Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling [...] 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid)[Regeling vervalt per 01-11-2021.]

Geldend van 12-11-2016 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 4 november 2016, MINBUZA-2016.732089, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van mensenrechten die strekken tot het tegengaan van kinderarbeid gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1 Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend in twee openstellingen.

  • 2 Aanvragen voor subsidie voor due diligence projecten worden ingediend vanaf 30 januari 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00.

  • 3 Aanvragen voor subsidie voor multi stakeholder projecten worden ingediend vanaf 1 maart 2017 vanaf 09:00 tot en met 30 april 2017 tot 12:00.

  • 4 Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

  • 1 Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid geldt voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 oktober 2021 een subsidieplafond van € 950.000 voor due diligence projecten en een subsidieplafond van € 2.850.000 voor multi stakeholder projecten.

  • 2 Indien middelen resteren van één van de subsidieplafonds bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, kunnen deze worden ingezet voor de honorering van aanvragen die betrekking hebben op het andere deelplafond, indien deze aanvragen niet kunnen worden gehonoreerd wegens uitputting van het voor die aanvragen geldende deelplafond.

Artikel 4

In het geval dat er voor één van de soorten van projecten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, meer dan één aanvraag op een dag wordt ontvangen, bepaalt de Minister de volgorde van behandeling van deze aanvragen door middel van loting.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 november 2021, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

de plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

R.M. Buijs

Bijlage

1. Achtergrond

De betrokkenheid van Nederland bij het internationaal bestrijden van kinderarbeid heeft een lange geschiedenis. Nederland spant zich al jaren in voor normstelling op het gebied van kinderarbeid in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Nederland organiseerde in 1997 de eerste mondiale anti-kinderarbeid conferentie, die leidde tot de breed omarmde ILO-conventie nr. 182 over uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Deze conventie vormt samen met de ILO-conventie 138 over de minimum leeftijd voor arbeid nog steeds het normatieve kader tegen kinderarbeid. Nederland blijft zich inspannen voor verdere ratificatie en vooral betere naleving van deze verdragen. Een belangrijk moment hiervoor was de tweede mondiale anti-kinderarbeid conferentie in 2010 in Den Haag. Tijdens die conferentie werd een ‘Roadmap’ aangenomen die ervoor moest zorgen dat de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 zouden zijn uitgebannen.2 Er zijn echter wereldwijd nog steeds 168 miljoen kinderen aan het werk. In de nieuwe VN-ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is daarom afgesproken om kinderarbeid uiterlijk in 2025 uit te bannen.

Van kinderarbeid3 is sprake wanneer kinderen te jong zijn, het werk te zwaar is, het onderwijs in de weg staat of het ronduit gevaarlijk werk is dat hun lichamelijke en/of geestelijke gezondheid bedreigt. Niet alleen de kinderen zelf wordt hiermee hun toekomst en een beter leven ontnomen, ook de ontwikkeling van de maatschappij waarin ze leven wordt gehinderd door bijvoorbeeld slecht geschoolde volwassenen. Kinderarbeid is niet alleen een gevolg van armoede, het veroorzaakt juist ook armoede. Kinderarbeid vindt met name plaats in opkomende markten en ontwikkelingslanden waar overheden tekortschieten in het beschermen van rechten en waarin bedrijven hooguit een deel van de oplossing van een probleem kunnen bieden. Het onderstaande overzicht geeft enig inzicht in het vóórkomen van kinderarbeid in de wereld.

Bijlage 257865.png

Bron: https://maplecroft.com/media/updatable/news/child_labour_index_map_2014.jpg

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen4 naleven, en zodoende niet door hun eigen activiteiten mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid in hun internationale productieketens veroorzaken of eraan bijdragen en deze waar ze vóórkomen aanpakken5. Waar ze er niet aan bijdragen, wordt van de bedrijven verwacht dat ze manieren zoeken om mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid te voorkómen en de effecten te mitigeren als het direct verbonden is met hun operaties, producten en diensten door een zakelijke relatie.6 Van bedrijven wordt verwacht dat ze hiertoe een due diligence proces uitvoeren.7

Twee jaar geleden kondigde het kabinet aan te streven naar het afsluiten van convenanten op het gebied van internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) met het Nederlands bedrijfsleven en haar stakeholders. Er is een MVO Sectorrisicoanalyse uitgevoerd8 met als doel om internationaal MVO en het toepassen van daarop gerichte due diligence bij bedrijven te bevorderen. Naar aanleiding van de resultaten werkt het bedrijfsleven inmiddels meer en meer samen met betrokken partijen om tot verbeteringen op IMVO-gebied te komen. Het eerste convenant dat is gesloten is dat van de kleding- en textielsector (getekend op 4 juli 2016). In alle IMVO-convenanten die worden gesloten in de sectoren waar kinderarbeid als één van de grotere risico’s is geïdentificeerd, moeten de betrokken bedrijven duidelijk maken hoe ze met deze risico’s omgaan. De verantwoordelijkheid om hier overtuigend invulling aan te geven ligt bij het bedrijfsleven.

Naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer op de begrotingswet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 november 2015, heeft de begrotingswetgever middelen ter beschikking gesteld om multi stakeholder initiatieven tegen kinderarbeid van bedrijven, overheden en andere organisaties te stimuleren. Deze middelen benut de minister voor het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid. De minister wil door middel van dit subsidieprogramma (Nederlandse) bedrijven aansporen creatief na te denken over mogelijkheden om kinderarbeid uit de productieketens te bannen. Waarbij het belangrijk is dat bedrijven in dezelfde sector samenwerken. Als bedrijven bijvoorbeeld kunnen laten zien wat zij doen om te zorgen dat hun producten vrij van kinderarbeid zijn, dan kunnen consumenten beter geïnformeerde keuzes maken over hun aankopen. De verbetering van reputaties van Nederlandse bedrijven is daarbij een belangrijk effect, maar is niet de primaire doelstelling van dit subsidieprogramma. Dit subsidieprogramma beoogt bij te dragen aan het daadwerkelijk bestrijden van kinderarbeid en de inzet van de daadwerkelijke invloed die Nederlandse bedrijven daarop kunnen hebben in een multi-stakeholder samenwerking.

2. Doel en aanpak

Dit subsidieprogramma heeft tot doel bij te dragen aan het uitbannen van alle kinderarbeid (volgens de ILO-norm) voor 2025. Dit is het einddoel waar Nederland zich aan heeft verbonden op basis van target 8.7 van de ‘Sustainable Development Goals’.9 Met het oog daarop worden de volgende subdoelen nagestreefd:

  • a. Het Nederlandse bedrijfsleven neemt een actieve rol in het uitbannen van kinderarbeid.

    Vooralsnog worden veel initiatieven met name door NGO’s uitgevoerd en nog minder door het bedrijfsleven zelf. Dit subsidieprogramma beoogt een veel actievere rol van het bedrijfsleven. Bedrijven zullen meer inzicht verkrijgen in hun positie in de keten, in welke mogelijkheden, en eventueel verplichtingen, zij hebben bij het aanpakken van kinderarbeid in hun keten, alsmede inzicht in de mogelijke economische gevolgen voor hun bedrijfsvoering en businesscase die moeten worden gemitigeerd. Doordat het subsidieprogramma ook zal bijdragen aan het verspreiden van kennis en mogelijke handelingsperspectieven voor bedrijven, zullen (andere) bedrijven eerder weten wat ze kunnen doen.

  • b. Het uitbannen van kinderarbeid vindt plaats waar nodig in de keten en met de juiste samenwerkingspartners.

    Maatregelen tegen kinderarbeid zijn veelal nodig in het bedrijf zelf, in de samenwerking tussen bedrijven en andere stakeholders en op de geografische locaties waar kinderarbeid plaatsvindt. NGO’s en bedrijven kunnen zo leren beter ‘elkaars taal’ begrijpen.

  • c. Hefboom voor andere onderwerpen in de keten.

    Kinderarbeid heeft als voordeel boven andere mensenrechten-issues dat er grote overeenstemming is dat dit niet zou mogen voortbestaan. Kinderarbeid is tegelijk zo nauw verweven met andere issues, dat de aanpak ervan als een hefboom of een ingang kan werken om ook gerelateerde issues aan te pakken (bijvoorbeeld leefbaar loon of vrijheid van vakvereniging), die minder worden erkend.

De volgende elementen zijn belangrijk bij het bestrijden van kinderarbeid:

Due diligence Identificeren wat de mogelijke en werkelijke impact van het Nederlandse bedrijf op kinderarbeid is:

In de keten, weten waar het product, halffabricaten en grondstoffen vandaan komen, waar mogelijk kinderarbeid plaatsvindt en weten wat de eigen positie is (zijn er kinderen in dienst bij het bedrijf, draagt het bedrijf eraan bij of is er een link).

Integreren in het bedrijf en actie nemen

Bedrijfsprocessen onder de loep nemen/verbeteren. Investeren in kennis en capaciteit op kinderarbeid, kijken naar prijsbeleid, productieontwikkeling, commitment CEO, grievance mechanisme, beloningssysteem. En maatregelen nemen om kinderarbeid te voorkomen.

Monitoren

Nagaan of wel de juiste maatregelen worden genomen, of ze effectief zijn. Audits kunnen hierbij behulpzaam zijn, maar werkt maar beperkt voor kinderarbeid. Ontwikkelen van een goede lokale stakeholder dialoog kan hierbij behulpzaam zijn.

Communiceren

Transparantie is van belang, met name transparantie naar stakeholders toe. Het bedrijf legt verantwoording af over zijn aanpak.

Geïntegreerde en integrale benadering Niet alleen een deel van het probleem aanpakken, maar integraal.

