Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit vaststelling beleidsregels verstrekken subsidie (onderdeel 1 Dutch Trade and Investment Fund)[Regeling vervalt per 01-01-2022.]

Geldend van 01-09-2016 t/m heden

Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 24 augustus 2016 tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverstrekking in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, met het oog op het stimuleren van investeringen in DTIF-landen door ondernemingen, door middel van het verstrekken van financiering, gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

  • 1 Voor de toepassing van dit besluit geldt voor de periode van 1 september 2016 t/m 31 december 2021 een subsidieplafond van in totaal € 79.017.000. Dit bedrag is uitgesplitst naar een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken leningen ter hoogte van € 45.717.000,– en een deelplafond voor de op grond van de beleidsregels te verstrekken aanspraken op garantstelling ter hoogte van € 33.300.000.

  • 2 Niet benutte middelen van een deelplafond kunnen worden toegevoegd aan het andere deelplafond.

  • 3 Bij de berekening van het voor subsidieverstrekking ten laste van dit plafond beschikbare bedrag worden verstrekte middelen die op grond van de met de subsidie samenhangende verplichtingen door de subsidieontvangers aan de minister zijn terugbetaald toegerekend aan het plafond.

Artikel 3

Aanvragen worden in volgorde van binnenkomst behandeld.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2016 en vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit wordt met de bijlage in de Staatscourant geplaatst.

De

Minister

voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
namens deze,

de directeur-generaal Buitenlandse economische betrekkingen

,

M. van den Berg

Bijlage

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • 1. Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L178 van 26 juni 2014, p. 1).

  • 2. De-minimisverordening: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24 december 2013, p. 1).

  • 3. DTIF-landen: alle landen met uitzondering van Nederland en de landen op de landenlijst van het Dutch Good Growth Fund (DGGF). De DGGF-landen zijn vermeld in annex 1 van de bijlage bij het Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 10 juni 2014, nr. MINBUZA-2014.304011, tot vaststelling van beleidsregels voor het verstrekken van subsidie in het kader van onderdeel 1 van het Dutch Good Growth Fund (Stcrt 2014, nr 16589; hierna: DGGF).

  • 4. Eerste wezenlijke toeleverancier: directe leverancier van producten, halfproducten of grondstoffen die voor het productieproces waarop de beoogde financiering betrekking heeft van substantiële betekenis zijn.

  • 5. Financier: een financiele instelling in Nederland of een DTIF-land, die in de Europese Unie of in het desbetreffende DTIF-land opereert onder een volledige vergunning van haar centrale bank en is aangesloten bij het depositogarantiefonds.

  • 6. Investeringsfonds: een vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met afgescheiden vermogen, ingericht overeenkomstig het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, waarin tenminste drie aandeelhouders of hoofdelijk aansprakelijke vennoten deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een meerderheidsbelang heeft in de vennootschap en die zich richt op het verwerven van participaties in Ondernemingen.

  • 7. Kinder- of dwangarbeid: elke vorm van arbeid die de Internationale Arbeidsorganisatie beoogt te verhinderen met het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, 1930 (C29, Stb. 1933, 236), het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (C105, Trb. 1957, 210), het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973 (C138, Trb. 1974, 71) of het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999 (C182, Trb. 2000, 152).

  • 8. Minister: minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • 9. Onderneming: een in Nederland gevestigde entiteit die, ongeacht haar rechtsvorm, een economische activiteit uitoefent die ten goede komt aan de Nederlandse economie en die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onder het uitoefenen van een economische activiteit wordt verstaan: het aanbieden van goederen of diensten op een markt.

  • 10. Aanspraak op garantstelling: aanspraak van een Onderneming op garantstelling door de Minister jegens een Financier ten behoeve van de Onderneming.

  • 11. Lening: een lening verstrekt door de Minister aan een Onderneming of aan een Investeringsfonds.

Hoofdstuk 2. Doelstelling, landen, doelgroep, juridische verankering en staatssteunkader

2.1. Doelstelling DTIF, landen

Het DTIF beoogt de optimalisering van het publieke financieringsinstrumentarium, ofwel, het faciliteren van toegang tot financiering voor Ondernemingen ten behoeve van directe buitenlandse investeringen en/of exporteren, met als uitgangspunt het leveren van een bijdrage aan werkgelegenheid en duurzame economische groei in Nederland.

Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim 30% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt 72% van het BNP en levert 2,2 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie op ‘nieuwe’ markten. Een noodzakelijke, en in belang toenemende, factor bij deze ambitie is toegang tot financiering voor export- en investeringen. Dit is bovenal, maar niet uitsluitend, een uitdaging voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) en speelt in versterkte mate op ‘minder traditionele’ markten: financiers kunnen of willen niet altijd de noodzakelijke (volledige) financiering verstrekken. Uit onderzoek blijkt bovendien dat het percentage afgewezen aanvragen van MKB-(handels)kredieten in Nederland tot de hoogste in Europa behoort.

