Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling Tel mee met Taal[Regeling vervalt per 01-01-2021.]

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 augustus 2016, nr. MBO/999166, houdende subsidieverstrekking voor de verbetering van taalvaardigheid van werknemers, de aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen en de leesbevordering bij kinderen (Subsidieregeling Tel mee met Taal)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 1.2 en 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. contacturen: aantal uren feitelijk contact tussen een deelnemer of een groep van deelnemers en één of meer opleiders;

  • b. deelnemer: werknemer die de Nederlandse taal, of één of meer taalvaardigheden als bedoeld onder m, beheerst op het referentieniveau 2F of lager, hierdoor beperkt wordt in zijn functioneren en deelneemt aan het opleidingstraject;

  • c. dienstbetrekking: dienstbetrekking gebaseerd op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 610 en 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een aanstelling gebaseerd op artikel 1 van de Ambtenarenwet of artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening;

  • d. groep van verbonden rechtspersonen: economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • e. inburgeringscursus: geheel van activiteiten dat wordt uitgevoerd ter voorbereiding op het inburgeringsexamen bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering of het staatsexamen Nederlands als tweede taal;

  • f. kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • g. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • h. opleider: docent met een onderwijsbevoegdheid voor het basisonderwijs of een eerstegraads of tweedegraads onderwijsbevoegdheid voor het voortgezet onderwijs, die werkzaam is voor een bedrijf of instelling of als zelfstandige beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en die het opleidingstraject verzorgt;

  • i. opleidingstraject: traject met minimaal dertig contacturen die door een opleider in maximaal twaalf maanden wordt verzorgd;

  • j. penvoerder: partij uit het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een gemeente, een waterschap, een provincie of de Rijksoverheid, die een aanvraag indient die door ten minste zeven andere partijen uit dit samenwerkingsverband wordt ondersteund;

  • k. personeelskosten: bruto loonkosten voor het personeel van de aanvrager dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten;

  • l. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband ten behoeve van de bestrijding van taalachterstanden en laaggeletterdheid, met of zonder rechtspersoonlijkheid, en bestaande uit ten minste acht partijen die tezamen een regionaal of lokaal taalakkoord hebben gesloten;

  • m. taalvaardigheid: schrijfvaardigheid, leesvaardigheid, luistervaardigheid of spreekvaardigheid;

  • n. werkgever: privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarbij werknemers in dienstbetrekking werkzaam zijn, niet zijnde de Staat, een provincie, een waterschap of een gemeente;

  • o. werknemer: natuurlijke persoon die een dienstbetrekking heeft bij een werkgever.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten werkgevers

  • 1 De minister kan aan een werkgever ten behoeve van het verbeteren van taalvaardigheid van een werknemer, een subsidie verstrekken voor een opleidingstraject gericht op de taalvaardigheid die de werknemer beheerst op het referentieniveau 2F of lager en verzorgd door een opleider.

  • 2 De minister verstrekt uitsluitend subsidie voor een opleidingstraject dat geen inburgeringscursus of een onderdeel daarvan is.

  • 3 De minister verstrekt uitsluitend subsidie voor een opleidingstraject dat aanvangt in het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 4. Te subsidiëren activiteiten samenwerkingsverbanden

  • 1 De minister kan aan een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid of een penvoerder een subsidie verstrekken voor een project dat bijdraagt aan de regionale of lokale aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen of de leesbevordering bij kinderen.

  • 3 De minister verstrekt uitsluitend subsidie voor een project dat uiterlijk 30 juni 2019 is afgerond.

Artikel 5. Te subsidiëren kosten

  • 1 Bij een subsidie als bedoeld in artikel 3 komt een tarief van ten hoogste € 150,– per contactuur per opleidingstraject in aanmerking voor subsidie.

  • 2 Bij een subsidie als bedoeld in artikel 4 zijn de directe kosten voor de uitvoering van het project subsidiabel, waarbij de personeelskosten van de aanvrager, zijnde een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid of een penvoerder, ten hoogste 40% van de totale subsidiabele kosten bedragen.

Artikel 6. Omvang subsidie

  • 1 Een subsidie bedraagt ten hoogste € 50.000,– per subsidieaanvraag.

  • 2 Een subsidie bedraagt ten hoogste 67% van de subsidiabele kosten.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid bedraagt een subsidie als bedoeld in artikel 3 maximaal € 1.500,– per opleidingstraject per deelnemer.

Artikel 7. Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2017 en 2018 in totaal een bedrag van ten hoogste € 4.700.000,– beschikbaar, waarbij per kalenderjaar de volgende subsidieplafonds gelden:

  • a. Voor het kalenderjaar 2017 is een bedrag van ten hoogste € 2.600.000,– beschikbaar;

  • b. Voor het kalenderjaar 2018 is een bedrag van ten hoogste € 2.100.000,– beschikbaar.

Artikel 8. Wijze van verdeling beschikbare middelen

De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 9. De subsidieaanvraag

  • 1 Een aanvraag tot verlening van een subsidie wordt ingediend via de website https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-vws

  • 2 De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag voor 2017 in tijdens de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017.

  • 3 De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag voor 2018 in tijdens de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018.

  • 4 De minister wijst aanvragen die zijn ingediend buiten de perioden genoemd in het tweede en derde lid af.

  • 5 Per periode genoemd in het tweede en derde lid wordt per subsidieaanvrager maximaal één aanvraag toegewezen, met dien verstande dat:

    • a. voor wat betreft een aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3 per groep van verbonden rechtspersonen per periode maximaal één aanvraag wordt toegewezen;

    • b. voor wat betreft een aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4 per samenwerkingsverband per periode één aanvraag wordt toegewezen.

  • 6 Indien een subsidieaanvrager per periode genoemd in het tweede en derde lid meer dan één aanvraag indient, worden de aanvragen in de volgorde van binnenkomst beoordeeld. Artikel 2.3, eerste lid, van de Kaderregeling is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10. Bij de aanvraag tot subsidieverlening aan werkgevers te overleggen informatie

  • 1 Een aanvrager dient bij een aanvraag tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3 de volgende documenten in:

    • a. Een activiteitenplan dat tenminste bevat:

      • i. een beschrijving van het opleidingstraject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaruit in elk geval het aantal contacturen blijkt, de periode waarin de opleiding wordt aangeboden, het aantal deelnemers, de groepsgrootte, de gebruikte (les)methode, de opleider en de te gebruiken toetsinstrumenten.

      • ii. een beschrijving van de doelen van de opleiding en de wijze waarop de opleiding aansluit bij de huidige of toekomstige werkzaamheden van de deelnemers.

    • b. Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waaruit in elk geval duidelijk worden de totale kosten van de opleiding, de kosten per deelnemer, het aantal contacturen, de kosten per contactuur en het cofinancieringspercentage.

  • 2 De aanvrager verklaart dat:

    • a. uit een actuele individuele niveaubepaling of niveau indicatie, die op basis van een gevalideerd instrument is afgenomen, blijkt dat de deelnemers de Nederlandse taal, of één of meer taalvaardigheden, beheersen op het referentieniveau 2F of lager;

    • b. de deelnemers gedurende het gehele opleidingstraject een dienstbetrekking hebben met de aanvrager;

    • c. de opleider beschikt over een onderwijsbevoegdheid voor het basisonderwijs of een eerstegraads of tweedegraads onderwijsbevoegdheid voor het voortgezet onderwijs;

    • d. dat hij zal voldoen aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 13 en artikel 16.

  • 3 De aanvrager verstrekt zijn kvk-nummer en, indien de opleider niet werkzaam is bij de aanvrager, het kvk-nummer van de opleider.

Artikel 11. Bij de aanvraag tot subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden te overleggen informatie

  • 1 De aanvrager dient bij een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4 de volgende documenten in:

    • a. Een activiteitenplan waarin ten minste de volgende onderwerpen aan de orde komen:

      • i. Een beschrijving van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, alsmede van de wijze van uitvoering van het project, de looptijd van de uitvoering en de verdeling van taken tussen partijen van het samenwerkingsverband.