Zowel trainingen, als bewustmaken van leveranciers, ouders, community, en een alternatief bieden, maar ook kijken naar leefbaar loon, vrijheid van vakvereniging, samenhang met genderverschillen en goede scholing en kinderopvang.

Maatwerk: identificatie van de ‘root causes’

Aanpak van kinderarbeid dient fundamenteel te zijn, gericht op de grondoorzaken, anders wordt het probleem namelijk slechts verplaatst en komt het kind zo mogelijk in een slechtere situatie (bijvoorbeeld bedelen op straat of prostitutie). Mede daarom is het bestrijden van kinderarbeid via certificering van producten niet voldoende gebleken.

Preventie

Via aanpak van de oorzaken: voorbeelden zijn bewustzijn creëren, sociale vangnetten, goede en toegankelijke scholing, armoedebestrijding.

Gebiedsgerichte aanpak

Maakt het mogelijk alle stakeholders te betrekken en het probleem niet te verschuiven van de ene naar de andere sector.

Samenwerking en dialoog met stakeholders

Tussen certificeerders, sectorpartners (ook concurrenten), met NGO’s en vakbonden. Dialoog met de mensen wie het aangaat (ouders en kinderen).

Dus ook: samenwerking met leveranciers

Door langdurige relaties en duidelijke communicatie van verwachtingen (ook over wat kinderarbeid is).

En: betrek de lokale overheid

Ook voor onderwijs, handhaving lokale wetgeving. Bedrijven kunnen invloed uitoefenen op de lokale overheid.

3. Waarom meer inzet van bedrijven tegen kinderarbeid?

Kinderarbeid voorkómen is één van de onderwerpen die veel bedrijven in hun beleid en principes hebben opgenomen. Het belang hiervan is redelijk onomstreden. Er lijkt echter wel sprake van ‘koudwatervrees’ bij bedrijven om kennis over kinderarbeid in hun productketen op te doen: mogelijk in verband met de reputatie van het bedrijf, de onzekerheid wat de gevolgen zijn voor de ‘businesscase’ als kinderarbeid in de keten blijkt voor te komen en de angst in een langdurig, onoverzichtelijk en vooral duur traject te komen waar geen regie meer mogelijk is. Belangrijk is dus dat bedrijven meer kennis kunnen binnenhalen over wat ze kunnen doen. Want bij de bestrijding van kinderarbeid wordt de actieve betrokkenheid van (internationale) bedrijven gemist. Internationale bedrijven hebben bijvoorbeeld meer invloed op ketenpartners en de lokale overheid dan maatschappelijke organisaties.

Bedrijven zijn dus hard nodig zijn om verschil te kunnen gaan maken. Bovendien is het goed voor de bedrijven zelf als zij zich actief inzetten voor de bestrijding van kinderarbeid. Argumenten die gebruikt worden om de businesscase te maken:

  • Beter risicomanagement: betrokkenheid bij kinderarbeid kan leiden tot enorme publieke verontwaardiging, campagnes en kan de reputatie van een bedrijf flink beschadigen;

  • Impact op de markt: kinderarbeid staat de economische ontwikkeling van een land in de weg en daarmee de koopkracht van consumenten;

  • Verbeterde zakelijke kansen: klanten vinden het steeds belangrijker dat een bedrijf goed met mensenrechten omgaat, zo ook de overheid als grote klant;

  • Positieve erkenning: investeerders zijn steeds meer bezorgd om mensenrechten en zijn bereid om de inspanningen van een bedrijf om deze issues aan te pakken, te erkennen;

  • Groeiende eisen ten aanzien van transparantie: nationale en Europese wetgeving en beurzen leggen steeds hogere eisen op aan bedrijven ten aanzien van het duidelijk maken hoe ze met mensenrechten omgaan.

4. Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • Grote onderneming: onderneming niet zijnde een MKB-onderneming.

  • Kinderarbeid: de definitie zoals gehanteerd door de International Labour Organization.10

  • Lokale onderneming: onderneming met een buitenlandse handelsregistratie die onderdeel is van de keten.

  • minister: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

  • MKB-onderneming: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.11

  • Niet-gouvernementele organisatie (NGO): een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht in het land waar de NGO statutair gevestigd is. Deze partij is ook als zodanig geregistreerd.

  • Onderneming (bedrijf): een onderneming is een entiteit die economische activiteiten uitvoert, ongeacht de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen of diensten op een economische markt. Ook entiteiten die economische activiteiten uitvoeren op ‘not for profit en not for loss’ basis kunnen kwalificeren als onderneming.

  • Overheid: geheel van centrale en decentrale overheidspartijen (Rijk, provincie, gemeente, of lokale variant daarop). Ook semi-overheidspartijen kunnen als ‘overheid’ deelnemen aan een samenwerkingsverband; het gaat daarbij om instanties die wettelijke taken uitvoeren of het publieke belang dienen en 100% gefinancierd worden uit publieke middelen.

  • Penvoerder: de partner in een samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt en een onderneming is met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht en ook statutair in Nederland is gevestigd. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens de Minister voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Samenwerkingsverband voor due diligence projecten: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer ondernemingen met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht welke ook statutair in Nederland zijn gevestigd, actief in de keten zijnde. Indien er sprake is van een grote onderneming, dient er minimaal nog één MKB-onderneming deel uit te maken van het samenwerkingsverband. NGO’s maken geen deel uit van het samenwerkingsverband, maar kunnen wel worden ingehuurd voor hun expertise. In geval van een samenwerkingsverband wordt de aanvraag namens het samenwerkingsverband door een penvoerder ingediend.

  • Samenwerkingsverband voor multi stakeholder projecten: een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband, bestaande uit minimaal één onderneming met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht welke ook statutair in Nederland is gevestigd, één lokale onderneming en één NGO. De betrokken ondernemingen maken deel uit van dezelfde keten. Indien het deel uitmaken van het samenwerkingsverband van een lokale onderneming op het moment van de aanvraag nog niet mogelijk is, zal moeten worden aangetoond hoe een lokale onderneming betrokken zal worden. In geval van een samenwerkingsverband wordt de aanvraag namens het samenwerkingsverband door een penvoerder ingediend.

5. Uitvoerder

De minister heeft de uitvoering van deze beleidsregels opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO.nl zal deze beleidsregels uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.

6. Due diligence projecten

Inleiding

Geen bedrijf wil kinderarbeid in zijn productieketens. In de praktijk weten bedrijven echter te weinig van de problematiek in hun eigen keten verder dan de ‘eerste schakel’ (‘first tier’). In het verlengde daarvan geven ze kinderarbeid te weinig prioriteit en is de interne kennis van en capaciteit voor de aanpak van deze problematiek laag. Ook is er een risico dat interne managementprocessen ongewild aan kinderarbeid bijdragen.

Doelgroep

De minister kan op aanvraag van een onderneming:

  • met rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht welke ook statutair in Nederland is gevestigd en actief in de keten, niet zijnde een NGO’, of

  • penvoerder van een samenwerkingsverband van due diligence projecten zijnde eenmalig subsidie verlenen ten behoeve van een due diligence project.

Inhoud project

Om tot een due diligence project te komen moet er vanuit de initiatiefnemers expliciete commitment zijn om het verbod op kinderarbeid te respecteren. Met een due diligence project wordt bedoeld het identificeren van kinderarbeid met behulp van de juiste stakeholders en het vervolgens in kaart brengen hoe deze kinderarbeid te bestrijden en hoe daarover verantwoording af te leggen.

Het project bestaat uit de activiteiten zoals opgenomen in annex 1 bij deze bijlage.

Het is de bedoeling dat de activiteiten leiden tot de volgende resultaten:

  • De betrokken bedrijven voeren een due diligence proces (keten-, impact- en risico assessment, integratie, monitoring, communicatie) uit in het eigen bedrijf en de keten.

  • De betrokken bedrijven zijn daarbij zichtbaar gericht op het integreren van de benodigde maatregelen in hun bedrijfsprocessen (integratie) en het onderzoeken van de gehele keten, dus voorbij ‘de eerste tier (schakel)’.

En uiteindelijk dat (zie ook annex 2):

  • de betrokken bedrijven hun invloed in de keten gebruiken om hun zakenpartners de benodigde maatregelen tegen kinderarbeid te laten nemen.

  • de betrokken bedrijven en hun zakenpartners in de keten zich meer bewust zijn van het waar, waarom en of kinderarbeid het voorkomt.

  • de betrokken bedrijven en hun zakenpartners begrijpen welke (interne en externe) maatregelen zij moeten en kunnen nemen om kinderarbeid terug te dringen.

  • het bestrijden van kinderarbeid onderdeel van de bedrijfsprocessen van de betrokken bedrijven is geworden, met name richting alle actoren in de keten.

  • er een leereffect is voor het (betrokken) bedrijfsleven over de positieve bijdrage van due diligence en handelingsperspectief met betrekking tot hun bijdrage aan het bestrijden van kinderarbeid voorbij de ‘eerste schakel’.

Aan het einde van het project dient er een eindrapport conform het model dat beschikbaar wordt gesteld door RVO.nl via www.rvo.nl/fbk opgeleverd te worden alsmede een plan van aanpak voor de vervolgstappen van bestrijding van kinderarbeid in de keten.

Duur project

Het project in het kader van dit subsidieprogramma mag maximaal 1 jaar duren. Het project kan deel uit maken van een groter project, maar subsidiabel voor het subsidieprogramma zijn slechts de projectkosten gemaakt na indiening van de aanvraag.

Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per project maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:

  • € 25.000 voor een grote onderneming,

  • € 50.000 voor een MKB onderneming,

  • € 100.000 voor een samenwerkingsverband voor due diligence projecten

Zie voor ‘subsidiabele kosten’ hoofdstuk 8.