De Nederlandse overheid heeft, op voorwaarde van additionaliteit (er is sprake van marktfalen) een rol om financiering voor internationaal ondernemen te faciliteren en private financiering te katalyseren. Van marktfalen wordt geacht sprake te zijn indien aangetoond wordt dat geen (volledige) financiering via de markt verkregen kan worden, terwijl er sprake is van een solide business plan. In deze gevallen kan mogelijk aanspraak worden gemaakt door Ondernemingen en Investeringsfondsen op financiering van de Minister in het kader van het DTIF.

Het DTIF integreert bestaande faciliteiten van het non-ODA financieringsinstrumentarium, te weten de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) en Finance for International Business (FIB), en introduceert directe exportfinanciering voor kleine transacties op de DTIF-landen (tot euro 5 miljoen). Ten opzichte van de voorlopers worden de criteria verruimd: zowel kleine als grotere transacties (maximale financiering tot euro 15 miljoen) zijn mogelijk en zowel het MKB als grotere bedrijven verkijgen toegang. Inmiddels worden er geen nieuwe FOM en FIB aanvragen meer in behandeling genomen.

Aldus biedt het DTIF ruimere mogelijkheden op een grotere groep landen en combineert dit met helderheid, flexibiliteit en maatwerk. Doel is om – in combinatie met het Dutch Good Growth Fund (DGGF), dat vergelijkbare financieringsvormen biedt als het DTIF – een zo breed mogelijk landenbereik te realiseren, in al deze landen soortgelijke faciliteiten te bieden, en daarmee te stimuleren dat het Nederlandse bedrijfsleven internationaal over vrijwel de hele wereld kan ondernemen. Waardoor effectiever en efficiënter ingespeeld wordt op de behoeftes van de bedrijven en potentiële private financiers.

Het DTIF zal via twee onderdelen tot uitvoering worden gebracht, te weten via:

  • 1. Financiering van activiteiten van Ondernemingen/Investeringsfondsen die investeringen willen doen in DTIF-landen;

  • 2. Financiering van Ondernemingen/Investeringsfondsen die willen exporteren naar DTIF-landen.

Het DTIF gaat open op alle landen, afgezien van de DGGF landen en Nederland. Aangezien in regelgeving ‘Nederland’ Europees Nederland betekent, gelden de Caribische landen van het Koninkrijk evenals Bonaire, Sint Eustatius en Saba als DTIF land. Bij een concrete aanvraag voor het DTIF bepaalt de RVO, in samenspraak met BZ, of de aanvraag al dan niet voor honorering in aanmerking komt. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • Aanvragen ten behoeve van transacties in een land waarop een sanctieregime van de Veiligheidsraad en/of van de EU van toepassing is, zullen met extra zorg beoordeeld worden. In geen geval mag de beoogde transactie leiden tot overtreding of ontduiking van de sancties of tot ondergraving van het Nederlandse beleid t.a.v. het onder sancties vallende land. Het VR- en EU-sanctiebeleid wordt – uiteraard – in alle gevallen gehandhaafd.

  • Vigerend exportbeleid en restricties die hieruit voortvloeien, zoals betreffende export van strategische en ‘dual use’ goederen, worden in alle gevallen gehandhaafd.

  • Voorts kan de verlangde financiering worden geweigerd indien verstrekking niet verenigbaar is met het beleid ten aanzien van de buitenlandse betrekkingen, de buitenlandse handel en de ontwikkelingssamenwerking, zoals onder andere kenbaar uit de memories van toelichting bij de begrotingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, uit het verkeer met de Staten-Generaal, uit de bekendmaking van beleidsregels of uit andere geschikte vormen van bekendmaking of mededeling.

Deze beleidsregels hebben uitsluitend betrekking op bovengenoemd onderdeel 1.

2.1.1. DTIF onderdeel 1

DTIF onderdeel 1 biedt (deels via Investeringsfondsen) financieringsmogelijkheden aan Ondernemingen met een goed investeringsplan waarbij niet alleen gekeken wordt naar de financiële prestaties, maar ook wordt getoetst of het bedrijf en de investering voldoen aan de eisen van (Internationaal) maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Uitgangspunt is dat uitsluitend activiteiten gefinancierd worden waar een goede business case aan ten grondslag ligt en die rendabel zijn.

Daarnaast geldt dat (in ieder geval) geen financiering kan worden aangevraagd voor investeringen in vastgoed. Op www.rvo.nl/dtif staat een nadere toelichting hierbij.

2.2. Doelgroep

DTIF richt zich op alle Ondernemingen met een in Nederland gevestigde entiteit die, ongeacht de rechtsvorm, een economische activiteit uitoefenen die ten goede komt aan de Nederlandse economie en die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onder het uitoefenen van een economische activiteit wordt in dit verband verstaan: het aanbieden van goederen of diensten op een markt. In het kader van DTIF kan ook via een Investeringsfonds financiering worden verkregen voor het doen van investeringen in DTIF-landen. In dat geval wordt de financiering verstrekt aan het Investeringsfonds dat vervolgens participeert in Ondernemingen die deze investeringen willen doen.

