Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit slachtoffers van strafbare feiten

Geldend van 01-04-2017 t/m heden

Besluit van 24 augustus 2016, houdende regels voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (Besluit slachtoffers van strafbare feiten)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 juni 2016, nr. 768965, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 51aa, derde lid, 51ab, tweede lid en 51h, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 juli 2016, nr. W03.16.0144/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 augustus 2016, nr. 791601;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Instellingen voor slachtofferhulp

Artikel 2

  • 1 Het slachtoffer heeft, rekening houdend met zijn behoeften, voor, tijdens en gedurende een passende termijn na het strafproces kosteloos toegang tot slachtofferhulporganisaties.

  • 2 De slachtofferhulporganisaties handelen in het belang van het slachtoffer, met inachtneming van passende bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  • 3 De familieleden van het slachtoffer hebben toegang tot slachtofferhulporganisaties, rekening houdend met hun behoeften en de mate waarin zij schade hebben geleden als gevolg van het tegen het slachtoffer gepleegde strafbare feit.

  • 4 De beschikbaarheid van slachtofferhulp, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is niet afhankelijk van het doen van aangifte door het slachtoffer van een strafbaar feit.

Artikel 3

  • 1 De slachtofferhulporganisaties zorgen ten minste voor:

    • a. informatie, advies en ondersteuning die relevant is voor de rechten van het slachtoffer, onder meer inzake toegang tot procedures voor vergoeding van schade als gevolg van strafbare feiten, en over de rol van het slachtoffer in het strafproces, onder meer ter voorbereiding op het bijwonen van de terechtzitting;

    • b. informatie over of rechtstreekse doorverwijzing naar relevante bestaande gespecialiseerde hulporganisaties;

    • c. emotionele en, waar beschikbaar, psychologische ondersteuning;

    • d. advies over financiële en praktische kwesties naar aanleiding van het strafbare feit;

    • e. advies over het risico en het voorkomen van secundaire en herhaalde victimisatie, van intimidatie en van vergelding, tenzij anderszins verstrekt door andere openbare of particuliere organisaties.

  • 2 De slachtofferhulporganisaties schenken bijzondere aandacht aan de specifieke behoeften van slachtoffers die aanzienlijke schade hebben geleden als gevolg van de ernst van het strafbare feit.

Artikel 4

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven betreffende de toegang bedoeld in artikel 2, eerste lid van slachtoffers en hun familieleden tot instellingen voor slachtofferhulp, de voorwaarden voor deze toegang, organisatie en werkzaamheden van instellingen voor slachtofferhulp.

Hoofdstuk 3. Informatie over rechten en voorzieningen

Artikel 5

De opsporingsambtenaar of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, verstrekt het slachtoffer bij zijn eerste contact met de betrokken opsporingsambtenaar onverwijld informatie betreffende:

  • a. het soort ondersteuning dat het slachtoffer kan krijgen en van wie hij deze kan krijgen, waaronder, indien van belang, basisinformatie over de toegang tot medische zorg, gespecialiseerde ondersteuning, waaronder psychologische zorg en alternatieve huisvesting;

  • b. het verloop van de procedures omtrent de aangifte van een strafbaar feit en de rol die het slachtoffer in die procedures heeft;

  • c. de wijze waarop het slachtoffer bescherming kan krijgen, waaronder beschermingsmaatregelen en de hiervoor geldende voorwaarden;

  • d. de wijze waarop het slachtoffer toegang krijgt tot juridisch advies, rechtsbijstand en andere vormen van advies en de hiervoor geldende voorwaarden;

  • e. de wijze waarop het slachtoffer schadevergoeding kan verkrijgen en de hiervoor geldende voorwaarden;

  • f. de wijze waarop het slachtoffer aanspraak kan maken op vertolking en vertaling en de hiervoor geldende voorwaarden;

  • g. de beschikbare bijzondere maatregelen, procedures of regelingen om de belangen van het slachtoffer te beschermen in de lidstaat waar het eerste contact met de bevoegde autoriteit plaatsvindt, indien het slachtoffer woonachtig is in een andere lidstaat dan die waarin het strafbare feit werd gepleegd;

  • h. de beschikbare procedures om klachten in te dienen als de bevoegde autoriteit, die in het kader van het strafproces optreedt, zijn rechten niet eerbiedigt;

  • i. de contactgegevens voor communicatie over zijn zaak;

  • j. de beschikbare herstelrechtvoorzieningen;

  • k. de wijze waarop het slachtoffer de kosten als gevolg van zijn deelname aan de strafprocedure vergoed kan krijgen en de hierbij geldende voorwaarden.

Artikel 6

  • 1 De omvang en gedetailleerdheid van de informatie, bedoeld in artikel 5, kan verschillen afhankelijk van de specifieke behoeften en persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer en de aard van het strafbare feit.

