Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector[Regeling vervalt per 01-10-2021.]

Geldend van 01-10-2016 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 september 2016, nr. IENM/BSK-2016/152520, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen (Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector)

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • branche: een groep ondernemingen in de BRZO-sector die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen;

  • branchesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen uit dezelfde branche, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

  • BRZO-onderneming: onderneming waarop het Besluit risico's zware ongevallen 2015 van toepassing is;

  • cluster: groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie;

  • clustersamenwerkingsverband: locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee of meer ondernemingen binnen een veiligheidsrisicogebied, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

  • grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2 onderdeel 24 van de algemene groepsvrijstelling verordening;

  • kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • keten: twee of meer ondernemingen gebonden door een contractuele relatie in een toe- of afleveringsketen binnen de BRZO-sector;

  • ketensamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen in een toeleveringsketen binnen de BRZO-sector, zijnde productieondernemingen, tankopslagondernemingen, logistieke dienstverleners, havenondernemingen en in ieder geval een BRZO-onderneming;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • project a: project inzake proces- en organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96 en 97, en artikel 29, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot een toepassing van een nieuwe organisatiemethode danwel een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode;

  • project b: project inzake opleiding als bedoeld in artikel 31, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot kennisoverdracht;

  • project c: project inzake milieustudies als bedoeld artikel 49, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot het in beeld krijgen van de investeringen die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming en in dit geval omgevingsveiligheid te bereiken.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van initiatieven die voldoende bijdragen aan blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

  • 1 De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen en betrekking hebben op één of meer van de volgende thema’s:

    • a. veiligheidscultuur;

    • b. ketenverantwoordelijkheid;

    • c. veilige bedrijventerreinen en veilige clusters.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdelen

  • 1 Het subsidieplafond voor 2016 bedraagt € 2.000.000.

  • 2 Het subsidieplafond voor 2017 bedraagt € 2.000.000.

  • 3 De Minister stelt het subsidieplafond voor de daaropvolgende jaren vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

  • 4 De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Aanvragers en aanvraagformulier

  • 1 Een aanvraag kan voor de uitvoering van een project a, b of c uitsluitend worden ingediend door een aanvrager die optreedt als penvoerder van een branchesamenwerkingsverband, een clustersamenwerkingsverband of een ketensamenwerkingsverband.

  • 2 Indien in geval van een project a een grote onderneming deelneemt aan het samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een situatie als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Voor een project a, b of c geldt dat een onderzoeksorganisatie deel kan uitmaken van het samenwerkingsverband.

  • 4 Voor een clustersamenwerkingsverband geldt dat een omgevingsdienst of veiligheidsregio betrokken kan zijn, maar niet als aanvrager van subsidie.

  • 5 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 6. Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven

  • 1 Als subsidiabele kosten voor een project a worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 2 Als subsidiabele kosten voor een project b worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 3 Als subsidiabele kosten voor een project c worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 4 Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:

    • a. berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.

Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 8. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

    • a. vaste opslag voor indirecte kosten van 50% van de loonkosten;

    • b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • c. aan derden betaalde kosten.

  • 3 Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 50 per uur.

Artikel 9. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

    • a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • b. aan derden betaalde kosten.

Artikel 10. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie voor een project a bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 29, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 2 De subsidie voor een project b bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 31, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 3 De subsidie voor een project c bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 49, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 4 Ten aanzien van een onderzoeksorganisatie bedraagt de subsidie voor een project ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten.

Artikel 11. Beoordelingscriteria

  • 1 Een project voldoet in ieder geval aan de volgende criteria:

    • a. in voldoende mate bijdragen aan versterking van de omgevingsveiligheid;

    • b. in voldoende mate bijdragen aan het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid.

  • 2 Per criterium zijn maximaal 2 punten te behalen. Een project moet minimaal 3 punten halen om in aanmerking te komen voor subsidie.

  • 3 De beschrijving van de criteria en de wijze van toekenning van punten is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 12. Afwijzingsgronden

Een subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en artikel 12 van het kaderbesluit, in ieder geval afgewezen, indien:

  • a. het project strekt ter invulling van een wettelijke verplichting dan wel een voorziene wettelijke verplichting;

  • b. de resultaten van het project niet ter beschikking aan de branche, het cluster, of de keten worden gesteld. Indien er kosten zijn verbonden aan het ter beschikking stellen van de resultaten, mogen die kosten worden doorberekend;

  • c. reeds een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor een soortgelijk project;

  • d. het project onvoldoende punten scoort op de beoordelingscriteria genoemd in artikel 11;

  • e. de uitvoering van een project naar verwachting langer zal duren dan twee jaar; of

  • f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 13. Verplichting

Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft.

Artikel 14. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016 en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

S.A.M. Dijksma

Bijlage 1. , behorende bij artikel 11 van Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van de versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De additionaliteit van het project, blijkend uit een vergelijking met de actuele (inclusief de aangekondigde) wet- en regelgeving waaraan ondernemingen in dit verband zijn onderworpen alsmede uit het aantal projectdeelnemers;

  • De effectiviteit en efficiëntie blijkend uit de omschrijving van het project voor wat betreft inhoud en daaraan gerelateerde kosten;

  • Het specifiek omschreven projectresultaat.

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De aantrekkelijkheid van de concrete projectresultaten (na afloop van het project) voor blijvende toepassing, ook buiten de kring van de projectdeelnemers;

  • Het in de projectomschrijving beschreven draagvlak, inclusief eventuele randvoorwaarden, dat voorafgaand aan of tijdens de projectuitvoering onderzocht is of wordt;

  • De gespecificeerde inzet van de projectdeelnemers om na afloop van (een succesvol) project bij te dragen aan brede toepassing ervan in de branche, in de keten of in het cluster

Zowel op bijdrage aan versterking van de omgevingsveiligheid als op het blijvende effect daarvan kunnen projecten scoren op drie niveaus:

Bijdrage versterking omgevingsveiligheid: matig(0), voldoende(1) en hoog(2);

Blijvend effect: laag(0), gemiddeld(1) en hoog(2).