2.3. Juridische verankering

Financiering in het kader van DTIF onderdeel 1 wordt verstrekt als subsidie in de vorm van een lening of een garantstelling. Een lening kan worden verstrekt aan een Onderneming of Investeringsfonds. Een lening aan een Investeringsfonds is bedoeld voor het verkrijgen van participaties in Ondernemingen voor het doen van investeringen in een DTIF-land. Deze financieringsvorm wordt ook wel ‘indirecte participatie’ of ‘fund-in-fund financiering’ genoemd.

Financiering in de vorm van leningen wordt verankerd in een financieringsovereenkomst die als uitvoeringsovereenkomst bij de subsidiebeschikking hoort. Voor deze vormgeving is gekozen omdat verstrekking van de financiering – ondanks het bestaan van een terugbetalingsplicht – moet worden aangemerkt als een ‘aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten’ en daardoor dus op grond van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt als ‘subsidie’. De totstandkoming van de subsidiebeschikking wordt beheerst door het publiekrecht, de inhoud van de financieringsovereenkomst door het privaatrecht. Dit betekent dat de subsidiebeschikking niet de details van de financieringsovereenkomst omvat. Wel is er een directe link tussen de subsidiebeschikking en financieringsovereenkomst, in die zin dat met het beeindigen of vervallen van de een, het lot van de ander bezegeld is. In zoverre hangt de naleving van de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen samen met de subsidiebeschikking en andersom. Voor elke financieringsmogelijkheid is er een model financieringsovereenkomst.

Het verlenen van een aanspraak op garantstelling wordt verankerd in een garantstellingsovereenkomst die als uitvoeringsovereenkomst bij de subsidiebeschikking hoort. De totstandkoming van de subsidiebeschikking wordt beheerst door het publiekrecht, de inhoud van de garantstellingsovereenkomst en de daaruit voorvloeiende individuele garantieverleningen door het privaatrecht. Dit betekent dat de subsidiebeschikking niet de details van de garantstellingsovereenkomst omvat. Wederom geldt dat er een directe link tussen de subsidiebeschikking en garantstellingsovereenkomst is, in die zin dat met het beeindigen of vervallen van de een, het lot van de ander bezegeld is. In zoverre hangt de naleving van de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen samen met de subsidiebeschikking en andersom. Voor elke garantiemogelijkheid is er een model garantstellingsovereenkomst.

De subsidie in de vorm van een lening wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat binnen een in de beschikking bepaalde termijn de beoogde financieringsovereenkomst tot stand komt. Een positieve beschikking biedt de aanvrager daarom nog niet de zekerheid dat de beoogde transactie doorgang zal vinden: die zekerheid bestaat pas als de overeenkomst tot stand is gekomen. Wel biedt de beschikking grond voor het vertrouwen dat de intentie van de Minister gericht is op het bereiken van overeenstemming. In geval van garantieverstrekking zal de daadwerkelijke verstrekking van de garantie plaats vinden onder de opschortende voorwaarde dat er een garantstellingsovereenkomst tot stand komt en de Financier daadwerkelijk tot verstrekking van de financiering waarvoor de aanspraak op garantstelling is aangevraagd is overgegaan.

2.4. Staatssteunkader

Randvoorwaarde is dat de financiering binnen de bedding van de Europese staatssteunregels blijft.

Er is geen sprake van staatssteun als de minister bij de toekenning van financieringen handelt op voorwaarden die een vergelijkbare private investeerder in soortgelijke omstandigheden ook zou aanvaarden (het zgn. ‘Beginsel van de private investeerder’). Voor het verstrekken van leningen geldt dat daarmee geen steun wordt verleend, indien de Minister deze tegen vergelijkbare voorwaarden verstrekt als die de leningnemer op de particuliere kapitaalmarkten had kunnen verkrijgen. De marktconformiteit wordt bepaald aan de hand van een gelijksoortige markttransactie (een benchmark); bijvoorbeeld via recente leningen met de onderneming in kwestie of door de lening te vergelijken met leningen met andere vergelijkbare ondernemingen. Als dat niet mogelijk is, geldt als alternatief dat de marktconformiteit kan worden bepaald aan de hand van de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en verdisconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19 januari 2008, p. 6). Dat de te verstrekken financieringen additioneel zijn aan de markt en niet concurreren met bestaande financiers betekent voor de goede orde niet dat de financiering niet marktconform kan zijn.

Voor garanties geldt dat om staatssteun te voorkomen een garantiepremie wordt betaald die in de markt gebruikelijk is voor soortgelijke garanties. De hoogte daarvan kan worden bepaald aan de hand van specifieke marktinformatie over de transactie, gebaseerd op het risicoprofiel van de onderneming. Bij gebrek daaraan kan een benchmark worden uitgevoerd met een gelijksoortige transactie voor een gelijksoortige onderneming of door de financiële kostprijs van de gegarandeerde lening te vergelijken met de marktprijs van een vergelijkbare niet-gegarandeerde lening. Als het op basis van één van deze methodes niet mogelijk is om de garantiepremie te berekenen, dan zal de premie worden berekend in overeenstemming met de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20 juni 2008, p. 10)

Indien een financiering niet op marktconforme voorwaarden wordt verstrekt, en er dus sprake is van een steunmaatregel in de zin van artikel 107 EU-werkingsverdrag, moet de financiering in beginsel vooraf ter goedkeuring worden aangemeld bij de Europese Commissie. Op deze aanmeldingsverplichting bestaat een uitzondering, o.a. indien de financiering binnen de grenzen van de de-minimisverordening blijft of indien de financiering in overeenstemming kan worden gebracht met de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV). In dat geval is er sprake van staatssteun die is geoorloofd.

Voor een beroep op de de-minimisverordening of de AGVV geldt een aantal formele vereisten. Zo sluit zowel de de-minimisverordening als de AGVV, die met name ziet op het MKB, steun voor met de uitvoer verband houdende activiteiten (‘exportsteun’) of die afhangt van het gebruik van binnenlandse goederen uit. Verder is een beroep op de AGVV enkel mogelijk indien de betreffende onderneming niet in financiële moeilijkheden verkeert en jegens haar geen bevel tot terugvordering uit staat.

Als een financiering niet op marktconforme voorwaarden kan worden verstrekt, en een beroep op de AGVV evenmin open staat, kan een lening of garantie enkel worden verstrekt als is voldaan aan de de-minimisverordening. Deze vrijstelling staat tot staatssteun tot € 200.000,– over drie belastingjaren toe. Voor leningen en garanties bevat de de-minimisverordening specifieke bepalingen.

Hoofdstuk 3. Financieringsmogelijkheden

3.1. Algemeen

De uitvoerder namens de Minister, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), zal beoordelen of de investering gezond is en of zij deze op verantwoorde wijze kan steunen. Afhankelijk van het risicoprofiel van de investering (op basis van het risico van de Onderneming, het land en de activiteiten) en afhankelijk van de bereidheid van andere financiers om (gedeeltelijk) mee te investeren wordt een lening, garantie of een combinatie van leningen en/of garanties verstrekt. Per instrument zal uiteindelijk een zelfstandige risicoafweging plaatsvinden, waarbij indien mogelijk RVO een coördinerende rol zal spelen met betrekking tot de benodigde informatievoorziening.

Financiering in het kader van DTIF onderdeel 1 kan – zoals gezegd – in verschillende vormen worden verstrekt. Het kan daarbij gaan om leningen en garanties, zowel afzonderlijk als in combinatie. De beleidsregels bieden ten behoeve van Ondernemingen de volgende mogelijkheden om financiering beter toegankelijk te maken:

  • 1. Lening aan een Onderneming;

  • 2. Lening aan een Investeringsfonds met het oog op het verwerven van participaties door dit Investeringsfonds in een Onderneming (Fund in Fund financiering);

  • 3. Aanspraak op garantstelling.

Financiering op grond van deze beleidsregels bedraagt niet meer dan € 15 miljoen.

3.2. Leningen aan een Onderneming

De Minister kan op aanvraag van een Onderneming een subsidie in de vorm van een lening verstrekken ten behoeve van de financiering van investeringen in een DTIF-land.

Het uitgangspunt is dat de beoogde transactie voor ten minste 51% van de financieringsbehoefte mede wordt gefinancierd door een of meer private co-financiers. Als er geen private co-financiers zijn die willen voorzien in (gedeeltelijke) financiering kan de Minister ook een lening voor maximaal 100% van de financieringsbehoefte verstrekken, mits dit binnen onderstaande uitgangspunten past en uit een door RVO uit te voeren risicocheck blijkt dat de lening wordt aangevraagd voor een gezonde en verantwoorde investering.

De leningen worden enkel verstrekt indien deze in overeenstemming zijn met het ‘principe van de investeerder in een markteconomie’, zoals hiervoor onder 2.4 toegelicht. De leningnemer zal voor de lening een marktconforme rente verschuldigd zijn en ten minste bevredigende zekerheden moeten bieden. De Minister dient de lening te verstrekken op voet van gelijkheid met andere crediteuren, met dien verstande dat de lening niet zal zijn achtergesteld op vorderingen van andere crediteuren. De voor de leningen te betalen rente zal in uitgangspunt worden vastgesteld aan de hand van een benchmark met een door private co-financier verstrekte lening aan de onderneming of met een vergelijkbare markttransactie. Indien dat niet mogelijk blijkt te zijn, zal de rente worden vastgesteld conform de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en verdisconteringspercentages worden vastgesteld.

In geval de lening niet in overeenstemming met het ‘principe van de investeerder in een markteconomie’ wordt verstrekt, dan kan een lening enkel worden verstrekt onder de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 21/22 AGVV of met toepassing van de de-minimisvoorwaarden. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan.

3.3. Leningen aan een Investeringsfonds met het oog op participaties door dit Investeringsfonds in een Onderneming (Fund in Fund financiering)

De Minister kan op aanvraag van een Investeringsfonds een lening verstrekken voor het verkrijgen van participaties in MKB Ondernemingen voor het doen van investeringen in een DTIF-land.

Terugbetaling vindt plaats voor zover de participaties inkomsten opleveren, waarbij geldt dat 20% van de inkomsten moet worden afbetaald. Dit met dien verstande dat het eerste voor rekening van de Minister komende verlies wordt gemaximeerd op 25% van de totale door de Minister verstrekte lening. Dit levert een hefboomwerking op voor het rendement van de private (van de MKB Onderneming onafhankelijke) kapitaalverschaffers van het investeringsfonds en stimuleert private kapitaalverschaffers (meer) te gaan investeren in expansie van Ondernemingen in DTIF-landen. Als het Investeringsfonds de investering heeft terugverdiend, moet 50% van de inkomsten worden afgedragen totdat de verstrekte financiering is afbetaald. Als vervolgens additionele inkomsten worden gegenereerd, worden deze 80% – 20% verdeeld tussen het Investeringsfonds en de Minister.

De aan het Investeringsfonds te verstrekken lening moet voldoen aan de criteria van artikel 21 van de AGVV, die voorziet in een vrijstelling voor risicofinanciering ten behoeve van MKB-ondernemingen. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan de vrijstellingsvoorwaarden van deze bepaling wordt voldaan en neemt daarbij onder andere de volgende aspecten in zijn beoordeling mee.

Het Investeringsfonds moet in ieder geval voldoen aan de eisen die onder 4.1.2 zijn vermeld en die mede zijn gebaseerd op de eisen van artikel 21 AGVV.

De betreffende Onderneming waarin het Investeringsfonds participeert, moet een MKB onderneming zijn die voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van de AGVV. Om voor een lening in aanmerking te komen, mag de MKB Onderneming nog niet op een markt actief zijn geweest of minder dan zeven jaar (gerekend vanaf de eerste commerciële verkoop) actief zijn op een markt. Ten behoeve van MKB Ondernemingen die langer dan zeven jaar op een markt actief zijn, kan enkel een lening worden verstrekt indien deze ondernemingen een initiële risicofinancieringsinvestering nodig hebben die, op basis van een ondernemingsplan dat is opgesteld met het oog op het betreden van een nieuwe productmarkt of geografische markt, meer bedraagt dan 50% van de gemiddelde jaaromzet in de voorafgaande vijf jaar. Daarnaast geldt dat de MKB Onderneming niet in financiële moeilijkheden mag verkeren en jegens haar geen bevel tot terugvordering mag uitstaan. De aanvraag en het business plan van de MKB Onderneming dienen te voldoen aan de in hoofdstuk 4 opgesomde (relevante) voorwaarden, die mede zijn gebaseerd op de eisen van artikel 21 AGVV.

In geval de lening aan het Investeringsfonds niet kan worden geschaard onder de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 21 AGVV, bijvoorbeeld omdat de lening is gericht op een participatie in een grote onderneming, dan kan een lening enkel worden verstrekt op marktconforme voorwaarden of met toepassing van de de-minimisvoorwaarden. Een Investeringsfonds kan dan maximaal 40% van de investering financieren met de lening. De leningverstrekking zal in overeenstemming moeten zijn met hetgeen hiervóór onder 3.2 staat opgenomen.

3.4. Aanspraak op garantstelling

De Minister kan uitsluitend op aanvraag van een Onderneming subsidie verstrekken in de vorm van een garantie ter dekking van eventuele verliezen op een verstrekte financiering (leningen en/of aandelenkapitaal) op grond van een tussen de Onderneming en Financier gesloten of te sluiten financieringsovereenkomst, welke overeenkomst is aangegaan met het doel van investeringen in een DTIF-land.

Door middel van deze mogelijkheid kan er vanuit DTIF borg gestaan worden voor een percentage van maximaal 60% voor de financiering die een Financier verstrekt. De Minister neemt een deel van de risico’s over waardoor de Financier eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen.

De Minister zal de garantie enkel op marktconforme voorwaarden verstrekken. De verschuldigde premie voor de garantie zal worden bepaald aan de hand van specifieke marktinformatie over de transactie, gebaseerd op het risicoprofiel van de onderneming of, bij gebreke daaraan, op basis van een benchmark met een gelijksoortige transactie voor een gelijksoortige onderneming. Als dat niet mogelijk is zal de premie worden gebaseerd op een vergelijking van de financiële kostprijs van de gegarandeerde lening met de marktprijs van een vergelijkbare niet-gegarandeerde lening. Als het op basis van één van deze methodes niet mogelijk is om de garantiepremie te berekenen, dan zal de premie worden berekend in overeenstemming met de Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20 juni 2008, p. 10).

Als de garantie niet onder marktconforme voorwaarden kan worden verstrekt, dan kan enkel een garantie worden verstrekt, indien deze valt onder de De-minimis-verordening of artikel 21/22 van de AGVV. De uitvoerder zal bij de aanvraag toetsen of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Voorwaarde is onder meer dat tegen de onderneming op wiens lening de garantie betrekking heeft, geen collectieve insolventieprocedure loopt en zij niet voldoet aan de criteria om aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-.

Garanties kunnen van de de-minimus vrijstelling profiteren als de bruto-subsidie-equivalent kan worden bepaald op basis van in mededelingen van de Commissie genoemde safe-harbour-premies. Een garantie kan ook onder de vrijstelling vallen indien deze niet meer dan 80% van de onderliggende lening bedraagt en ofwel het garantiebedrag maximaal € 1.500.000 bedraagt () en de garantie een looptijd van maximaal vijf jaar heeft, ofwel het garantiebedrag maximaal € 750.000 bedraagt () en de garantie een looptijd van maximaal tien jaar heeft.

Hoofdstuk 4. Criteria

In het kader van deze beleidsregels vindt de beoordeling van aanvragen voor financiering en de besluitvorming over de inhoud van de daarop betrekking hebbende financieringsovereenkomst plaats aan de hand van de in deze beleidsregels opgenomen criteria.

4.1. Commerciële haalbaarheid

Leningen en garantieverstrekkingen die ten laste komen van DTIF moeten commercieel haalbaar zijn en derhalve dient sprake te zijn van een goed uitgewerkte en solide business case. De financiering wordt verstrekt als ondernemingsfinanciering en niet als projectfinanciering. De Onderneming of het Investeringsfonds aan wie de financiering zal worden verstrekt, zal in ieder geval aan de volgende voorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een DTIF lening en/of -garantie. De RVO zal op basis van boekenonderzoek nagaan of aan deze voorwaarden wordt voldaan.

  • De rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de Onderneming of het Investeringsfonds dienen bevredigend te zijn;

  • De rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de investering van de Onderneming of het Investeringsfonds in het DTIF-land dienen bevredigend te zijn;

  • De winstgevendheidsperspectieven van de Onderneming of het Investeringsfonds dienen bevredigend te zijn;

  • De Onderneming of het Investeringsfonds verkeert niet in financiële moeilijkheden en tegen de Onderneming of het Investeringsfonds die financiering aanvraagt of aan wie financiering is verstrekt waarop garantie wordt aangevraagd loopt geen collectieve insolventieprocedure en de Onderneming of het Investeringsfonds voldoet niet aan de criteria om aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

  • Er mogen in de voorafgaande periode van twaalf maanden niet meer middelen aan de Onderneming of het Investeringsfonds onttrokken zijn dan een redelijk te achten bedrijfsvoering meebrengt en er zijn ook geen verplichtingen tot een zodanige onttrekking aangegaan;

  • De investering waarop de aanvraag betrekking heeft, heeft niet in overwegende mate betrekking op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed of andere activa zonder dat er sprake is van significante waarde toevoeging door eigen productieve activiteiten;

  • De financiering of garantie heeft niet als doel de afwenteling van bestaande risico’s op de Staat;

  • De gevraagde financiering of de financiering waarop garantie wordt gevraagd dient niet ter vervanging van een bestaande financiering. De gevraagde financiering moet – met andere woorden – additioneel zijn aan de markt; voor zover een commerciele financier gevonden kan worden, vindt geen financiering vanuit het DTIF plaats.

Naast bovenstaande algemene criteria zullen in ieder geval de volgende instrument specifieke criteria gelden:

4.1.1. Lening aan een Onderneming

  • Het dient voldoende aantoonbaar te zijn dat de deskundigheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht en stabiliteit van de (co-)Financier voldoende gewaarborgd is;

  • De Onderneming die de lening aanvraagt oefent niet een bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uit en heeft ook geen participatiemaatschappij;

  • In geval van (co)-financiering, dient deze in zijn geheel in geld te worden verstrekt;

  • In geval een volledige lening wordt aangevraagd, dient de Onderneming zelf risicodragend te participeren in de investering.

4.1.2. Lening aan een Investeringsfonds met het oog op het verwerven van participaties door dit Investeringsfonds in een Onderneming (Fund- in-Fund financiering)

  • Voor iedere lening die de Minister aan het Investeringsfonds verstrekt, wordt voorzien in een heldere en realistische exitstrategie;

  • Het Investeringsfonds is verplicht om met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen;

  • Het Investeringsfonds ontvangt ofwel een prestatieafhankelijke vergoeding, ofwel draagt een deel van de investeringsrisico’s door eigen middelen mee te investeren tegen dezelfde risicovoorwaarden als de lening die de Minister verstrekt. De vergoeding is in alle gevallen marktconform.