  • 2 Afhankelijk van de behoeften van het slachtoffer en het belang van dergelijke informatie in iedere fase van het strafproces, kan de opsporingsambtenaar in een later stadium meer gedetailleerde informatie dan genoemd in artikel 5, aan het slachtoffer verstrekken.

Artikel 7

  • 1 Er worden passende maatregelen genomen om het slachtoffer bij zijn contacten met autoriteiten in het kader van het strafproces, indien nodig, te helpen om deze autoriteiten te begrijpen en zelf als slachtoffer te worden begrepen.

  • 2 Indien de informatie als bedoeld in artikel 5 wordt verstrekt en het slachtoffer de Nederlandse taal niet of onvoldoende begrijpt, dan wordt op verzoek van het slachtoffer deze informatie verstrekt in een taal die het slachtoffer begrijpt of wordt hem de nodige taalkundige bijstand geboden.

Artikel 8

Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven betreffende de inhoud en wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in artikel 5, de omvang en gedetailleerdheid van de informatie, bedoeld in artikel 6 en de maatregelen, bedoeld in artikel 7.

Hoofdstuk 4. Maatregelen tot bescherming

Artikel 9

  • 1 Tijdens het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting:

    • a. loopt de ondervraging van het slachtoffer geen onnodige vertraging op nadat aangifte van het strafbare feit is gedaan;

    • b. wordt het aantal ondervragingen van het slachtoffer tot het minimum beperkt en vindt ondervraging alleen plaats als dat strikt noodzakelijk is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek;

    • c. worden er over het privéleven van het slachtoffer alleen vragen gesteld die nodig zijn en verband houden met het strafbare feit;

    • d. worden medische onderzoeken tot een minimum beperkt en alleen uitgevoerd indien dat strikt noodzakelijk is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven betreffende:

    • a. maatregelen tot bescherming van slachtoffers, waaronder in het bijzonder minderjarige slachtoffers, en hun familieleden;

    • b. de voorwaarden waaronder contact tussen het slachtoffer en, zo nodig, zijn familieleden, en de verdachte of veroordeelde kan worden vermeden in gebouwen waar het strafproces plaats heeft, tenzij het strafproces dit vereist;

    • c. het voorzien in afzonderlijke wachtruimten voor slachtoffers in nieuwe gerechtsgebouwen.

Hoofdstuk 5. Individuele beoordeling, specifieke beschermingsbehoeften, bijzondere maatregelen en minderjarigen

Artikel 10

  • 1 De opsporingsambtenaar, of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing van strafbare feiten tot taak heeft, zorgt ervoor dat het slachtoffer, tijdens of zo spoedig mogelijk na het eerste contact, een tijdige en individuele beoordeling krijgt om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen en om te bepalen of en in welke mate het slachtoffer tijdens het strafproces en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van bijzondere maatregelen gebruik moet kunnen maken, gelet op zijn bijzondere kwetsbaarheid voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding.

  • 2 De individuele beoordeling houdt in het bijzonder rekening met:

    • a. de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer;

    • b. het soort strafbaar feit of de aard van het strafbare feit, en

    • c. de omstandigheden van het strafbare feit.

  • 3 Bij de individuele beoordeling wordt bijzondere aandacht besteed aan:

    • a. slachtoffers die aanzienlijke schade hebben geleden als gevolg van de ernst van het strafbare feit;

    • b. slachtoffers van strafbare feiten die zijn ingegeven door vooroordelen of discriminatie die in het bijzonder verband kunnen houden met hun persoonlijke kenmerken;

    • c. slachtoffers wier relatie met en afhankelijkheid van de verdachte of veroordeelde hen bijzonder kwetsbaar maken.

  • 4 De omvang en gedetailleerdheid van de individuele beoordeling is afhankelijk van de ernst van het strafbare feit en de schade die het slachtoffer kennelijk heeft geleden.

  • 5 Het slachtoffer wordt nauw bij de individuele beoordeling betrokken. Tevens worden zijn wensen in overweging genomen, waaronder de wens om geen aanspraak te maken op bijzondere maatregelen, als bedoeld in artikel 11, 12 en 14.

  • 6 De individuele beoordeling wordt gedurende het strafproces en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen zo nodig aangepast aan de actuele situatie.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven betreffende de toepassing van de individuele beoordeling.

Artikel 11

Tijdens het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting kunnen de volgende maatregelen worden genomen voor het overeenkomstig artikel 10, eerste lid, geïdentificeerde slachtoffer met specifieke beschermingsbehoeften:

  • a. het verhoor van het slachtoffer wordt gedaan in een daarvoor ontworpen of aangepaste ruimte;

  • b. het verhoor van het slachtoffer wordt gedaan door of via personen die daarvoor professioneel zijn opgeleid;

  • c. alle verhoren van het slachtoffer worden gedaan door dezelfde personen, tenzij dit indruist tegen de goede rechtsbedeling;

  • d. alle verhoren van het slachtoffer van seksueel geweld, gender-gerelateerd geweld of geweld in hechte relaties worden, tenzij hij door een officier van justitie of een rechter wordt ondervraagd, indien het slachtoffer dat wenst, gedaan door een persoon van hetzelfde geslacht als het slachtoffer, mits dit geen afbreuk doet aan het verloop van het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting.

