december 2014 is bevorderd, ontvangt 50% van de eenmalige uitkering direct na de berekening op 31 december 2014 en het restant uiterlijk twee jaar later.

  • 6 Bij de medewerker, bedoeld in het vijfde lid, die niet op 31 december 2014 is bevorderd naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, maar nadien, vindt de berekening van het uit te keren bedrag plaats met ingang van de datum van het besluit tot bevordering. Direct daarna ontvangt deze medewerker 50% van de eenmalige uitkering, en het restant uiterlijk twee jaar nadien.

Artikel 6

  • 1 De eenmalige uitkering bedraagt voor de medewerker categorie 3, die een inconveniëntentoelage heeft genoten, 35% van het totaal aan inconveniëntentoelagen waarop deze deze medewerker op grond van de Inconveniëntenregeling AID 1995 in het kalenderjaar 2011 aanspraak heeft. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal hele kalenderjaren na het einde van de aanspraak op de aflopende toelage van de medewerker categorie 3, tot en met het kalenderjaar waarin deze medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt.

  • 2 De eenmalige uitkering bedraagt voor de medewerker categorie 3, die een ploegendiensttoeslag heeft genoten, 35% van twaalf keer de ploegendiensttoeslag die deze medewerker gemiddeld per maand heeft ontvangen over de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan 31 december 2011. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal hele kalenderjaren na het einde van de aanspraak op de aflopende toelage van de medewerker categorie 3, tot en met het kalenderjaar waarin deze medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt.

  • 3 Indien sprake is van het toekennen van een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, als bedoeld in artikel 5, vijfde en zesde lid, wordt het verschil tussen het voor de medewerker categorie 3 op 31 december 2011 geldende maximumsalaris van de salarisschaal na het toekennen, en het maximumsalaris van de salarisschaal voor het toekennen, op 50% van het totaal aan inconveniëntentoelage dan wel ploegendiensttoeslag, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, in mindering gebracht.

  • 4 De eenmalige uitkering bedraagt maximaal het voor de medewerker categorie 2 geldende oude salaris, vermenigvuldigd met twaalf en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.

Artikel 7

  • 1 De aflopende of aansluitende toelage wordt maandelijks betaald.

  • 2 Na afloop van een kalenderjaar stelt de inspecteur-generaal van de NVWA de definitieve aanspraak op de aflopende of aansluitende toelage van de medewerker in dat kalenderjaar vast.

  • 3 Het verschil tussen de definitieve aanspraak op de aflopende of aansluitende toelage en de in het kalenderjaar ontvangen aflopende of aansluitende toelage wordt aan de medewerker betaald, dan wel verrekend met zijn bezoldiging, als bedoeld in artikel 2, onder f, van het BBRA ’84.

Artikel 8

De minister kan, voor zover nodig in individuele gevallen waar de regeling naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet, in afwijking van deze regeling besluiten, indien bijzondere gevallen daartoe aanleiding geven.

Artikel 9

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van een door de minister te bepalen tijdstip.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling aflopende en aansluitende toelage NVWA.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 13 november 2016

De Minister van Economische Zaken,

H.G.J. Kamp

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

S.A. Blok