Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht

Geldend van 01-03-2017 t/m heden

Besluit van 13 juli 2016, houdende regels betreffende de digitale rechtsgang in het burgerlijk en bestuursrecht (Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 september 2015, nr. 680800;

Gelet op de artikel en 30c, derde lid, 30f, 30n, achtste lid, van het Wetboek van Rechtsvordering, artikelen 8:36b, tweede lid, 8:36d, tweede lid en 8:36f van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2016, nr. W03.15.0303/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, nr. 780952;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit worden onder rechterlijke instanties verstaan:

Artikel 2

  • 1 De rechterlijke instanties stellen een digitaal systeem voor gegevensverwerking ter beschikking. Dit systeem voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de gebruiker van het systeem wordt geïdentificeerd;

    • b. na te gaan is wie wordt beschouwd als verzender van een bericht;

    • c. na te gaan is of een bericht is gewijzigd na het moment van verzending;

    • d. na te gaan is op welk tijdstip een bericht is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in het systeem;

    • e. na te gaan is wanneer zich een storing in het systeem voordoet en heeft voorgedaan; en

    • f. de stukken in het digitale dossier zijn in het systeem uitsluitend toegankelijk voor personen die daarvoor zijn geautoriseerd.

  • 2 Het digitale systeem, genoemd in het eerste lid, is ingericht volgens nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan welke standaarden dit digitale systeem in ieder geval voldoet.

Artikel 3

Authenticatie om toegang te krijgen tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties, vindt plaats met een middel dat voldoet aan de volgende eisen:

  • a. het is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie;

  • b. het gaat uit van een tweefactorauthenticatie; en

  • c. het is aangewezen door de rechterlijke instanties.

Artikel 4

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop berichten worden ingediend langs de weg als bedoeld in het eerste lid. Tevens kunnen nadere regels worden gesteld die betrekking hebben op de eisen waaraan een bericht dient te voldoen dat langs deze weg wordt ingediend.

Artikel 5

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, voldoet de handtekening die handmatig op een elektronische gegevensdrager wordt geschreven aan de volgende eisen:

    • a. zij heeft plaatsgevonden in het bijzijn van een rechter of griffier of is gezet door een rechter of griffier; en

    • b. zij is op zodanige wijze verbonden aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft, dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van het document kunnen worden achterhaald.

Artikel 6

  • 1 Indien een natuurlijk persoon over een burgerservicenummer beschikt, is

    • a. degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent,

    • b. de gerechtsdeurwaarder, of

    • c. een andere gemachtigde in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen,

    bevoegd om dit nummer van de persoon die hij vertegenwoordigt of in wiens opdracht hij handelt te verwerken tijdens een procedure.

  • 2 De gerechtsdeurwaarder is tevens bevoegd om bij het indienen van de procesinleiding en het exploot van betekening het burgerservicenummer van de verweerder te verwerken, indien deze een natuurlijke persoon is die hierover beschikt.

Artikel 7

In aanvulling op artikel 30c, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:36b, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geldt de verplichting tot procederen langs elektronische weg niet voor een onderneming of rechtspersoon die niet op grond van artikel 5 of artikel 6 Handelsregisterwet is ingeschreven in het handelsregister, tenzij deze wordt vertegenwoordigd door een derde die in Nederland verplicht is tot digitaal procederen.

Artikel 8

Indien op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van die termijn verschoonbaar indien het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen. Artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet is van overeenkomstige toepassing op deze eerstvolgende dag.

Artikel 9

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Paros, 13 juli 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Uitgegeven de eenentwintigste juli 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur