Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit natuurbescherming

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Besluit van 11 oktober 2016, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming (Besluit natuurbescherming)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2016, nr. WJZ / 16088978;

Gelet op de artikelen 1, 4 en 5 van de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming, de Tweede Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot de bescherming van de vogelstand M(76)15, de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten M(83)17 en de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot de jacht en vogelbescherming M(96)8;

Gelet op de artikelen 1.3, vijfde lid, onderdelen a en b, 1.13, eerste en derde lid, 2.9, vijfde lid, 3.3, vijfde lid, onderdeel a, 3.4, 3.15, eerste lid, 3.20, vierde lid, 3.21, eerste lid, onderdeel c, en onderdeel d, vierde en vijfde lid, 3.23, derde lid, 3.24, tweede en vierde lid, 3.26, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, 3.28, vierde en zevende lid, 3.29, eerste lid, 3.30, tweede lid in samenhang met artikel 3.28, vierde en zevende lid, en vierde en negende lid, 3.36, onderdeel e, 3.38, eerste lid, 5.5, eerste lid, 7.6, derde lid, en 8.6 van de Wet natuurbescherming;

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, 3, eerste lid, van de Plantenziektenwet, 1, tweede lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, 2.2, tweede lid, van de Wet dieren, 63 van de Wet inrichting landelijk gebied, 2, tweede lid, 8, vierde en vijfde lid, 9 eerste lid en 13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, 7, eerste en derde lid, van de Ontgrondingenwet, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering, 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens, 2.1, eerste en tweede lid, onderdeel i, 2.22, derde lid, 2.27, eerste en derde lid, 2.31, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, 2.33, tweede lid, onderdeel f, 3.10, eerste lid, onderdeel f, en 7.3, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet 1995, 2 van de Woningwet, 1, tweede lid, van de Natuurschoonwet 1928, 9d, eerste lid en 20c, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, artikel 39d, eerste lid, van de Gaswet en artikel 141c, eerste lid, van de Mijnbouwwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 30 september 2016, nr. W 15.16.0161/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 10 oktober 2016, nr. WJZ / 16147887;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Titel 1.1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma, bedoeld in artikel 2.1, beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen;

  • jachtexamen: jachtexamen als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

  • korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

  • ontwikkelingsruimte: deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van de in voorkomend geval op grond van artikel 2.7, derde lid, gestelde regels, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid;

  • CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);

  • CITES-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);

  • Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);

  • voor stikstof gevoelige habitats: voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;

  • wet: Wet natuurbescherming.

Titel 1.2. Rijksbevoegdheden

Artikel 1.2

Als minister als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, aanhef, van de wet wordt aangewezen Onze Minister.

Artikel 1.3

  • 1 Als categorieën van handelingen en projecten als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

    • a. aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van:

    • b. activiteiten ten aanzien van:

    • c. het treffen van maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit;

    • d. militaire activiteiten buiten de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde terreinen, gebieden en inrichtingen, en de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens;

    • e. vluchten met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes;

    • f. uitoefening van de volgende vormen van visserij:

      • 1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren;

      • 2°. sleepnetvisserij in zoute wateren;

    • g. lozing van afvalwater in de Waddenzee;

    • h. activiteiten van buitenlandse mogendheden;

    • i. activiteiten die direct het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161) raken;

    • j. activiteiten van of namens een lid van het Koninklijk Huis, en

    • k. activiteiten die geheel of grotendeels plaatsvinden in:

      • 1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54);

      • 2°. de exclusieve economische zone van Nederland, bedoeld in de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, of

      • 3°. andere niet-provinciaal ingedeelde gebieden.

Artikel 1.4

  • 1 Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

    • a. het vervoeren van zieke of gewonde dieren in een dierenambulance;

    • b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan.

  • 3 Onder «dierenambulance» wordt in het eerste lid, onderdeel a, verstaan: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.

Artikel 1.5

  • 1 Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet wordt aangewezen het vangen en onder zich hebben van dieren van de soorten, aangewezen in het derde lid, ten behoeve van:

    • a. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum;

    • b. het doen van wetenschappelijk onderzoek.

  • 3 Als soorten als bedoeld in het eerste lid worden aangewezen:

    • a. bruinvis;

    • b. gewone dolfijn;

    • c. gewone zeehond;

    • d. grijze zeehond;

    • e. tuimelaar;

    • f. witflankdolfijn;

    • g. witsnuitdolfijn.

Artikel 1.6

Artikel 1.7

Artikel 1.8

  • 1 Als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

    • a. het uitzetten van dieren voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden;

    • b. het uitzetten van dieren tezamen met de in onderdeel a bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.

Artikel 1.9

Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden

Titel 2.1. Programmatische aanpak stikstof

§ 2.1.1. Doelstelling, tijdvak en betrokken bestuursorganen

Artikel 2.1

  • 1 Er wordt een programma aanpak stikstof vastgesteld dat tot doel heeft, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren.

  • 2 Het programma beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen.

  • 3 Het programma wordt vastgesteld door Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

  • 5 Na de vaststelling van het programma kunnen Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarin een Natura 2000-gebied opnemen in overeenstemming met de bestuursorganen die voor dat gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen en de ingevolge artikel 2.10, eerste en vierde lid, van de wet mede betrokken bestuursorganen. Op andere wijzigingen zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 6 Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar.

  • 7 Een wijziging van het programma doet geen afbreuk aan de doelstellingen, genoemd in het eerste en tweede lid.