      • ii. Een beschrijving van de behoefte(n) waarin het project voorziet, de doelstellingen, resultaten of producten die met het project worden nagestreefd en de wijze waarop deze worden gemonitord of geëvalueerd.

      • iii. Een beschrijving van de verwachte opbrengst van het project voor het bereiken van de doelstellingen van het regionale of lokale taalakkoord van het samenwerkingsverband.

    • b. Een begroting die voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3.5 van de Kaderregeling en waarin in elk geval een onderscheid is gemaakt tussen materiële kosten, personeelskosten en kosten inhuur.

    • c. Het regionale of lokale taalakkoord dat voldoet aan de eisen zoals neergelegd in bijlage 1, dat is ondertekend door alle partijen van het samenwerkingsverband.

    • d. Indien de aanvraag door een penvoerder wordt ingediend: een ondertekende verklaring van alle partijen (met een minimum van zeven) die de aanvraag van de penvoerder ondersteunen.

  • 2 De aanvrager verstrekt zijn kvk-nummer en verklaart dat hij zal voldoen aan de verplichtingen zoals genoemd in artikel 13 en artikel 16.

Artikel 12. Melding andere aanvragen

In aanvulling op artikel 3.6 van de Kaderregeling doet de subsidieaanvrager, voor zover hij na indiening van de subsidieaanvraag voor dezelfde begrote kosten een subsidie of een andere financiële bijdrage aanvraagt bij een of meer andere bestuursorganen, daarvan terstond mededeling aan de minister.

Artikel 13. Verplichtingen

Onverminderd de verplichtingen als genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, worden aan de ontvanger van een subsidie de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a. De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3 zorgt er voor dat alle deelnemers bij het begin van het traject en bij beëindiging van het traject de door de minister vastgestelde vragenlijst ‘effectmeting taalscholing werknemers’ invullen;

  • b. De ontvanger van een subsidie voert een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde het aantal aanwezige deelnemers en de door hen gevolgde contacturen kunnen worden nagegaan;

  • c. De ontvanger van een subsidie verleent gedurende de looptijd van het project op verzoek van de minister medewerking aan tenminste één van de halfjaarlijkse landelijke Tel mee met Taal congressen om de projectuitvoering en/of resultaten van het project toe te lichten.

Artikel 14. Andere financiële bijdragen

De minister brengt subsidies of andere financiële bijdragen verstrekt door een of meer andere bestuursorganen voor dezelfde activiteiten in mindering bij vaststelling van een subsidie.

Artikel 15. Ook ambtshalve vaststelling subsidie van € 25.000,– tot € 50.000,–

In afwijking van artikel 7.6 van de Kaderregeling toont de ontvanger van een subsidie van € 25.000,– tot € 50.000,– op verzoek van de minister op de in de beschikking aangegeven wijze aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de verleende subsidie zijn verbonden. De subsidie wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

Artikel 16. Evaluatie

De ontvanger van subsidie bedingt bij de opleiders en de partijen van het samenwerkingsverband dat zij meewerken aan de evaluatie, bedoeld in artikel 5.4 van de Kaderregeling.

Artikel 17. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op besluiten die voor de vervaldatum zijn genomen.

Artikel 18. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Tel mee met Taal.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Bussemaker

Bijlage 1. Voorwaarden regionaal of lokaal taalakkoord

  • 1. Het taalakkoord wordt getekend door minimaal acht deelnemers, waarvan minimaal:

    • ° één centrumgemeente van een arbeidsmarktregio of minimaal drie niet-centrumgemeenten

    • ° één bibliotheek

    • ° één onderwijsinstelling (school, mbo-instelling, ho-instelling of private aanbieder van opleidingen met NRTO-keurmerk)

    en twee of meer van de organisaties uit de lijst hieronder:

    Een organisatie die zowel zorgaanbieder als werkgever is, telt slechts mee voor één van deze categorieën. Het is toegestaan om méér dan één partij uit dezelfde categorie te laten tekenen.

