Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo[Regeling vervalt per 01-01-2020.]

Geldend van 23-11-2016 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 augustus 2016, nr. VO/937567, houdende regels voor het verstrekken van resultaatafhankelijke bekostiging ten behoeve van de aanpak van voortijdig schoolverlaten (Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 74 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Gegevens berekening nieuwe voortijdig schoolverlaters

  • 2 Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters wordt berekend op grond van de berekeningswijze in bijlage 1.

Artikel 3. Verstrekking aanvullende bekostiging

  • 1 De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2017 en 2018 ambtshalve aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van scholen die bijdragen aan het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters per jaar, gemeten over het schooljaar 2019–2020.

  • 2 Het vaste bedrag wordt telkens voor één jaar verstrekt en betaald in de maand november voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

  • 3 Het variabele bedrag wordt telkens voor één jaar verstrekt en betaald in de maand november volgend op het desbetreffende kalenderjaar.

Artikel 4. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4 en 6.

Artikel 5. Besteding en verantwoording aanvullende bekostiging

  • 1 De aanvullende bekostiging kan worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 6. Bekostigingsplafond

  • 1 Voor de kalenderjaren 2017 en 2018 is voor het verstrekken van het vaste bedrag en het variabele bedrag jaarlijks maximaal € 17.100.000 beschikbaar.

  • 2 Van het bekostigingsplafond, bedoeld in het eerste lid, is in de kalenderjaren 2017 en 2018 jaarlijks:

    • a. € 8.550.000 bedoeld voor het vaste bedrag; en

    • b. € 8.550.000 bedoeld voor het variabele bedrag.

  • 3 Het variabele bedrag bestaat uit:

    • a. het prestatienormbedrag; en

    • b. het bedrag voor behoud of verbetering.

  • 4 Indien het deel van het bekostigingsplafond dat is bestemd voor respectievelijk het vaste dan wel het variabele bedrag wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende bekostiging naar evenredigheid per school verlaagd.

Artikel 7. Verdeling niet-uitgeputte middelen

  • 1 Indien het bekostigingsplafond voor de kalenderjaren 2017 en 2018, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende deel verdeeld over de scholen die in het betreffende kalenderjaar aanspraak maakten op een deel van het vaste bedrag. De verstrekking en betaling geschieden in de maand maart, twee jaar volgend op het kalenderjaar waarvoor het bekostigingsplafond is ingesteld.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verdeling geschiedt naar rato van het percentage dat scholen hebben ontvangen voor het vaste bedrag in verhouding tot het landelijke totaal van de uitgekeerde vaste bedragen. Het percentage wordt per school berekend door het vaste bedrag dat de school heeft ontvangen te delen door het totaal van de verstrekte vaste bedragen. De school krijgt dientengevolge een zelfde percentage van het resterende deel, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8. Verdelingswijze en peilmomenten

  • 1 Het vaste bedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 9 genoemde berekeningswijze.

  • 2 Het prestatienormbedrag wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 10 genoemde berekeningswijze.

  • 3 Het bedrag voor behoud of verbetering wordt verdeeld over de scholen conform de in artikel 11 genoemde berekeningswijze.

  • 4 Bij de berekening van het vaste bedrag, bedoeld in artikel 9, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar per schoolsoort en leerjaren die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

    • a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2015;

    • b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2016.

  • 5 Bij de berekening van het variabele bedrag, bedoeld in de artikelen 10 en 11, wordt het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld, jaarlijks per schoolsoort en leerjaren bepaald op grond van de volgende peilmomenten:

    • a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2016.

    • b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2017.

Artikel 9. Berekeningswijze vaste bedrag

  • 1 De hoogte van het vaste bedrag per school wordt vastgesteld aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar die als daadwerkelijk schoolgaand zijn ingeschreven bij een school en voor de bekostiging worden meegeteld.

  • 2 De hoogte van het vaste bedrag per school wordt vastgesteld op grond van tabel 1.