Artikel 12

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kunnen de volgende maatregelen worden genomen voor het overeenkomstig artikel 10, eerste lid, geïdentificeerde slachtoffer met specifieke beschermingsbehoeften:

Artikel 13

  • 1 Minderjarige slachtoffers worden beschouwd als slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften. Zij krijgen een individuele beoordeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, teneinde te bepalen of en in welke mate zij in aanmerking komen voor bijzondere maatregelen, als bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14.

  • 2 Indien er onzekerheid bestaat over de leeftijd van een slachtoffer en er voldoende reden is om aan te nemen dat het slachtoffer minderjarig is, dan wordt het slachtoffer voor de toepassing van dit besluit verondersteld minderjarig te zijn.

Artikel 14

Als het slachtoffer minderjarig is dan kunnen, naast de maatregelen bedoeld in artikel 11, de volgende maatregelen worden getroffen, voor het voorbereidend onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting:

  • a. van elke ondervraging van het minderjarige slachtoffer wordt een audiovisuele opname gemaakt, die overeenkomstig de wet, in het bijzonder de artikelen 338 tot en met 344a, in het strafproces als bewijsmiddel kan worden gebruikt;

  • b. indien er een belangenconflict is tussen de uitoefenaren van het ouderlijk gezag of de voogdij en het minderjarige slachtoffer wordt artikel 250 in samenhang met artikel 247, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig toegepast;

  • c. indien er een belangenconflict is of kan bestaan tussen het minderjarige slachtoffer en de personen die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefenen, komt het recht op bijstand en op vertegenwoordiging door een advocaat toe aan het minderjarige slachtoffer, overeenkomstig artikel 51c, tweede en derde lid van de wet.

Artikel 15

  • 1 Bij het horen van een minderjarig slachtoffer worden de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de minderjarige op passende wijze in aanmerking genomen.

  • 2 Het minderjarige slachtoffer of zijn wettelijk vertegenwoordiger of bijzondere curator, als bedoeld in artikel 250 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden geïnformeerd over alle rechten en maatregelen die specifiek verband houden met het minderjarige slachtoffer.

Artikel 16

  • 1 De maatregelen bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 worden alleen genomen indien hierdoor de rechten van de verdediging niet worden geschaad.

  • 2 Van een maatregel bedoeld in de artikelen 11 en 12, onder a en b, kan worden afgezien als:

    • a. deze wegens operationele of praktische beperkingen niet realiseerbaar is, of

    • b. het noodzakelijk is het slachtoffer dringend te ondervragen en

    het slachtoffer zelf of een derde schade kan lijden of afbreuk kan worden gedaan aan de rechtsgang, indien het ondervragen wordt uitgesteld of achterwege blijft.

  • 3 De maatregelen bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 kunnen worden genomen, naast andere beschikbare maatregelen.

Hoofdstuk 6. Herstelrechtvoorzieningen

Artikel 17

Bij de toepassing van herstelrechtvoorzieningen, bedoeld in artikel 51h van de wet, worden maatregelen getroffen om slachtoffers te vrijwaren van secundaire en herhaalde victimisatie, van intimidatie en van vergelding.

Artikel 18

  • 1 De herstelrechtvoorzieningen, bedoeld in artikel 51h van de wet, worden toegepast onder de volgende voorwaarden:

    • a. van de herstelrechtvoorzieningen wordt alleen gebruik gemaakt in het belang van het slachtoffer, na afweging van de veiligheidsaspecten, en met diens vrijwillige en met kennis van zaken gegeven toestemming die te allen tijde mag worden ingetrokken;

    • b. alvorens toe te stemmen in deelname aan herstelrechtvoorzieningen, ontvangt het slachtoffer volledige en objectieve informatie over dat proces en de mogelijke resultaten ervan, alsook informatie over de procedures volgens welke erop zal worden toegezien dat een eventuele overeenkomst wordt uitgevoerd;

    • c. de verdachte of veroordeelde heeft de feiten die aan de zaak ten grondslag liggen, erkend;

    • d. de overeenkomst, als bedoeld in artikel 51h, tweede lid, van de wet komt vrijwillig tot stand;

    • e. hetgeen in het kader van de toepassing artikel 51h van de wet buiten de openbaarheid wordt behandeld, is vertrouwelijk en wordt niet bekendgemaakt, tenzij de partijen daarin toestemmen.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de toepassing van herstelrechtvoorzieningen.

Hoofdstuk 7. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 19

Deze regeling treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Besluit slachtoffers van strafbare feiten.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 24 augustus 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Uitgegeven de vijfde september 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur