Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten

Geldend van 18-05-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 14 oktober 2016, nr. WJZ / 14161241, houdende regels omtrent de eisen waaraan statische vloeistofhoeveelheidmeters, massameters, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters, CG-dispensers en dynamische weegbruggen moeten voldoen (Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 8, 11, 14 en 21 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • CG-dispenser: meetinstrument voor het bepalen van een hoeveelheid gecomprimeerd gas bij het tanken van motorvoertuigen en kleine vaartuigen;

  • dipplaat: in een meetreservoir gefixeerde horizontale plaat, op de verticale as onder het bovenste referentiepunt, waar vanuit handmatig vloeistofniveaumetingen worden gedaan;

  • discontinue brandstofmeter: meetinstrument voor de discontinue bepaling van het volume van in tweetaktmotoren gebruikte brandstoffen, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en legen van de meetkamers;

  • dynamische weegbrug: meetinstrument voor het bepalen van de massa van een bewegend motorvoertuig, op grond van de werking van de zwaartekracht op dat voertuig, zonder tussenkomst van een bedienaar en volgens een vooraf bepaald programma van automatische processen;

  • eerste conformiteitsbeoordeling: conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 6 van de wet;

  • kritische veranderingswaarde: waarde waarbij de verandering in het meetresultaat ongewenst wordt geacht;

  • massameter: meetinstrument voor het statisch bepalen van de massa van de vloeistof of de massa van de verplaatste hoeveelheid vloeistof in een meetreservoir;

  • meetkamer: voor meting dienende ruimte die in één of meer volumedelen is verdeeld;

  • meetreservoir: reservoir bestemd voor de bewaring of aflevering van vloeistoffen, niet zijnde een scheepstank, dat specifiek is ingericht om de hoeveelheid vloeistof die het bevat of de hoeveelheid erin geplaatste of eruit verplaatste vloeistof te bepalen;

  • peilstok: deel van de statische vloeistofhoeveelheidmeter voor het peilen van de vloeistofhoogte met een schaalverdeling met de afstanden in lengte- of volume-eenheden;

  • statische vloeistofhoeveelheidmeter: meetinstrument voor het bepalen van de hoeveelheid vloeistof in een meetreservoir of de hoeveelheid in of uit een meetreservoir verplaatste vloeistof;

  • vloeistofhoogtemeter: meetinstrument voor het bepalen van de hoogte van de vloeistofspiegel in een meetreservoir en dat bestaat uit een meetwaardeopnemer en ten minste één aanwijsinrichting.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

  • 1 Een statische vloeistofhoeveelheidmeter, massameter, vloeistofhoogtemeter, CG-dispenser, dynamische weegbrug en discontinue brandstofmeter voldoen aan de relevante essentiële eisen in bijlage I van de richtlijn meetinstrumenten en aan de eisen die specifiek voor deze meetinstrumenten worden gesteld in deze regeling.

  • 2 Voor zover de eisen uit bijlage I van de richtlijn meetinstrumenten onverenigbaar zijn met eisen uit deze regeling, gaan eisen uit deze regeling voor op eisen uit bijlage I.

Artikel 3

Meetinstrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voldoen na ingebruikneming voorts aan de volgende eisen:

  • a. zij verkeren in goede staat van onderhoud;

  • b. zij zijn overeenkomstig de instructies van de fabrikant geïnstalleerd en worden dienovereenkomstig gebruikt;

  • c. zij worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming;

  • d. zij worden zodanig gejusteerd en gecorrigeerd dat aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.

Artikel 4

Indien een meetinstrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt aangesloten op onder de werking van de IJkwet toegelaten andere apparatuur en deze apparatuur eveneens het meetresultaat vastlegt en weergeeft, voldoet deze apparatuur wat betreft het vastleggen en weergeven van het meetresultaat aan de eisen van deze regeling en mag de weergave van het meetresultaat op die andere apparatuur niet afwijken van het door het meetinstrument vastgestelde meetresultaat.

Artikel 5

  • 1 Indien een elektromagnetische storing optreedt in een meetinstrument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt de storing gedetecteerd, tenzij de veranderingswaarde in het meetresultaat niet groter is dan de kritische veranderingswaarde van het meetinstrument.