7. Multi stakeholder projecten

Inleiding

Kinderarbeid bestrijden is zeer complex. Haal je het weg op één plek, dan verschijnt het op een andere, als je de achterliggende oorzaken (‘root causes’) niet aanpakt. Daarom is een aanpak op lokaal niveau en samenwerking tussen verschillende stakeholders vaak extreem belangrijk. Want de maatregelen die bedrijven nemen, zoals monitoring, zijn op zichzelf staand niet voldoende om de oorzaken aan te pakken. Bedrijven hebben hier bovendien over het algemeen geen kennis en expertise voor in huis. NGO’s en overheden hebben hier meer ervaring in. Door ieder vanuit de eigen rol, verantwoordelijkheid en deskundigheid samen te laten werken, kan kinderarbeid worden bestreden.

Doelgroep

De minister kan op aanvraag van een penvoerder van een samenwerkingsverband voor multi stakeholder projecten eenmalig subsidie verlenen ten behoeve van een multi stakeholder project.

Inhoud project

Voordat er een gericht multi stakeholder project op locatie kan worden uitgevoerd moeten de betrokken bedrijven onderzoek doen en hun bedrijfsprocessen voor wat betreft kinderarbeid hebben doorlopen (bijvoorbeeld door het uitvoeren van een due diligence project). Daaruit blijkt namelijk wat de aard van de relatie tot kinderarbeid is. Mocht daaruit blijken dat bedrijven of andere organisaties kinderarbeid veroorzaken of eraan bijdragen, dan volgt er een verplicht proces om kinderen uit het arbeidsproces te halen (moeten). Wanneer blijkt dat bedrijven of organisaties aan kinderarbeid zijn ‘gelinkt’, dan is bijdragen aan dit proces uit vrije wil (mogen).

Het project bestaat uit de volgende activiteiten:

  • Indien nodig, aanvullend onderzoek naar oorzaken van kinderarbeid (‘root causes’) op de gekozen geografische locatie(s).

  • Een plan van partners om kinderarbeid lokaal te bestrijden op de gekozen locatie(s) en in de keten samen met lokale partners.

  • Het komen tot een samenwerkingsovereenkomst met de verschillende stakeholders.

  • De benodigde uitvoeringsactiviteiten zoals training, scholing, lobby.

Het is de bedoeling dat de activiteiten ertoe leiden dat (zie ook annex 2):

  • de betrokken bedrijven hun ‘leverage’ (invloed) gebruiken om kinderarbeid lokaal te bestrijden.

  • de betrokken bedrijven, NGO’s en overheden lokaal (gaan) samenwerken om kinderarbeid te bestrijden.

  • binnen het geselecteerde gebied maatregelen zijn genomen die kinderarbeid voorkomen en bestrijden door de geïdentificeerde oorzaken aan te pakken.

Aan het einde van het project dient er een definitief plan van aanpak te zijn waarbij wordt aangegeven hoe een volgende fase van het project wordt ingegaan, welke financiering daarvoor voorhanden is en welke partners zich daaraan committeren (Letter of Intent).

Duur project

Het project in het kader van dit subsidieprogramma mag maximaal 2 jaar duren. Het project kan deel uit maken van een groter project, maar subsidiabel voor het subsidieprogramma zijn slechts de projectkosten gemaakt na indiening van de aanvraag.

Omvang van de subsidie

De subsidie bedraagt per project maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 475.000.

8. Subsidiabele kosten

Voor de projectkosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

  • voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor het project wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten die niet direct zijn gerelateerd aan het project wordt geen subsidie verleend;

  • voor kosten voor projectmanagement, zijnde enkel de projectcoördinatie, geldt een maximum van 10% van het totaal aantal opgevoerde dagen onder tijdsbesteding in Nederland en het buitenland;

  • voor de inhuur van medewerkers, bijvoorbeeld ZZP-ers, wordt een maximum uurtarief van € 87,50 euro gehanteerd;

  • de interne kosten van de aanvrager of partner worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;

  • kosten in landen buiten Europa worden aan lokale maatstaven getoetst.

De subsidiabele kosten betreffen uitsluitend kosten gemaakt na indiening van de aanvraag en het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken medewerkers in loondienst bij de aanvrager en/of partner ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met maximaal een vast uurtarief van € 87,50 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen. Deze kosten kunnen worden vermeerderd met:

  • a. De kosten van het gebruik van hardware, gebouwen en/of software. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:

    • Hardware (machines, installaties): 5 jaar

    • Gebouwen (indien gericht op activiteiten voor bijeenkomsten, kennisoverdracht en/of scholing: 30 jaar

    • Software: 3 jaar

    De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten is de aanschafprijs van het product, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met eventuele aanpassingskosten.