    Tabel 1. Maximumbedragen beschikbaar per school

    aantal leerlingen tot 22 jaar per school

    bedrag per school

    10 – 900

    € 9.000

    901 – 1400

    € 12.000

    1401 – 1900

    € 16.000

    1901 – 2500

    € 17.500

    2501 – 4000

    € 22.500

    meer dan 4000

    € 40.000

Artikel 10. Berekeningswijze prestatienormbedrag

  • 1 De hoogte van het prestatienormbedrag per school wordt per jaar vastgesteld aan de hand van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo van die school ten opzichte van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo.

  • 2 De uitkomst van de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

  • 3 Indien het percentage, bedoeld in het tweede lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm voor de betreffende schoolsoort en leerjaren, genoemd in tabel 2, dan komt de school in aanmerking voor het prestatienormbedrag.

  • 4 De hoogte van het prestatienormbedrag per school wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo, genoemd in tabel 3.

    Tabel 2. Procentuele norm nieuwe voortijdig schoolverlaters
     

    onderbouw

    bovenbouw vmbo

    bovenbouw havo/vwo

    2016–2017

    0,75%

    3,0%

    0,5%

    2017–2018

    0,5%

    2,0%

    0,5%

    Tabel 3. Prestatienormbedrag per school (verdeeld naar schoolsoort en leerjaren)
     

    aantal leerlingen tot 22 jaar

    bedrag per school

    onderbouw    
     

    10 – 900

    € 1.750

     

    901 – 1400

    € 3.750

     

    meer dan 1400

    € 5.750

    bovenbouw van het vmbo    
     

    10 – 450

    € 1.750

     

    451 – 750

    € 3.750

     

    meer dan 750

    € 5.750

    bovenbouw van het havo en vwo    
     

    10 – 475

    € 1.750

     

    476 – 675

    € 3.750

     

    meer dan 675

    € 5.750

Artikel 11. Berekeningswijze bedrag voor behoud of verbetering

  • 1 Om in aanmerking te komen voor een deel van het bedrag voor behoud of verbetering, dient een school voor een schoolsoort en leerjaren aanspraak te maken op een deel van het prestatienormbedrag en dient het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in die betreffende schoolsoort en leerjaren op de school minder of gelijk te zijn aan het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in het kalenderjaar ervoor.

  • 2 De hoogte van het bedrag voor behoud of verbetering per school wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen tot 22 jaar in respectievelijk de onderbouw, de bovenbouw van het vmbo en de bovenbouw van het havo en vwo, genoemd in tabel 4.

    Tabel 4. Bedrag voor behoud of verbetering per school (verdeeld naar schoolsoort en leerjaren)
     

    aantal leerlingen tot 22 jaar

    bedrag per school

    onderbouw    
     

    10 – 900

    € 3.000

     

    901 – 1400

    € 6.000

     

    meer dan 1400

    € 9.000

    bovenbouw van het vmbo    
     

    10 – 450

    € 3.000

     

    451 – 750

    € 6.000

     

    meer dan 750

    € 9.000

    bovenbouw van het havo en vwo    
     

    10 – 475

    € 3.000

     

    476 – 675

    € 6.000

     

    meer dan 675

    € 9.000

Artikel 12. Hardheidsclausule

  • 1 Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage 1, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit leidt tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende school, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, bedoeld in tabel 2.

  • 2 Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een school de toepassing van de peilmomenten, bedoeld in artikel 8, vierde en vijfde lid, voor het vaste bedrag of het prestatienormbedrag zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Artikel 13. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt per 1 januari 2020.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo.

De

Staatssecretaris

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S. Dekker

Bijlage 1. behorende bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo

Berekeningswijze aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per school inzake het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters in de studiejaren 2016–2017 en 2017–2018

Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. teldatum: datum waarop het aantal inschrijvingen per onderwijsinstelling bij aanvang van het schooljaar wordt gemeten. Het betreft hier de datum van 1 oktober

  • b. vavo: het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;

  • c. Examenresultatenregister: de registratie door Dienst Uitvoering Onderwijs van examenresultaten in het voortgezet onderwijs op basis de Wet voortgezet onderwijs. Het Examenresultatenregister omvat een overzicht van behaalde examenresultaten vanaf schooljaar 1998/1999. Vanaf schooljaar 2005/2006 zijn deze gegevens onderdeel van het Basisregister;

  • d. startkwalificatie: diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • e. basisregister: basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

  • f. niet-bekostigd voorgezet onderwijs: scholen die op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn aangewezen;

  • g. niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • h. Register vrijstellingen LPW: het register waarin de vrijstellingen als bedoeld in artikel 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet staan geregistreerd;

  • k. register van het UWV: Polisadministratie zoals bedoeld in de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten;

  • i. schooljaar of, studiejaar: het jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;

  • j. collegejaar: het jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend.

Berekeningswijze voor het voortgezet onderwijs

Voor het voortgezet onderwijs wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in drie categorieën ingedeeld: onderbouw (inclusief brug 3), bovenbouw vmbo (inclusief vm2) en bovenbouw havo/vwo. De leerlingen van het vo die uitbesteed zijn naar een roc voor een opleiding vavo (de zogenaamde Rutte-leerlingen) blijven ingeschreven staan op de school en tellen als zodanig mee op de school als leerling en mogelijk als nieuwe voortijdig schoolverlater.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per school per categorie per schooljaar (t) wordt door de minister berekend op basis van de volgende formule:

X= A – (B1+B2+B3) – (C1+C2+C3+C4+C5+C6+C7+C8 +C9) – (D1+D2)

Waarbij:

X = Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per school per categorie per schooljaar (t) in het voortgezet onderwijs

A = (ook wel startpopulatie genoemd) het aantal jongeren per categorie in de leeftijd tot 22 jaar dat op de teldatum bij aanvang van het schooljaar (t) door de onderwijsinstelling:

  • als leerling is ingeschreven en voor bekostiging in het voortgezet onderwijs wordt meegeteld;

  • het geen leerlingen betreft aan het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs;

  • het geen leerlingen betreft die bekend staan als eerstejaars nieuwkomers conform de Regeling Leerplusarrangement VO, Nieuwkomers VO en eerste opvang Vreemdelingen 2009; en

  • het geen leerlingen betreft aan de Engelse Stroom of Internationaal Baccelaureaat.

B = Het aantal jongeren onder B is de som van B1, B2 en B3:

B1: het aantal jongeren onder A dat voor of op teldatum t + 1 is overleden of geëmigreerd naar het buitenland. Deze gegevens worden ontleend aan de basisregistratie personen;

B2: het aantal jongeren onder A dat woonachtig is in het buitenland of zonder vaste woon- of verblijfplaats is op teldatum t of op teldatum t + 1;

B3: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t + 1 onder de vrijstellingen van de artikelen 5 en 15 van de Leerplichtwet 1969 valt en als zodanig is bevestigd door de leerplichtambtenaar in het Register vrijstellingen LPW;

C = Het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende schooljaar (t + 1) nog een opleiding volgt. De opleiding kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding zijn aan dezelfde of een andere instelling dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

C1: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende schooljaar (t + 1) nog steeds is ingeschreven als leerling in het voortgezet onderwijs op basis van gegevens zoals geregistreerd in het basisregister;

C2: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als deelnemer is ingeschreven en voor bekostiging wordt meegeteld in het middelbaar beroepsonderwijs en als zodanig geregistreerd in het basisregister;

C3: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als vavo-deelnemer is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C4: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 is ingeschreven in het hoger onderwijs zoals geregistreerd in het basisregister;

C5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C6: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als leerling in het niet-bekostigd voorgezet onderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C7: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C8: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als leerling is ingeschreven binnen een traject zijnde onderdeel van een met de Onderwijsinspectie afgesproken maatschappelijke prestatie;

C9: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer aan de politieschool of defensieopleidingen is ingeschreven op basis van het register van het UWV;

D = Het aantal jongeren onder A dat gedurende schooljaar (t) is uitgeschreven met een startkwalificatie. D is de som van:

D1: het aantal jongeren onder A dat gedurende schooljaar (t) een startkwalificatie heeft behaald zoals geregistreerd in het basisregister;

D2: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf begin 1998/1999 tot aan schooljaar (t) reeds een startkwalificatie heeft behaald in het voortgezet onderwijs zoals geregistreerd in het Examenresultatenregister of in het basisregister