  • Het dient voldoende aannemelijk te zijn dat het Investeringsfonds gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die het Investeringsfonds aan het investeringsbudget bijdraagt;

  • Het Investeringsfonds draagt ervoor zorg dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken en beheren van financieringen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als verstrekker van een lening;

  • Er dient voldoende vertrouwen te bestaan dat de fondsmanagers de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van het Investeringsfonds op een wijze zoals bij participatiemaatschappijen gebruikelijk is. Daarnaast staat het Investeringsfonds er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken en beheren van financieringen en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn;

  • Bij of in verband met het verkrijgen van een participatie verstrekt het Investeringsfonds geen andere goederen dan geld;

  • Het fondsplan gebaseerd is op de uitgangspunten dat:

    • Het verenigbaar is met de beleidsdoelstellingen van DTIF, zoals uiteengezet in deze beleidsregels;

    • Een investeringsfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt. In de vervreemdingsperiode is het wel mogelijk om vervolginvesteringen te doen;

    • De totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in een Onderneming worden verkregen, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 3.500.000 bedraagt;

    • De gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een Investeringsfonds gedurende de investeringsperiode per Onderneming verkrijgt, over alle Ondernemingen genomen ten hoogste € 1.200.000 bedraagt;

    • De beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget;

    • De fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie;

    • Voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;

    • Bij de beslissing van het Investeringsfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende Onderneming;

  • Het fondsplan dient voldoende te zijn onderbouwd;

  • Er dient voldoende vertrouwen te bestaan dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd.

4.1.3. Aanspraak op garantstelling

  • Het dient voldoende aantoonbaar te zijn dat de deskundigheid, betrouwbaarheid, financiële draagkracht en stabiliteit van de Financier voldoende gewaarborgd zijn. Hieronder wordt verstaan:

    • a) De Financier draagt er zorg voor dat een actief en winstgericht beleid wordt gevoerd voor het verstrekken en beheren van financieringen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de Staat als garantsteller;

    • b) De Financier draagt er voor zorg dat degenen die met het verstrekken en beheren van financieringen zijn belast beschikken over de nodige deskundigheid;

    • c) De Financier staat er voor in dat degenen die zijn belast met het verstrekken en beheren van financieringen en met de bepaling van en het toezicht op het beleid ter zake betrouwbaar zijn.

  • De Onderneming die de garantie aanvraagt oefent niet het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uit en heeft ook geen participatiemaatschappij;

  • De te garanderen financiering dient in zijn geheel in geld te worden verstrekt.

Dat de aanvrager voldoet aan de onder de eerste bullet gestelde vereisten kan blijken uit bij de aanvraag verstrekte gegevens dan wel uit een voorafgaande, geldige accreditatie door RVO of FMO.

4.2. Additionaliteit

De te verstrekken financieringen zijn additioneel aan de markt en concurreren niet met bestaande financiers (geen ‘crowding-out’ effecten). Er kan alleen een financiering worden aangevraagd als de commerciële markt niet bereid is (volledig) in de financiering te voorzien.

4.3. Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)

De (I)MVO-beoordeling is een integraal onderdeel van de financieringsaanvraag. Ondernemers en Investeringsfondsen dienen te voldoen aan de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Deze richtlijnen maken duidelijk wat de Nederlandse overheid van het gedrag van ondernemingen verwacht. Ze bieden een handvat voor gedragscodes van ondernemingen om met verschillende aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen om te gaan. De richtlijnen gaan onder andere in op milieukwesties, mensenrechten en arbeidsomstandigheden, maar bijvoorbeeld ook op corruptie, mededinging, ketenverantwoordelijkheid, belastingen en informatieverstrekking

In het kader van de OESO richtlijnen wordt vereist dat bedrijven hun ketenverantwoordelijkheid serieus nemen. Hiertoe zullen zij, waar nodig ondersteund door RVO, een risicoanalyse volgens de OESO-richtlijnen uitvoeren met betrekking tot de belangrijkste toeleveringsketens van de te financieren activiteit. Het betreft een analyse van de ketens van de meest elementaire grondstoffen en halffabricaten benodigd voor de fabricage van het eindproduct.

Voor de (I)MVO-beoordeling wordt de aangeleverde informatie beoordeeld aan de in het desbetreffende DTIF-land geldende wet- en regelgeving. De hierbij gehanteerde internationale richtlijnen zijn de IFC Performance Standards12.13

Op basis van de risicoanalyse zal voor projecten met een hoog risico een plan moeten worden opgesteld om eventuele negatieve effecten te voorkomen dan wel te mitigeren. Afgesproken IMVO maatregelen zijn onderdeel van de financieringsovereenkomst. De aanvrager zal de in dit plan voorgestelde maatregelen uitvoeren en hierover communiceren.

Ondernemers en Investeringsfondsen dienen een goede reputatie te hebben op het gebied van IMVO. Dit blijkt uit een vastgelegd IMVO-beleid voor de eigen onderneming. Het IMVO-beleid moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten van OESO, en eventueel gecertificeerd volgens ISO 26.000. Het plan geeft aan hoe het IMVO-beleid in de praktijk wordt gebracht en wie daarvoor verantwoordelijk is.

De mate waarin de wederpartij van RVO zelf in staat moet zijn om de vereiste due diligence onderzoeken en de monitoring en rapportages met betrekking tot de voor de ontwikkelingsdoelstellingen en de IMVO relevante aspecten uit te voeren, hangt mede af van de betrokkenheid van meerdere partijen en de wijze waarop de financiering wordt vormgegeven: indien een lening of garantie wordt verstrekt aan een financier met het oog op de financiering van een derde partij, kunnen due diligence en monitoring worden uitgevoerd door de RVO indien deze als cofinancier optreedt van dezelfde onderneming. Indien RVO niet als cofinancier optreedt, kan de financier due diligence, monitoring en rapportages voor zijn rekening moeten nemen. Case by case wordt beoordeeld welke partij hiermee zal worden belast.