§ 2.1.2. Inhoud programma

Artikel 2.2

  • 1 In het programma, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden ten aanzien van de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd:

    • a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar:

      • 1°. depositie, veroorzaakt door factoren in de gebieden, en

      • 2°. depositie, veroorzaakt door factoren buiten de gebieden;

    • b. de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden;

    • c. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, en de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in de gebieden;

    • d. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden;

    • e. de getroffen of te treffen maatregelen:

      • 1°. die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie in de gebieden, veroorzaakt door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en

      • 2°. ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden;

    • f. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e;

    • g. de verwachte effecten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e, op de omvang van de stikstofdepositie, onderscheidenlijk het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen in de gebieden;

    • h. de uitgangspunten voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte, voor de toedeling aan projecten en andere handelingen en voor de reservering daarvoor, en de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is op het moment van vaststellen van het programma;

    • i. de resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, en

    • j. de wijze en de momenten waarop de werking van het programma tussentijds wordt beoordeeld.

  • 2 In het programma kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en de depositie van andere stikstofverbindingen.

  • 3 Bij een wijziging van het programma worden het eerste en tweede lid in acht genomen.

Artikel 2.3

Tot de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, behoren in elk geval:

  • a. maatregelen voorzien in bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

  • b. maatregelen van bestuursorganen van het Rijk ter vermindering van de stikstofdepositie, en

  • c. gebiedsgerichte of effectgerichte maatregelen van bestuursorganen van het Rijk, provincies, gemeenten, of waterschappen.

Artikel 2.4

  • 1 Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in het programma mede aangegeven welk deel van de ontwikkelingsruimte in de eerste helft en welk deel in de tweede helft van het tijdvak van het programma wordt toegedeeld en gereserveerd. Deze verdeling is zodanig dat een evenwichtige toedeling en reservering van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma is verzekerd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 2.5

De resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen in hoeverre de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, rekening houdend met de verwachte algemene ontwikkeling van de stikstofdepositie, met de toedeling overeenkomstig het programma van ontwikkelingsruimte aan projecten en andere handelingen en met de stikstofdepositie ten aanzien waarvan artikel 2.12, eerste lid, of artikel 2.13 van toepassing is:

  • a. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied;

  • b. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied;

  • c. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en

  • d. zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

Artikel 2.6

  • 2 De beoordeling betreft in elk geval:

    • a. de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen, in het programma beschreven of genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de stikstofdepositie;

    • b. de mate waarin gebruik is gemaakt van de depositieruimte, en,

    • c. in het zesde jaar van het tijdvak, de omvang en kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen in relatie tot de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen.

  • 3 Voor de beoordeling van de effecten op de stikstofdepositie wordt gebruik gemaakt van de beste beschikbare gegevens over de ontwikkeling van de stikstofemissies en stikstofdepositie en de factoren die aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen.

  • 4 In vervolg op de beoordeling in het derde jaar van het tijdvak van het programma maken Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, de ontwikkelingsruimte inzichtelijk die:

    • a. de tweede helft van het tijdvak van het programma beschikbaar zal zijn;

    • b. naar verwachting in het daarop volgende programma beschikbaar zal zijn, in het bijzonder in de eerste helft van het tijdvak van dat programma.

§ 2.1.3. Toedeling en reservering ontwikkelingsruimte

Artikel 2.7

  • 2 Bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt het bevoegd gezag de reserveringen in acht, die krachtens artikel 2.8, eerste lid, zijn gedaan. Daarbij draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat in de eerste helft van het tijdvak van het programma voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar blijft om, met inachtneming van de verdeling, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, en met inachtneming van artikel 2.8, derde lid, te worden toegedeeld in besluiten waarvoor krachtens artikel 2.8, eerste lid, ontwikkelingsruimte is gereserveerd.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden, met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel h, nadere regels gesteld over de wijze van bepaling van de omvang van de op enig moment voor toedeling beschikbare ontwikkelingsruimte en de omvang van de bij een besluit als bedoeld in het eerste lid toe te delen ontwikkelingsruimte.

  • 4 Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid waarin ontwikkelingsruime is toegedeeld kan dit besluit intrekken of wijzigen, indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht.

Artikel 2.8

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen projecten en andere handelingen, of categorieën van projecten of andere handelingen worden aangewezen waarvoor gedurende het tijdvak van het programma ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor de toedeling daarvan in besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, waarbij een voorkeursvolgorde voor de toedeling kan worden aangegeven.

  • 2 Als projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden genoemd of beschreven projecten of andere handelingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a. het project of de andere handeling is aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang;

    • b. het is aannemelijk dat voor het project of de andere handeling in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.1, zesde lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid.

  • 3 De omvang van de ontwikkelingsruimte die voor projecten en andere handelingen als bedoeld in het eerste lid wordt gereserveerd, is zodanig dat er niet onnodig inbreuk wordt gemaakt op de omvang van de ontwikkelingsruimte die resteert voor toedeling aan andere projecten of handelingen dan die bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Een reservering vervalt geheel of voor een bepaald gedeelte, nadat het bevoegd gezag voor een besluit als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister heeft verklaard dat het de gereserveerde ontwikkelingsruimte, onderscheidenlijk dat gedeelte van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma niet zal toedelen. Nadat de eerste helft van het tijdvak van het programma is verstreken, gaan de bevoegde gezagen na of er reserveringen zijn ten aanzien waarvan de eerste volzin wordt toegepast.

Artikel 2.9

  • 1 Een bestuursorgaan dat ontwikkelingsruimte toedeelt in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e, f of g, draagt tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte van de totale ontwikkelingsruimte.

  • 3 Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, draagt tevens tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de bijschrijving van ontwikkelingsruimte die na het wijzigen of intrekken van een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, beschikbaar komt voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken in de Natura 2000-gebieden waarop het besluit betrekking had.

  • 4 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een reservering van ontwikkelingsruimte op grond van artikel 2.8, eerste lid, met dien verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de registratie van een reservering.

  • 5 Indien in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld die is gereserveerd krachtens artikel 2.8, eerste lid, vervalt de reservering en draagt het met de registratie van afschrijvingen belaste bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, tevens zorg voor de registratie van het vervallen van de reservering. Indien een reservering geheel of gedeeltelijk vervalt op grond van een verklaring als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, draagt Onze Minister zorg voor registratie van het vervallen van de reservering of van het desbetreffende gedeelte daarvan.

  • 6 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de registratie van afschrijvingen, bijschrijvingen of reserveringen van ontwikkelingsruimte en ten aanzien van het vervallen van reserveringen van ontwikkelingsruimte.

§ 2.1.4. Vereenvoudigde procedure wijziging maatregelen; betrokkenheid andere bestuursorganen bij ministeriële regeling

Artikel 2.10

  • 1 Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen in het programma maatregelen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, wijzigen of door andere maatregelen vervangen, dan wel maatregelen toevoegen. Zij stellen voor de Natura 2000-gebieden waarop de maatregelen betrekking hebben in het programma vast wat daarvan de gevolgen zijn voor de ontwikkelingsruimte en voor de beoordeling, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, in samenhang met artikel 2.5. Ingeval het wijzigen, vervangen of toevoegen van maatregelen leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot een Natura 2000-gebied, geschiedt dit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, voor dat gebied vaststellen.

  • 2 Het programma biedt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, Onze Minister van Defensie of bestuursorganen van provincies, gemeenten of waterschappen de mogelijkheid om in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, voor de uitvoering waarvan zij zorg dragen, gewijzigd uit te voeren of te vervangen door andere maatregelen, indien:

    • a. de bestuursorganen die voor het desbetreffende gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen, daarmee instemmen, en

    • b. de gewijzigde uitvoering of vervangende maatregelen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden ten minste even doeltreffend zijn als de oorspronkelijk voorziene wijze van uitvoering of de oorspronkelijk voorziene maatregelen en niet leiden tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot enig Natura 2000-gebied.

Artikel 2.11

Titel 2.2. Grenswaarden stikstof en externe saldering

Artikel 2.12

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a. het project of de andere handeling:

      • 1°. veroorzaakt in geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of andere handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting die feitelijk worden gerealiseerd, onderscheidenlijk plaatsvinden in de periode waarvoor het programma geldt dan wel waarvoor eerder gedurende die periode een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d, is verleend, de waarde van 1 mol per hectare per jaar overschrijdt, of

      • 2°. betreft een project of andere handeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, dat betrekking heeft op een hoofdweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet of dat betrekking heeft op een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet en geheel of gedeeltelijk de scheepvaartfunctie betreft, en dat wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk die wordt verricht op een grotere afstand gerekend tot het desbetreffende Natura 2000-gebied dan, ingeval van een hoofdweg, 3 kilometer, gemeten vanaf het midden van de rijbaan, of, ingeval van een hoofdvaarweg, 5 kilometer, gemeten vanaf het midden van de vaarweg, en

    • b. het project of de andere handeling heeft voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere mogelijke gevolgen dan stikstofdepositie, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het desbetreffende Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, geldt, in plaats van de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar, voor het desbetreffende Natura 2000-gebied als waarde 0,05 mol per hectare per jaar, als uit het krachtens artikel 2.9, zevende lid, van de wet voorgeschreven rekenmodel op enig moment is gebleken dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied 5% of minder beschikbaar is van het deel van de depositieruimte dat in het kader van het programma op voorhand beschikbaar was gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 3 Ingeval het tweede lid van toepassing is, doet Onze Minister hiervan elektronisch mededeling op een bij ministeriële regeling aangewezen internetadres.

  • 4 Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen, nadat het tweede lid van toepassing is geworden, besluiten dat met ingang van een door hen vastgesteld tijdstip voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, weer een waarde van 1 mol per hectare per jaar geldt, als naar hun oordeel voldoende depositieruimte in het kader van het programma op voorhand beschikbaar is gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Dit besluit wordt genomen in overeenstemming met de bevoegde gezagen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid.

  • 5 Het besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

  • 6 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het vierde lid geldende waarde van 1 mol per hectare per jaar.

  • 7 Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van:

    • a. projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid;

    • b. projecten en andere handelingen die op het moment waarop zij overeenkomstig krachtens artikel 2.9, achtste lid, van de wet gestelde regels zijn gemeld, dan wel, als geen melding is voorgeschreven, op het moment dat de realisatie aanving, onderscheidenlijk op het moment dat zij voor het eerst werden verricht een stikstofdepositie veroorzaakten die, rekening houdend met de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde cumulatie, de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar niet overschreed, en die sindsdien niet significant zijn gewijzigd;

    • c. projecten en andere handelingen voor zover deze stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden die niet in het programma zijn opgenomen.

Artikel 2.13

Gedurende het tijdvak waarvoor een op grond van artikel 2.1 vastgesteld programma geldt, betrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, bij het nemen van dat besluit, onderscheidenlijk het geven van de verklaring van geen bedenkingen niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien:

  • a. de stikstofdepositie de in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk tweede of vierde lid, genoemde waarde niet overschrijdt, of,

  • b. ingeval het project of de andere handeling betrekking heeft op een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, dat project of die handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand dan de in dat onderdeel genoemde, op de hoofdweg of hoofdvaarweg betrekking hebbende afstand.