  • 2. Het taalakkoord sluit aan bij het landelijke doel van het actieprogramma Tel mee met Taal door in te zetten op leesbevordering en op het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid en taalachterstanden bij kinderen en volwassenen. Het taalakkoord vertaalt deze landelijke doelstellingen naar concrete, meetbare doelstellingen op lokaal en/of regionaal niveau en beschrijft hoe deze doelstellingen worden gehaald en hoe de voortgang wordt gemeten en geëvalueerd.

  • 3. Het taalakkoord beschrijft hoe op lokaal of regionaal niveau voor de aanpak van laaggeletterdheid en leesbevordering een beleidsmatige verbinding tussen taal en de domeinen werk, gezin, onderwijs en gezondheid wordt gemaakt en welke instrumenten hierbij worden ingezet.

  • 4. Elke ondertekenaar beschrijft in een individueel prestatiedocument welke acties of activiteiten worden ondernomen om de gezamenlijke doelstellingen te helpen realiseren.

  • 5. Het taalakkoord beschrijft een afgebakende tijdsperiode van minimaal 12 maanden.

  • 6. Het taalakkoord geeft inzicht in de inzet van middelen en menskracht van alle ondertekenaars ten behoeve van het behalen van de gezamenlijke doelstellingen en de borging in beleid, zodat de effectieve samenwerking ook ná de tijdsperiode van het taalakkoord in stand blijft.

  • 7. Bij de uitvoering van het taalakkoord wordt aantoonbaar gebruik gemaakt van:

    • ° Een Taalhuis of Taalpunt als centraal punt voor de herkenning, doorverwijzing en/of scholing van cursisten en/of vrijwilligers dat werkt aan de negen bouwstenen van de Koninklijke Bibliotheek, PSO’s en Stichting Lezen & Schrijven (www.taalhuis.nl)

    en/of

    • ° Een programma of methode om leesplezier bij kinderen te vergroten of de taalontwikkeling van kinderen en hun ouders te stimuleren, zoals de methode Taal voor Thuis, of

    • ° Het programma De Bibliotheek op School in zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs, of

    • ° Het programma Boekstart in de Kinderopvang

Bijlage 2. Vragenlijst effectmeting taalscholing werknemers

Bijlage 257653.png

Subsidieregeling Tel mee met Taal

Vragenlijst deelnemer taalcursus voor werknemers

Vragenlijst 1 – bij start van cursus

U volgt een taalcursus.

Wij willen graag weten:

Wat leert u hier van?

Wilt u deze vragenlijst invullen?

U hoeft uw naam niet op te geven.

De docent zet een nummer op het voorblad van deze vragenlijst.

Deze lijst vult u in aan het begin van de cursus.

Na de cursus vult u deze vragenlijst nog een keer in.

Dan zet de organisatie ook dit nummer erop. Dat is voor ons belangrijk.

Dan weten wij welke twee lijsten bij elkaar horen.

Uw naam wordt niet gebruikt.

U kunt dus alles eerlijk invullen.

Dank u wel voor het invullen van deze vragenlijst.

Onderzoeksnummer: .............. (in te vullen door opleider)

Onderdeel 1: Algemene gegevens

Kruis bij elke vraag het hokje aan dat het beste bij u past.

  • 1.1 Ik ben een:

    • Man

    • Vrouw

  • 1.2 Ik ben:

    • In Nederland geboren

    • Niet in Nederland geboren

  • 1.3 Hoe oud bent u? (vul uw leeftijd in)

    Ik ben .......... jaar

  • 1.4 De hoogste opleiding die ik heb afgemaakt:

    • Speciaal onderwijs op de basisschool

    • De basisschool

    • Speciaal onderwijs op de middelbare school / het voortgezet onderwijs

    • De middelbare school / het voortgezet onderwijs

    • Iets wat lijkt op of gelijk is aan het MBO (Middelbare Beroepsopleiding) van nu

    • Iets wat lijkt op of gelijk is aan het HBO (Hogere Beroepsopleiding) van nu

    • Iets wat lijkt op of gelijk is aan de Universiteit van nu

    • Anders: ..............