  • b. Reiskosten: internationale reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class;

  • c. Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen maal de logies- en overige kosten conform de Daily Subsistence Allowance Rates (DSA-lijsten) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, geldend op de startdatum van het project: Bijlage I behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Reisregeling buitenland.

In aanvulling op de hierboven genoemde reis- en verblijfskosten kunnen ook extra reis- en verblijfkosten vanwege de risico’s, verzekering en negatief reisadvies subsidiabel zijn, mits goed onderbouwd in de aanvraag. In afwijking op het hierboven genoemde vaste uurtarief wordt het uurtarief voor personeel van de aanvrager en/of partners in het land buiten Europa naar lokale maatstaven vastgesteld tot maximaal dit vaste uurtarief.

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

  • Kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;

  • Financieringskosten en rentevergoedingen;

  • Omzetbelasting;

  • Kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;

  • Kosten gerelateerd aan promotionele of verkoopactiviteiten of promotiemateriaal;

  • Algemene vertaalkosten;

  • Kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom.

9. Aanvraag

Er kan pas een aanvraag voor subsidie in het kader van dit subsidieprogramma gedaan worden nadat er een adviestraject heeft plaatsgevonden aan de hand van een daartoe ingediende concept-note/quick scan. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/fbk.

Als het adviestraject is afgerond en een advies van RVO.nl op de concept-note/quick scan is ontvangen kan er overgegaan worden tot het indienen van een aanvraag. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/fbk beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen. Het gaat in ieder geval om een verklaring van ontvangst van het RVO.nl-advies op de concept note/quick scan en de volgende bijlagen:

  • Partner formulieren (bij due diligence projecten indien van toepassing)

  • Projectplan dat inzichtelijk maakt:

    • a. Waar men over 5 jaar staat

    • b. Hoe de fases waaruit het project is opgebouwd eruit zien

    • c. De (gehele) financiering, inclusief onderbouwing van de financiering van het eigen aandeel

  • Projectbegroting

In geval van een samenwerkingsverband dient bij de aanvraag een schriftelijke en door alle partners ondertekende samenwerkingsovereenkomst gevoegd te worden die de medewerking van de partners aan de uitvoering van het project en de naleving van de gemaakte afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden verplichtingen jegens de minister. Hiervoor wordt een door RVO.nl beschikbaar gesteld format gebruikt.

De aanvrager en/of partners dienen te verklaren dat zij op de hoogte zijn en zullen handelen naar de OESO richtlijnen (www.oesorichtlijnen.nl), de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk (www.ilo.org), de VN-Conventie inzake Biologische Diversiteit12 en niet staan op de FMO Uitsluitingslijst (www.fmo.nl/exclusion-list).

10. Beoordeling en verdeling van de beschikbare middelen

Voor subsidieverlening in het kader van dit subsidieprogramma geldt een subsidieplafond van € 950.000 voor due diligence projecten en een subsidieplafond van € 2.850.000 voor multi stakeholder projecten.

De aanvragen voor een subsidie ten laste van beide deelplafonds worden behandeld in volgorde van ontvangst van de aanvragen. In het geval dat er voor één van de projectsoorten meer dan één aanvraag op een dag wordt ontvangen, bepaalt de Minister de volgorde van behandeling van deze aanvragen door middel van loting.

Bij de verdeling van de beschikbare middelen wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal sectoren. Ten aanzien van deze sectoren geldt per projectsoort het volgende: voor de sectoren bouw, chemie, detailhandel, elektronica, energie, financiële sector, groothandel, hout & papier, metaal, olie en gas, toerisme en scheepsbouw komt per sector maximaal 1 aanvraag voor subsidie in aanmerking en voor de sectoren land- en tuinbouw, textiel & kleding en voedingsmiddelen komen per sector maximaal 2 aanvragen voor subsidie in aanmerking. De aanvraag dient duidelijk aan te geven op welke sector hij betrekking heeft.

RVO.nl kan bij de beoordeling extern advies inwinnen.

10.1. Beoordeling due diligence projecten

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag, behalve aan de vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels, te voldoen aan alle volgende elementen:

  • a. De doelstelling is het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid.

  • b. Er wordt samengewerkt met relevante experts en organisaties.

  • c. Alle elementen van due diligence komen in het project terug (keten-, impact- en risico assessment, integratie, monitoring, communicatie). Er moet hierbij nadrukkelijk sprake zijn van gerichtheid op embedding in de eigen organisatie van de bedrijven (integratie) en op het onderzoeken van de keten zo ver als nodig voorbij ‘de eerste tier’ Ook de economische consequenties van het project voor de eigen organisatiemoeten inzichtelijk gemaakt worden (feasibility).

  • d. MVO en iMVO-beleid bij stakeholders.

Financieel plan

  • e. Het projectbudget staat in goede verhouding tot de beschreven aard, omvang en resultaten van het voorstel.

  • f. In geval van meerdere partners: er bestaat een evenredige verhouding tussen de omvang van de eigen bijdrage aan het project per partner en de verdeling van het gevraagde subsidiebedrag over de partners.

Impact

  • g. De projectresultaten worden zo breed mogelijk verspreid (disseminatie) en dragen daarmee bij aan het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid in de sector en in het algemeen.

  • h. Er is een beschrijving waar men over 3 jaar staat en dit is voldoende aannemelijk (de financiering, betrokkenheid stakeholders, te mitigeren risico’s, aanpak ‘root causes’).

10.2. Beoordeling multi stakeholder projecten

Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag, behalve aan de vereisten zoals vermeld in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels, te voldoen aan alle volgende elementen:

  • a. De doelstelling is het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid.

  • b. Er is bewijs geleverd van onderzoek naar de identificatie kinderarbeid op de gekozen geografische locatie(s).

  • c. Duidelijke omschrijving van de (tussen)resultaten en activiteiten, realistisch in tijd en plaats, waarbij wordt beschreven welke stakeholder wat doet/gaat doen om uitvoering aan het plan van aanpak te geven.

  • d. Een realistische risicoanalyse en omschrijving hoe de genoemde risico’s worden ondervangen.

  • e. MVO en iMVO beleid bij stakeholders;

Financieel plan

  • f. Het projectbudget staat in goede verhouding tot de beschreven aard, omvang en resultaten van het voorstel.

  • g. Er bestaat een evenredige verhouding tussen de omvang van de eigen bijdrage aan het project per partner en de verdeling van het gevraagde subsidiebedrag over de partners.

Impact

  • h. De projectresultaten worden zo breed mogelijk verspreid (disseminatie) en dragen daarmee bij aan het bestrijden en voorkomen van kinderarbeid op locatie, in de sector en in het algemeen.

  • i. Er is een beschrijving van hoe de samenwerking na afloop van de voorgestelde looptijd wordt voortgezet en waar men over 5 jaar staat en dit is voldoende aannemelijk (de financiering, betrokkenheid stakeholders, te mitigeren risico’s, aanpak ‘root causes’).

11. Afwijzingsgronden

Een aanvraag wordt afgewezen als niet wordt voldaan aan het bepaalde in deze beleidsregels.

Daarnaast wordt een aanvraag afgewezen als er sprake is van een of meer van de volgende situaties:

  • Het project is alleen gericht op certificering.

  • Uit de projectbegroting blijkt dat het betrokken bedrijf weinig tot geen kosten, anders dan kosten voor penvoerderschap, gaat maken.

  • Het project is niet in overeenstemming met de OESO richtlijnen, de ILO-verklaring betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk, de VN-Conventie inzake Biologische Diversiteit en de FMO Uitsluitingslijst.

  • Het project is louter gericht op het oprichten van een platform/overlegstructuur.

En een aanvraag wordt ook afgewezen als de aanvrager of in geval van een samenwerkingsverband één of meer partners in het samenwerkingsverband:

  • Failliet is of zich in staat van liquidatie bevindt, voor wiens bedrijf een curator is aangesteld, wiens economische activiteiten zijn opgeschort of zich in een vergelijkbare procedure bevindt onder nationale wetgeving en verordeningen.

  • Voorwerp is van een procedure waarin zijn faillissement is aangevraagd, surséance van betaling is aangevraagd, of zich in een vergelijkbare positie bevindt onder nationale wetgeving en verordeningen.

  • Onherroepelijk is veroordeeld voor een delict dat zijn zakelijk handelen betreft.

  • Zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig zakelijk wangedrag of wanbeheer.

  • Zich met het oog op de aanvraag schuldig heeft gemaakt aan het geven van een onjuiste voorstelling van zaken of bedrog.

  • Veroordeeld is of vervolgd wordt voor criminele activiteiten, inclusief schending van internationaal geaccepteerde mensenrechten of onder sterke verdenking staat van directe of indirecte betrokkenheid bij zulke activiteiten.

12. Toezicht

RVO.nl zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

De subsidieontvanger heeft de plicht om aan RVO.nl te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) kan uitvoeren.

13. Verplichting

In de subsidiebeschikking zal de verplichting worden opgenomen dat meegewerkt zal moeten worden aan monitoring en effectmeting van RVO.nl aangaande het project.

14. Administratieve lasten

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,8% bedraagt.

Annex 1. – de 4 due diligence stappen

1. Identificeren van mogelijke en werkelijke risico’s: van reactief naar proactief

Uitvoering van Due Dilligence zoals gesteld in de OESO-richtlijnen en de UNGP kunnen leiden tot een vermindering van kinderarbeid. Bedrijven moeten dus niet meer alleen reageren op misstanden die extern op ze afkomen, ze moeten deze pro-actief in kaart brengen.