Het DTIF zal geen activiteiten financieren die op de FMO uitsluitingslijst, te vinden op http://www.fmo.nl/exclusion-list, worden genoemd. Tevens zal van aanvragers worden geëist dat zij geen gebruik maken van kunstmatige constructies om hun winsten of te betalen bronheffingen te verlagen in DTIF landen. ‘Onder kunstmatige constructies’ vallen alle (juridisch legale) constructies, die enkel gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk ontlopen van belastingen in DTIF landen dan wel het kunstmatig verlagen van de belastingaanslag in die landen.

Aan de financiering zal de bijzondere meldingsplicht, bedoeld in de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten subsidies, worden verbonden: De ontvanger van de financiering dient er zorg voor te dragen dat de projectpartners en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten. De ontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder- of dwangarbeid bij deze bedrijven onverwijld te melden bij RVO. Als die meldingsplicht niet wordt nageleefd, kan de Minister een boete opleggen.

Hoofdstuk 5. Procedure

5.1. Uitvoerder

De Minister heeft de uitvoering van deze beleidsregels opgedragen aan de RVO en heeft de RVO daartoe een passend mandaat en volmacht verstrekt. RVO is onderdeel van het ministerie van Economische Zaken en werkt bij de toepassing van deze beleidsregels onder verantwoordelijkheid van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

5.2. Aanvraag

Afhankelijk van het gewenste instrument kan de Onderneming of het Investeringsfonds een aanvraag indienen bij RVO. RVO behandelt de aanvragen in volgorde van binnenkomst. RVO stelt een aanvraagformulier beschikbaar. De aanvraag kan in de Nederlandse of Engelse taal worden ingediend.

In aanvulling op artikel 25 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken dient er bij toepassing van de de-minimisverordening in de uitvoering van deze beleidsregels een ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring bijgevoegd te worden.

5.3. Besluitvorming

RVO bepaalt of de aanvraag zelfstandig of in combinatie met andere financiers verder wordt behandeld. RVO is bevoegd om op basis van eigen beoordeling zowel indirect als direct namens de Staat financiële overeenkomsten aan te gaan met een Onderneming, Investeringsfonds en/of Financier.

Uit oogpunt van een evenwichtige portefeuilleopbouw en risicobeheersing zal bij de toepassing van deze beleidsregels worden gestreefd naar een evenwichtige spreiding over aanvragers, type debiteuren, landen, sectoren en type financieringen.

5.4. Afwijzingsgronden

Aanvragen worden allereerst getoetst aan ontvankelijkheidsvereisten als bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvragen die op grond van deze ontvankelijkheidstoets in behandeling worden genomen, worden vervolgens beoordeeld in het licht van de criteria van deze beleidsregels.

Naast de gevallen genoemd in de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, wijst de Minister een aanvraag in ieder geval af indien niet wordt voldaan aan (één of meer van de criteria in) deze beleidsregels en/of niet wordt voldaan aan andere geldende wet- en regelgeving.

Zie voor afwijzingsgronden ook het gestelde onder hoofdstuk 1 van deze beleidsregels.

5.5. Transparantie

Vanuit het oogpunt van transparantie wordt 30 dagen voor afgifte van een financiering de niet-bedrijfsgevoelige informatie openbaar gemaakt. De datum van publicatie geldt als de eerste dag van de 30 dagen termijn.

De volgende informatie wordt op de website van RVO geplaatst:

  • Titel project zonder de naam van de onderneming

  • Korte omschrijving

  • Investeringsland

  • Risicocategorie

  • Naam en telefoonnummer contactpersoon DTIF

Ingeval de staatssteun, die op grond van deze beleidsregels wordt verkregen en die door de Algemene Groepsvrijstelling (AGVV) wordt gerechtvaardigd, meer bedraagt dan € 500.000, maakt de Minister de gegevens, genoemd in bijlage III van de AGVV, bekend.

5.6. Klachtprocedure

Onverminderd de ingevolge de Algemene wet bestuursrecht openstaande mogelijkheden van bezwaar en beroep beschikt RVO over een klachtenprocedure, die waarborgen biedt voor een behoorlijke, zorgvuldige, vlotte en onafhankelijke afhandeling van klachten over de wijze waarop RVO zich gedraagt in het kader van het beheer van het fonds.

5.7. Monitoring en evaluatie

Ten behoeve van het monitoren en evalueren van de werking van de beleidsregels en de bereikte resultaten en doelstellingen kan RVO de daartoe benodigde gegevens bij de betrokken aanvragers opvragen. Een daartoe strekkende verplichting zal aan de beschikking of de uitvoeringsovereenkomst verbonden kunnen worden.