  • 2 De meting waarbij een elektromagnetische storing wordt gedetecteerd, wordt slechts opgeslagen en verder verwerkt indien zij wordt voorzien van een melding dat de storing is opgetreden.

Hoofdstuk 3. Statische vloeistofhoeveelheidmeter

§ 3.1. Algemene eisen

Artikel 6

Een statische vloeistofhoeveelheidmeter bestaat uit een meetreservoir en:

  • a. een peilstok ingedeeld in eenheden van volume;

  • b. een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte;

  • c. een vloeistofhoogtemeter; of

  • d. een massameter.

Artikel 7

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de statische vloeistofhoeveelheidmeter wat betreft:

  • a. het meetbereik;

  • b. de aard en karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel 8

Het meetreservoir van de statische vloeistofhoeveelheidmeter is voorzien van de volgende opschriften:

  • a. het nummer van het meetreservoir;

  • b. de minimum te meten hoeveelheid of het minimum te meten verschil;

  • c. indien van toepassing, het serienummer van de toegepaste peilstok;

  • d. indien van toepassing, het nummer van het certificaat van meting, bedoeld in artikel 11; en

  • e. indien een meetreservoir is voorzien van meerdere meetopeningen, een aanduiding, door middel van het serienummer, welke meetwaardeopnemer bij welke meetopening hoort.

Artikel 9

De minimum te meten hoeveelheid van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan of groter dan de grootste waarde van de minimum te meten hoeveelheid van het meetreservoir dan wel van de peilstok in eenheden van volume, de peilstok in eenheden van lengte, de vloeistofhoogtemeter of de massameter.

Artikel 10

  • 1 Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een peilstok verdeeld in eenheden van lengte zijn in of aan het meetreservoir voorzieningen aangebracht die geschikt zijn om voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met de peilstok gemeten hoogte van de vloeistofspiegels te kunnen uitvoeren.

  • 2 Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een vloeistofhoogtemeter is het meetreservoir voorzien van een referentiepunt dat een vaste positie heeft ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter met behulp waarvan voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met de vloeistofhoogtemeter gemeten hoogte van de vloeistofspiegels kunnen worden uitgevoerd.

  • 3 Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een massameter is het meetreservoir voorzien van een referentiepunt met behulp waarvan:

    • a. de verticale afstand tussen de dipplaat en het referentiekenmerk van de onderste meetwaardeopnemer binnen 2 mm van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald; en

    • b. de verticale afstand tussen de referentiekenmerken van de onderste meetwaardeopnemer en de eventuele tweede meetwaardeopnemer die wordt gebruikt om de vloeistofdichtheid te meten, binnen 0,1% van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald.

Artikel 11

  • 1 Ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een peilstok verdeeld in eenheden van lengte, een vloeistofhoogtemeter of een massameter, is een certificaat van meting ter plaatse van de opstelling beschikbaar.

  • 2 Het certificaat van meting, bedoeld in het eerste lid, vermeldt in ieder geval:

    • a. een uniek nummer en de datum waarop het onderzoek ten behoeve van het opstellen van het certificaat van meting plaats heeft gehad;

    • b. het nummer van het meetreservoir;

    • c. de naam van de eigenaar en de plaats van opstelling van het meetreservoir;

    • d. ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een peilstok verdeeld in eenheden van lengte of met een vloeistofhoogtemeter, één of meer tabellen waarin de betrekkingen tussen de hoeveelheden vloeistof die zich in het meetreservoir bevinden en de hoogten van de vloeistofspiegels zijn vermeld;

    • e. ingeval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter met een massameter, een tabel waaruit de doorsnede van het meetreservoir ter hoogte van de meetwaardeopnemer is af te leiden of een opgave van de doorsnede van het meetreservoir ter hoogte van de meetwaardeopnemer;

    • f. indien het meetreservoir is voorzien van meerdere meetopeningen, het verband tussen de hoogten van de vloeistofspiegels, welke in de onder d bedoelde tabel of tabellen zijn vermeld, en de hoogten van de vloeistofspiegels gemeten in elk van de meetopeningen;

    • g. de minimum door middel van het meetreservoir te meten hoeveelheid of het minimum te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de minimum te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem;

    • h. de soortelijke massa en de temperatuur van de vloeistof waarvoor het certificaat geldt;

    • i. de constructieve bijzonderheden van het meetreservoir die van belang zijn voor de meting; en

    • j. de maximaal toelaatbare meetonzekerheid, die niet meer bedraagt dan:

      • 1°. 0,2% van het aangewezen volume voor verticale cilindrische meetreservoirs;

      • 2°. 0,3% van het aangewezen volume voor horizontale of gekantelde cilindrische meetreservoirs;

      • 3°. 0,5% van het aangewezen volume voor andere dan de in onderdeel 1° en 2° bedoelde meetreservoirs.

  • 3 Indien de statische vloeistofhoeveelheidmeter uitsluitend is ingericht ter vaststelling van de volledige inhoud blijft de vermelding, bedoeld in het tweede lid, onder g, achterwege.

Artikel 12

  • 1 Indien een aanwijsinrichting gescheiden van een meetwaardeopnemer is opgesteld, wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke statische vloeistofhoeveelheidmeter de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

  • 2 Bij toepassing van gemeenschappelijke inrichtingen wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke statische vloeistofhoeveelheidmeter de aanwijzing of afdruk betrekking heeft.

Artikel 13

  • 1 Het schaalinterval van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is per gemeten grootheid gelijk.

  • 2 Het meetresultaat van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is per gemeten grootheid gelijk.

Artikel 14

  • 1 Een alarmsignalering bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing.

  • 2 Een alarmsignalering kan alleen door een doelbewuste menselijke handeling worden opgeheven.

Artikel 15

  • 1 Herleide waarden zijn duidelijk onderscheidbaar van andere waarden.

  • 2 De omstandigheden waarnaar wordt herleid, zijn duidelijk voor de gebruikers.

  • 3 Alle niet-herleide waarden en parameters, waaronder eventueel door de gebruiker handmatig ingevoerde waarden en parameters, die nodig zijn om tot de herleide waarde te komen, zijn oproepbaar in de aanwijsinrichting.

  • 4 De handmatig ingevoerde gegevens kunnen de primair gemeten grootheid niet beïnvloeden.

Artikel 16

  • 1 Indien de niveaustand in het meetreservoir lager is dan de laagst mogelijke aanwijzing of onder de laagst gepositioneerde meetwaardeopnemer valt, geeft de aanwijsinrichting aan dat de meting foutief is. Verdere verwerking van de meetwaarde is niet mogelijk.

  • 2 Indien de meetwaardeopnemer boven de vloeistofspiegel in ruststand is gebracht, geeft de aanwijsinrichting aan dat de meting foutief is. Verdere verwerking van de meetwaarde is niet mogelijk.

Artikel 17

De maximaal toelaatbare fout van de gemeten of herleide hoeveelheid bedraagt:

  • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,8%;

  • b. na ingebruikneming: plus of min 1,0%.

Artikel 18

Het schaalinterval van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is niet groter dan 0,625 maal de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel 19

De kritische veranderingswaarde van een statische vloeistofhoeveelheidmeter is gelijk aan 0,625 maal de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de statische vloeistofhoeveelheidmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Artikel 20

Een peilstok is voorzien van een opschrift met het serienummer van de peilstok.

Artikel 21

De materialen die worden gebruikt voor een peilstok zijn van dien aard dat variaties in lengte, ten gevolge van temperatuurschommelingen van min 8 °C tot plus 8 °C ten opzichte van de referentietemperatuur, de maximaal toelaatbare fout niet overschrijden.

Artikel 22

  • 1 Een schaalinterval van de verdeling van een peilstok ingedeeld in eenheden van volume heeft een lengte van tenminste 1 mm en ten hoogste 10 mm.

  • 2 Een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte is verdeeld in millimeters of in centimeters.

Artikel 23

  • 1 De maximaal toelaatbare fout van een peilstok ingedeeld in eenheden van lengte bedraagt van de afstand van het nulpunt van de verdeling tot een willekeurige deelstreep:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min (0,1 + 0,1L) mm;

    • b. na ingebruikneming: plus of min (0,2 + 0,2L) mm,

    waarbij L het gehele getal voorstelt, dat de naar boven afgeronde waarde van de gemeten hoogte van een vloeistofspiegel in meters aangeeft.

  • 2 De maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid, hoeft niet kleiner te zijn dan:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,6 mm;

    • b. na ingebruikneming: plus of min 1,2 mm.

Artikel 24

Een peilstok in eenheden van lengte die is voorzien van een CE-markering en de aanvullende metrologische markering wordt beschouwd als een peilstok in eenheden van lengte die voldoet aan de toepasselijke eisen in deze regeling.

§ 3.2. Bijzondere voorschriften voor vloeistofhoogtemeters

Artikel 25

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de vloeistofhoogtemeter wat betreft:

  • a. het meetbereik; en

  • b. de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel 26

Een vloeistofhoogtemeter is voorzien van de volgende opschriften:

  • a. de referentiehoogte;

  • b. het opschrift ‘het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’; en

  • c. de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel 27

Het schaalinterval van de aanwijsinrichting van een vloeistofhoogtemeter is niet groter dan 1 mm.

Artikel 28

  • 1 De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten vloeistofhoogte bedraagt:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 1 mm;

    • b. na ingebruikneming: plus of min 4 mm.

  • 2 De maximaal toelaatbare fout is van toepassing op de bepaling van de gemeten hoogte en het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij vloeistof ofwel in ofwel uit het meetreservoir wordt verplaatst.

Artikel 29

De kritische veranderingswaarde van een vloeistofhoogtemeter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de vloeistofhoogtemeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

§ 3.3. Bijzondere voorschriften voor massameters

Artikel 30

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de massameter wat betreft:

  • a. het meetbereik; en

  • b. de aard en de karakteristieken van de te meten vloeistof.

Artikel 31

Een massameter is voorzien van een opschrift over de positie van de meetwaardeopnemers ten opzichte van de dipplaat.

Artikel 32

De meetwaardeopnemer van een massameter is voorzien van een referentiekenmerk welke een vaste positie heeft ten opzichte van een referentiepunt van het meetreservoir en met behulp waarvan:

  • a. de verticale afstand tussen de dipplaat en het referentiekenmerk van de onderste meetwaardeopnemer binnen 2 mm van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd;

  • b. de verticale afstand tussen de referentiekenmerken van de onderste meetwaardeopnemer en een eventuele tweede meetwaardeopnemer die wordt gebruikt om de vloeistofdichtheid te meten binnen 0,1% van de in de verwerkingseenheid vast ingestelde lengte kan worden bepaald en gecontroleerd.

Artikel 33

  • 1 Beperkingen aan het gebruik van de herleidinginrichting zijn door middel van opschriften op de inrichting aangegeven.

  • 2 Wanneer de in de beperkingen omschreven omstandigheden zich voordoen, leidt dit tot automatische alarmering.

Artikel 34

Indien een massameter is voorzien van een nulstelling om de aanwijzing te corrigeren, kan de correctie alleen plaatsvinden wanneer de meetwaardeopnemer geen hoeveelheid meer meet of wanneer de meetwaardeopnemer is te isoleren van het meetreservoir.

Artikel 35

Het schaalinterval van een massameter is niet groter dan de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de massameter.

Artikel 36

De maximaal toelaatbare fout van een massameter bedraagt onder normale bedrijfsomstandigheden en binnen de geldende gebruiksgrenzen plus of min 0,5%.

Artikel 37

  • 1 Voor de herleiding van massa naar volume onder meetcondities of referentiecondities wordt de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 36, in plus of min verhoogd met de percentages in onderstaand tabel:

    Basis van herleiding

    Maximaal toelaatbare fout op de herleiding

    Gemeten dichtheid onder meetcondities

    0,3%

    Gemeten temperatuur en geprogrammeerde herleidingfunctie

    0,1%

  • 2 De systematische fouten die ontstaan doordat de door de herleidinginrichting uitgevoerde herleiding niet volledig overeenstemt met een herleiding uitgevoerd op basis van de eigenschappen van de gemeten vloeistof, bedragen niet meer dan 0,2%.

Artikel 38

De kritische veranderingswaarde van een massameter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de massameter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Hoofdstuk 4. Discontinue brandstofmeter

Artikel 39

  • 1 Een discontinue brandstofmeter is zo geconstrueerd dat de meting met een onzekerheid van maximaal 1/5 van de maximaal toelaatbare fout van de discontinue brandstofmeter kan worden uitgevoerd.

  • 2 Indien de wijze van opstelling een invloed van meer dan 1/5 van de maximaal toelaatbare fout kan hebben op de meting, is de discontinue brandstofmeter voorzien van een opschrift van deze strekking en voorzieningen om de opstelling dusdanig te verbeteren dat de meting correct kan worden uitgevoerd.

Artikel 40

  • 1 Een justeerinrichting is voorzien van een verzegeling.

  • 2 De delen die de begrenzing vormen van een meetkamer zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden of voorzien van verzegelingen.

Artikel 41

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen kunnen parallaxvrij afgelezen worden.

Artikel 42

Indien de meetkamer aan de boven- en de onderzijde door een met de hand te bedienen afsluitinrichting wordt begrensd, is de discontinue brandstofmeter voorzien van een inrichting die waarborgt dat de afvoerleiding pas kan worden geopend na volledige vulling van de meetkamer en pas kan worden gesloten na volledige leging.

Artikel 43

Bij een discontinue brandstofmeter die bestemd is voor het meten van verschillende vloeistoffen in wisselende mengverhoudingen kunnen deze mengsels zich bij het wisselen slechts in geringe mate met elkaar vermengen.

Artikel 44

Een discontinue brandstofmeter is zodanig ingericht dat bij de levering geen lucht of gassen meegevoerd kunnen worden of is voorzien van een inrichting voor ontluchting of ontgassing.

Artikel 45

  • 1 Bij de eerste conformiteitsbeoordeling bedragen de maximaal toelaatbare fouten in plus of min voor onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaatbare fouten

    > 1,0

    0,5%

    1,0 tot 0,5

    5 cm3

    0,5 tot 0,2

    1,0%

    0,2 tot 0,1

    2 cm3

    0,1 tot 0,05

    2,0%

    0,05 tot 0,025

    1 cm3

    ≤ 0,025

    4,0%

  • 2 Na ingebruikneming bedragen de maximaal toelaatbare fouten het dubbele van de waarden als bepaald in het eerste lid.

Artikel 46

  • 1 In afwijking van artikel 45 bedragen bij de eerste conformiteitsbeoordeling van discontinue brandstofmeters die uitsluitend zijn ingericht om na betaling vooraf een hoeveelheid vloeistof af te leveren en waarbij op de meting door een menselijke handeling geen invloed kan worden uitgeoefend, de maximaal toelaatbare fouten bij onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaatbare fouten

    van

    tot

    >1,0

    –1,5%

    +0,5%

    1,0 tot 0,5

    –15 cm3

    +5 cm3

    0,5 tot 0,2

    –3,0%

    +1,0%

    0,2 tot 0,1

    –6 cm3

    +2 cm3

    0,1 tot 0,05

    –6,0%

    +2,0%

    0,05 tot 0,025

    –3 cm3

    +1 cm3

    ≤ 0,025

    –12,0%

    +4,0%

  • 2 Na ingebruikneming van de in het eerste lid bedoelde discontinue brandstofmeters bedragen de maximaal toelaatbare fouten bij onderstaande hoeveelheden:

    Hoeveelheid in liters

    Maximaal toelaatbare fouten

     

    van

    tot

    >1,0

    –2,0%

    +1,0%

    1,0 tot 0,5

    –20 cm3

    +10 cm3

    0,5 tot 0,2

    –4,0%

    +2,0%

    0,2 tot 0,1

    –8 cm3

    +4 cm3

    0,1 tot 0,05

    -8,0%

    +4,0%

    0,05 tot 0,025

    –4 cm3

    +2 cm3

    ≤ 0,025

    –16,0%

    +8,0%

Artikel 47

De kritische veranderingswaarde van een discontinue brandstofmeter is gelijk aan de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout van de minimum te meten hoeveelheid van de discontinue brandstofmeter bij de eerste conformiteitsbeoordeling.

Hoofdstuk 5. CG-dispenser

Artikel 48

De gasstroom uit een CG-dispenser kan gemakkelijk en snel worden stop gezet.

Artikel 49

  • 1 Gedurende de opwarmtijd van de CG-dispenser kan er niet worden gemeten.

  • 2 Het is niet mogelijk om de gemeten hoeveelheid om te leiden.

Artikel 50

  • 1 Een CG-dispenser heeft een voorziening waarmee de aanwijzing op nul kan worden gesteld.

  • 2 De aanwijzing kan tijdens de meting niet op nul worden gesteld.

  • 3 Het begin van een nieuwe meting wordt verhinderd tot de aanwijzing op nul is gesteld.

Artikel 51

Een CG-dispenser is uitgerust met:

  • a. een noodstroomvoorziening die ervoor zorgt dat alle meetfuncties worden verricht gedurende een storing in de hoofdstroombron; of

  • b. een voorziening om de op het moment van een storing van de hoofdstroombron aanwezige gegevens op te slaan en aan te wijzen opdat de lopende transactie kan worden afgesloten en van een voorziening om de gasstroom bij storing te stoppen.

Artikel 52

De fabrikant specificeert de nominale bedrijfsomstandigheden van de CG-dispenser wat betreft:

  • a. de kleinste afleveringshoeveelheid;

  • b. het debiet-, druk- en temperatuurbereik; en

  • c. de aard en de karakteristieken van het te meten gas.

Artikel 53

  • 1 Voor aanvang van de meting zijn alle instellingen en parameters nodig voor het bepalen van de hoeveelheid en de prijs aanwezig in de CG-dispenser.

  • 2 De instellingen en parameters, bedoeld in het eerste lid, kunnen gedurende de meting niet worden gewijzigd.

  • 3 Het afdrukken van gegevens is slechts mogelijk na afloop van de meting.

  • 4 Ongecorrigeerde waarden worden in normaal gebruik niet aangewezen of afgedrukt.

Artikel 54

  • 1 De prijsberekening vindt, volgens een vaste instelling, plaats op basis van de herleide of de primair gemeten hoeveelheid.

  • 2 Herleide waarden zijn duidelijk onderscheidbaar van andere waarden.

  • 3 De omstandigheden waarnaar wordt herleid, zijn duidelijk voor de gebruikers.

  • 4 Alle niet-herleide waarden en parameters die nodig zijn om tot de herleide waarde te komen, zijn oproepbaar.

Artikel 55

  • 1 Het schaalinterval van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een CG-dispenser of van een zelfbedieningsinrichting is gelijk.

  • 2 Het meetresultaat van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een CG-dispenser of van een zelfbedieningsinrichting voor dezelfde hoeveelheid is gelijk.

Artikel 56

  • 1 Indien een aanwijs- of afdrukinrichting bij meerdere CG-dispensers behoort, wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke CG-dispenser de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

  • 2 Gelijktijdig gebruik van meerdere CG-dispensers met een gezamenlijke aanwijs- of afdrukinrichting wordt verhinderd.

  • 3 Indien een zelfbedieningsinrichting bij meerdere CG-dispensers behoort, wordt op elk van de CG-dispensers een identificatie aangebracht. De identificatie van de CG-dispenser wordt aangewezen op de zelfbedieningsinrichting of afgedrukt.

Artikel 57

  • 1 Een CG-dispenser die is voorzien van een prijsaanwijzing geeft tenminste de hoeveelheid geleverd gas, de prijs per eenheid en het te betalen bedrag weer.

  • 2 Het verschil tussen de aangewezen prijs en de prijs, berekend op grond van de prijs per eenheid en de aangewezen hoeveelheid, bedraagt niet meer dan de kleinste valutaeenheid.

Artikel 58

Aanwijzingen van een vooringestelde hoeveelheid of prijs:

  • a. zijn duidelijk te onderscheiden van de gemeten hoeveelheid respectievelijk het te betalen bedrag;

  • b. hebben dezelfde schaalinterval als de gemeten hoeveelheid respectievelijk het te betalen bedrag;

  • c. zijn voor aanvang van de meting zichtbaar; en

  • d. blijven, wanneer zij zichtbaar zijn gedurende de meting, ongewijzigd of tellen, in geval van een vooringestelde hoeveelheid, terug naar nul.

Artikel 59

Het verschil tussen de vooringestelde hoeveelheid en de geleverde hoeveelheid bedraagt niet meer dan driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel 60

Het verschil tussen de vooringestelde prijs en de uiteindelijke prijs bedraagt niet meer dan de prijs voor driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel 61

Bij rechtstreekse verkoop kan de hoeveelheid waarop de transactie is gebaseerd permanent worden afgelezen totdat alle partijen bij de transactie het meetresultaat hebben aanvaard.

Artikel 62

  • 1 De kleinste afleveringshoeveelheid van een CG-dispenser is afhankelijk van de waarde van het debiet van de CG-pomp en niet groter dan de waarde weergegeven in onderstaand tabel:

    Maximale debiet CG-pomp (kg/min)

    Qmax<4

    4<Qmax<12

    12<Qmax<30

    30<Qmax<70

    Qmax>70

    Kleinste afleveringshoeveelheid (kg)

    0,5

    1

    2

    5

    10

  • 2 Bij toepassing van andere meeteenheden gelden overeenkomstige waarden.

  • 3 De ratio tussen het minimum en maximum debiet bedraagt tenminste 10.

Artikel 63

Het schaalinterval van een CG-dispenser is niet groter dan anderhalf maal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Artikel 64

  • 1 De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten of herleide hoeveelheid van de CG-dispenser bedraagt:

    • a. bij de eerste conformiteitsbeoordeling:1,5%;

    • b. na ingebruikneming: 2%.

  • 2 De maximaal toelaatbare fout van de kleinste afleveringshoeveelheid bedraagt tweemaal de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Ingeval de voorziening, bedoeld in artikel 51, onderdeel b, wordt aangesproken, wordt de maximaal toelaatbare fout verhoogd met 5% van de kleinste afleveringshoeveelheid.

Artikel 65

De kritische veranderingswaarde van een CG-dispenser is de grootste van de volgende twee waarden:

  • a. 0,15%; of

  • b. driemaal de kleinste afleveringshoeveelheid gedeeld door 100.

Hoofdstuk 6. Dynamische weegbruggen

Artikel 66

Een dynamische weegbrug is voorzien van de volgende opschriften:

  • a. de maximale doorvoersnelheid van motorvoertuigen in km/h;

  • b. de maximale afmetingen van het motorvoertuig in meters;

  • c. indien van toepassing, de richting waarin het motorvoertuig beweegt;

  • d. indien van toepassing, een melding dat er met een constante snelheid over de lastdrager moet worden gereden of dat het verboden is te remmen; en

  • e. indien van toepassing, een lijst van producten of voertuigen die niet kunnen worden gewogen met de weegbrug.

Artikel 67

Gedurende de opwarmtijd van een dynamische weegbrug kan er niet worden gemeten.

Artikel 68

Indien de spanning op een dynamische weegbrug die wordt gevoed door batterijen of een accu onder het gespecificeerde niveau komt, zal de weegbrug:

  • a. correct blijven functioneren waarbij een meetfout binnen de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 77, tweede lid, blijft; of

  • b. automatisch uitgeschakeld worden, waarna het niet meer mogelijk is om metingen te verrichten.

Artikel 69

  • 1 Individuele aslastmetingen of aslastgroepsresultaten worden niet aangewezen of afgedrukt, tenzij de metingen en resultaten zijn voorzien van de melding ‘niet te gebruiken voor een geregelde meettaak’.

  • 2 Statische metingen of statische meetresultaten worden niet aangewezen of afgedrukt, tenzij de metingen en resultaten zijn voorzien van de melding ‘niet te gebruiken voor een geregelde meettaak’.

  • 3 Het bepaalde in het tweede lid geldt niet indien de dynamische weegbrug voldoet aan de eisen uit de richtlijn niet-automatische weegwerktuigen.

Artikel 70

  • 1 Het aanwijzen, afdrukken of opslaan van een meetresultaat is niet mogelijk wanneer:

    • a. het motorvoertuig zich niet in één keer als geheel op de lastdrager heeft bevonden, tenzij de dynamische weegbrug specifiek daarop is ingericht;

    • b. het motorvoertuig zich in de verkeerde richting over de lastdrager beweegt;

    • c. het motorvoertuig zich met een snelheid boven de gespecificeerde maximale doorvoersnelheid over de lastdrager beweegt;

    • d. het motorvoertuig zich met een te hoge snelheidsvariatie over de lastdrager beweegt, indien dit kan resulteren in een meetfout groter dan de maximaal toelaatbare fout van de dynamische weegbrug; of

    • e. de meting onder de minimale capaciteit of boven de maximale capaciteit vermeerderd met negen schaalintervallen uitkomt.

  • 2 Het aanwijzen, afdrukken of opslaan van de totale massa is niet mogelijk wanneer een deelweging plaatsvindt onder de minimale capaciteit of boven de maximale capaciteit, vermeerderd met negen schaalintervallen.

Artikel 71

Een dynamische weegbrug heeft een voorziening om de partijen, betrokken bij de meting, te informeren indien het aanwijzen, opslaan of afdrukken van het meetresultaat niet mogelijk is.

Artikel 72

  • 1 Indien een aanwijsinrichting gescheiden van de lastdrager is opgesteld, wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke lastdrager de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

  • 2 Indien een aanwijzingsinrichting bij meerdere lastdragers behoort, wordt ondubbelzinnig aangegeven op welke lastdrager de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

  • 3 Het schaalinterval van verschillende aanwijs- of afdrukinrichtingen van een dynamische weegbrug is gelijk.

Artikel 73

Indien de dynamische weegbrug is voorzien van een totalisatie-inrichting wordt iedere weging betrokken in de totalisatie opgeslagen of afgedrukt.

Artikel 74

Dynamische weegbruggen worden verdeeld in de onderstaande nauwkeurigheidsklassen:

0,2

0,5

1

Artikel 75

Een dynamische weegbrug met nauwkeurigheidsklasse 0,5 of nauwkeurigheidsklasse 1 mag slechts worden gebruikt voor:

  • a. het bepalen van de vervoerskosten van postpakketten;

  • b. het bepalen, op terreinen van ondernemingen tot exploitatie van middelen van openbaar vervoer, van de vervoerskosten van goederen;

  • c. voor het wegen in mortelfabrieken van asfaltbeton, betonmortel, metselspecie en soortgelijke producten, alsmede voor het in die fabrieken bij de vervaardiging van die producten wegen van materialen, waaruit die producten worden samengesteld;

  • d. het wegen van afvalstoffen en van zand, grind en aarde; of

  • e. het wegen van beladen containers, bedoeld in hoofdstuk VI, deel A, voorschrift 2, vierde lid, onderdeel 1, van de bijlage van het SOLAS-verdrag.

Artikel 76

  • 1 De relatie tussen de nauwkeurigheidsklasse, de waarde van het schaalinterval en het aantal schaalintervallen van een dynamische weegbrug is gelijk aan onderstaande tabel:

    Nauwkeurigheids-klasse

    Schaalinterval (d)

    Aantal schaalintervallen (Max/d)

    Minimaal

    Maximaal

    0,2

    0,2 ≤ 5 kg

    500

    5.000

    0,5

    0,5 ≤ 10 kg

    1

    1 ≤ 20 kg

  • 2 De minimale capaciteit van een dynamische weegbrug is niet minder dan 50 schaalintervallen.

Artikel 77

  • 1 Bij de eerste conformiteitsbeoordeling bedraagt de maximaal toelaatbare fout in plus of min voor onderstaande nauwkeurigheidsklassen:

    Nauwkeurigheidsklasse

    Percentage van de massa van het motorvoertuig

    0,2

    0,10%

    0,5

    0,25%

    1

    0,50%

  • 2 Na ingebruikneming bedraagt de maximaal toelaatbare fout het dubbele van de waarden als bepaald in het eerste lid.

  • 3 De maximaal toelaatbare fout wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde schaalinterval.

Artikel 78

De kritische veranderingswaarde van een dynamische weegbrug is één schaalinterval.

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 79

Meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters, discontinue brandstofmeters en peilstokken waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling een verklaring van toelating als bedoeld in artikel 34 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers is afgegeven worden beschouwd te voldoen aan de relevante eisen in deze regeling wanneer:

Artikel 80

De in deze regeling gestelde eisen aan CG-dispensers zijn, met uitzondering van artikel 64 en de essentiële eis in artikel 7.1 uit bijlage 1 van de richtlijn meetinstrumenten, niet van toepassing op CG-dispensers die in gebruik zijn genomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 82

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2016.

Artikel 83

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationaal autonoom geregelde meetinstrumenten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 14 oktober 2016

De

Minister

van Economische Zaken,

H.G.J. Kamp