Wat betekent dit in kaart brengen? Dat betekent dat ze nagaan wat de aard en omvang is van de werkelijke en mogelijke impact op mensen of de natuur. Niet alleen van hun eigen activiteiten, maar ook van de activiteiten van hun zakelijke relaties. Het doel is om de impact te begrijpen in een specifieke context. Alleen algemene risico’s identificeren is dus niet voldoende. Ook is belangrijk dat het niet zozeer gaat om de risico’s voor het bedrijf, maar om de risico’s voor mensen, inclusief kinderen. Dat kan soms afwijken van bestaande processen om risico’s te identificeren of milieu en sociale effect studies te doen.

Indicatoren:
  • Breng de keten in kaart

  • Hou rekening met de risico’s voor mensen

  • Bevraag relevante stakeholders, vooral ook de mensen waar het werkelijk om gaat, dus ook in ontwikkelingslanden

  • Stel prioriteiten waar de mogelijke negatieve impact het grootst is (bv. welk deel van de keten, welk land of leverancier)

  • Weet wat er lokaal speelt en doe hier onderzoek naar

  • Doe dit regelmatig en steeds voordat:

    • een nieuwe activiteit begint of

    • een nieuwe relatie wordt aangegaan of

    • belangrijke beslissingen worden genomen of

    • belangrijke veranderingen in de activiteiten starten

2. Integratie in het bedrijf en het nemen van maatregelen: doe wat je zegt dat je doet

Kijk welke maatregelen nodig zijn om de risico’s effectief op te heffen, te verminderen en terug te dringen. Voorbeelden van maatregelen:

  • Training over mensenrechten voor werknemers en leveranciers

  • Aanpassen werknemers waarderingssystemen

  • Aanpassen bonussystemen

  • Aanpassen controle-mechanismes

  • Aanpassen klachten-mechanismes

  • Samenwerking met leveranciers

  • Samenwerking zoeken met andere bedrijven in de sector

Indicatoren:
  • Stel iemand aan met verantwoordelijkheid voor mensenrechten (incl. kinderarbeid)

  • Zorg voor leiderschap aan de top

  • Training van alle relevante mensen om het onderdeel van de bedrijfscultuur te maken

  • Ontwikkelen van waarderingssysteem

3. Monitoren

Hoe kan een bedrijf weten of de risico’s zijn teruggedrongen of maatregelen effectief zijn geweest en leiden tot verbeteringen?

Indicatoren:
  • Maak het meten van de effecten van de aanpak van kinderarbeid onderdeel van interne rapportages en bestaande middelen (bijvoorbeeld surveys en audits)

  • Gebruik klachten-mechanismes als feedback (een effectief en cultuur-sensitief klachtenmechanisme is cruciaal)

  • Ontwikkel kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s), bijvoorbeeld hoeveel mensen zijn er getraind of hebben hun targets op mensenrechten gehaald? Hoeveel leveranciers hebben meegedaan met een training?

  • Kijk ook naar kwalitatieve indicatoren (bijvoorbeeld wat is de feedback van (lokale) stakeholders)

  • Monitor leveranciers en andere relaties regelmatig (self-assessments werken slecht voor kinderarbeid)

4. Communicatie: know and show

Van bedrijven wordt verwacht dat ze weten hoe zij mensenrechten, zoals het verbod op kinderarbeid, respecteren en dat ze dit laten zien. Dit betekent communicatie, transparantie en verantwoording afleggen aan relevante stakeholders.

Indicatoren:
  • Formele rapportage waar risico’s op ernstige mensenrechtenschendingen bestaan, hier valt kinderarbeid onder.

  • Onafhankelijke verificatie van mensenrechten rapportage

  • Rapporteren over de risico’s en de maatregelen die het bedrijf heeft genomen

Annex 2. – de resultatenketen

Bijlage 257866.png
  • ^ [1]

    www.rvo.nl/fbk

  • ^ [2]

    http://www.ilo.org/ipecinfo/product/download.do?type=document&id=13453.

  • ^ [3]

    De ILO-definiëring wordt gebruikt, http://www.ilo.org/ipec/facts/ILOconventionsonchildlabour/lang--en/index.htm en http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ILO_CODE:C138

  • ^ [4]

    http://www.oesorichtlijnen.nl

  • ^ [5]

    OESO-richtlijnen – V. Werkgelegenheid en arbeidsverhoudingen

  • ^ [6]

    OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikelen 11 en 12

  • ^ [7]

    OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikel 10 van OESO

  • ^ [8]

    Kamerstukken II 2014/15, 26 485, nr. 197, 19 november 2014

  • ^ [9]

    www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2015/09/28/duurzame-ontwikkelingsdoelen-2030-luiden-nieuwe-fase-in

  • ^ [10]

    http://www.ilo.org/ipec/facts/lang--en/index.htm

  • ^ [11]

    Pb. 2003, L 124

  • ^ [12]

    https://treaties.un.org/doc/Treaties/1992/06/19920605%2008-44%20PM/Ch_XXVII_08p.pdf en www.cbd.int/convention/text/default.shtml?lg=0