  • 1.5 Ik heb:

    • 5 Jaar of minder op school gezeten

    • Tussen de 6 en 10 jaar op school gezeten

    • Tussen de 11 en 15 jaar op school gezeten

    • Meer dan 16 jaar op school gezeten

  • 1.6 Ik heb vroeger:

    • Wel een diploma voor een beroepsopleiding gehaald (minimaal MBO niveau 2) of het HBO of de Universiteit afgerond

    • Geen diploma voor een beroepsopleiding gehaald (minimaal MBO niveau 2)

  • 1.7 In welke gemeente woont u? (vul de naam in)

    ...............

  • 1.8 Hoe heet de organisatie waar u nu werkt? (vul de naam in)

    ..............

  • 1.9 In welke plaats is uw organisatie gevestigd? (vul de naam in)

    ...............

  • 1.10 Hoe heet de opleiding die u gaat volgen? (vul de naam in)

  • 1.11 Ik ben:

    • Werknemer en geef aan niemand leiding

    • Werknemer en geef leiding aan 1–5 personen

    • Werknemer en geef leiding aan meer dan 5 personen

    • Niet van toepassing

  • 1.12 Hoe vaak heeft u zich het afgelopen half jaar ziek gemeld?

    • Nooit

    • 1 keer

    • 2 keer

    • 3 keer

    • 4 keer

    • 5 keer

    • Meer dan 5 keer

  • 1.13 Als u de dagen optelt, hoeveel dagen bent u het afgelopen half jaar dan ziek geweest (vul het aantal dagen in)

    • Ik ben .......... dagen ziek geweest

Onderdeel 2a: Taal op het werk

U leest een paar uitspraken. Passen deze uitspraken bij u? Dat kan u aangeven door aan elke uitspraak een cijfer te geven van het cijfer 1 tot en met het cijfer 10 Cijfer 1 betekent: Past helemaal NIET bij mij en cijfer 10 betekent: Past helemaal bij mij. Geef aan elke uitspraak één cijfer voor hoe goed de uitspraak bij u past en kruis het hokje aan.
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

2.1

Ik begrijp tijdens de lunchpauze wat collega’s zeggen

                   

2.2

Ik kan met collega’s een gesprek voeren

                   

2.3

Ik kan een briefje naar mijn leidinggevende schrijven

                   

2.4

Ik kan een brief of verslag van het werk lezen

                   

2.5

Ik kan de veiligheidsinstructies op het werk lezen

                   

2.6

Ik kan een briefje naar mijn collega’s schrijven

                   

2.7

Ik kan tegen mijn leidinggevende zeggen dat ik het ergens niet mee eens ben

                   

2.8

Ik kan met een collega overleggen over wie welke taken moet doen

                   

2.9

Ik begrijp in een vergadering wat er gezegd wordt

                   

2.10

Ik kan op het werkrooster lezen wanneer ik moet werken

                   

2.11

Ik kan formulieren op mijn werk invullen

                   

Onderdeel 3A: Wat doe ik?

U leest een paar uitspraken. Passen deze uitspraken bij u? Dat kan u aangeven door aan elke uitspraak een cijfer te geven van het cijfer 1 tot en met het cijfer 10 Cijfer 1 betekent: Past helemaal NIET bij mij en cijfer 10 betekent: Past helemaal bij mij. Geef aan elke uitspraak één cijfer voor hoe goed de uitspraak bij u past en kruis het hokje aan.
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

3.1

Ik doe activiteiten buitenshuis

                   

3.2

Ik ontmoet voldoende mensen

                   

3.3

Ik doe nieuwe contacten op

                   

3.4

Ik ervaar nieuwe contacten als heel positief

                   
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

3.5

Ik ga de natuur in

                   

3.6

Ik werk in de tuin

                   

3.7

Ik heb voldoende lichaamsbeweging

                   

3.8

Ik neem deel aan sportactiviteiten

                   

Onderdeel 3B: De mensen om me heen

Kruis achter elke uitspraak één hokje aan in welke mate de uitspraak bij u past. Kies nu voor ja, min of meer of nee.
  uitspraak

Ja

Min of meer

Nee

3.9

Er is altijd wel iemand in mijn omgeving waar ik naar toe kan met mijn dagelijkse problemen

     

3.10

Ik mis een echte goede vriend of vriendin

     

3.11

Ik ervaar een leegte om mij heen

     

3.12

Er zijn genoeg mensen waar ik naar toe kan als ik problemen heb

     

3.13

Ik mis gezelligheid om mij heen

     

3.14

Ik vind mijn kennissenkring te klein

     

3.15

Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen

     

3.16

Er zijn genoeg mensen met wie ik me nauw verbonden voel

     

3.17

Ik mis mensen om mij heen

     

3.18

Vaak voel ik me alleen

     

3.19

Wanneer ik daar behoefte aan heb kan ik altijd bij mijn vrienden terecht

     
Dank u wel voor het invullen van de vragenlijst
Bijlage 257654.png

Vragenlijst 2 deelnemer taalcursus voor werknemers

(in te vullen na afloop van de cursus)

Vragenlijst 2

U heeft deelgenomen aan een taalcursus op het werk.

Wij willen graag weten:

Wat leert u hier van?

Wilt u deze vragenlijst invullen?

U hoeft uw naam niet op te geven.

De docent zet een nummer op het voorblad van deze vragenlijst.

U heeft aan het begin van de taalcursus dezelfde vragenlijst ingevuld.

Daar heeft de docent hetzelfde nummer op gezet. Dat is voor ons belangrijk.

Dan weten wij welke twee lijsten bij elkaar horen.

Uw naam wordt niet gebruikt.

U kunt dus alles eerlijk invullen.

Dank u wel voor het invullen van deze vragenlijst.

Onderzoeksnummer: .............. (in te vullen door opleider)

Onderdeel 1: Algemene gegevens

Kruis bij elke vraag het hokje aan dat het beste bij u past.

  • 1.1 Ik ben een:

    • Man

    • Vrouw

  • 1.2 Ik ben:

    • In Nederland geboren

    • Niet in Nederland geboren

  • 1.3 Hoe oud bent u? (vul uw leeftijd in)

    Ik ben .......... jaar

Vraag 1.4, 1.5 en 1.6 worden overgeslagen.
  • 1.7 In welke gemeente woont u? (vul de naam in)

    ..............

  • 1.8 Hoe heet de organisatie waar u nu werkt? (vul de naam in)

  • 1.9 In welke plaats is uw organisatie gevestigd? (vul de naam in)

Vraag 1.10 en 1.11 worden overgeslagen.
  • 1.12 Hoe vaak heeft u zich het afgelopen half jaar ziek gemeld?

    • Nooit

    • 1 keer

    • 2 keer

    • 3 keer

    • 4 keer

    • 5 keer

    • Meer dan 5 keer

  • 1.13 Als u de dagen optelt, hoeveel dagen bent u het afgelopen half jaar dan ziek geweest (vul het aantal dagen in)

    • Ik ben ............ dagen ziek geweest

Onderdeel 2a: Taal op het werk

U leest een paar uitspraken. Passen deze uitspraken bij u? Dat kan u aangeven door aan elke uitspraak een cijfer te geven van het cijfer 1 tot en met het cijfer 10 Cijfer 1 betekent: Past helemaal NIET bij mij en cijfer 10 betekent: Past helemaal bij mij. Geef aan elke uitspraak één cijfer voor hoe goed de uitspraak bij u past en kruis het hokje aan.
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

2.1

Ik begrijp tijdens de lunchpauze wat collega’s zeggen

                   

2.2

Ik kan met collega’s een gesprek voeren

                   

2.3

Ik kan een briefje naar mijn leidinggevende schrijven

                   

2.4

Ik kan een brief of verslag van het werk lezen

                   

2.5

Ik kan de veiligheidsinstructies op het werk lezen

                   

2.6

Ik kan een briefje naar mijn collega’s schrijven

                   