Artikel 2.14

  • 1 Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, kan in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma, bedoeld in artikel 2.1, niet in gevaar komt, besluiten dat artikel 5.5, derde lid, van de wet met betrekking tot een project dat of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied buiten toepassing blijft. Het bestuursorgaan neemt dit besluit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen voor de in het programma, bedoeld in artikel 2.1, opgenomen Natura 2000-gebieden waarin de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt hoofdzakelijk plaatsvindt.

  • 2 Het derde tot en met zesde lid is van toepassing op projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet:

    • a. die stikstofdepositie veroorzaken op een gebied dat niet in het programma, bedoeld in artikel 2.1 is opgenomen, of

    • b. ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen.

  • 3 Voor de toepassing van artikel 2.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, in samenhang met artikel 2.8, derde lid, van de wet wordt ervan uitgegaan dat de door een project veroorzaakte stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied met zekerheid de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast, indien:

    • a. blijkens de passende beoordeling is verzekerd dat, in samenhang met voor dat project getroffen maatregelen, per saldo nergens in het Natura 2000-gebied de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats als gevolg van dat project toeneemt, en,

    • b. ingeval het Natura 2000-gebied is opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 2.1, de gevolgen van de in onderdeel a bedoelde maatregelen niet al zijn betrokken bij de ecologische beoordeling, bedoeld in artikel 2.5.

  • 4 Het bestuursorgaan kan ter vermindering van de belasting door stikstofdepositie van het desbetreffende Natura 2000-gebied aan het verlenen van de vergunning voor een project of andere handeling als voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het project of de andere handeling, niet groter is dan de door het bestuursorgaan geregistreerde en voor dat project of die andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen.

  • 5 Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van artikel 2.4 van de wet, in elk geval de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor het project of de andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen.

  • 6 De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dragen zorg voor een actueel overzicht van de gevolgen van de projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen voor de stikstofdepositie. Deze gegevens worden betrokken bij de toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel j.

Hoofdstuk 3. Soorten

Titel 3.1. Soorten die in het gehele land schade veroorzaken

Artikel 3.1

Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii);

  • b. houtduif (Columba palumbus);

  • c. kauw (Corvus monedula);

  • d. konijn (Oryctolagus cuniculus);

  • e. vos (Vulpes vulpes), en

  • f. zwarte kraai (Corvus corone corone).

Titel 3.2. Jacht

§ 3.2.1. Uitoefening van de jacht buiten gezelschap jachthouder

Artikel 3.2

  • 1 De jachthouder verleent aan derden, anders dan de jachtopzichter, uitsluitend de toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet, indien:

    • a. hij een natuurlijke persoon is en aan hem een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is;

    • b. hij een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is, of

    • c. hij een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is.

  • 2 Aanwijzing van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geschiedt uitsluitend, indien naar het oordeel van Onze Minister een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren door deze organisatie, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, in voldoende mate is verzekerd. Indien een aangewezen organisatie naar het oordeel van Onze Minister niet langer aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde voor aanwijzing voldoet, kan hij de aanwijzing van de organisatie intrekken.

Artikel 3.3

  • 1 De toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet:

    • a. is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 3.12, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer;

    • b. is voorzien van de namen van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en ingeval de toestemming wordt gegeven aan natuurlijke personen, hun voornamen en geboortedata, en

    • c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming.

  • 2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter.

  • 3 Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van derden, indien:

    • a. deze derde de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend;

    • b. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in de desbetreffende toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan, en

    • c. aan degene aan wie de jachthouder de toestemming heeft verleend, een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is.

§ 3.2.2. Jachtvogels en eendenkooien

Artikel 3.4

Als soorten van jachtvogels als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

  • a. haviken (Accipiter gentilis);

  • b. slechtvalken (Falco peregrinus).

Artikel 3.5

Een eendenkooi als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voldoet aan de volgende regels:

  • a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 meter beschreven kan worden;

  • b. het water is ten minste 50 centimeter diep;

  • c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel, en

  • d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.

§ 3.2.3. Overige regels over de uitoefening van de jacht

Artikel 3.6

  • 1 Het is verboden om de jacht uit te oefenen voor zonsopgang en na zonsondergang.

  • 2 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de Hemelvaartsdag.

  • 3 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op begraafplaatsen.

  • 4 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig.

  • 5 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een vaartuig.

  • 6 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanuit een luchtvaartuig.

  • 7 Het is verboden om de jacht uit te oefenen indien de grond met sneeuw is bedekt.

  • 8 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet dat zich ten gevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein.

  • 9 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet voor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs.

  • 10 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet voor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen.

  • 12 Het is verboden om de jacht uit te oefenen binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet te lokken.

Artikel 3.7

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, geldt niet voor de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.

  • 2 Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, geldt niet voor de jacht vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van ten hoogste 5 kilometer per uur.

  • 3 Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, zevende lid, geldt niet voor de jacht op:

    • a. wilde eenden of houtduiven, of

    • b. konijnen, hazen of fazanten, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.

§ 3.2.4. Regels over de overeenkomst tot huur van het jachtrecht

Artikel 3.8

Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d, van de wet mag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een ruilakte als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

Titel 3.3. Middelen voor het vangen en doden van dieren

§ 3.3.1. Middelen, methoden en installaties voor het vangen en doden van vogels

Artikel 3.9

  • 1 Als middelen als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

    • a. geweren;

    • b. honden, niet zijnde lange honden;

    • c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds;

    • d. kastvallen;

    • e. vangkooien;

    • f. vangnetten;

    • g. eendenkooien;

    • h. bal-chatri, en

    • i. slag-, snij- of steekwapens.

  • 2 Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen:

    • a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen;

    • b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a;

    • c. het vangen met gebruikmaking van lokvogels;

    • d. het vangen met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt;

    • e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake:

      • 1°. de omvang van het jachtveld,

      • 2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten,

      • 3°. de munitie, of

      • 4°. het gebruik van het geweer:

    • f. het doden door middel van cervicale dislocatie, en

    • g. het vangen met gebruikmaking van lokvoer.

  • 3 Als middelen, onderscheidenlijk methoden als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van de wet worden aangewezen:

    • a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan ten behoeve van de uitoefening van de jacht;

    • b. bal-chatri;

    • c. doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld;

    • d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en

    • e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper.

  • 4 De aanwijzing van geweren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, geldt uitsluitend voor zover:

    • a. wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.16 inzake de regels waaraan het jachtveld voldoet, inzake de regels over de munitie, het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer of de diersoorten waarop het gebruik van het geweer betrekking heeft en inzake de gevallen waarin het gebruik van het geweer is uitgesloten of beperkt, dan wel,

    • b. voor zover het betreft de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, op grond van artikel 3.26, derde lid, van de wet ontheffing of vrijstelling is verleend van de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16.

  • 5 De aanwijzing van woestijnbuizerds, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, geldt uitsluitend voor het gebruik van deze roofvogels door degene die beschikt over een valkeniersakte als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

  • 6 De aanwijzing van bal-chatri, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel h, en geldt uitsluitend onder de voorwaarde dat hierbij geen gebruik wordt gemaakt van levende lokdieren, dat op voorhand is gewaarborgd dat de bal-chatri onder permanent direct toezicht staat van een deskundige en dat gevangen dieren niet onnodig lang vastzitten en niet onnodig worden verwond.

  • 7 De aanwijzing van slag-, snij- of steekwapens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel i, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.

  • 8 De aanwijzing van lokvogels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, geldt, indien het levende lokvogels betreft, uitsluitend indien:

    • a. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft, die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden, onderscheidenlijk spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten;

    • b. de vogels zijn gefokt;

    • c. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier;

    • d. de vogels niet verminkt of blind zijn, en

    • e. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte en worden ook overigens gehouden overeenkomstig de eisen gesteld bij of krachtens de Wet dieren.

  • 9 De aanwijzing van cervicale dislocatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel f, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier.

§ 3.3.2. Verboden middelen buiten gebouwen, behoudens ontheffing, vrijstelling of opdracht

Artikel 3.10

Als middelen als bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. hagelpatronen die metallisch lood bevatten;

  • b. klemmen, met uitzondering van klemmen:

    • 1°. uitsluitend geschikt en bestemd voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten, huismuizen, en

    • 2°. die gebruikt worden bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, ter uitvoering van artikel 3.2a van de Waterwet, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren;

  • c. vallen, met uitzondering van kastvallen;

  • d. strikken;

  • e. vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom;

  • f. lijm;

  • g. netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels, en

  • h. rodenators.

Artikel 3.11

  • 1 Het is verboden mistnetten te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben.

  • 2 Onder «mistnetten» wordt in het eerste lid verstaan: netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder van 150 deniers (16,2 mg per meter) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 millimeter.

§ 3.3.3. Regels inzake het gebruik van het geweer

Artikel 3.12

  • 1 Een jachtveld als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft:

    • a. een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld, en

    • b. zodanige afmetingen dat in het jachtveld een cirkel met een straal van ten minste 150 meter kan worden beschreven.

  • 2 Ingeval het op grond van de bij en krachtens artikel 3.20, vierde lid, van de wet gestelde regels ook aan anderen dan de jachthouder, niet zijnde jachtopzichters, is toegestaan om in het desbetreffende jachtveld de jacht uit te oefenen, bedraagt de aaneengesloten oppervlakte van dat jachtveld de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde oppervlakte vermeerderd met 40 hectare per persoon, niet zijnde jachtopzichter, aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen.

  • 3 Bij de berekening van de oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, worden niet meegerekend:

    • a. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350 meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 meter die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven;

    • b. andere gronden dan die, bedoeld in onderdeel a, die van het middelpunt, bedoeld in onderdeel a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;

    • c. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen;

    • d. begraafplaatsen, en

    • e. bebouwde kommen van de gemeenten als bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van de wet en onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen.

  • 4 Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook ingeval zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan om de jacht uit te oefenen:

    • a. gronden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a of b;

    • b. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, en

    • c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen.

Artikel 3.13

  • 1 Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter.

  • 3 Een kogelgeweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.

  • 4 Een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten.

Artikel 3.14

  • 2 Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood.

  • 3 Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen.

Artikel 3.15

  • 1 Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt:

    • a. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt;

    • b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt.

  • 2 Onverminderd artikel 3.14, tweede en derde lid, worden met betrekking tot konijnen en houtduiven uitsluitend gebruikt:

    • a. hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt, of

    • b. kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.

  • 3 Met betrekking tot hazen, fazanten en wilde eenden worden, onverminderd artikel 3.14, tweede lid, uitsluitend hagelpatronen gebruikt.

Artikel 3.16

  • 1 Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet te gebruiken:

  • 2 Artikel 3.7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, ingeval het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden.

Artikel 3.17

  • 2 De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland.

  • 3 De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per gebeurtenis.

  • 4 De polis, bedoeld in artikel 932 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van de verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet bevat in elk geval de volgende gegevens:

    • a. naam en adres van de verzekeraar;

    • b. naam en adres van de verzekeringnemer;

    • c. het polisnummer;

    • d. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de dekking;

    • e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;

    • f. het gebied waarin de verzekering van kracht is, en

    • g. het verzekerde bedrag.

  • 5 De korpschef maakt aantekening van de gegevens, bedoeld in het vierde lid.

  • 6 De houder van de jachtakte meldt elke wijziging van één van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk aan de korpschef.

  • 7 De korpschef verstrekt op verzoek schriftelijke inlichtingen over de nakoming van artikel 3.26, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel c, van de wet voor zover deze blijken uit de bijgehouden aantekeningen, bedoeld in het vijfde lid, aan:

    • a. Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

    • b. de personen belast met de opsporing van de bij of krachtens de wet strafbaar gestelde feiten, en

    • c. hen die aannemelijk maken dat zij betrokken zijn bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van artikel 3.29 van de wet.

§ 3.3.4. Jachtexamens, examens voor het gebruik van jachtvogels, de jachtakte en de valkeniersakte

Artikel 3.18

  • 1 Om door Onze Minister te worden erkend, bevat het jachtexamen:

    • a. een theoretisch gedeelte, waarin wordt getoetst op kennis van:

      • 1°. het wild, bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet, en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten;

      • 2°. de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

      • 3°. het beheer van het wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet;

      • 4°. het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;

      • 5°. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;

      • 6°. de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;

      • 7°. landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;

      • 8°. de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten te voorkomen;

      • 9°. het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer;

      • 10°. de middelen, genoemd in de artikelen 3.21, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, g en h, van de wet, de krachtens artikel 3.25, eerste en tweede lid, van de wet aangewezen middelen en de middelen, genoemd in artikel 3.9, en het gebruik van deze middelen;

      • 11°. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren, en

      • 12°. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.

    • b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan een jachtexamen om te worden erkend. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

    • a. de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid, en

    • b. de wijze van beoordeling van examenresultaten.

Artikel 3.19

Artikel 3.20

  • 1 Om door Onze Minister te worden erkend, worden het jachtexamen en het examen voor het gebruik van jachtvogels afgenomen door een organisatie die voldoet aan de volgende eisen:

    • a. zij bezit rechtspersoonlijkheid;

    • b. de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw;

    • c. zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die ten aanzien van het examen worden gesteld;

    • d. zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van de soorten, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en ten minste één afbeelding van de dieren van andere beschermde soorten, en

    • e. zij beschikt over:

      • 1°. een kwaliteitszorgsysteem;

      • 2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld, wie gerechtigd is de examens bij te wonen, en

      • 3°. een geschillenregeling.

  • 2 Onze Minister wijst personen aan die belast zijn met het toezicht op de kwaliteit van jachtexamens en examens voor het gebruik van jachtvogels. Deze personen worden gekozen uit de kring van Commissarissen van de Koning en burgemeesters.

  • 3 Een persoon als bedoeld in het tweede lid ziet erop toe dat de organisatie die examens afneemt voldoet aan de eisen, genoemd in het eerste lid, en dat de examens worden afgenomen in overeenstemming met de bij en krachtens de artikelen 3.18 en 3.19 gestelde regels.

  • 4 Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan personen als bedoeld in het tweede lid desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen.

  • 5 Een persoon als bedoeld in het tweede lid informeert Onze Minister over zijn bevindingen ten aanzien van de organisatie die van belang zijn voor de erkenning van examens die zijn afgenomen door die organisatie.

Artikel 3.21

  • 1 De jachtakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland.

  • 2 De valkeniersakte geldt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland.

  • 3 De jachtakte en de valkeniersakte verliezen hun geldigheid van rechtswege op het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer, onderscheidenlijk van jachtvogels ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van:

    • a. de aanvraag van jachtakten en valkeniersakten;

    • b. het besluit op aanvragen van jachtakten en valkeniersakten.

  • 5 Degene wiens jachtakte of valkeniersakte is ingetrokken, levert deze binnen vijf dagen nadat het besluit tot intrekking hem bekend is gemaakt, in bij degene die haar heeft verleend.

  • 6 Degene aan wie de bevoegdheid tot jagen bij een rechterlijke uitspraak is ontzegd, levert binnen vijf dagen nadat die uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, diens jachtakte of valkeniersakte in bij degene die haar heeft verleend.

§ 3.3.5. Examens voor het gebruik van eendenkooien en opschrift afpaling eendenkooien

Artikel 3.22

Artikel 3.23

De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedoeld in artikel 3.30, negende lid, van de wet palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y meter, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor:

  • x: de naam van de eigenaar van de desbetreffende eendenkooi;

  • y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft.

Titel 3.4. Onder zich hebben of verhandelen van dieren of planten

§ 3.4.1. Beperkingen onder zich hebben, verhandelen of vervoeren van dieren of planten

Artikel 3.24

  • 1 Het is verboden gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan onder zich te hebben of te verhandelen.

  • 2 Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten onder zich te hebben.

  • 3 Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten te verhandelen.

  • 4 Het tweede lid en derde lid zijn niet van toepassing op dieren en planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Artikel 3.25

Het is verboden uit het wild afkomstige dieren van de soorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit, onder zich te hebben of te verhandelen.

§ 3.4.2. Prepareren van vogels

Artikel 3.26

  • 1 Het is verboden een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te prepareren.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op degene die:

    • a. aan Onze Minister binnen drie dagen na ontvangst gegevens verstrekt over een vogel als bedoeld in het eerste lid, die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze, en

    • b. een door Onze Minister verstrekt merkteken aanbrengt op geprepareerde vogels als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het verstrekken van gegevens en het merken van geprepareerde vogels, bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. welke gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;

    • b. de kenmerken van de merktekens, en

    • c. de wijze waarop een merkteken wordt aangevraagd.

§ 3.4.3. Administratie, merktekens en plaatsen van in- en uitvoer

Artikel 3.27

  • 1 Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij met betrekking tot dat dier of die plant, indien het dier of de plant behoort tot:

    • a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;

    • b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage VIII bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan;

    • c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van:

      • 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien, en

      • 2°. de soorten, genoemd in bijlage 2 bij dit besluit, of

    • d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, voor zover voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de CITES-uitvoeringsverordening is afgegeven.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de administratie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. de gegevens die worden geadministreerd;

    • b. de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden, en

    • c. de bewaartermijn van de administratie.

  • 3 Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft desgevraagd inzage in die administratie aan in en op grond van artikel 7.1 van de wet aangewezen ambtenaren.

Artikel 3.28

  • 1 Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening.

  • 3 De gesloten pootringen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgereikt door Onze Minister.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de pootringen. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a. de kenmerken van de pootringen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar vogelsoort, en

    • b. de wijze waarop de gesloten pootringen dienen te worden aangevraagd.

  • 5 In afwijking van het derde lid, kunnen bij ministeriële regeling rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties worden aangewezen die belast zijn met de taak om pootringen uit te geven.

  • 6 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald dat:

    • a. de aangewezen organisaties een administratie bijhouden op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze, en

    • b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze.

Artikel 3.29

Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen.

§ 3.4.4. Aanwijzing EU-wetgeving

Artikel 3.30

  • 1 Als verordening als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).

Titel 3.5. Regels ter uitvoering van eu-verordeningen inzake invasieve uitheemse soorten

Artikel 3.31

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten.

Artikel 3.32

  • 1 Gedeputeerde staten zijn belast met het uitvoeren in hun provincie van uitroeiingsmaatregelen als bedoeld in artikel 17 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de Verordening invasieve uitheemse soorten en herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 20 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen uitheemse invasieve soorten die worden genoemd op de Unielijst, bedoeld in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten.

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in overeenstemming met gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

    • a. de door gedeputeerde staten te gebruiken methoden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;

    • b. de rangschikking naar prioriteit van beheersmaatregelen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;

    • c. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen beheersmaatregelen, overeenkomstig artikel 19, tweede en derde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten;

    • d. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen herstelmaatregelen, overeenkomstig artikel 20, eerste en tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten, en

    • e. de gegevens die gedeputeerden aan Onze Minister verstrekken over de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en over de aanwezigheid van dieren van invasieve uitheemse soorten in hun provincie.

Hoofdstuk 4. Bestuurlijke boeten

Artikel 4.1

  • 1 Als gedragingen als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

    • a. het binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen in strijd met het bepaalde in artikel 4, derde en vierde lid, van de CITES-basisverordening;

    • b. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren;

    • c. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onderdeel c, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de CITES-uitvoeringsverordening van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166), en

    • d. handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.27 en 3.28 van dit besluit.

  • 3 In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Titel 5.1. Wijziging andere regelgeving

Artikel 5.1

[Red: Wijzigt het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.]

Artikel 5.2

[Red: Wijzigt het Besluit bestrijding bacterievuur 1983.]

Artikel 5.3

[Red: Wijzigt het Besluit Bibob.]

Artikel 5.4

[Red: Wijzigt het Besluit houders van dieren.]

Artikel 5.5

[Red: Wijzigt het Besluit inrichting landelijk gebied.]

Artikel 5.6

[Red: Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.]

Artikel 5.7

[Red: Wijzigt het Besluit ontgrondingen in rijkswateren.]

Artikel 5.8

[Red: Wijzigt het Besluit politiegegevens.]

Artikel 5.9

[Red: Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.]

Artikel 5.10

[Red: Wijzigt het Bouwbesluit 2012.]

Artikel 5.11

[Red: Wijzigt het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.]

Artikel 5.12

[Red: Wijzigt het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten.]

Titel 5.2. Overgangsrecht

Artikel 5.13

  • 2 De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan;

    • b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en

    • c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.

Artikel 5.14

  • 3 De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, behoort, is aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden, door hem of door personen voor wier gedragingen hij aansprakelijk is begaan bij de nakoming van de in het tweede lid voorgeschreven verplichting.

Artikel 5.15

Ontheffingen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gelden als ontheffingen als bedoeld in artikel 3.40 van de wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

Artikel 5.16

  • 4 In zoverre in afwijking van het derde lid is Onze Minister bevoegd tot het geven van een verklaring van geen bedenkingen over aanvragen van omgevingsvergunning met toepassing van titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Titel 5.3. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 5.17

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 5.18

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit natuurbescherming.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 11 oktober 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

M.H.P. van Dam

Uitgegeven de achtentwintigste oktober 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Bijlage 1. behorende bij artikel 3.25 van het Besluit natuurbescherming

  • boommarter (Martes martes)

  • bunzing (Mustela putorius)

  • damhert (Dama dama)

  • edelhert (Cervus elaphus)

  • haas (Lepus europaeus)

  • hermelijn (Mustela erminea)

  • konijn (Oryctolagus cuniculus)

  • ree (Capreolus capreolus)

  • steenmarter (Martes foina)

  • vos (Vulpes vulpes)

  • wezel (Mustela nivalis)

  • wild zwijn (Sus scrofa)

Bijlage 2. behorende bij 3.27, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van het Besluit natuurbescherming

  • Lama guanicoe (Goeanaco)

  • Rhea americana (Nandoe)

  • Anas formosa (Baikaltaling)

  • Coscoroba coscoroba (Coscoroba)

  • Dendrocygna arborea (Westindische fluiteend)

  • Sarkidiornis melanotos (Knobbeleend)

  • Argusianus argus (Argusfazant)

  • Gallus sonneratii (Sonnerats hoen)

  • Lophura erythrophthalma (Kuifloze vuurrugfazant)

  • Lophura ignita (Gekuifde vuurrugfazant)

  • Pavo muticus (Groene pauw)

  • Polyplectron bicalcaratum (Spiegelpauw)

  • Polyplectron germaini (Germains spiegelpauw)

  • Polyplectron malacense (Maleise spiegelpauw)

  • Gallicolumba luzonica (Luzondolksteekduif)

  • Agapornis canus (Grijskopagapornis)

  • Agapornis fischeri (Fischers agapornis)

  • Agapornis lilianae (Nyasa-agapornis)

  • Agapornis nigrigenis (Zwartwangagapornis)

  • Agapornis personatus (Zwartmaskeragapornis)

  • Agapornis roseicollis (Perzikkopagapornis)

  • Agapornis taranta (Zwartvleugelagapornis)

  • Alisterus scapularis (Australische koningsparkiet)

  • Amazona amazonica (Oranjevleugelamazone)

  • Amazona farinosa (Gepoederde amazone)

  • Aprosmictus erythropterus (Roodvleugelparkiet)

  • Ara ararauna (Blauwgele ara)

  • Aratinga acuticaudata (Blauwkopparkiet)

  • Aratinga leucophthalmus (Witoogparkiet)

  • Aratinga pertinax (Maisparkiet)

  • Bolborhynchus lineola (Catharinaparkiet)

  • Brotogeris chrysopterus (Oranjevleugelparkiet)

  • Cyanoramphus auriceps (Geelvoorhoofdkakariki)

  • Forpus coelestis (Blauwe muspapegaai)

  • Forpus conspicillatus (Gebrilde muspapegaai)

  • Forpus cyanopygius (Mexicaanse muspapegaai)

  • Forpus passerinus (Groene muspapegaai)

  • Forpus xanthops (Geelwangmuspapegaai)

  • Forpus xanthopterygius (Spix’ muspapegaai)

  • Lathamus discolor (Zwaluwparkiet)

  • Loriculus vernalis (Indische hangparkiet)

  • Myiopsitta monachus (Monniksparkiet)

  • Nandayus nenday (Nandayparkiet)

  • Neophema chrysostoma (Blauwvleugelparkiet)

  • Neophema elegans (Prachtparkiet)

  • Neophema pulchella (Turkooisparkiet)

  • Neophema splendida (Splendidparkiet)

  • Neopsephotus bourkii (Bourke’s parkiet)

  • Northiella haematogaster (Roodbuikparkiet)

  • Pionites melanocephala (Zwartkopcaique)

  • Pionus maximiliani (Maximiliaans papegaai)

  • Pionus menstruus (Zwartoorpapegaai)

  • Platycercus adelaidae (Adelaiderosella), P. elegans x P. flaveoleus

  • Platycercus adscitus (Bleekkoprosella)

  • Platycercus barnardi (Barnards rosella)

  • Platycercus caledonicus (Geelbuikrosella)

  • Platycercus elegans (Pennantrosella)

  • Platycercus eximius (Prachtrosella)

  • Platycercus flaveolus (Strogele rosella)

  • Platycercus icterotis (Stanleyrosella)

  • Platycercus venustus (Zwartkoprosella)

  • Platycercus zonarius (Port Lincolnrosella)

  • Polytelis alexandrae (Prinses van Walesparkiet)

  • Polytelis anthopeplus (Regentparkiet)

  • Polytelis swainsonii (Barrabandparkiet)

  • Psephotus haematonotus (Roodrugparkiet)

  • Psephotus varius (Regenboogparkiet)

  • Psittacula alexandri (Roseborstparkiet)

  • Psittacula cyanocephala (Pruimenkopparkiet)

  • Psittacula derbiana (Lord Derby’s parkiet)

  • Psittacula eupatria (Grote Alexanderparkiet)

  • Psittacula roseata (Bloesemkopparkiet)

  • Psittacus erithacus erithacus (Grijze roodstaartpapegaai)

  • Purpureicephalus spurius (Roodkapparkiet)

  • Pyrrhura picta (Bonte parkiet)

  • Poephila cincta cincta (Gordelamadine)

  • Iguana iguana (Groene leguaan)

  • Boa constrictor (met uitzondering van de Boa constrictor occidentalis)

  • Corallus hortulanus (Tuinboa)

  • Python molurus bivittatus

  • Python regius (Koningspython)

  • Python reticulatus (Netpython)

  • Python sebae (Rotspython)

  • Ambystoma mexicanum (Axolotl)

  • Tridacna crocea

  • Tridacna maxima

  • ordo Antipatharia

  • ordo Coenothecalia

  • ordo Scleractinia

  • familia Tubiporidae

  • familia Milleporidae

  • familia Stylasteridae