2.7

Ik kan tegen mijn leidinggevende zeggen dat ik het ergens niet mee eens ben

                   

2.8

Ik kan met een collega overleggen over wie welke taken moet doen

                   

2.9

Ik begrijp in een vergadering wat er gezegd wordt

                   

2.10

Ik kan op het werkrooster lezen wanneer ik moet werken

                   

2.11

Ik kan formulieren op mijn werk invullen

                   

Onderdeel 2b: Mijn werk

U heeft een cursus gevolgd. U heeft nieuwe kennis, vaardigheden en een houding aangeleerd. In welke mate heeft u dit geholpen? Dat kan u aangeven door aan elke uitspraak een cijfer te geven van het cijfer 1 tot en met het cijfer 10 Cijfer 1 betekent: Past helemaal NIET bij mij en cijfer 10 betekent: Past helemaal bij mij. Geef aan elke uitspraak één cijfer voor hoe goed de uitspraak bij u past en kruis het hokje aan.
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

2.12

Het gebruiken van de nieuwe kennis, vaardigheden en houding heeft me geholpen mijn werk te verbeteren

                   

2.13

Ik kan mijn taken op het werk sneller doen dan voor de cursus

                   

2.14

Ik heb mijn taken op het werk sneller gedaan dan voor de cursus

                   

2.15

Ik kan mijn taken op het werk beter doen door het gebruiken van nieuwe kennis, vaardigheden en houding

                   

2.16

De kwaliteit van mijn werk is verbeterd na het gebruiken van de nieuwe kennis, vaardigheden en houding

                   

2.17

Ik maak minder fouten tijdens mijn werk als ik nieuwe kennis, vaardigheden en houding gebruik

                   

Onderdeel 3A: Wat doe ik?

U leest een paar uitspraken. Passen deze uitspraken bij u? Dat kan u aangeven door aan elke uitspraak een cijfer te geven van het cijfer 1 tot en met het cijfer 10 Cijfer 1 betekent: Past helemaal NIET bij mij en cijfer 10 betekent: Past helemaal bij mij. Geef aan elke uitspraak één cijfer voor hoe goed de uitspraak bij u past en kruis het hokje aan.
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

3.1

Ik doe activiteiten buitenshuis

                   

3.2

Ik ontmoet voldoende mensen

                   

3.3

Ik doe nieuwe contacten op

                   

3.4

Ik ervaar nieuwe contacten als heel positief

                   
   

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

3.5

Ik ga de natuur in

                   

3.6

Ik werk in de tuin

                   

3.7

Ik heb voldoende lichaamsbeweging

                   

3.8

Ik neem deel aan sportactiviteiten

                   

Onderdeel 3B: De mensen om me heen

Kruis achter elke uitspraak één hokje aan in welke mate de uitspraak bij u past. Kies nu voor ja, min of meer of nee.
  uitspraak

Ja

Min of meer

Nee

3.9

Er is altijd wel iemand in mijn omgeving waar ik naar toe kan met mijn dagelijkse problemen

     

3.10

Ik mis een echte goede vriend of vriendin

     

3.11

Ik ervaar een leegte om mij heen

     

3.12

Er zijn genoeg mensen waar ik naar toe kan als ik problemen heb

     

3.13

Ik mis gezelligheid om mij heen

     

3.14

Ik vind mijn kennissenkring te klein

     

3.15

Ik heb veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen

     

3.16

Er zijn genoeg mensen met wie ik me nauw verbonden voel

     

3.17

Ik mis mensen om mij heen

     

3.18

Vaak voel ik me alleen

     

3.19

Wanneer ik daar behoefte aan heb kan ik altijd bij mijn vrienden terecht

     
Dank u wel voor het invullen van de vragenlijst
  • ^ [1]

    Hier is een zorgaanbieder gedefinieerd als een instelling dan wel een solistisch werkende zorgverlener, zijnde een natuurlijke persoon die beroepsmatig zorg verleent.

    http://wetten.overheid.nl/BWBR0037173/2016-01-01